Summary AFPF - Leerdoelen

-
555 Flashcards & Notes
37 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - AFPF - Leerdoelen

  • 1.1 Een beschrijving geven van de complexiteitsniveaus van structuren in het lichaam.

  • Het meest elementaire niveau bestaat uit scheikundige processen.
  • Atomen vormen moleculen, waarvan het lichaam er een enorm aantal bezit.
  • Cellen zijn de kleinste onafhankelijke eenheden van de levende materie. Het aantal cellen loopt in de miljarden. Elk celtype is gespecialiseerd: het vervult een specifieke functie die voorziet in een behoefte van het lichaam.
  • In het menselijk lichaam vormen de cellen die overeenkomen in vorm en functies weefsels.
  • Organen bestaan uit verschillende soorten weefsels en zijn geëvolueerd om een specifieke functie uit te oefenen.
  • Orgaanstelsels bestaan uit een aantal organen en weefsels die samen bijdragen aan een of meerdere functies van het lichaam.
  • 1.2 Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’'.


  • Het milieu extérieur omringt het lichaam en is de bron van zuurstof en voedingsstoffen.

  • Het milieu intérieur is het vocht dat de lichaamscellen omspoelt, ook wel interstitiële of weefselvloeistof genoemd. 

  • Het celmembraan is het omhulsel van een cel die de milieus binnen en buiten de cel scheidt. 

  • Selectieve permeabiliteit of semipermeabiliteit regelt de beweging van moleculen in en uit de cel en maakt het mogelijk dat de cel de eigen interne samenstelling regelt. 

  • De homeostase is de relatief stabiele toestand die ontstaat wanner het milieu intérieur heel nauwkeurig wordt gereguleerd. Bij bedreiging of verstoring loopt het welzijn van het individu in gevaar. Enkele belangrijke fysiologische variabelen zijn: de kerntemperatuur, de water- en elektrolyhuishouding, de zuurgraad van lichaamsvloeistoffen, het bloedsuikergehalte, de bloed- en weefselzuurstof en koolstofdiocidegehaltes en de bloeddruk.

  • Het regulatiesysteem handhaaft de homeostase door veranderingen in het milieu intérieur op te sporen en daarop te reageren. Zo’n systeem heeft drie basiscomponenten: de detector, het controlecentrum en de effector.
  • De verstoring van de homeostase treedt op als de fijnregeling van een onderdeel van het milieu intérieur niet goed werkt, zodat deze waarden bereikt die buiten de range vallen. Dit kan de gezondheid schaden of levensbedreigend zijn.
  • 1.3 Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken.


  • In systemen die door een negatief feedbackmechanisme worden gereguleerd, zorgt het signaal naar de effector voor afname of negatie van het effect van de oorspronkelijke stimulus. Hierdoor ontstaat continue regulering van een variabele binnen nauwe grenzen. 
  • Negatieve feedback mechanisme
    Het negatieve feedbackmechanisme zorgt ervoor dat de homeostase wordt gehandhaafd. Indien een variabel stijgt, laat negatieve feedback het dalen en als het daalt, laat negatieve feedback het terug stijgen tot het 'normale niveau'. Elke verandering die afwijkt van normale waarden van het regulatie systeem wordt teruggekeerd naar de normale waarde.

  • De meeste homeostatische processen in het lichaam worden door negatieve feedback gereguleerd om plotselinge en grote veranderingen in het milieu intérieur te voorkomen.
  • Positieve feedback mechanisme
    Het positieve feedbackmechanisme zorgt dat een verandering wordt versterkt.
    De stimulus zorgt dat de respons progressief toeneemt zodat, zolang de stimulus aanhoudt, de respons progressief wordt versterkt.

  • De hypothalamus is het regelcentrum voor de lichaamstemperatuur.
  • Bij positieve feedbackmechanismen doet de stimulus de respons progressief toenemen zodat, zolang de stimulus aanhoudt, de respons progressief wordt versterkt. Hiervan zijn er maar een paar mechanismen, zoals de bloedstolling en de baarmoedercontracties bij een bevalling.
  • 1.4 De functies van de transportsystemen in het lichaam beschrijven.


