Summary Arresten

-
225 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Arresten

  • 1 College 1: Inleiding en enkele hoofdlijnen

  • Welk arrest ging over exclusiviteitscontracten die waren afgesloten?
    Arrest Consten/Grundig (Hvj EU).
  • Waar heeft het arrest Consten/Grundig betrekking op?
    Op artikel 101 VwEU waarin het kartelverbod is neergelegd. Het ging hier om exclusiviteitscontracten die waren afgesproken tussen Consten en Grundig.
  • Waar ging het geschil in Consten/Grundig over?
    Het was een geschil van de Europese Commissie vs. Consten en Grundig. De EC had besluit genomen en geoordeeld dat C&G afspraken hadden gemaakt die in strijd zijn met het Europees kartelverbod uit artikel 101 VwEU (destijds nog art. 85). C&G waren het hier niet mee eens en zijn toen in hoger beroep gegaan bij HvJ EU.
  • Wat zijn de feiten uit arrest Consten/Grundig?
    Grundig (= producent van televisies van het merk Grundig) had afspraken gemaakt met de Franse distributeur Consten. Consten kocht televisies van Grundig met als doel om ze in Frankrijk op de markt te brengen en ze daar door te verkopen. 
    IN de afspraak tussen Consten en Grundig waren de volgende dingen opgenomen:
    1. Consten mocht geen andere merken dan Grundig verkopen;
    2. Consten zou dan de enige importeur in heel Frankrijk worden van Grundig televisies.
    3. Er werd een non-concurrentiebeding opgenomen
    4. Er werd absolute gebiedsbescherming opgenomen. Grundig beloofde dat zij zelf geen televisies zou verkopen aan andere marktpartijen dan Consten wanneer Grundig in de veronderstelling was dat die wederpartij ook televisies in Frankrijk zou verkopen. Daarbij werd wel afgesproken dat Consten de televisies die zij geleverd kreeg van Grundig dan niet buiten Frankrijk zou mogen verkopen. C kreeg dus eigenlijk een monopoliepositie m.b.t. de verkoop van Grundig televisies Frankrijk.
    5. Er vond overdracht van merkrecht plaats.

    UNEF ging toen plots ook Grundig televisies in Frankrijk verkopen, Consten verzette zich daartegen op grond van het merkenrecht. Unef stelde dat de afspraken die tussen Consten en Grundig waren gemaakt in strijd waren met het kartelverbod uit artikel 101 VwEU (destijds 85 VwEU). De Europese Commissie oordeelde dat de afspraken inderdaad in strijd waren het het kartelverbod. De zaak werd toen door C&G in hoger beroep aan gevochten bij HvJ EU.
  • Wat was het verweer dat Consten en Grundig voerde bij HvJ EU?
    1. Allereerst betwistte C&G dat het Europese recht van toepassing was. Wil het Europese recht van toepassing zijn dan moet er namelijk sprake zijn van "een overeenkomst welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden". C&G waren van mening dat het de handel tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloedde, want er worden steeds meer televisies verkocht in Frankrijk. 
       Reactie HvJ EU: het criterium dat het Europese recht van toepassing is 
       geeft enkel de grens tussen het gemeenschapsrecht en het nationaal 
       toepasselijke recht aan. Hieraan is voldaan wanneer de handel zich 
       vanwege de overeenkomst in merkbare mate anders ontwikkeld dan 
       zonder die overeenkomst het geval zou zijn. De beïnvloeding kan 
       daarnaast direct (terstond) of indirect (potentieel) zijn.
       Wanneer een overeenkomst leidt tot de toenamen van de interstatelijke 
       handel, dan kan de handel toch nog ongunstig zijn beïnvloed, ondanks 
       het feit dat de interstatelijke handel is toegenomen.
    Dit leidt er volgens het HvJ EU toe dat andere marktpartijen namelijk geen Grundig TV meer kunnen importeren in Frankrijk. De Europese Commissie was daarom bevoegd om het Europese recht op deze overeenkomst toe te passen.

    2. Het tweede verweer van C&G was dat het kartelverbod helemaal niet van toepassing was. C&G voerden aan dat het kartelverbod alleen geldt bij afspraken tussen concurrenten, maar C&G waren geen concurrenten en dus kon het kartelverbod ook niet van toepassing zijn.
       Reactie HvJ EU: het maakt niet uit of het gaat om afspraken die tussen 
       concurrenten of niet-concurrenten zijn gemaakt. Want 'beginsel van vrije 
       concurrentie beheerst alle fasen en aspecten van de mededinging' en 
       omvat dus zowel concurrentie tussen concurrenten en niet-
       concurrenten. Het kartelverbod geldt dus zowel voor horizontale als 
       verticaal gemaakte afspraken.

