Summary anatomie en fysiologie van de mens

-
243 Flashcards & Notes
25 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "anatomie en fysiologie van de mens". The author(s) of the book is/are ludo gregoire. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - anatomie en fysiologie van de mens

  • 1 terreinverkenning

  • ik ben nu ralf aan het helpen met het maken van een test
  • Wat is anatomie
    anatomie beschrijft de bouw van het menselijk lichaam
  • wie is ralpf
    ced s broer
  • 1.1 doelstelling en plaatsbepaling

  • wie is ralf
    ceds broer
  • 5.1 Orgaanstelsels en hun functies

  • Wat zijn de 5 vegarieve functies van het lichaam
    Transport, voedselvoorziening, uitscheiding, gaswisseling en begrenzing
  • Een groep cellen met dezelfde vorm en functie is een weefsel. Meerdere soorten weefsels vormen een orgaan. Meerdere organen kunnen samenwerken binnen een Orgaanstelsels.
  • Wat is vegatieve integratie?
    De interne afstemming van de onderlinge vegatieve functies door het hormoonstelsel en het vegatieve zenuwstelsel.
  • De vegatieve integratie wordt verzorgd door het hormonale stelsel, de vegatieve sensoriek en het vegatieve zenuwstelsel. De animale functies zorgen voor de interactie tussen mens en de buitenwereld. Regeling hiervan gebeurt door de animale sensoriek, het animale zenuwstelsel en het motorisch stelsel.
  • 6 circulatiestelsel (C1)

