Summary Abnormal Child and Adolescent Psychology With DSM-V Updates

-
ISBN-10 0133766985 ISBN-13 9780133766981
199 Flashcards & Notes
12 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Abnormal Child and Adolescent Psychology With DSM-V Updates
  • Rita Wicks Nelson Allen C Israel
  • 9780133766981 or 0133766985
  • 2014

Summary - Abnormal Child and Adolescent Psychology With DSM-V Updates

  • 1 Inleiding

  • Welke factoren spelen mee in het definiëren van abnormaliteit?
    1. atypisch en schadelijk gedrag
    2. ontwikkelingsstandaarden
    3. culturele normen
    4. seksenormen
    5. situationele normen
    6. de rol van anderen 
    7. veranderende kijk op gedrag (door de jaren heen)
  • Kun je psychopathologie zomaar definiëren?
    Nee dat kan niet. Het is namelijk een oordeel over iemands gedrag, emotie of denken waarbij verschillende factoren in acht moeten worden genomen en meespelen.
  • Noem enkele gedragsindicatoren voor een stoornis
    1. ontwikkelingsachterstand
    2. achteruitgang/verslechtering van de ontwikkeling
    3. extreem hoog of lage frequentie van het gedrag
    4. extreem hoog of lage intensiteit van het gedrag
    5. voortdurende gedragsproblemen
    6. gedrag dat ongepast is in de situatie
    7. abrupte gedragsveranderingen
    8. meerdere probleemgedragingen
    9. kwalitatief afwijkend gedrag 
  • Hoe vaak komen psychische problemen voor?
    5.4 tot 35.5% van de jeugd tussen 4 en 18 jaar heeft problemen.
    Hoe vaak iets voor komt heeft te maken met het meetinstrument, definities van psychopathologie en verschillen in populaties. Daarnaast ontvangt ook niet iedereen die te maken heeft met een stoornis hulp wat het cijfer beïnvloedt.
  • Op een schaal van 0 tot 18 jaar. Hoe ziet de verdeling van het voor het eerst uiten van een stoornis eruit?
    Geboorte: taal problemen, autisme, asperger, intellectuele stoornissen
    Tussen circa 6-12 jaar: ADHD stoornis
    Tussen circa 6-18 jaar: leer problemen
    Tussen circa 7-17 jaar: gedragsstoornissen
    Adolescentie: schizofrenie, drugsmisbruik, BN, AN
  • Wat weten we over het verband tussen gender en stoornissen?
    Jongens: externaliserende stoornissen
    Meisjes: internaliserende stoornissen
    Jongens hebben een verhoogde risico op stoornissen
  • Waar heeft gender impact op?
    Timing (first occurrence), ernst en expressie
  • Hoe keek men vroeger tegen psychopathologie aan?
    19de eeuw
    • Gefocust op volwassenen
    • Demonologie (bezeten zijn)
    • Somatogenesis (disfunctioneren en disbalans van het lichaam)
    • Focus op een enkele oorzaak
  • Wie was de grondlegger van het eerste classificatie systeem?
    Kraeplin (1883), basis voor DSM
  • Wanneer was het omslagpunt waarop men anders tegen volwassen- en kind psychopathologie ging aankijken?
    Tegen het begin van de 20ste eeuw. Men ging volwassenen en kinderen meer los van elkaar zien en progressie werd gemaakt rondom conceptualisatie en etiologie.
  • Leg uit wat de ideeen waren van Freud
    Hij is de grondlegger van de psychoanalytische theorie. Dit was de eerste theorie om mentale stoornissen te begrijpen. Geloofde in de psychogenese: mentale problemen zouden het gevolg zijn van psychologische factoren; onbewuste conflicten uit de kindertijd zijn bepalend voor het gedrag.
  • Wat zijn id, ego en superego?
    Volgens Freud: structuren in het hoofd die constant met elkaar in conflict zijn. 
    Id: driften
    Ego: het rationele
    Superego: geweten (normen en waarden)
  • Noem de fasen van Freud's psychoseksuele fase theorie
    1. oraal; baby's 
    2. anaal; zindelijk worden
    3. fallisch; kind wil de andere seksen voor zich winnen en moet zich daardoor identificeren (oedipus/elektra complex)
    4. latent; schoolkind 
    5. genitaal; rond begin puberteit, biologische rijpheid
  • Wat is het behaviorisme?
    Ontwikkeld door Watson
    Het meeste gedrag wordt veroorzaakt door leerervaringen
  • Welke (sociale) leertheorieen liggen ten grondslag aan Watson's behaviorisme?
    - klassiek conditioneren (Pavlov)
    - Operant conditioneren (Skinner)
    - sociale leertheorie (Bandura) -> observatief leren, modelling.
  • Welke aspecten zijn belangrijk in ons hedendaags werken?
    • Werken vanuit een multidisciplinair team
    • De rol van ouders
    • De therapeutische alliantie -> goede band tussen client en hulpverlener
  • Wat is een paradigma?
    Bevat aannames en concepten over bepaalde fenomenen en onderzoekers delen ook die zienswijze.
  • Wat is het verschil tussen een model en een theorie?
    Een theorie is een formeel, geïntegreerde set van principes die fenomenen verklaart
    Een model bevat een representatie of beschrijving van het fenomeen wat wordt bestudeerd.  
    Het verschil zit in het verklaren v.s. het bekijken hoe een bepaald fenomeen vorm krijgt.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Abnormal Child and Adolescent Psychology with DSM-V Updates
  • Rita Wicks Nelson
  • 9781317351351 or 1317351355
  • 2015