    3. Het derde en laatste verweer van C&G was dat de Europese Commissie het bewijs moet leveren dat er sprake is van daadwerkelijke concurrentiebeperking. Het verweer was dat de EC helemaal niet had bewezen dat er daadwerkelijk sprake was van een beperking van de concurrentie. 
       Reactie HvJ EU: Wanneer een overeenkomst tot doel heeft om de    
       concurrentie te verhinderen, te beperken of te vervalsen dan hoeft de EC 
       de concrete gevoglen van die overeenkomst geen acht meer te slaan en 
       hoeft zij hiervoor dus ook geen bewijs meer te leveren. Wanneer er sprake 
       is van een absolute gebiedsbescherming is er sprake van een 
       doelbeperking en dan hoeft de EC dus geen extra bewijs meer te leveren.
  • Welke drie belangrijke rechtsregels volgen er uit arrest Corsten/Grundig
    1. Wil het Europese recht van toepassing zijn dan moet zijn voldaan aan het criterium: "een overeenkomst welke de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden". Het HvJ EU zei hierover dat de beïnvloeding van de handel tussen lidstaten zowel direct (terstond) of indirect (potentieel) kan zijn. Ook wanneer interstatelijke handel toeneemt (omdat meer TV's kunnen worden verkocht) kan er sprake zijn van ongunstige beïnvloeding van de interstatelijke handel.

    2. Het kartelverbod is van toepassing op zowel horizontale afspraken (tussen concurrenten onderling) als op verticale afspraken (tussen leverancier en afnemer).

    3. Wanneer een overeenkomst tot doel heeft de concurrentie te verbinden, te beperken of te vervalsen dan hoeft de EC niet meer aan te tonen dat er ook sprake is van een concurrentie beperkend gevolg. In geval van absolute gebiedsbescherming is er sprake van een doelbeperking.
    HvJ EU maakt onderscheid tussen doelbeperkingen en gevolgbeperkingen. De ACM en EC zijn dankbaar voor dit onderscheid omdat het aantonen van concurrentiebeperkende gevolgen in de praktijk erg lastig is.
  • Wat houdt het misbruikverbod in?
    Het misbruikverbod is neergelegd in artikel 24 MW. Dit is het verbod op misbruik van een economische machtspositie. Er is sprake van misbruik van een economische machtspositie wanneer er zonder objectieve rechtvaardiging sprake is van een structureel uitbuiten van leveranciers of afnemers of het uitsluiten van concurrenten.
  • 2 College 2: Hoofdlijnen Mededingingsrecht

  • Wie zijn op Europees niveau de wetgever en de toezichthouder?
    De Europese Commissie is op Europees niveau zowel de wetgever als de toezichthouder (= de uitvoerder van de regels). De Commissie combineert de functie van wetgever en toezichthouder.
  • Wat is het gevaar van het feit dat de EC zowel regelgever als toezichthouder is?
    Dan liggen de wetgevende en toezichthoudende functie bij hetzelfde orgaan. Het EHRM heeft in arrest Remarinie gezegd dat dit geen probleem hoeft te zijn zolang er sprake is van een toetsing door een voldoende onafhankelijke rechter. Op Europees niveau kan je hiervoor naar het Gerecht in Eerste Aanleg en daarna kan je eventueel in hoger beroep bij HvJ EU.
  • Waarom is het volgens het EHRM geen probleem dat zowel de wetgevende als de uitvoerende macht bij de EC ligt?
    In arrest Remarinie zei het EHRM dat dit geen probleem hoeft te zijn zolang er sprake is van een toetsing door een voldoende onafhankelijke rechter. Op Europees niveau kan je eerst naar het GEA en daarna naar het HvJ EU. Daarnaast zijn de richtsnoeren van de EC voornamelijk codificatie van jurisprudentie, in die zin is er dus al voldoende controle.
  • Waar gaat arrest Remarinie over?
    Arrest Remarinie gaat over de dubbelrol van de EC als wetgever en uitvoerende organisatie.
  • Wat is er kort gezegd bepaald in arrest Reminarie?
    Het EHRM heeft in arrest Reminarie gezegd dat de dubbelrol van de EC geen probleem is. Zolang er maar de mogelijkheid bestaat om naar een voldoende onafhankelijke rechter te gaan, en dat is mogelijk: GEA en HvJ EU. 

