Summary Anatomie

-
534 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Anatomie

  • 1 Bouw en functie van cellen

  • Anatomie
    De kennis en de bouw van het menselijk lichaam.
  • Functie van de cellen?
    De kleinste bouwstenen  van het menselijk lichaam.
  • Functie van de transportsysteem?
    Om de voedingstoffen door het lichaam te verplaatsen en afvalstoffen af te voeren.
  • Functie van de orgaanstelsel of de orgaan?
    Het leven op gang houden
  • Functie van het zenuwstelsel?
    Zorgt voor de communicatie tussen de organen
  • Fysiologie;
    de wetenschap die het functie van levende organismen bestudeert  en probeert door te dringen tot wat leven is.
  • Fysiologie kan men in 2 groepen levensverrichtingen onderscheiding?
    - vegetatieve  (plantaardige) verrichting
    - animale   (dierlijke) verrichting
  • Leven organismen bestaat uit?
    1 of meer cellen die ervoor zorgen dat de soort en individu in  wordt gehouden.
  • Histologie is
    De leer van de bouw en functie van de weefsels. 
  • Weefsel bestaat uit
    een groot aantal cellen met dezelfde bouw en functie.
  • Cytologie
    bestudeert de bouw en functie van de cellen.
  • Kenmerkende eigenschappen en leeft van een cel?
    - stofwisseling; opnemen, verwerken en uitscheiden van stoffen
    - het verrichten van arbeid (bv bewegen)
    - het vermogen om prikkels uit de omgeving te reageren
    - voortplanting
    - groei
  • Een cel bestaat uit?
    - een wand
    - de celmembraan
    - celvloeistof / het cytoplasma
    - de celkern
  • Celmembraan is;
    een dun vlies met gaatjes (poriën) dat voedingsstoffen, afvalstoffen en water kan doorlaten.
  • celplasma of cytoplasma
    bestaat voor 3/4 deel uit water en uit voedingstoffen zoals eiwitten, lipoïden (vetachtige stoffen), koolhydraten en mineralen.
  • Celkern / kernwand/ nucleus
    - is evenals de cel omgeving door een wand 
  • Kernmembraan
    Heet ook de kernwand
  • Protoplasma /kernvloeistof is;
     bevindt zich in de celkern
  • Menselijke chromosomen bevat uit hoeveel chromosomen?
    De menselijk celkern bevat uit 46 chromosomen.
  • Chromatinekorrels zijn;
    - de chromosomen die buiten de celdeling ontrollen  en lijken op de korreltjes in de kern
  • Genen zijn;
    Stukjes DNA die informatie bevat door één erfelijk eigenschappen.
  • Celmembraan
    Is een doorlaatbare vlies voorzien van kleine uitstulpingen die men receptoren, ontvangers noemt
  • Cellichaam
    Bevindt zich daar binnen in de celmembraan
  • Cytoplasma/ celplasma
    Een geleiachtige vloeistof in de cellichaam.
  • Organellen
    Een groot aantal lichaampjes in het cytoplasma buiten de celkern
  • Centraallichaampjess of poollichaampjes
    Bevindt zich in het cytoplasma als de cel zich gaat delen
  • Protoplasma
    Het kernvocht dat zich binnen in de celkern bevindt
  • Chromosomen
    Bevindt zich in het kernprotoplasma waarop de erfelijke eigenschappen vastliggen
  • DNA/ kernzuur
    De chromensomen zijn opgebouwd uit lange ketens van een ingewikkeld organische zuur
  • Genen
    Bepaalde delen van de DNA molencule bepalen de erfelijke eigenschappen
  • De  functie of levensverrichtingen van de cel kunnen we verdelen in:
    Animale levensverrichtingen;   prikkelbaarheid en beweging
    Vegetatieve levensverrichting;   stofwisseling, groei en voorplating.
  • Beweging
    cellen is in staat zich te bewegen. Enkelvoudige cellen doen dat door van vorm te veranderen (uitstulpingen, schijnvoetjes/ zweefstaartje) en kunnen ze zich in een vloeistof voortbewegen.
  • Prikkelbaarheid
    is vermogen van een cel om te reageren op prikkels vanuit de omgeving. Elke cel reageert op aanraking en heeft afweermechanisme. De prikkelbaarheid dient om het leven van de cel te beschermen en is prikkelbaar en kent prikkelgeleiding.
  • Groei
    - Elke cel heeft het vermogen om te groeien om zich optimaal te ontwikkelen.


