Summary Anatomie, fysiologie en pathologie

-
408 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Anatomie, fysiologie en pathologie

  • 1 Menselijk lichaam: de basis

  • Anatomie
    Ontleedkunde de wetenschap die de bouw van het menselijk lichaam onderzoekt
  • Fysiologie
    Bestudeert het normaal functioneren van de onderdelen van het lichaam
  • Pathologie
    Wetenschap die zich bezighoudt met algemene ziekteleer, stoornissen in de bouw en het functioneren van het lichaam
  • Cytologie
    Celleer is wetenschap die cellen bestudeert
  • Kenmerken van leven in cellen
    Stofwisseling
    Groei
    Beweging
    Voortplanting
    Reactie op prikkels van buitenaf
  • Eencellige organismen
    Bacteriën
    Algen
  • Meercellige organismen
    Opgebouwd uit meerder cellen. Z
    Zenuwcellen, spiercellen zintuigcellen
  • Processen binnen een cel
    Aanmaak, afbraak en verbranding van stoffen
  • Levensduur van cellen
    Ssommige enkele dagen (witte bloedcellen)
    Sommige levenslang(zenuwcellen) wanneer deze verloren gaan worden ze niet meer vervangen, gevolg Littekenweefsel: reparatie
  • Bouw van de cel
    Celmembraan = de wand van de cel
    Cytoplasma = celvloeistof
    Nucleus = celkern
  • Celmembraan
    Dun vlies wat de cel omsluit. Door kleine openingen in het membraan kan uitwisseling van stoffen plaatsvinden. Laat niet alle stoffen door. Hangt af van de 
    grote van de gaatjes(poriën) . Semi-permeabel (= halfdoorlatend) 
  • Cytoplasma
    Celvloeistof bestaat uit water koolhydraten eiwitten en zouten. Ook zijn er aparte eenheden nl. De celorganellen. Celorganellen zijn de organen van de cel met hun eigen functie voor de aanmaak van celspecifieke producten (hormonen,slijm,speeksel)
  • DNA
    Desoxytibonucleïnezuur  hierin ligt de erfelijke informatie vast. DNA zit in de chrmsmn om eiwitten gerold. De opbouw van DNA is voor ieder individu uniek. Behalve eeneiige tweeling.
  • Mitose
    Celdeling van  lichaamscellen., proces waarbij  de kern van een cel deelt in twee genetisch identieke delen, die elk weer uitgroeien tot twee volwaardige cellen. Deze cellen kunnen zich ook weer delen.