    Daarnaast zijn de richtsnoeren van de EC voornamelijk gebaseerd op jurisprudentie en dus is er sprake van voldoende toezicht.
  • Wat is er bepaald in arrest Peijnenburg/Albert Heijn?
    Er was sprake van een ruzie tussen Peijnenburg en Albert-Heijn, AH was toen bezig met prijsverlagingen en AH had o.a. de prijs van Peijnenburg ontbijtkoek heel erg ver­laagd en dat leidde ertoe dat andere supermarkten dat ook gingen doen en minder wil­den betalen voor die ontbijtkoek, die koek kon ten gevolge van deze acties niet meer met winst worden verkocht. Peijnenburg zei: ik stop met leveren want ik kan ze niet meer winstgevend aan jullie verkopen, AH spande toen procedure aan tegen Peijnenburg en AH vorderde in Kort Geding dan Pijnenburg verplicht zou worden tot leve­ring van die koken: 1. Op basis van het contract en op basis van 2. Onrechtmatige daad, wat Peijnenburg probeerde te doen was aan ons voor te schrijven wat wij voor prijs moeten vragen voor de koeken, dat is prijsbinding op verticaal niveau en dus niet toe­­gestaan. KG-rechter gaf Peijnenburg gelijk, als hij niet meer winstgevend kan ver­ko­pen dan kan niet verwacht worden dat leverancier die koeken blijft leveren. Peijnenburg mocht dus stoppen met leveringen. NMa heeft toen een persbericht ge­pu­bli­ceerd waarin zij schreef dat ze kennis heeft genomen van de voorzieningenrechter, het is de uitspraak van de rechter maar wij vinden wel dat het mededingingsrechtelijk niet toelaatbaar is dat een leverancier toeschrijft wat hij voor prijs moet vragen voor het pro­duct. Dit is niet eerder en ook daarna niet gebruikt. 
  • Wat is bepaald in arrest Nestle/Mars?

    Ander voorbeeld is de zaak Nestle Mars, het gaat om repen chocola, Mars heeft afspraak gemaakt met benzinepomphouders dat mars op bepaalde plekken in de benzinepomp zou­den liggen. Daaraan was een bonussysteem aan verbonden, over de jaaromzet van die producten zou een bepaalde bonus worden uitgekeerd plus nog een extra bonus als er weer aan andere dingen zouden voldoen. Nestle was het hier niet mee eens om te vor­deren dat deze afspraken nietig zouden zijn o.b.v. mededingingsrechtelijke redenen. Nestel zegt: 1. Mars maakt misbruik van machtspositie en 2. Het is mededingingsbeper­kend. Mars betwist dat sprake is van machtspositie en dat sprak eis van mededingings­be­perkende afspraak. Van belang is in de eerste plaats de afbakening van de markt, Nestle beweert dat het een kleine markt is (alleen benzinepomphouders) en Mars zei dat ook de supermarkten e.d. meegerekend moeten worden. En Mars heeft in kleine markt een aandeel van 50,6% de grootte van het marktaandeel is belangrijk aandeel is dat sprake zou kunnen zijn van economische machtspositie, maar zegt de rechter dat er ook nog sprake moet zijn dat Mars zich onafhankelijk van concurrenten kan gedragen en dat kan als zij een programma kan ontwikkelen om zich uit te breiden ten kosten van de concurrenten. De afspraken met de pomphouders gaan ze kwalificeren, er is sprake van verticale beperking en alles bij elkaar (extra verkoopmeubels, beste plaatsen, bonus etc.) die kunnen worden gekwalificeerd als Category-management programma. Deze af­spraak kan de mededinging dus beperken. Daar stellen ze bij voorop dat programma niet de strekking heeft de mededinging te beperken, maar of zij tot gevolg heeft de me­de­dinging te beperken .de rechtbank zegt dat daar in dit geval sprake van is. De recht­bank heeft ook gekeken of Nestle zelf ook in staat is een dergelijk programma op te zetten, zij zou dat eigenlijk niet kunnen doen zonder zelf structureel verlies te lijden op die producten. Deze concurrent is dus niet in staat om te concurreren op die wijze. Er moest ook nog gekeken worden of concurrentie op merkbare wijze wordt vervalst, rech­ter zegt dat het niet duidelijk is hoe programma was voor deze gedraging was en hoe het daarna was. De rechter houdt de zaak daarom aan. Het is een rare en slechte uit­spraak zegt de docent. De rechtbank volgt hier nogal makkelijk de meningen van an­de­ren, zij volgt nogal makkelijk de eerdere besluiten waar Nestle naar verwees. Als Nestle een groter aandeel wil in de markt dan kan zij dat wel doen, maar dan moet zij gewoon inve­steren. Dan zegt Nestle, wij zijn wel miljardenconcern maar wij hebben heel veel andere activiteiten en hebben voor onszelf de stelregel hebben dat alle activiteiten winst­gevend moeten zijn, dus je moet niet naar onze totale concernomzet kijken maar naar het specifieke gedraging en de rechtbank volgt dit in r.o. 4.25: “Onderzocht zal … kan veroorloven”. Dus feit dat je miljardenbedrijf bent maakt geen verschil volgens de recht­bank, maar dat is raar want het moet juist de standaard zijn dat het een investering is: het opbouwen van grotere marktpositie in de toekomst. De rechtbank gaat hier ech­ter volledig aan voorbij. De rechtbank doet wel goed dat de bewijslastverdeling op de juiste manier wordt toegepast. Daarnaast mixed de rechtbank het kartelverbod en mis­bruik van machtspositie door elkaar heen, die kan je alleen niet tegelijkertijd toepassen. Docent zegt: als je deze uitspraak zo leest dan zou het best zo kunnen zijn dan je bij een ander dan de rechtbank dan Oost-Brabant aan een beter adres bent m.b.t. een dergelijk on­der­werp, ofwel: de rechtbank is slecht. Vraag zou moeten zijn: is het onmiskenbaar dat ten gevolge van deze afspraken dat Nestle daardoor uit de markt gedrukt wordt? 