    - cellen kunnen in grootte groeien ,maar ook aantal

    - ze groeien niet even snel en geen gelijke levensduur.

    - witte bloed cellen leven 3 á 4 dagen rode bloedcellen 120 dagen
  • Stofwisseling
    cel neemt (voeding)stoffen op en geeft de resten na verbranding weer af (afvalstoffen)
  • Voorplanting
    geslachtcellen (de eicellen en zaadcellen)
  • Mitose
    de indirecte celdeling vindt plaats bij de ongeslachtelijke voortplanting. eerst deling van de celkern plaats en daarna het cellichaam
  • Meiose
    is de reductiedeling en vindt plaats bij de geslachtelijk voorplanting waarbij de erfelijkheid wordt bepaald
  • De aanmaak van nieuwe cellen gescheidt door de celdeling
    - directe celdeling/ mico-organismen
    - indecte/metose. Vind plaats bij de ongeslachtelijk voorplanting
    - reductiedeing/meiose. Vind plaats bij de geslachtelijk voorplanting
  • Directe celdeling
    - vindt de deling van het cellichaam en de celkern gelijktijdig plaats bij eencellige organismen de micro-organismen/ microben
  • Indirecte celdeling
    - vindt eerst een deling van de celkern plaats en daarna volgt het cellichaam
  • De reductiedeling of geslachtelijke celdeling/meisose
    Hierbij ontstaan cellen die maar de helft van het aantal chromosomen bevatten. 23 ipv 46 in vorming van geslachtcellen
  • Ectoderm
    het buitenste kiemblad; ontstaat de huid, huidklieren, haren nagels en zenuwen
  • Mesoderm
    het middelste kiemblad; ontstaat het bindweefsel, vaatweefsel, vetweefsel en spierweefsel. 
  • Endotherm
    het binnenste kiemblad; ontstaan de inwendige organen.
  • Epitheelcellen/ dekweefselcellen
    dienen voor de buitenste bekleding van het organisme. bv de huid.
  • Bindweefselcellen
    dienen als vulmiddel en helpen mee de diverse organen op hun plaats te houden. bv  beenweefsel, kraakbeen, banden, pezen , spieren en het bloed
  • Spiercellen
    dienen om verschillende bewegingen van het organismen moeilijk te maken bv de spierweefsel onder invloed van een zenuwprikkel kunnen die samentrekken
  • Zenuwcellen
    dienen om signalen van binnenuit en buitenaf door te geven en te verwerken tot reactieprikkels.
  • Zenuwweefsel bestaat uit 2 soorten cellen met veel uitlopers.
    neuronen en steuncellen / gliacellen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

de kleine bloedsomloop of longcirculatie
begint in de  rechter kamer en eindigt in linker boezoem
grote  bloedsomloop
begint in de linker kamer en eindigt in de rechter boezem van het hart.
homeostase
het vermogen  van  de bloedsomloop  om het interne milieu  het constant houden  van weefsel vochten te handhaven
aortaboog
boven het hart buigt de aorta zich met een grote boog achter het hart lang omlaag
bloedvatenstelsels heeft 2 functie
- aanvoerende en afvoerende vaten
hypofysepoortader
vervoert  zuurstofarm, hormoonrijk bloed van de hypothalamus naar  de hypofyse.


de mens heeft 2 poortaders.
leverpoortader
voert zuurstofarm,voedingsstof bloed van de darmen,maag en milt  naar de lever.
poortadersysteem
is en ader die zuurstofarm bloed van een orgaan naar een ander orgaan transporteert
glomerulus
is een kluwen haarvaten in de nieren die voor filtratie zorgt
collaterale vaten;
liggen in een gebied bloedvatten ernstige vernauwing of volledige afsluiting  de doorbloeding hindert