    Bij het delingsproces wordt van elk chromosoom een kopie gemaakt voordat de kern (moedercel) zich deelt. Hierbij verdubbeld het DNA en de aanwezige stoffen in het cytoplasma. Zodat deze na deling evenveel chrmsmn bevatten. Gaan groeien en produceren plasma totdat ze net zo groot zijn als de moedercel
  • Meiose
    Ook wel reductiedeling genoemd. Vorm van celdeling: De vorming van geslachtscellen in geslachtsorganen (zaadcel en eicel) 
    De geslachtscellen bevatten slechts 23 chromosomen (haploïde toestand). 
    46 chrmsmn = diploïde toestand. 
    Na bevruchting versmelten zaadcel en eicel  (zygote= bevruchte eicel ) door de reductie deling heeft de zygote 46 chrmsmn
  • Erfelijke  eigenschappen
    Chromosomen komen in paren voor. Elk paar heeft 1 chrmsmn van de vader en 1van de moeder. Als  men twee dezelfde genen heeft( bijv, beiden blond haar ) dan is er spraken van een homozygoot.
    Twee verschillende genen is heterozygoot.
  • Genotype en fenotype
    Genotype  is  totale hoeveelheid erfelijk materiaal. Wat hiervan tot uiting komt is het fenotype. Eeen verandering in het genotype is een mutatie
  • Zijn genen op chromosomen van gelijke sterkte?
    Nee er zijn dominante genen en recessieve genen
  • X-chromosomale aandoeningen
    Eigenschappen die gelegen zijn op het X-chrmsmn worden X-chrmsmaal gebonden genoemd
  • Chromosomale afwijkingen
    Syndroom van Down chrmsmnummer 21 komt in drievoud voor, dus 47 chrmsmn per cel
    Syndroom van Turner : geslachtschromosomale afwijking: de vrouw bevat slechts 1 X-chromosoom dus 45 chrmsmn per cel
    Syndroom van klinefelter geslachtschromosomale afwijking. De man heeft een chrmsmn te veel XXY
  • Differentiatie
    Uitrijping  van cellen in diverse richtingen ( spier bot huid cellen)
  • Nucleus
    Celkern omgeven door celmembraan en bevat chromosomen
  • Chromosomen
    Bevatten erfelijke eigenschappen. Iieder heeft 46 chrmsmn 23 van de vader, 23 van de moeder. Zijn gerangschikt in 23 paren. 1 paar geslachtschrmsmn 22autosomen
  • Geslachtschrmsmn
    Man: XY
    Vrouw: XX
  • Genen
    23 paar chromosomen  bevatten miljoenen genen. 1 gen bevat info over 1 bepaalde erfelijke eigenschap. Y Chromosomen bevatten nauwelijks genen.
  • Homozygoot
    Aals men van vader en moeder hetzelfde gen meekrijgt (blond haar)
  • Heterozygoot
    Aals men van vader en moeder verschillende genen meekrijgt ( blond/ donker haar)
  • Bouwsteen van ons lichaam
    Eiwitten( aminozuren)
    Koolhydraten(monosachariden  enkelvoudige suikers)
    Vetten (vetzuren en glycerol)
    Nucleïnezuren (DNA)
  • Stofwisseling
    De aanvoer van voedingsstoffen en de uitscheiding van afvalstoffen tussen een levend organisme en zijn omgeving. (Metabolisme)
  • Celademhaling
    Proces waarbij de cel zuurstof opneemt uit bloed, dit wordt  gebruikt voor verbranding van voedingsstoffen. Hierbij komt energie vrij wat gebruikt wordt voor aanmaak van nieuwe stoffen. Afvalstoffen worden aan het bloed afgegeven en afgevoerd. Energieproductie vindt plaats in de celorganellen.
  • Basaalmetabolisme
    Minimale stofwisseling in rust/slaap. = ruststofwisseling
  • Energie
    1. Warmte  ( op temperatuur blijven)
    2. Mechanische energie
        Arbeid( beweging)
        Transportprocessen stoffen die cellen in                en uitgaan
        Elektrische arbeid( zenuw en spiercellen)
         Productie van nieuw celmateriaal ( speeksel hormonen)
  • Anabolisme
    Opbouwstoffisseling, processen waarbij nieuw celmateriaal wordt aangemaakt.
  • Drie stelsels die betrokken zijn bij de stofwisseling
    Hart- en vaatstelsel
    Ademhalingsstelsel
    Uitscheidingsstelsel/excretiestelsel
  • Voedingsstoffen die ons lichaam nodig heeft
    Koolhydraten

    Eiwitten
    Vetten
  • Katabolisme
    Afbraakstofwisseling, voedingsstoffen die in de cel met behulp van zuurstof worden afgebroken tot koolstofdioxide, water en energie.
  • Soorten voedingsstoffen
    Brandstoffen: vetten, koolhydraten
    Bouwstoffen: eiwitten, aminozuren die ontstaan bij verteren van eiwitten worden gebruikt  voor opbouw van nieuw celmateriaal door nieuwe lichaamseiwitten van te maken.
  • Regulatie
    Hormonen zijn eiwitten worden door het lichaam zelf gemaakt en zijn belangrijk voor de stofwisseling. De intensiteit van de stofwisseling wordt gereguleerd dmv schildklierhormoon thyroxine.
  • Histologie
    Weefselleer
  • Weefsel
    Een groep gelijksoortige cellen bij elkaar.
    Steunweefsel/spierweefsel/zenuwweefsel enz.
  • Orgaanstelsel
    Een aantal organen die samen één functie uitvoeren.
  • Soorten weefsels
    Oppervlakteweefsel
    Bind- en steunweefsel o.a. Vetweefsel
    Spierweefsel
    Zenuwweefsel
    Bloed
  • Oppervlakteweefsel
    Epitheel( grenzend aan de buitenwereld( huid, luchtpijp, darmwand)
    Endotheel ( niet in contact met de buitenwereld binnenkant bloed- en lymfe vaten.
    Oppervlakteweefsel bestaat uit één of meer lagen
  • Groepen oppervlakteweefsel
     Volgens  rangschikking: Eenlagig, meerlagig, meerrijig.
    Naar vorm: plaat-of plaveisel epitheel, cilinderepitheel, kubisch epitheel.
  • Slijmvlies
    Epitheelcellen die slijm produceert wat aan de buitenwereld wordt afgegeven
  • Klierweefsel
    Grote cellen met weinig of geen tussenstof,
  • Soorten bindweefsel
    Collageen bindweefsel: stevigste bindweefsel, sterk, weinig rekbaar. In pezen en gewrichtkapsels