  • In geval van welk begrip is arrest Alarmcentrale Nederland van belang?
    Ten aanzien van het begrip 'onderneming'. Daar was de vraag aan de order of de Politie een onderneming was in de zin van de Mededingingswet.
  • Wat is er bepaald in arrest Alarmcentrale Nederland?
    Daar werd door Alarmcentrale Nederland BV een klacht ingediend tegen Politie. De Politie had in samenwerking met een aantal bergingsbedrijven (van auto’s met ongeluk etc.) het Landelijk Centraal Meldpunt (LCM) opgezet. Als de Politie dan werd geconfronteerd met kapotte auto dan belde zij het telefoonnummer van het LCM en die zorgde dat een van die ber­gings­bedrijven de auto op kwam halen. 
    Niet alle bedrijven waren bij LCM aangesloten, de ACN zei tegen NMa dat LCM alle meldpunten kreeg van de Politie. Zij heeft de klacht niet opgepakt, daartegen ging ACN in bezwaar en daar oordeelde de NMa niet anders en toen ging ACN door naar de bestuursrechter. De rechtbank was heel snel klaar met deze zaak, de Rb zei dat er op moest worden getreden tegen de Politie en de Politie is geen onder­neming, zij handelt als overheidsdienaar. NMa had dus gelijk dat zij de klacht niet had opgepakt. 
  • In welk arrest is bepaald hoe je het begrip 'onderneming' in de zin van de Mededingingswet dan wél moet uitleggen?
    In arrest Motoe.
  • Wat is er bepaald in arrest Motoe?

    Hoe moet je begrip onderneming dan wel invullen? Puur overheidshan­de­len in kader van openbare orde of overheidsorgaan valt niet binnen begrip onderne­ming. In Motoe wordt duidelijk wanneer overheidsorgaan wel handelt als onderneming. In dit arrest ging het om de verlening van vergunningen voor het organiseren van een motorwedstrijd.

    Als je motorwedstrijd wilde organiseren moest je vergunning krijgen en voordat het be­stuur daarover ging oordeelden gingen zij eerst kijken naar ELPA. De vraag was of ELPA wel of niet als onderneming kon worden aangemerkt.

    Het HvJ zei hierover dat Elpa twee activiteiten had:

    1. Beoordeelden over vergunningaanvragen en

    2. Organiseerden wed­strijden.

    Subsidieaanvragen behandelen was een pure overheidstaak. Het organiseren van die wed­strijden daarentegen was een economische activiteit. Die twee moeten volgens het Hof los van elkaar worden gezien. En dus kon ElPA als onderneming worden aangemerkt. Alhoewel ELPA duidelijk een soort van overheidstaak uitvoerde, had ELPA daarnaast ook commerciële acti­vi­tei­ten omdat zij zelf ook wedstrijden organiseert waar met sponsorcontracten geld werd ver­­diend en omdat zij dat er ook bij deed was zij ook te zien als onderneming. ELPA oefent een economische activiteit uit en daarom is zij een onderneming.

  • In welk arrest is neergelegd wat een economische activiteit is?
    In arrest Motoe.
  • Wat zegt arrest Motoe over het begrip 'economische activiteit'?

    Het begrip 'economische activiteit' maakt onderdeel uit van het begrip 'onderneming'. In arrest Motoe staat ook wat economische activiteit is: "het produceren of aanbieden van pro­duc­ten of diensten op een bepaalde markt". Dus als je met partijen een sponsorcontract sluit in kader van motorwedstrijden, dan is dat een economische activiteit daar mee bied je een dienst aan en daar wordt voor betaald. 

    Uit rechtspraak blijkt dat je ver­schil­len­de activiteiten van dezelfde entiteit afzonderlijk moet beoordelen, en als een van die ac­ti­viteiten economische activiteit is dan handelt de entiteit in ieder geval in die hoe­da­nig­heid als onderneming als het gaat om die activiteit. Ook het inkopen van diensten kan een economische activiteit zijn, met name wanneer die partij die producten inkoopt en daarna er zelf weer iets mee doet, bijvoorbeeld verkopen.

