Summary An Introduction to Developmental Psychology

-
ISBN-10 1118767209 ISBN-13 9781118767207
849 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • An Introduction to Developmental Psychology
  • Alan Slater J Gavin Bremner
  • 9781118767207 or 1118767209
  • 2017

Summary - An Introduction to Developmental Psychology

  • 1 methods of developmental psychology

  • how do we call the aspects of development that are largely under genetic control and uninfluenced by environmental factors?
    maturation
  • how do we call a theoretical or philosophical framework of a world view?
    a paradigm
  • how do we call the world view that states; people are active in interacting with their environment, and while doing so shaping their own development.
    an organismic world view
  • how do we call the world view that states; a person is like a machine, passive until stimulated by the environment. stimuli result in increases, decreases and changes in behavior.
    mechanistic world view
  • how do we call the world view that states; a developing child is a passive respondent of conditioning, reinforcement and punishment.
    behaviorism
  • which two research designs are there in developmental psychology?
    • cross-sectional
    • longitudinal
    • sequential
  • which research design is described; people of different ages are all tested once for a variable.
    a cross-sectional design
  • which research design is described; people are tested for a variable repeatedly as they grow older. multiple measurements of one person across their development.
    longitudinal design
  • how do we call a group of people that are born at about the same time, or who share other characteristics?
    a cohort
  • how do we call a research design that examines change as it occurs, by testing repeatedly over a short period of time, creating a high density set of observations?
    microgenetic method
  • how do we call the principle that describes the variability of a characteristic for a group of people with the same amount time spent somewhere?
    cohort effects
  • how do we call comparing a set of data of a group of ten year olds with a set of data of a group of ten years old 20 years later?
    a cohort comparison
  • how do we call a research design that combines cross sectional design and longitudinal design to examine the development of individuals from different age cohorts
    a sequential design
  • how do we call an instrument used to measure in which extend a psychological attribute is present?
    a psychological test
  • how do we call diary detailing an infant's development?
    a baby-biography
  • how do we call an observational study that records an individual's behavior at frequent intervals over a period of time?
    time sampling method
  • how do we call someone's emotional state, or feelings?
    their affect
  • how do we call an observational method which records what happens throughout a particular event?
    event sampling method
  • how do we call a method of combining observation and experimenting; observe a behavior, proceed to change the environment to see if the behavior still occurs and if it changes?
    the clinical method, introduced by piaget
  • what do you do if you want to make a causal claim but for ethical or practical reasons it is impossible to use an experimental design?
    • sample systematically 
    • use structured observation
  • what choices do you make if you want to choose a research design?
    1. cross-sectional, longitudinal or sequential
    2. experimental or observational
  • how do we call a study method in which the experimenter systematically controls the independent variable, and then the child's behavior (of the dependent variable) is observed?
    structured observation
  • how do we call the group that receives the treatment, opposite of the control group?
    the experimental group
  • how do we call a task that is designed to elicit a behavior with a known neural basis, to see if the brain area lights up?
    a marker task
  • how do we call methods of recording brain activity?
    imaging methods
  • how do we call a scalp recording with electrodes that measure activity of neurons?
    elektroencephalogram
  • how do we call an eeg during the presentation of specific perceptual events?
    event related potential
  • how do we call an imaging method of the cortex by measuring blood flow to certain areas through a temporary radioactive substance injected?
    positron emission tomography
  • how do we call an imaging method of the cortex by measuring blood flow through oxygen concentrations in different brain regions?
    functional magnetic resonance imaging
  • how do we call data thats meaningful in the real world?
    data thats ecological valid
  • how do we call the argument that watching aggressive behavior will reduce your own feelings of aggression?
    the catharsis hypothesis
  • which types of graphs are shown in developmental psychology?
    • continuous, increasing function
    • continuous, decreasing function
    • step- or stage-like, discontinuous function
    • upright U-shaped function
    • inverted U-shaped function
  • what kind of function is this?
    a continuous, increasing function
  • what kind of function is this?
    continuous decreasing function
  • what kind of function is this?
    stage- or step-lik discontinuous function
  • what kind of function is this?
    inverted u shaped function
  • what kind of function is this?
    an upright U shaped function
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • An introduction to developmental psychology
  • A Slater & G Bremner
  • or
  • 1st

