Summary Anatomie en fysiologie : een inleiding

-
ISBN-10 9043013897 ISBN-13 9789043013895
203 Flashcards & Notes
13 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Anatomie en fysiologie : een inleiding
  • Frederic H Martini & Edwin F Bartholomew van William C Ober Nederlandse Hans Isselée het Engels Josephine E Bruijn
  • 9789043013895 or 9043013897
  • 4e ed.

Summary - Anatomie en fysiologie : een inleiding

  • 1.1 De wetenschap van anatomie en fysiologie

  • Wat is macroscopische anatomie?

    Kenmerken van het lichaam die worden onderzocht die met het blote oog te zien zijn.

  • Er zijn 2 vormen van anatomie, macroscopische- en microscopische anatomie. Bij macroscopische anatomie is er nog uitwendige (algemene vorm, oppervlakte kenmerken), regionale (oppervlakte en inwendige structuren van bepaald deel) en systematische (structuur van bepaald orgaanstelsel) anatomie. Bij microscopische heb je nog cytologie (afzonderlijke cellen) en histologie (weefsels en groepjes cellen die een bepaalde functie uitoefenen).

  • Wat is microscopische anatomie?

    Kenmerken van cellen en weefsels die niet met het blote oog te zien zijn en dus met behulp van apparaten vergroot moeten worden.

  • Wat is fysiologie in het kort gezegd?

    De leer van het functioneren van anatomische structuren (bij de mens de werking van de organen). Dus hoe werkt bijv. een orgaan? En wat gebeurd er als...

     

  • Wat is anatomie in het kort gezegd?

     

    Een tak van de biologie dat de structuur en organisatie van organismen behandeld.

  • Er zijn verschillende soorten fysiologie. Zoals: celfysiologie (het bestuderen van het functioneren van een (groepje) cel(len), ook onderling). En ook orgaanfysiologie (bestuderen van functioneren van bepaalde organen). En pathologische fysiologie (bestuderen van aandoeningen op het functioneren van organen of stelsels)

  • 1.2 Organisatieniveaus

  • 1. Atomen combineren om moleculen te vormen 2. Moleculen vormen cellen 3. Cellen worden weefsels 4. Weefsels worden organen 5. Organen gaan samen werken tot een stelsel 6. Het stelsel van organen worden samen een systeem

  • Wat is Macroscopische anatomie?
    Bij macroscopische anatomie worden kenmerken onderzocht die met het blote oog zichtbaar zijn 
  • Wat is homeostase?

    Het in evenwicht zijn van alle functies in het lichaam en het vermogen daarvan om het in evenwicht te houden. (temp. , zuurgraad, bloeddruk, ademhaling)

  • 3 Celstructuur en -functie

  • Celtheorie:

    1. Bouwstenen alle planten mensen en dieren

    2. Kleinst functionerende eenheden van het leven

    3. Worden gevormd door deling bestaande cellen

    4. In elke cel vind homeostase plaats

  • Het bestuderen van de structuur en functie van cellen heet cytologie

  • Elke cel is omgeven door extracellulaire/interstitiele vloeistof

     

    Celmembraan of plasmamembraan: scheidingswand van de cel

     

    Functies:

    - Fysieke isolatie

    - Reguleren van de uitwisseling met de omgeving

    - Gevoeligheid, reageert op extracellulaire vloeistof

    - Structurele stevigheid

     

    Structuur:

    vetten in de celmembraan bevinden zich fosfolopiden met een hydrofiele kop aan de buitenzijde en een hydrofobe kop aan de binnenzijde. Hierdoor kunnen niet alle stoffen het membraan passeren. Wel in vet oplosbare moleculen

     

    eiwitten

    Fungeren als: receptoren, kanalen, dragerstoffen, enzymen, verankering of herkenning

     

    koolhydratenFungeren als smeermiddel of kleefmiddel voor de cel, werken als receptorben herkenningssyteem

     

    cytoplasma: inhoud van de cel kan je onderverdelen in ;

                                    Cytosol: vloeistof

                                    Organellen: interne structuren

     

  • Een cel is omgeven door extracellulaire vloeistof (waterige vloeistof). Bij de meeste weefsels wordt deze vloeistof interstitiële vloeistof genoemd.