    Uit de definitie blijkt ook dat bepaalde dingen buiten het begrip vallen: uitoefenen spe­ci­fie­ke overheidstaak, functie in dienst van openbaar gezag (iets wat alleen de overheid mag), daarnaast kan het zo dat partij goederen of diensten aanbiedt maar dat hij dat doet in situatie waarin geen sprake is van marktwerking omdat zij volkomen door de over­heid is bepaald en omdat er geen vrijheid is wordt zo’n markt niet als een markt be­schouwd waarin ondernemingen actief zijn er is dan sprake van wettelijke dwang.

  • Wat is er kort gezegd bepaald in arrest Motoe?
    1. Allereerst is er bepaald wat er valt onder het begrip onderneming. Daaronder kan ook een overheidsorgaan vallen wanneer zij een economische activiteit uitvoert. Wanneer zij naast haar gewone bestuursrechtelijke activiteit een economische activiteit uitoefent, moet niet alleen worden gekeken naar het feit dat zij een overheidsorgaan is. Het is van belang om beide activiteiten los van elkaar te beoordelen.

    2. Ook is in arrest Motoe neergelegd wanneer er sprake is van een economische activiteit. Een economische activiteit is het produceren of aanbieden van producten of diensten op een bepaalde markt.
  • Welk arrest is van belang met betrekking tot de afbakening van 'de productmarkt'?
    De United Branche zaak. In deze zaak moest worden ge­oordeeld of bananenleverancier (Chiquita) misbruik had gemaakt van haar markt­po­si­tie. De vraag was wat haar marktaandeel was. Chiquita zei toen: bananen concurreren met appels en peren en dan heb je maar een heel klein marktaandeel als je die soorten fruit bij elkaar optelt. De commissie zei dat je al die soorten fruit als aparte markten moest zien en dus ging dit argument niet op.
  • Op welk gedeelte van de vereiste voor belanghebbende ziet arrest Slockers?
    Op het gedeelte van eigen belang, het belang moet zich onderscheiden van dat van anderen.
  • Wat is een voorbeeld van een zaak waarin het begrip 'belanghebbende' aan de orde kwam?
    Arrest Slockers
  • Wat is er bepaald in arrest Slockers? 

    S. was huisarts en hij was boos dat Achmea niet hetzelfde contract met hem wilde sluiten die zij met andere marktpartijen wel wilden sluiten. Achmea had afgesproken dat ze 100% van de kosten van haar klanten zou ver­goeden als zij gingen naar partijen waarmee Achmea een overeenkomst had en dat Achmea minder zou vergoeden wanneer de klanten zich in lieten enten bij andere bedrijven. 


    ACM wilde geen besluit nemen omdat Slockers geen belanghebbende is. (Vereisten voor belanghebbende: OPERA). ACM beoor­deel­de dat Slockers geen 'Eigen/individueel belang' had bij het besluit. Meneer Slockers heeft het­zelf­de belang als alle andere huisartsen in Nederland, en dus heeft meneer Slockers geen individueel belang. Feit dat Slockers wel een contract heeft met Achmea, dat maakt dat niet anders hij kan niet als belanghebbende worden aangemerkt en daarom kan hij ook geen bezwaar maken tegen de afwijzing van zijn klacht.


    Het kan dus wanneer je beroepsbeoefenaar bent of persoon of onderneming dan kan je status van belanghebbende afstuiten op persoonlijk of rechtstreeks betrokken. Je kan even­tueel wel terugvallen op lid 3 van art. 1:2 Awb: rechtspersonen kunnen in bij­zon­de­re gevallen wel belanghebbende zijn.

  • Welke rechtsvraag staat centraal in arrest Equilib/KLM en arrest CDC/Shell?
    Kan de zaak door de nationale rechter in behandeling worden genomen voordat de beschikking van de Commissie in kracht van gewijsde is gegaan?
  • Waar gaan de arrest Equilib/KLM en arrest CDC/Shell e.a. over?

    In beide zaken is er door de Europese Commissie een beschikking afgegeven waarbij de vraag centraal staat of gedaagden deel hebben genomen aan een kartel. Wanneer partijen tegen een dergelijke beschikking beroep instellen, moet de zaak worden aangehouden totdat de beschikking onherroepelijk is geworden. Voor deze regel zijn twee gronden aan te voeren: allereerst de beginselen van een goede procesorde. Deze beginselen dienen ertoe om te voorkomen dat procedures onnodig lang voortslepen.

    Als tweede grond tot aanhouding bestaat er een communautaire verplichting tot loyale samenwerking; de nationale rechter mag, indien hij zich uitspreekt over overeenkomsten of gedragingen waar de Commissie een beschikking over heeft gegeven,  geen beslissing nemen die indruist tegen die beschikking. Deze verplichting is neergelegd in een arrest; namelijk: Het Masterfoods/HB Ice Cream-arrest, in artikel 16 Van de Verordening Betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag (deze verordening is in de Kluwer te vinden achter de Mededingingswet).