Summary - An introduction to developmental psychology

  • 1 De omvang en de methoden van de ontwikkelingspsychologie

  • 18-24 maanden
    einde van de babytijd
  • volrijp
    een kind is volwassenen geworden. Denkt zelfstandig na en streeft er actief na om onderdeel te worden van de snel veranderende maatschappij
  • rijping
    verwijst naar de aspecten van de ontwikkeling die hoofdzakelijk genetisch bepaald zijn.
  • de volkswaarheden over ontwikkeling weerspiegelen vaak de kwesties die psychologen onderzoeken, met als doel onze opvattingen op een vastere, meer wetenschappelijke basis te begrijpen.
  • volkswaarheden
    ideeen over de ontwikkeling die niet gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek
  • paradigma
    een theoretisch of filosofisch raamwerk in de wetenschap
  • organistisch wereldbeeld
    het idee dat de mens van nature actief is en doorlopend interageert met zijn/haar omgeving. Daardoor helpt de mens zijn/haar eigen ontwikkeling vorm te geven
  • mechanistische wereldbeeld
    het idee dat de mens gezien kan worden als een machine (zoals een computer), die van nature passief is tot hij door de omgeving gestimuleerd wordt.
  • Onderzoek van gebaseerd worden op leeftijdsgerelateerde veranderingen of kan gericht zijn op onderzoeksmethoden.
  • cross-sectional design
    een onderzoek waarbij kinderen van verschillende leeftijden worden geobserveerd op een tijdsmoment
  • longitudinal design
    participanten worden meerdere malen getest in verschillende stadia van de ontwikkeling, er zijn dus meerdere meetingen op een persoon
  • cohort
    een groep mensen die grootgebracht werden in dezelfde omgeving of die bepaalde demografische kenmerken delen.
  • practice effects
    kinderen scoren op een test hoger dan normaal vanwege de herkenning van de test
  • ontwikkelingsfunctie
    veel voorkomende trend in de ontwikkeling
  • continue functie: afnemende bekwaamheid
    gedrag dat verslechtert met toenemende leeftijd
  • continue functie: toenemende bekwaamheid
    gedrag dat verbetert met toenemende leeftijd
  • discontinue stapfunctie
    de ontwikkeling vindt plaats in een aantal stadia, waarbij ieder stadium kwalitatief verschilt van het voorgaande en het volgende stadium
  • u-vormige functies
    gedrag waarbij de mens aanvankelijk een hoge bekwaamheid laten zien, dan slechter worden en vervolgens weer beter worden.
  • Sociaal beleid
    acties, regels en wetten die erop gericht zijn sociale problemen op te lossen of sociale doelen te behalen, in het bijzonder zijn ze bedoelt om huidige omstandigheden te verbeteren.
  • 2 theorieen en kwesties over de ontwikkeling van een kind