  • Alle orgaansystemen zijn van elkaar afhankelijk. 

  • Communicatiesystemen zijn betrokken bij ontvangst, verificatie en beantwoording van de juiste informatie. Dit zijn transportsystemen, interne communicatie en externe communicatie.

  • Transportsystemen zorgen ervoor dat alle cellen in verbinding staan met zowel het milieu intérieur als extérieur. Transportsystemen zijn: bloed, de bloedsomloop en het lymfoïde systeem.

  • Het bloed wordt door een netwerk van bloedvaten door het lichaam getransporteerd en plasma en bloedcellen.

  • Plasma bestaat voornamelijk uit water en stoffen, zoals voedingsstoffen uit het darmkanaal, zuurstof uit de longen, chemische verbindingen die in lichaamscellen worden aangemaakt en afvalproducten van alle lichaamscellen. Verder zijn er drie soorten bloedcellen: erytrocyten (rode bloedcellen), Leukecyten (witte bloedcellen) en trombocuten (bloedplaatjes).

    .

  • De bloedsomloop bestaat uit een netwerk van bloedvaten en het hart. Er zijn drie soort bloedvaten: arteriën (slagaders), venen (aders) en capillairen (haarvaatjes). De bloedvaten transporteren bloed naar de longen voor de longcirculatie en andere cellen in het lichaam. Het hart is een spierige zak die het bloed door het lichaam pompt en de bloeddruk op peil houdt. De hartspier werkt onwillekeurig. In rust trekt de hartspier ongeveer 65 à 75 keer per minuut samen en neemt bij inspanning toe. De hartslagfrequentie wordt de pols genoemd. 
  • Het lymfoïde systeem bestaat uit een aantal lymfevaten. Lymfe weefselvloeistof en bevat materiaal dat is afgevoerd van weefselruimten, zoals plasma-eiwitten. Dit wordt via de lymfevaten teruggevoerd naar de bloedsomloop. Op het verloop van de lymfevaten bevinden zich op allerlei plaatsen ophopingen van lymfeklieren. Hier wordt de lymfe gefilterd. Het systeem zorgt ook voor de productie en rijping van de lymfocyten, de witte bloedcellen die betrokken zijn bij het immuunsysteem.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Mitose & Meiose
Functies belangrijkste organellen
-Kern = bevat DNA
-Mitochondriën = betrokken bij Aerobe respiratie, het proces waardoor chemische
           energie in de cel beschikbaar wordt.
-Ribosomen = Het maken van eiwitten uit aminozuren en gebruiken RNA als mal. Als
           een ribosoom zich aan de buitenkant op het kernmembraan of op het Ruw
           Endoplasmatisch reticulum bevindt, dan maakt dit eiwitten voor transport naar buiten 
           de cel.
-Endoplasmatisch Reticulum = Glad ER maakt lipiden en steroidhormonen, ook is het
           betrokken bij de ontgifting van bepaalde (genees-)middelen.
           Ruw ER is beslagen met ribosomen, daar worden eiwitten aangemaakt.
-Golgi-apparaat = eiwitten die komen van ER en naar het Golgi-apparaat gaan, deze
           eiwitten worden ‘ingepakt’ in membraangebonden blaasjes.
-Lysosomen = Bevatten verschillende enzymen die zorgen voor de afbraak van
           fragmenten van organellen en grote moleculen tot kleinere partikels.
-          Cytoskelet = Cytoskelet: bestaat uit een uitgebreid netwerk van minuscule eiwitvezels:
           microfilamenten (kleinste vezels, ondersteunen de structuur en handhaven de 
           karakteristieke vorm van de cel en kunnen samentrekken, zoals spiercellen),
           microtubuli (grotere contractiele eiwitvezels, betrokken bij bewegingen van organellen
           binnen de cel, chromosomen tijdens celdeling en cel uitstulpingen), centrosoom (zorgt
           voor de ordening van microtubuli binnen een cel), cel uitstulpingen (microvilli, cilia en
           flagella).           
Structuur van de plasmamembraan
De plasmamembraan bestaat uit 2 fosfolipiden met daarin eiwitten en suikers. De fosfolipiden hebben een kop en een staart. De kop heeft een elektrische lading en is hydrofiel, de staart heeft geen lading en is hydrofoob.
De fosfolipiden liggen naast elkaar in 2 aan elkaar gespiegelde lagen, met de hydrofiele koppen naar buiten en de hydrofobe staarten naar binnen (vormen zo een waterafstotende laag).
Het proces van osmose vergelijken met dat van diffusie
Diffusie: verplaatsing van een chemische stof van een plaats met en hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie. Meestal in een gas, vloeistof of oplossing. Het proces wordt versneld door temperatuurstijging en / of verhoging van de concentratie. Het resulteert in gelijke concentraties van de oplossing.