  • Welk onderdeel van de celmembraan is primair verantwoordelijk voor het vermogen van de membraan een fysieke barrière te vormen tussen de inwendige en de uitwendige omgeving van de cel?

    De fosfolipide dubbellaag

  • Aanmaak


    • Erytropoetine ; ijzer, B6, B11, B122
    • cellen zonder kern en mitochondrien
  • Dankzij welk type membraaneiwit kunnen water en kleine ionen door de celmembraan heen?

    Kanaaleiwitten

  • EPO (erytropoetine) meer afgifte bij
    1. bloedarmoede
    2. bloedtoevoer nieren afneemt
    3. zuurstofgehalte in de lucht afneemt
    4. wanneer gaswisselingsoppervlak in de longen is beschadigd
  • Hypotonische oplossing: het water gaat de cel in. Hij zwelt op als een ballon. (hemolyse).

    Hypertonische oplossing: door osmose verliest de cel zijn water. Hij loopt leeg, hij krimpt (crenatie)

    Isotonische oplossing: geen waterverplaatsing de cel in- of uit (evenwicht).

  • EPO
    • stimuleert celdeling van erytoblasten
    • versnelt rijping rode bloedcellen
  • In afwezigheid van een celmembraan zullen concentratieverschillen al snel door diffusie worden opgeheven. Osmose probeert de concentratieverschillen op te heffen die heersen aan beide zijden van een membraan dat doorlaatbaar is voor water, maar niet voor de opgeloste deeltjes in de oplossing.

  • Leukocyten:
    beschermen het lichaam door ziekteverwekkers aan te vallen
    onderverdelen in 2 soorten
    1. granulocyten (met talrijke gekleurde korrels)
    • neutrofielen
    • eosinofielen
    • basofielen
    1. agranulocyten(niet met talrijke gekleurde korrels)
    • monocyten 
    • lymfocyten
  • Onoplosbare stoffen (in vetten) zijn te groot voor membraankanalen (glucose, aminozuren). Zij worden d.m.v. dragerseiwtten door het membraan getransporteerd. Dat heet gefaciliteerde diffusie.
    Stap 1: het te transporteerde stofje bindt zich aan een receptorplaats op een dragerseiwit
    Stap 2: de vorm van het eiwit veranderd waardoor het molecuul naar de binnenkant van de celmembraan wordt verplaatst.

    Stap 3: het molecuul word afgegeven aan het cytoplasma

    Er is een MAX van het aantal moleculen per tijdseenheid!

  • Kenmerken leukocyten


    1. zijn in staat tot amoeboide bewegingen, glijdende bewegingen die tot stand komen door de stroming van het cytoplasma
    2. kunnen bloedstroom verlaten
    3. worden aangetrokken door specifieke chemische prikkels, positieve chemotaxis. Hierdoor worden ze aangetrokken tot ziekteverwekkers of andere beschadigde weefsels.
    4. neutrofielen, eosinofielen en monocyten zijn in staat tot fagocytose, kunnen de cel omgeven. neutrofielen en eosinofielen->microfagen en monocyten-> macrofagen

  • Wat is endocytose?

    Het verpakken van extracelluair materiaal in een blaasje bij het celoppervlak voor transport, de cel in

  • Neutrofielen:
    • 50%-70% 
    • actieve fagocyten, komen als eerste bij de wond aan
    • aanvallen en verteren bacterien
    • na 10 tot 20 keer gedaan te hebben, sterft af
    • mengsel dode neutrofielen celfragmenten en andere afvalstoffen vormt pus

    Eosinofielen:
    • 2%-4%
    • vallen onderwerpen aan met antistoffen
    • exocytose giftige stoffen, zoals stikstofdioxie

    Basofielen: 
    • <1%
    • naar plaatsen van verwondingen
    • bevatten stoffen heparine(gaat bloedstolling tegen) en histamine