  • minor theorieën
    behandelen alleen de specifieke en beperkte delen van de ontwikkeling
  • major theorieën
    zijn gericht op bredere, algemene kwesties van de ontwikkeling.
  • 6 major theorieen zijn:
    motorische ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, sociaal-cognitieve ontwikkeling, evolutie en ethologie, psychoanalystische theorieen en humanistische theorieen
  • vanaf 18 maanden
    kan een kin lopen, rennen, klimmen, communiceren en gebruiken twee handen om complexe taken te coördineren.
  • motorische mijpalen
    basale motorische vaardigheden die zich tijdens de baby en kindertijd ontwikkelen, zoals lopen en klimmen.
  • volgens Gesell ijn er twee richting waarin de motorische ontwikkeling zich kunnen voltrekken: Cephalocaudale trend en proximodistale trend
  • cephalocaudale trend
    ontwikkeling die begint bij het hoofd en eindigt bij de voeten
  • proximodistale trend
    ontwikkeling die begint bij de romp en vandaaruit de andere lichaamsdelen aanstuurt.
  • rijping
    aspecten van de ontwikkeling die hoofdzakelijk genetisch bepaald zijn, aangeboren
  • Voordat Piaget zijn theorie ontwikkelde waren er twee tegenovergestelde opvattingen over de ontwikkelingspsychologie: behaviourisme en psychoanalyse
  • psychoanalyse
    gaat er vanuit dat het gedrag door onbewuste factoren wordt veroorzaakt.(sigmund Freud)
  • assimilatie
    het proces, waarbij kinderen reeds bestaande denkschema's toepassen op nieuwe ervaringen.
  • accomodatie
    is het proces waarbij het kind zijn eigen denkbeelden aanpast aan de nieuwe situatie.
  • Assimilatie en accommodatie zijn functionele constanten, omdat ze nooit veranderen, maar wel aanwezig blijven tijdens de ontwikkeling.
  • sensomotorische fase
    eerste fase van de cognitieve ontwikkeling waarbij het denken hoofdzakelijk bepaald wordt door waarneming en actie en interne denkprocessen grotendeels afwezig zijn. Karakteristiek voor baby's van 0 tot 2 jaar.
  • pre operationele fase
    de tweede fase van de cognitieve ontwikkeling waarbij kinderen nog niet in staat zijn meerdere aspecten van een probleem te coördineren bij het oplossen van het probleem. Karakteristiek voor kinderen van 2 tot 7 jaar.
  • egocentrisch
    een kind dat het moeilijk vindt om dingen vanuit andermans perspectief te zien
  • animisme
    kinderen kennen levensachtige eigenschappen toe aan niet bezielde objecten. 
  • centratie
    een kind kan zich maar op een aspect tegelijk richten
  • concreet logische fase
    7 tot 11 jaar. Kinderen tonen een vorm va logisch denken maar kunnen dit alleen nog maar toepassen op concrete voowerpen
  • formele logische fase
    vanaf 11 jaar. Kinderen kunnen het logische denken ook op abstracte zaken toepassen.
  • constructivisme
    baby's worden niet geboren met kennis over de wereld, maar deze kennis gaandeweg construeren, en daarmee de vaardigheid om de werkelijkheid mentaal te representeren.
  • bottum up model
    een cognitief ontwikkelingsperspectief waarbij de input of het opnemen van informatie door het kind als beginpunt genomen wordt om vandaaruit complexere kennissystemen te bouwen.
  • klassieke conditionering
    volgens deze theorie kunnen bepaalde gedragingen worden gestimuleerd met een neutrale stimulus, bijvoorbeeld de gedachten dat er eten is, wanneer er een bepaald geluid te horen is. aangeleerd effect genoemd
  • operante conditionering
    het gedrag dat over tijd kan worden gevormd
  • groep socialisatie theorie
    de mate waarin ouders belangrijk zijn in het socialisatieproces van kinderen tov van leeftijdsgenoten. 
  • primaire driften
    basisbehoeften
  • secundaire driften
    voorwerp kan stimulerende eigenschappen verkrijgen doordat het geassocieerd wordt met de primaire driften van een individu
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 3:

  • An introduction to developmental psychology
  • A Slater
  • 9781405186520 or 1405186526
  • 2nd ed.