    Elastisch bindweefsel: elastische tussenstof ,vervormbaar. Bijv.  Wanden van bloedvaten

    Reticulair bindweefsel: fijn vertakte vezels, bijv. Mmilt lymfeklieren beenmerg
  • Soorten steunweefsel
    Botweefsel: botcellen( osteocyten) met kalkhoudende tussenstof.
    Tussen de osteocyten liggen collageen vezels en kalkzouten waardoor harde taaie structuur ontstaat
  • Osteoclasten
    Botafbrekende cellen
  • Osteoblasten
    Botvormende cellen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Ziekte van Crohn
Oontsteking kan alle onderdelen van het spijsverteringskanaal aandoen, van mond tot anus, voornamelijk de dunne darm.

Ontstoken plekken met gezond slijmvlies ertussen. Rectum blijft vaak vrij.
Klachten zijn afhankelijk van de plaats van ontsteking in de darm.
Colon: diarree
Ileum: pijn rechteronderbuik
Obstructie van de darm: koliekpijn
Bij ausculatie: gootsteengeluiden

Soms koorts en perianale (= rond de anus) fistels. Kkans op coloncarcinoom is vergroot maar minder dan bij colitis ulcerosa
Om te onderscheiden om welke aandoening het gaat worden weefselbiopten gemaakt.
Colitis ulcerosa
Begint vaak bij het rectum en beperkt zich tot het slijmvlies van het colon. Dit bloed makkelijk door de ontsteking. Er kunnen veranderingen optreden in de darmwand, er is verhoogde kans op coloncarcinoom

Symptomen: 
*slijm en bloed bij ontlasting
*diarree
*bloed lozen zonder feces
*darmkrampen
*koorts, afvallen en anorexie in ernstiger gevallen.

diffuse drukpijn bij lichamelijk onderzoek.
Aanvullend onderzoek: röntgencontrastfoto en biopten nemen bij kijkbuisonderzoek
Chronische darmontstekingen
Colitis ulcerosa
Ziekte van Crohn
Ontstaan zonder duidelijk oorzaak, begint meestal op jonge leeftijd, er zijn weinig sterfgevallen maar vooral ziekte van Crohn kan kwaliteit van leven behoorlijk verminderen
Tumoren dikke darm en endeldarm
Colonadenomen en coloncarcinomen. 
Relatie met voeding: vezelarm, rijk aan dierlijk eiwit en vet. Welvaartsziekten

Adenomen geven vaak geen klachten, worden per toeval ontdekt, moeten wel chirurgisch verwijderd worden. adenomen zijn voorlopers van coloncarcinomen.

Colon- en rectumtumoren zijn op één na meest  voorkomende vorm van kanker en oorzaak van overlijden aan kanker. Omdat het pas laat ontdekt wordt. In vroeg stadium is prognose redelijk.

Adenocarcinoom vaak boven de 60. 
Klachten: 
*veranderd ontlastingpatroon, *gewichtsverlies, 
*occult bloedverlies met anemie.
*loze aandrang
*bloedverlies met of zonder slijm.