    Monocyten:
    • 2x zo groot als erytrocyten
    • 2%-8%
    • 24 uur in bloedsomloop->weefsels
    • fagocyteren (omgeven)
    • geven stoffen af die neutrofiele, monocyten en fobroblasten aantrekken
    • fibroblasten vormen littekenweefsel

    Lymfocyten
    • 20%-30%
    • geen fagocytose
    • een deel valt aan
    • deel maakt antistoffen aan
  • Endocytose is een actief proces

  • Bloedplaatjes(trombocyten):




    • geen celkern
    • Megakaryocyten zitten in beenmerg->geven kleine pakketjes af dit zijn bloedplaatjes
    • initieren het stollingsproces 
    • helpen beschadigde bloedvaten afsluiten

  • Wat is exocytose?

    Een blaasje versmelt dat in de cel is ontstaan, met de celmembraan en geeft zijn inhoud aan de extracellulaire omgeving af.

  • Hemostase:


    proces waarmee bloedingen worden gestopt
    fases:
    1. vasculaire fase: wand bloedvat beschadigd -> gladde spiervezels trekken samen -> diameter bloedvat word kleiner
    2. plaatjes fase: bloedplaatjes hechten zich aan de kleverige oppervlakken van het endotheel en aan elkaar -> ontstaat plaatjesprop
    3. coagulatie fase: begint later -> leidt tot omzetting fibrinogeen in fibrine (zit in bloedplasma) ->maakt fibrine netwerk van wond ->kunnen bloedplaatjes aan hangen
  • Wat is het verschil tussen actieve en passief transportprocessen?

    Voor actieve transportproccessen moet de cel ATP leveren. Bij passieve transportprocessen kost het geen energie.

  • na vorming netwerk, trekken bloedplaatjes zich samen en trekken randen naar elkaar toe
  • Tijdens de vertering in de maag wordt de concentratie waterstofionen vele malen hoger dan de concentratie in de maagwandcellen. Welk type transportproces zou dit resultaat teweeg kunnen brengen?

    Het kost energie om H-ionen tegen het concentratieverschil in te voeren. Het is dus een actief proces.

  • Wanneer bepaalde typen witte bloedcellen bacteriën tegenkomen, kunnen ze zich eromheen stulpen en ze in de cel opnemen. Hoe heet dit proces?

    fagocytose

  • -Receptor-gemidieerde endocytose: te grote transporteiwtten kunnen via rge binnenkomen.

    -Fagocytose: het eten van de cel (zoals bacteriën)

    -Pinocytose: drinken van de cel (met vloeistof gevulde). Vormen van blaasjes met extracellulaire vloeitoef

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Anatomie en fysiologie. Een inleiding
  • Frederic H Martini & Edwin F Bartholomew
  • or
  • 4