Summary - Abnormal Child and Adolescent Psychology with DSM-V Updates

  • 1 Inleiding

  • Abnormaal gedrag
    significant afwijken van de normale standaard van gedrag
  • Ontwikkelingsnormen
    Ontwikkelingsachterstand
    Achteruitgang ontwikkeling
    Extreem hoge of lage frequentie van gedrag
    Extreem hoge of lage intensiteit van gedrag
    Voortdurende gedragsproblemen
    Gedrag dat ongepast is voor de situatie
    Abrupte gedragsverandering
    Several problem behaviors
    Kwalitatief afwijkend gedrag
  • Identitificatie van problemen bij kind
    Ontwikkelingsnormen
    Culturele normen
    Verandering kijk op abnormaal gedrag
    Seksenormen
    De rol van ouders (en anderen)
    Situationele normen
  • Freud

    Grondlegger psychoanalytische theorie. 
    Psychogenese: mentale problemen zijn het gevolg van psychologische factoren. 

    Met elkaar in conflict:
    ID: Driften
    Ego: het rationele
    Superego: Je geweten (normen en waarden)

    Psychoseksuele stadium theorie 
    (Orale-, anale-, fallische fase)
  • Behaviorisme
    (Watson)
    Een benadering die gedrag verklaard door leerervaringen. 
    Gelooft sterk in klassieke conditionering  (Pavlov) 
    Operant conditionering
    Observationeel leren
    Wet van effect 
  • Sociale leertheorien
    Benadering die vooral uitgaat van combinatie van leerprincipes en sociale context
  • Interdisciplinaire inspanningen
    Ervan uitgaan dat meerdere professionals zijn betrokken bij de behandeling van een kind.
  • Therapeutische alliantie
    Een persoonlijke band creëren met het kind en dat er wordt samen gewerkt.
  • APA ethische richtlijnen (rechten)
    - Informed consistent (toestemming, bij kinderen moeten de ouders hier toestemming voor geven)
    - Meebeslissen over behandeldoelen
    - Vertrouwelijke zorg
  • Systeemmodellen

    Interacties tussen verschillende niveaus
    - Interactionele modelen (waaronder kwetsbaarheid stress model) Meerdere variabelen leiden tot 1 uitkomst. 
    - Transactionele model (ontwikkeling is het gevolg van voortdurende transacties tussen individu en omgeving. Omgevingscontext omvat proximale en distale variabelen. 