    Om jullie een beeld te geven zal ik artikel 16 van de verordening voorlezen (p. 1569).

     

    Artikel 234 gaat over het stellen van prejudiciële vragen.

     

     

    De rechtsvraag die in beide arresten centraal staat is: “Kan de zaak door de nationale rechter in be­handeling worden genomen voordat de beschikking van de Commissie in kracht van gewijsde is gegaan?”

  • Welke rechtsvraag staat centraal in arrest Equilib/KLM en arrest CDC/Shell?
    Kan de zaak door de nationale rechter in behandeling worden genomen voordat de beschikking van de Commissie in kracht van gewijsde is gegaan?
  • Op welk artikel zien arrest Equilib/KLM en arrest CDC/SHell?
    Op artikel 16 EG-verordening nr. 1/2003 mededingingsregels (in Kluwer achter de Mededingingswet).

    In lid 1 is neergelegd dat wanneer de nationale rechter in een zaak artikel 101 of 102 VWEU toepast (kartelverbod of misbruikverbod) en de Commissie zich reeds hierover heeft uitgesproken door middel van een beschikking, dan kan de nationale rechter geen beslissing nemen die in strijd is met de door de commissie gegeven beschikking. 
    Ook moet de nationale rechter vermijden dat zij beslissingen neemt die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure (dus in het geval er nog een procedure aanhangig is). De Nationale rechter moet in een dergelijk geval de afweging maken of het nodig is om de procedure die voor de nationale instantie wordt gevoerd op te schorten. 

    In lid 2 staat dat wanneer mededingingsautoriteiten de artikelen 101 en 102 VWEU (kartelverbod en misbruikverbod) toepassen, dat zij geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met een beschikking die reeds door de Commissie is afgegeven.
  • Wat is bepaald in artikel 16 EG-verordening nr. 1/2003 mededingingsregels (in de Kluwer achter de Mededingingswet)/
    In lid 1 is neergelegd dat wanneer de nationale rechter in een zaak artikel 101 of 102 VWEU toepast (kartelverbod of misbruikverbod) en de Commissie zich reeds hierover heeft uitgesproken door middel van een beschikking, dan kan de nationale rechter geen beslissing nemen die in strijd is met de door de commissie gegeven beschikking. 
    Ook moet de nationale rechter vermijden dat zij beslissingen neemt die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure (dus in het geval er nog een procedure aanhangig is). De Nationale rechter moet in een dergelijk geval de afweging maken of het nodig is om de procedure die voor de nationale instantie wordt gevoerd op te schorten. 

    In lid 2 staat dat wanneer mededingingsautoriteiten de artikelen 101 en 102 VWEU (kartelverbod en misbruikverbod) toepassen, dat zij geen beslissingen kunnen nemen die in strijd zijn met een beschikking die reeds door de Commissie is afgegeven.
  • Wat is bepaald in arrest Equilib/KLM?

    Op 9 november 2010 heeft de Commissie in een beschikking geoordeeld dat elf luchtvaartmaatschappijen een kartel hebben gevormd. De commissie heeft vastgesteld dat de deelnemers onderling afspraken hebben gemaakt om ervoor te zorgen dat internationale luchtvrachtbedrijven voor alle zendingen een vaste brandstoftoeslag per kilo zouden berekenen, daarnaast hadden ze een veiligheidstoeslag ingevoerd en weigerden zij aan hun klanten een commissie te betalen over de brandstof- en veiligheidstoeslag. De benadeelden hebben door de prijsafstelling die plaats heeft gevonden, jarenlang teveel betaald voor miljoenen vrachtzendingen die gedurende enkele jaren zijn uitgevoerd. Vrijwel alle luchtvaartmaatschappijen zijn tegen deze beschikking in beroep gegaan.

     

    140 benadeelden hebben hun vordering gecedeerd aan Equilib. Equilib wil de schade die door de benadeelden is geleden verhalen op de luchtvaartmaatschappijen. Zij heeft daarom een procedure aangespannen bij de rechtbank.

    De vliegtuigmaatschappijen hebben verzocht om aanhouding totdat de beschikking van de Commissie in kracht van gewijsde is gegaan. Zij verwijzen hiervoor naar het hier­bovenge­noemde arrest en art. 16 van de verordening.

     

    De rechtbank is van mening dat de zaak moet worden aangehouden omdat er nog geen inhoudelijk debat is gevoerd. Equilib onderbouwt haar stellingname slechts met de feitelijke bevindingen en het oordeel van de commissie. Wil Equilib haar stellingname hiermee onderbouwen dan zal dus eerst definitief vast moeten komen te staan dat de luchtvaartmaatschappijen onrechtmatig hebben gehandeld.