Summary - Anatomie en fysiologie. Een inleiding

  • 1 H1. Inleiding

  • De huid
    - Opperhuid
    Bescherming
    - Lederhuid
    Voeding
    - Haren
    Isolatie/bescherming
    - Talgklieren
    Scheiden olie af
    - Zweetklieren
    Vormen transpiratievocht
    - Nagels
    Versteviging/bescherming
    - Zintuigen
    Temperatuur, pijn, druk
    - Onderhuidse laag
    Opslag vetten
  • Het beenderenstelsel
    Beenderen, kraakbeen en gewrichten
    - Axiaal skelet (schedel, wervels, ribben, borstbeen, sacrum, kraakbeen en banden
    - Appendiculair skelet (ledematen en verstevigende beenderen en banden
    Beenmerg
  • Het spierstelsel
    Skeletspieren
    - Axiale romp
    - Spieren ledematen
    Pezen
  • Het zenuwstelsel
    1. Centraal zenuwstelsel
    - hersenen
    - ruggenmerg
    2. Perifeer zenuwstelsel
  • Het hormoonstelsel
    - Pijnappelklier
    - Hypofyse
    - Schildklier
    - Bijschildklier
    - Thymus
    - Bijnieren
    - Nieren
    - Pancreas
    - Geslachtsorganen (testes & ovaria)
  • Het cardiovasculaire stelsel
    HART
    BLOEDVATEN
    - arterien
    - capillairen
    - venen
    BLOED
  • Het lymfestelsel
    * Lymfevaten
    * Lymfeknopen
    * Milt
    * Thymus
  • Het ademhalingsstelsel
    NEUSHOLTEN EN NEUSBIJHOLTEN
    KEELHOLTE
    STROTTENHOOFD
    LUCHTPIJP
    BRONCHIEN
    LONGEN
    - longblaasjes (alveoli)
  • Het spijsverteringsstelsel
    - Speekselklieren
    - Keelholte
    - Slokdarm
    - Maag
    - Dunne darm
    - Lever
    - Galblaas
    - Alvleesklier
    - Dikke darm
  • Het urinair stelsel
    - Nieren
    - Ureters
    - Urineblaas
    - Urethra
  • Het mannelijk voortplantingsstelsel
    TESTES
    KLIEREN
    - bijbal
    - zaadleider
    - zaadblaasjes
    - prostaatklier
    - urethra
    UITWENDIGE GESLACHTSORGANEN
    - penis
    - scrotum
  • Het vrouwelijk voortplantingsstelsel
    EIERSTOKKEN
    EILEIDERS
    BAARMOEDER
    VAGINA
    UITWENDIGE GESLACHTSORGANEN
    - clitoris
    - schaamlippen
    MELKKLIEREN
  • Biologie
    ontdekken van de gezamenlijke patronen die aan diversiteit ten grondslag liggen
    - reactievermogen
    - groei
    - voortplanting
    - beweging
    - stofwisseling
  • 1.1 Anatomie en fysiologie

  • Anatomie
    'opensnijden'
    besturing van inwendige en uitwendige structuren en de fysieke relaties tussen lichaamsdelen




    Fysiologie
    bestudeert hoe levende organismen hun levensfuncties verrichten


    Histologie
    breder perspectief weefsels onderzocht


    Pathologie
    bestuderen van effecten van aandoeningen op functioneren van organen of stelsels
  • http://www.youtube.com/watch?v=UIAHRxDGGAQ
  • http://www.youtube.com/watch?v=ODVMZhn6oas&feature=related
  • http://www.youtube.com/watch?v=pULytfpp5Dc&feature=related
  • 1.2 Organisatieniveaus


  • Niveau's: 1. Chemisch
    2. Cel
    3. Weefsel
    4. Orgaan
    5. Orgaanstelsel
    6. Organisme
  • 1.3 Orgaanstelsels

  • 1. De huid
    2. Het beenderstelsel
    3. Het spierstelsel
    4. Het zenuwstelsel
    5. Het hormoonstelsel
    6. Het bloedvatenstelsel
    7. Het lymfestelsel
    8. Het ademhalingsstelsel
    9. Het spijsverteringsstelsel
    10. Het urinair stelsel
    11. Het voortplantingsstelsel
  • 1.4 Homeostase

  • Homeostase:
    onveranderlijk, stilstaand
    het bestaan van een stabiel intern milieu
    Homeostatische regulering:
    1. receptor (neemt waar)
    2. besturingssysteem (geeft door)
    3. effector (voert uit)
    Negatieve terugkoppeling
    linear opeenvolgend
    Positieve terugkoppeling
    versterkt de prikkel
    Grondslag homeostase:
    Fysiologische termen werken samen om een stabiel intern milieu te handhaven
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waar Is de afbraak van erytrocyten en leukocyten?
Milt, lever en lymfeklieren 
Wat is de functie van rode bloedcellen?
Ze vervoeren zuurstof en koolstofdioxide
Wat zijn erytrocyten?
Rode bloedcellen
Wat is diep gelegen
Verder verwijderd van de buitenkant van het lichaam.
Wat is oppervlakkig gelegen
Bij, nabij of betrekkelijk dicht bij de buitenkant van het lichaam
Wat is distaal
In de richting weg van een aanhechtingspunt
Wat is proximaal
In de richting van een aanhechtingspunt
Wat is lateraal
In buitenwaartse richting weg van de lengteas van het lichaam
Wat is mediaal 
In de richting van de lengteas van het lichaam
Wat is inferior
Onder, op een lager niveau