Soms zijn tumoren te voelen bij buikondezoek en in het rectum( rectaal toucher )
Colonpoliepen
Darmpoliep is stukje weefsel dat uitpuilt in het. Darmlumen en bekleed is met slijmvlies. Varieert van mm tot vele cm. Kunnen hobbelig en glad zijn, vaak zijn er meerdere.

Adenomateuze poliep is belangrijkste, klein aantal poliepen worden maligne.

Invaginatie: door een poliep schuiven twee delen van de darm in elkaar, gevolg: stenose. (Vernauwing)
Appendicitis
Ontstoken appendix = blindedarmontsteking
20% van de gevallen van acute buik.
Appendix wordt afgesloten door stukje feces of onbekende oorzaak. 

Pijn in de maagkuil en zakt af naar rechtsonder. Misselijkheid, soms koorts. Bewegen verergert de pijn.

Drukpijn is ergst rechtsonder: ( punt van McBurney) en er is spierverzet.
Klachten kunnen ook aspecifiek, bij twijfel wordt geopereerd omdat complicaties zeer ernstig kunnen zijn. Perforatie appendix, buikvliesontsteking ( peritonitis) zijn levensbedreigend. 
Diverticulose en diverticulitis
Diverticulose: aanwezigheid van divertikels (=uitstulpingen) 
Ontstaan door hoge druk in de darm waardoor slijmvlies tussen de spierlagen door naar buiten uitpuilt. Vooral in het sigmoïd.
 Neemt toe met de leeftijd, komt door vezelachtige dieet, geeft geen klachten.

Diverticulitits: ontstoken divertikels.
Pijn in linkeronderbuik, soms ontsteekt omringend weefsel, dit kan vernauwing geven. Misselijkheid en braken.

Complicaties: fistelvorming naar andere organen of buikvliesontsteking
Tumoren en hernia
Tumoren komen zelden voor in de dunne darm

Hernia bestaat uit uitstulping van het peritoneum ( breukzak) door een al dan niet aanwezige opening in de buikwand (breukpoort) in de breukzak bevinden voornamelijk darmlussen van de dunne darm (breukinhoud)

Naar locatie 
1. Liesbreuk = hernia inguinalis
2. Dijbeenbreuk = hernia femoralis
3. Navelbreuk = hernia umbilicalis
4. Littekenbreuk = hernia cicatricalis

Irreponibele hernia = inhoud breuk is niet terug te duwen
Hernia incarcerata = breukinhoud is door de breukpoort afgesnoerd, er kunnen circulatiestoornissen ontstaan

Diagnose: inspectie van uitpuiling van de buikwand op typische breukplaatsen
Therapie: operatie, bij afgeklemd deel zal men dit verwijderen en uiteinden hechten
Bacteriële overgroei
Van belang is de plaats van de overgroei en de soort bacteriën. Kan gevolg zijn van anatomische afwijkingen: stenose (ophoping) verlaagde peristaltiek


Er kan steatorroe ontstaan, ( brijachtige vettige volumineuze ontlasting

Er kan sprake zijn van Malabsorptie van eiwitten en afbraak van koolhydraten. Diarree door malabsorptie van vetten of door afbraakproducten koolhydraten

Therapie: wegnemen oorzaak, Andes antibiotica
Coeliakie = glutengevoelige spruw
Coeliakie is het giftige effect van gluten op het dunnedarmslijmvlies.
Gluten is verzamelnaam voor eiwitten in graansoorten.
Gevoeligheid voor gluten kan zich op jonge  en volwassen leeftijd openbaren. Beloop  is wisselend soms spontane remissie.
Kenmerken: afvlakken darmvilli die proximaal ernstigst is, verminderde opname Voedingsstoffen en malabsorptieverschijnselen door deze vlokatrofie van slijmvlies.

Symptomen: diarree, gewichtsverlies, moeheid, gebrek aan eetlust, chronische gevolgen van malabsorptie. 

Matige Buikpijn, borborygmus, volumineuze feces, klachten door vitamine- en mineraaltekorten
Diagnose: biopsie
Glutenvrij dieet
Prognose : gunstig