  • Wat is de route van het bloed in de lichaamscirculatie?
    Linkerventrikel, aorta, slagaders,organen en weefsels, aders, holle aders, rechteratrium, rechterventrikel, en de aansluiting op de longcirculatie.
  • Wat is de route van de longcirculatie?
    Rechterventrikel, longslagader, longen, longaders, linkeratrium, linkerventrikel en de aansluiting op de lichaamscirculatie
  • Het art bestaat uit het linker en rechter atrium (boezems) en de linker en rechter ventrikels (kamers) het september verdeelt het hart in links en rechts. De anuli fibrosi cordis (bindweefselringen) liggen tussen de atria en de ventrikels .
  • Atrioventriculaire kleppen= AV kleppen=kleppen tussen atria en ventrikels. Rechts: valva tricuspidalis, links: valva bicuspidalis. Ateriele kleppen=valvulae semilunares=kleppen tussen atria en grote slagaders, rechts valva truncipulmonalis links: valva aortae.
  • De hartwand is van buiten naar binnen opgebouwd uit: pericard of hartzakje (epicard en viscerale blad) myocard (hartspier) en endocard. Het linker ventrikel wordt veel zwaarder belast dan het rechter ventrikel en heeft een drie keer dikker myocard. Het hart prikkel geleidingssysteem bestaat uit de sinusknoop, atrioventriculaire knoop ( AV knoop) , de bundel ban His en de purkinjevezels.
  • Een hartcyclus duurt 0.8 seconde. Hierin wisselen systolen en diastolen van de atria en de ventrikels elkaar af. De eerste hart toon is het dichtslaan van de AV kleppen. De tweede hartonderzoek is het dicht vallen van de atriele kleppen.
  • Wat zijn de onderdelen van het ECG.?
    P-top, PQ-segment, Q-dal, QRS-complex, ST segment, T-top.
  • De hartcirculatie (coronaire circulatie) voorziet het myocardium van zuurstof en voedingstoffen. De arteriae coronariae (kransslagaders) takken net voorbij de aortaklep van de aorta af. Onder maximale druk wordt bloed in deze slagaders gepompt.
  • Waaruit is een bloedvat opgebouwd?
    Tunica intima, binnenste laag, (endogeen weefsel) tunica media, middelste laag, (elastisch bindweefsel en spierweefsel) tunica externa, buitenste laag, (losmazig bindweefsel)
  • De arteriae bronchialis is niet hetzelfde als de arteriae pulmonalis (longslagader) de a.b. Voorziet het longweefsel van zuurstofrijk bloed en behoort tot de grote bloedsomloop. De a.p. Maakt deel uit van de kleine bloedsomloop en bevat zuurstofarm bloed.
  • Welke 4 factoren bepalen de hoogte van de arteriële bloeddruk.?
    Vullingstoestand van het bloedvat, slagvolume, elasticiteit van de vaatwand, de perifere weerstand.
  • De bloeddruk in een bloedvat is de druk die het bloed op de wand van dat bloedvat uitoefent. De hoogte van de bloeddruk hangt af van de plaats waar gemeten wordt in het bloedvaten stelsel. De arteriële druk is 120/80 mmHg, de capillaire druk is 35 mmHg, de veneuze druk is 5 tot o mmHg.
  • Welke hormonen hebben invloed op de bloeddruk?
    Antidiuretisch hormoon (adh) , aldosteron, renine, adrenaline, noradrenaline, histamine.
  • Wat is leukodiapedese?
    Het door de spleten van de capillair wand dringen en uittreden uit de bloedbaan treden van granulocyten.
  • Wat is hemopoëse? Wat is hemostase?
    Bloedcelvorming en bloedstolling
  • Waaruit bestaat bloed?
    45% bloedcellen, 55% bloedplasma, bloedcellen bestaan uit 95% erytrocyten, leukocyten en trombocyten
  • Hematrociet is het percentage erytrocyten in het bloed. Erytrocyten vervoeren zuurstof met behulp van hemoglobine, een ijzerhoudend eiwit. Erytrocyten worden continu afgebroken, lever en milt, bilirubine, afbraakproduct van hemoglobine, wordt uitgescheiden en de ijzeratomen worden hergebruikt bij de aanmaak van nieuwe erytrocyten. Leukocyten zorgen voor immuniteit. Drie groepen leukocyten zijn granulocyten, monocyten en lymfocyten. Trombocyten zijn onmisbaar bij de bloedstolling. Hemopoëse vindt plaats in het rode beenmerg voor de erytrocyten, trombocyten en leukocyten. In de lymfoïde organen voor de lymfocyten.
  • Wat zijn de fases van bloedstolling?
    Vasoconstrictie, primaire hemostase, (propvorming)' secundaire hemostase,(coagulatie) coagulatie komt tot stand door de stollingscascade, een ketting reactie waarbij plasma eiwitten zijn betrokken.bij de laatste reactie ontstaat het taaie eiwit fibrine.
  • De kristalloïd osmotische waarde KOW, en de colloïd osmotische waarde COW, bepalen samen de osmotische waarde van het bloed.
    Bloedplasma bestaat uit water, opgeloste zouten, plasma-eiwitten, bloedgassen en tijdelijk aanwezige stoffen. Belangrijke zouten in het bloedplasma zijn natrium, kalium, chloor, calcium, magnesium en waterstofcarbonaat. De zuurgraad van het bloed is 7.4. Albumine, globuline zijn plasma eiwitten.
  • Weefselvocht is bloedplasma zonder bloedcellen, trombocyten en grote plasma eiwitten. Weefselverharding ontstaat aan het begin van het capillairnetwerk waar de bloeddruk hoger is dan de osmotische waarde van het bloed. Aan het eind van het capillairnetwerk wordt het weefselvocht terug gezogen in de capillairen door de osmotische waarde die nu hoger is dan de bloeddruk. Ongeveer 15% van het weefselvocht wordt door de lymfecapillairen opgenomen .
  • Hoe zijn de lymfoïde organen opgebouwd?
    Opgebouwd uit lymfatisch weefsel en dat bestaat uit reticulair bindweefsel, lymfocyten vormend weefsel en veel lymfocyten. Lymfoïde organen zijn lymfeknopen, de waldeyerring, de peyerplaques, de thymus en de milt
  • Het lymfevaten stelsel ondersteunt de transportwerking van de bloedsomloop en regelt de immuniteit van het lichaam. Delen zijn: lymfe, lymfevaten en lymfoïde organen. Lymfe is grotendeels van de zelfde samenstelling als weefselvocht.lymfe stroomt via enkele grote lymfevaten naar het hart en komt via de linker en rechter vena subclavia terug in de bloedbaan. De aanwezigheid van ziekte verwekkers activeert het lymfatisch weefsel vervolgens tot de vorming van lymfocyten, de leukocyten die de specifieke immuniteit van het lichaam verzorgen.
  • Wat zijn de verdedigingsmechanismen van de fysieke barrière ?
    Ondoordringbaar epidermis (opperhuid )
    Zweet en talg klieren die melkzuur en vetzuur afscheidden 
    Speeksel en slijm in de mondholte, slijm en traanvocht in de neus en traanvocht in de ogen spoelen lichaamsvreemde stoffen weg.
    Maagzuurslijmvlies produceert zoutzuur daar zijn veel ziekteverwekkend niet tegen bestand.
    Urinewegen worden schoongespoeld met urine
    Zuur slijm in de vagina
    Darm en vagina flora (bacteriën )
  • Niet-specifieke immuniteit is de aangeboren afweer van het lichaam, deze immuniteit maakt gebruik van de fysieke barrière en een aantal inwendige mechanismen zoals: neutrofiele granulocyten, macrofagen, eosinofiele granulocyten, NK cellen, het complement systeem, interferon, ontsteking en febris
  • Antigenen zijn stoffen of cellen die door het afweersysteem als vreemd worden beschouwd, ze activeren B lymfocyten (humorale immuniteit) en T lymfocyten cellulaire immuniteit) geactiveerde B lymfocyten gaan snel delen en veranderen in plasmacellen. Plasmacellen maken in grote hoeveelheden immunoglobulinen gericht tegen een specifiek antigeen. Er ontstaan ook geheugen B cellen die bij een volgende infectie snel anti stoffen maken. 
    Er worden 4 typen T lymfocyten gemaakt na activatie: cytotoxische Tcel, T geheugencel, T helpercel, T suppressorcel.
  • Wat is immunisatie?
    Bij immunisatie worden er stoffen in het lichaam gebracht die het lichaam helpen met de afweer. Actieve immunisatie, verzwakte antigenen worden in het lichaam gebracht waardoor antistoffen gevormd worden en passieve immunisatie, specifieke immunoglobulinen worden in het lichaam gebracht die als antistoffen aan het werk kunnen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.