    - Biopsychosociaal model (Hersenen, genen en gedrag integreert met sociale omgeving)
    - Ecologische model (individu en omgeving beïnvloeden elkaar)

    - Medische model (Geen systeem model)
  • Mediator
    Een variabele die een gevolg op indirect wijze veroorzaakt. 
    Voorbeeld:
    Alcoholmisbruik van ouders --> functioneringsproblemen kind
                                    Mediator: Huwelijksproblemen (stressoren)
  • Moderator
    Beïnvloed de sterkte (richting) van de relatie tussen variabelen (predictor en criterion)

    Voorbeeld:
    Alcoholmisbruik van ouders --> functioneringsproblemen kind
                          Moderator: temperament kind/sociale netwerk 
  • Noodzakelijke, toereikende ( sufficient) en bijdragende (contributing) oorzaken ontstaan stoornis
    Noodzakelijk: oorzaak moet aanwezig zijn om stoornis tot uiting te laten komen
    Toereikend: (zonder de aanwezigheid van andere factoren) oorzaak kan verantwoordelijk zijn voor ontstaan stoornis
    Bijdragende: leveren een bijdrage 

    Voorbeeld:
    1. Hersenafwijking bij schizofrenie is noodzakelijk maar niet toereikend, want er moeten ook andere symptomen aanwezig zijn voordat stoornis tot uiting komt. 
  • Ontwikkelingstrajecten van adapties of maladapties
    Gedrag dat zich goed/slecht aanpast
    1. Stabiele adaptie: Weinig blootstellen aan negatieve omstandigheden, weinig gedragsproblemen, positief zelfbeeld
    2. stabiele maladaptie: Blootstelling aan chronische negatieve omstandigheden. 
    3. Omkering maladaptie: grote verandering in leven vanwege nieuwe mogelijkheden. Van slecht naar goed. 
    4. Afname van adoptie: Verandering in leven vanwege nieuwe blokkades (negatief). van adaptie naar maladaptie.
    5. Tijdelijke maladaptie: Dit kan het gevolg zijn van experimenteel risicogedrag. 
  • Equifinaliteit en multifinaliteit
    Equifinaliteit: verschillende factoren leiden tot dezelfde uitkomst
    Multifinaliteit: 1 factor kan tot meerdere uitkomsten leiden 
  • Kwetsbaarheid, veerkrachtigheid, risicofactoren
    Kwetsbaarheid --> neiging om maladapaief op levensomstandigheden te reageren. Kan genetisch zijn


    Veerkrachtigheid --> als er positief psychologisch resultaat is terwijl er sprake is geweest van een negatieve ervaring. 
    3 niveaus veerkrachtigheid(protectieve factoren):
    1. persoonlijke factoren
    2. gezinsfactoren
    3. factoren buiten de familie

    Risicofactoren --> variabelen die de kans op psychologische stoornissen vergroten (in combinatie met andere risicofactoren, duur, timing, multifinaliteit) 
  • Continuïteit van stoornissen
    Heterotypische stoornissen: De uiting van stoornissen verandert over de tijd heen (ODD gaat over in CD, depressie uit zich anders naarmate kind ouder).
    Homotypische continuïteit: stabiele symptomen. 
  • Hechtingsstijlen
    Veilige hechting: Baby zoekt contact met moeder. veilige basis.

    Onveilige hechting: Baby gebruikt moeder niet als bron om met stress om te gaan. (1. vermijdende hechtingsstijl: baby uit geen stress en negeert moeder. 2. Weerstand biedende hechtingsstijl: baby uit stress maar maakt op verkeerde manier contact met moeder)

    Gedesoriënteerde hechtingsstijl: Geen consistente manier om gedrag te organiseren. tegenstrijdig en atypisch gedrag. 
  • Stijlen en dimensies temperament
    Temperament --> risicofactor maar ook veerkrachtigheidsfactor
    1. gemakkelijk
    2. moeilijk op gang te brengen
    3. moeilijk  

    Chess en thomas: temperament is kneedbaar en hangt af van Goodness of fit (passen eigenschappen kind goed bij die van de ouders?) 