     

    Equilib betoogt ook dat de luchtvaartmaatschappijen slechts een clementieverzoek hebben ingediend bij de commissie en dus mag worden aangenomen dat zij erkennen deel te hebben genomen aan het kartel. Nu de deelname dus vaststaat hoeft de commissie zich volgens Equilib alleen nog uit te spreken over de aard, duur en omvang van de gedragingen.


    De rechter is van oordeel dat de uitspraak van de Europese rechter over aard en de duur van de gedragingen weldegelijk van belang is voor wat betreft hoogte van de schadevergoeding en de vraag of de luchtvaartmaatschappijen onrechtmatig hebben gehandeld door deel te nemen aan het kartel. Dit argument van Equilib gaat dus niet op.

     

    Op basis van het bovenstaande wordt geoordeeld dat de zaak moet worden aangehouden. Gevolg is dat de gedupeerden waarschijnlijk nog enkele jaren op een mogelijke schadevergoeding moeten wachten.

  • Wat is bepaald in arrest CDC/Shell e.a.?

    De Europese Commissie heeft een beschikking afgegeven, waarin zij aan gedaagden boetes heeft opgelegd vanwege een onrechtmatige kartelvorming. Gedurende 13 jaar zijn er prijzen op elkaar afgestemd, is er commercieel gevoelige informatie uitgewisseld, zijn de markt en/of de klanten onderling verdeeld en is er gedurende die tijd toegezien op de naleving van de gemaakte afspraken. Door gedaagden is bij het Gerecht van de EU beroep ingesteld tegen deze beschikking.

     

    Een zevental afnemers hebben hun vordering gecedeerd aan CDC. Het gaat in deze zaak om afname van paraffine, dit is een bestanddeel dat wordt verkregen uit ruwe olie.

    Gedaagden in deze zaak zijn Shell, Sasol, Esso en Total.

     

    CDC vordert van de rechter dat zij gedaagden in de hoofdzaak veroordeelt voor deelname aan het kartel, dat zij vaststelt dat gedaagde onrechtmatig hebben gehandeld ten aanzien van de afnemers en dat gedaagden hoofdelijke aansprakelijk zijn voor de schade die de afnemers als gevolg van het kartel hebben geleden.

     

    De gedaagden verzoeken de rechter om aanhouding van de zaak totdat de beschikking onherroepelijk is geworden. Hierbij baseren zij zich primair op de communautaire verplichting tot samenwerking op basis van het hiervoor genoemde arrest en artikel. En subsidiair baseren zij zich daarbij op de eisen van goede procesorde.

     

    De communautaire verplichting tot loyale samenwerking brengt met zich mee dat wanneer de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van de beschikking van de commissie, en de nationale rechter die wegens twijfel aan de geldigheid van die beschikking een beslissing wil nemen die indruist tegen deze beschikking, zijn beslissing aan moet houden totdat de beschikking onherroepelijk is geworden.

    In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat er nog geen twijfel heeft kunnen ontstaan ten aanzien van de geldigheid van de beschikking gezien de stand van de procedure. De gedaagden hebben in de zaak nog niet geantwoord en de rechtbank heeft nog geen kennis kunnen nemen van de inhoud van de beschikking. De rechter overweegt dan ook niet om een beslissing te nemen die in strijd is met deze beschikking. Dit heeft tot gevolg dat op basis van de communautaire verplichting tot samenwerking de zaak niet hoeft te worden aangehouden. Daarnaast moeten er in de hoofdzaak ook nog een aantal beslissingen worden genomen die niet samenhangen met de geldigheid van de beschikking, zoals de vraag of de cessie geldig is, welk recht er van toepassing is op de vordering en wat de inhoud is van dat recht en de hoofdelijke aansprakelijkheid die CDC veronderstelt.

     

    Subsidiair beroepen gedaagden zich op het feit dat de zaak moet worden aangehouden in verband met beginselen van een goede procesorde.

    De rechtbank is het echter met CDC eens dat het een onaanvaardbare doorkruising van de beginselen van een goede procesorde oplevert, als men niet voor antwoord zou mogen concluderen enkel omdat er beroep tegen de beschikking is ingediend. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat het nog een aantal jaar kan duren voordat de beslissing in de hoofdzaak onherroepelijk zal zijn.

     

    Het belang van de gedaagden bij aanhouding van de zaak weegt dus volgens de rechter niet op tegen de zojuist beschreven doorkruising van de genoemde beginselen. Ook heeft er nog geen twijfel kunnen ontstaan over de geldigheid van de beschikking. De rechter zal de zaak dus niet aanhouden en verwijst de zaak naar de volgende rolzitting voor het nemen van conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden.

     

  • Wat is het verschil tussen arrest Equilib/KLM en arrest CDC/Shell e.a.?