Osmose
: de verplaatsing van water met de concentratiegradiënt. Meestal zijn de opgeloste moleculen te groot en ontstaat er osmotische druk. Die zorgt voor dezelfde concentratie aan beide kanten (beide kanten van de membraan zijn isotoon). Het plasma is hypotoon wanneer de waterconcentratie stijft. Andersom heet het hypertoon.
definitie van de termen etiologie, pathogenese en prognose
-Etiologie = Oorzaak van de ziekte
-Pathogenese = de aard van het ziekte proces en de effecten daarvan op het normale
           functioneren van het lichaam
-Prognose = de verwachte afloop, hoe de ziekte verloopt
Activiteiten die een individu onderneemt ter overleving en ter bescherming
-Vervangen van cellen
-Aspecifieke verdedigingsmechanisme: de huid, slijm (mucus) houdt microben en ander
           vreemd materiaal vast, zoutzuur in maagsap doodt de meeste microben die worden            ingeslikt, ontstekingsreactie als er toch indringers binnen dringen.
-Specifieke verdedigingsmechanisme: na blootstelling aan bepaalde antigenen, vaak na            blootstelling levenslange immuniteit.
-Reflexen : vinger terugtrekken na aanraking met heet oppervlakte

-          Survival of the fittest: individuen met de meest gunstige genetische kaart hebben de 
           beste overlevingskansen en hun genen door te geven aan de volgende generatie 
           = natuurlijke selectie 
Afvalstoffen die door het lichaam worden verwijderd
-Koolstofdioxide
-Urine(bestaat uit water en afvalstoffen)
-          Feces = poep (bestaat uit onverteerbare voedselresten, gal uit de lever die 
           afvalproducten van afgebroken rode bloedcellen en een groot aantal microben bevat)
Inname voedingsmiddelen
Tot de voedingstoffen gerekend: water, koolhydraten, eiwitten, vetten, vitamine en mineralen. Voedsel is zelden rechtstreeks bruikbaar voor het lichaam, hierdoor wordt het voedsel via het spijsverteringsstelsel afgebroken en verteerd. Dit om het voedsel geschikt te maken voor absorptie in het bloed en om gebruikt te worden door lichaamscellen.
Opname zuurstof
Lucht komt bij het ademen via de bovenste luchtwegen in de longen terecht. Hierbij wordt de pharynx, larynx, trachea, 2 hoofdbronchiën en een groot aantal kleinere bronchiën gepasseerd. Deze kleine vertakkingen eindigen in de alveoli (longblaasjes). Op dit niveau vindt de uitwisseling plaats van de vitale gassen tussen de longen en het bloed
Positieve feedback mechanisme
Het positieve feedbackmechanisme zorgt dat een verandering wordt versterkt.
De stimulus zorgt dat de respons progressief toeneemt zodat, zolang de stimulus aanhoudt, de respons progressief wordt versterkt.