    Dimensies
    - Negatieve reactiviteit: prikkelbaarheid
    - Inhibitie: reactie op nieuwe situaties/personen. associatie met - angst en bezorgdheid 
    - Zelfregulatie: externaliserend. Processen die de reactiviteit beïnvloeden. (jezelf troosten, taakvolharding) 
  • Ontwikkelingsfases emoties
    Baby: basale emoties
    1-1,5: social referencing (gebruiken reactie anderen om hun eigen uitdrukking te bepalen)
    2 jaar: benoemen, bespreken en enige controle uitoefenen op emoties 
    2 -5 jaar: verbanden leggen 
    5 jaar - ouder: emotieregulatie (emoties initiëren, behouden, moduleren)

    Emotionele kennis: herkennen van emotionele uitingen van onderenen weten welke emoties ervaren worden in specifieke omstandigheden. 
  • Etiologie
    Oorzakenleer
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe ziet de behandeling van OCD eruit?
Behandeling middels CGT met responspreventie (compulsies weerstaan) en evt aanvullend medicatie. Ook contingency management, zelfbekrachtiging en exposure worden gebruikt.
Welke farmacologische behandeling is mogelijk bij angststoornissen?
Behandeling met SSRI's bij GAD, separatieangst en sociale angst. CGT is daarnaast wel aanvullend nodig om beter om te kunnen gaan met angst.
Noem 5 psychologische behandelingen van angststoornissen
- Exposure (blootstelling); dit kan zowel in vitro als in vivo
- Ontspanningstraining: leren van vaardigheden om lichamelijke reacties te beïnvloeden
- Systematische desensitisatie: combinatie van blootstelling en ontspanningstraining. Middels visualisatie (in vitro) wordt de persoon gevraagd de denken aan angstige situaties. Kan daarna ook in vivo.
- Modeling; het kind observeert iemand die op een adaptieve manier omgaat met de gevreesde situatie
- Contingency management: gebaseerd op operant conditioneren en verandert de gevolgen van angstig en vermijdend gedrag. Alleen na blootstelling wordt bekrachtigd.   

Daarnaast kan CGT helpen bij het aanleren van nieuwe vaardigheden
Noem drie manieren van assessment van angststoornissen
  1. Interviews en zelfrapportage; zoals het semi-gestructureerde ADIS-C/P, zelfrapportage wordt het meest gebruikt. Voorbeeld zelfrapportage is State-Trait Anxiety Inventory for Children en Revised Children's Manifest Anxiety Scale
  2. Observaties: directe observaties geven vooral een beeld van de gedragsaspecten en kunnen een beeld geven van omgevingsfactoren. Gedragsvermijdingstest en zelfmonitoring. 
  3. Fysiologische metingen: zoals bloeddruk, hartslag. Wordt zelden gedaan. 
Stelling: Een kind dat dagelijkse rituelen uitvoert, biedt reden tot bezorgdheid tav OCD
Dit is niet waar. Er is pas reden tot bezorgdheid als de gedragingen het leven van het kind beheersen en met het normale functioneren interfereren.
Wat kun je zeggen over OCD en de continuiteit van de stoornis?
OCD is een heterogene stoornis.
Wat kun je zeggen over het algemeen voorkomen van OCD?
Op jongere leeftijd komt de stoornis vaker voor bij jongens, in adolescentie is er geen sekseverschil. Gemiddelde leeftijd voor onset is ongeveer 10 jaar. Als laatste is er vaak comorbiditeit met o.a. een angststoornis, depressie en ADHD.
Uit welke twee componenten bestaat OCD?
Obsessies: ongewilde, herhaaldelijke en indringende gedachten
Compulsies: herhaaldelijke, stereotype gedragingen waarvan iemand denkt dat deze uitgevoerd moeten worden om angst te verminderen of een gevreesde gebeurtenis te voorkomen.
Wat is een Disinhibited Social Engagement Disorder (DSED)?
Hierbij gaat het om ongeremd sociaal gedrag. Het is ongepast en extreem familiair gedrag richting onbekenden.
Wat is een reactieve hechtingsstoornis (RAD)?
Hierbij vertoont het kind een extreem onderontwikkelde hechting met verzorgers. Er is aanhoudend geremd en teruggetrokken gedrag