Summary - An introduction to developmental psychology

  • 1 The scope and Methods of Developmental Psychology

  • De term 'rijping' verwijst naar die aspecten van de ontwikkeling die voornamelijk genetische gecontroleerd zijn en welke niet beïnvloedt zijn door de omgeving.
  • De inzichten in opvoeding vanuit onze directe omgeving beïnvloeden hoe we onze kinderen opvoeden en er is vaak een 'intergenerational continuity' in opvoeding.
  • Er zijn 2 verschillende inzichten in opvoeding: 1) een kind moet regelmatig bestraft worden, zodat ze zich ontwikkelen tot burgers die zich aan de regels houden. 2) kinderen zijn goed geboren en het is niet nodig om ze te bestraffen.
  • Er zijn 2 wereldbeelden te onderscheiden in de theorieën over ontwikkeling: het organistische wereldbeeld en het mechanistische wereldbeeld.
  • Volgens het organistische wereldbeeld is de mens constant actief en aan het communiceren met de omgeving en zodoende draagt de mens zelf bij aan zijn eigen ontwikkeling. 
  • Lerner: 'Het organistisch model benadrukt de geïntegreerde structurele kenmerken van het organisme. Als de onderdelen van het geheel worden gereorganiseerd als gevolg van de actieve bouw van het organisme van een eigen werking kan de structuur van het organisme een andere betekenis krijgen, dus kwalitatief verschillende principes kunnen betrokken zijn bij menselijke functioneren op verschillende punten in het leven. Deze verschillende, of nieuwe, niveaus van organisatie worden fasen genoemd.
  • Volgens het mechanistische wereldbeeld kan een persoon worden gezien als een machine (zoals een computer) die passief is totdat hij gestimuleerd wordt door de omgeving. 
  • Om leeftijd gerelateerde veranderingen te onderzoeken zijn er 2 methodes: cross-sectioneel design en longitudinaal design.
  • Cross-sectioneel design is een onderzoek waarbij kinderen van verschillende leeftijdsgroepen eenmalig worden getest. In een grafiek geeft elk punt op de x-as dan ook een verschillende leeftijdsgroep aan. Dit is de meest voorkomende methode, maar het beschrijft alleen de verschillen in leeftijd.
  • Longitudinaal design is een onderzoek waarbij meerdere observaties bij dezelfde groep kinderen wordt verricht naarmate ze ouder worden.
  • Het tegenovergestelde van longitudinaal design is de microgenetische methode, waarin maar een paar kinderen meerdere malen worden getest over een korte periode.
  • De uitkomsten van longitudinaal onderzoek en cross-sectioneel onderzoek komen niet altijd overeen.
  • Sequentieel design is een combinatie van longitudinaal en cross-sectioneel design. De resultaten hiervan laten 2 effecten ziennn: het cohort effect en het longitudinale effect.
  • De belangrijkste onderzoeksmethoden zijn observeren, experimenteren, psycholisch testen en correlationele studies.
  • Observaties worden meestal gedaan op kinderen en worden meestal uitgevoerd door de ouders of verzorgers. Deze observaties worden meestal 'baby biografieën' genoemd.
  • Time sampling is een observationele methode waarin individuen over een bepaalde periode geobserveerd worden en waarbij frequent genoteerd wordt of de gedragingen die men wil zien ook daadwerkelijk plaatsvinden.
  • Er zijn 2 punten van kritiek op time sampling: de onderzoeker weet niet hoeveel tijd er is gespendeerd aan een bepaalde gedraging en het kan voorkomen dat gedragingen die men wil onderzoeken niet plaatsvinden.
  • Event sampling is een alternatieve methode die deze problemen vermijdt. Hierbij selecteren de onderzoekers namelijk de gebeurtenis die ze willen observeren.
  • Het essentiele aspect van experimentele technieken is controle.
  • Psychologische testen zijn instrumenten voor de kwantitatieve beoordeling van sommige psychologische eigenschappen of persoonlijke eigenschappen.
  •  Bij experimentele studies heb je altijd een experimentele groep en een controle groep.
  • Correlaties: +1 betekent een sterk positief verband, 0 betekent geen verband, -1 betekent een sterk omgekeerd verband.
  • Er zijn 2 soorten studies interessant voor de ontwikkelingspsycholoog: concurrent studies en voorspellende studies.
  • Bij concurrent correlationele studies zijn we geïnteresseerd in de relaties tussen variabelen die op hetzelfde moment gemeten zijn.
  • Bij voorspellende correlationele studies zijn we geïnteresseerd in vinden of individuen hun relatieve positie of rangorde ten opzichte van anderen na verloop van tijd behouden.
  • Een scattergram wordt gebruikt om correlaties te laten zien.
  • Bij imaging methoden wordt de hersenactiviteit gemeten. Er zijn 2 soorten imaging die vaak gebruikt worden bij kinderen: die hersenactiviteit registreren van de hoofdhuid en die hersenactiviteit registreren van binnen in het hoofd.
  • Het registreren van hersenactiviteit in de hoofdhuid wordt gedaan door middel van electroden. De methoden hiervoor zijn EEG en ERG (event-related potential).
  • Voor het registreren van hersenactiviteit binnen in het hoofd worden PET en fMRI gebruikt.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

how do we call it when specific rules can only be applied to specific tasks, in a specific domain?
domain specific
What does folic acid use do?
It decreases neural tube defects in the first 12 weeks with 70 percent.
What has been proven by studies with preterm babies?
The Kangaroo method, skin to skin contact with mother and child that move together, affect maturation of the autonomic nervous system and circadian rhythms (24-hour cycles).
What is the vestibular system?
The system that contributes to our balance and spatial orientation.
What is the difference between 28 week old preterm infants and 30 week old preterm infants?
Preterm infants at 28 weeks can only distinguish between light and dark, the 30 week old preterm infants can also distinguish shapes.
When do the eyelids of the fetus open?
Between 5 and 7 months, but the environment is very poor so it still can't see anything because of this.
How does the visual system develop?
1. The optic nerves are clearly visible (week 8)
2. Part of the fibers of the optic nerve cross (week 9)
3. Crossing is complete, the fibers now go to the visual cortex via the thalamus (week 15)
4. The development of the visual system is complete (week 28).
What is the result of the brain processing the left images on the right hemisphere?
Half of the nerves from an eye have to cross.
What happens when the baby is born smell- and taste wise?
The baby has a preference for food that the mother has eaten often during the pregnancy and its own amniotic fluid.
What can a fetus smell and taste in the womb?
Blood filled with nutrients of the mother and everything in the amniotic fluid (16 weeks).