    Het voornaamste verschil tussen deze twee arresten is naar mijn mening dat er bij het eerste arrest al over de inhoud moet worden beslist en er enkel wordt gesteund op vaststellingen door de commissie die nog niet onherroepelijk zijn. Het tweede arrest bevindt zich in een andere fase dan het eerste arrest, er moet nog over een aantal zaken worden geoordeeld die niet afhankelijk zijn van de beschikking van de Commissie.


    Het Hof heeft later ook geoordeeld dat een nationale schadevergoedingsactie niet zomaar stilgelegd kan worden alleen maar omdat er nog een beroep loopt tegen de beslissing van de commissie. Het hof zegt dat hiervoor is vereist dat er in redelijkheid twijfel bestaat bij de rechter in eerste aanleg over de geldigheid van het besluit van de commissie. Dus zolang er geen sprake is van redelijke twijfel, is er ook geen reden om de procedure te schorsen. Wil je de rechter ervan overtuigen dat er geen sprake is van redelijke twijfel dan moet je drie dingen aantonen:

    1. Je moet aantonen dat je tijdig beroep hebt ingesteld tegen de beschikking van de commissie;

    2. Je moet toelichten dat je je voor het Europees Gerechtshof in redelijkheid tegen het besluit verzet, ofwel: je moet bewijzen dat het geen kansloos beroep is wat je hebt ingesteld;

    3. Je moet als gedaagde partij aangeven wat je verweren zullen zijn tegen de vordering van de eiser, zodat de rechter kan beoordelen of de beoordeling van de verweren die je tegen de eis aan wilt voeren, afhangen van de geldigheid van het besluit van de commissie. 

  • Welke arrest heeft betrekking op de directe werking en voorrang van het EU-mededingingsrecht?
    Arrest Tennet/ABB 
  • Wat is er in arrest Tennet/ABB bepaald ten aanzien van de directe werking en voorrang van het EU-Mededingingsrecht?

    30 maart heeft SEP installatie gekocht, die installatie controleert energiestroom in elektriciteitsnetwerk. Er zijn wereldwijd slechts aantal kopers en verkopers van dit product. Een aantal ondernemingen heeft inbreuk gemaakt op kartelverbod, ABB limited heeft zich hieraan ook schuldig gemaakt.

    Vorige week hebben we in arrest Nestle/Mars de hoofdregel gezien: de hoofdregel is dat stelplicht en bewijslast (150 Rv) rust op de eisende partij, als zij schadevergoeding wil hebben moet jij bewijzen dat er sprake is geweest van kartel en het causale verband. 


    Eigenlijk doet de rechtbank in deze uitspraak van TennetT/ABB precies het tegenovergesteld: de rechtbank noemt het een verzwaarde stelplicht, maar docent vindt het een omkering van de bewijslast à gedaagde partij moet gaan bewijzen waarom er geen sprake is geweest van een kartel.

    ABB voert een passing-on-verweer; stel dat de prijs te hoog zou zijn dan zou TennetT de prijs hebben doorberekend aan de klanten en dat verschil dat TennetT heeft doorberekend aan haar klanten zou moeten worden afgetrokken van de schadevergoeding. De rechtbank is echter van mening dat dat niet hoeft worden afgetrokken van de schadevergoeding. De klanten van TennetT zouden dus ook nog een schadevergoeding kunnen eisen. Dit was de eerste keer dat een Nederlandse rechter over een passing-on-verweer heeft geoordeeld. Het gaat hier om de vraag: kan je aan de schadevergoeding ontkomen door te zeggen dat jouw afnemers geen schade hebben geleden omdat zij de hoge prijzen hebben doorberekend? In r.o. 4.30 stapt de rechter daar best gemakkelijk overheen. Eigenlijk zegt zij daar dat als je een keer teveel hebt betaald, dan heb je dus schade geleden. De uitspraak eindigt met vaststelling dat ABB aansprakelijk is en dat er nog moet worden verder geprocedeerd over de hoogte van de schade.


    ABB is in hoger beroep gegaan en het Hof (dat het hoger beroep in behandeling neemt) heeft gezegd dat de schadeberekeningszaak moet worden stopgezet omdat zij zich eerst over deze zaak wil uitlaten. Waarschijnlijk gaat het hof nog een keer kritisch naar het passing-on-verweer kijken.


    ABB heeft in deze zaak zelf de zaak aangegeven en kreeg daarom geen boete. Ze is niet tegen de uitspraak in hoger beroep gegaan, omdat ze die boete dus niet zouden krijgen. Toen kwamen dus meteen de schuldeisers omdat je dan eigenlijk erkent dat de uitspraak juist is.

  • Wat is kort gezegd de rechtsregel die volgt uit arrest Tennet/ABB?
    ABB voert een passing-on-verweer; stel dat de prijs te hoog zou zijn dan zou TennetT de prijs hebben doorberekend aan de klanten en dat verschil dat TennetT heeft doorberekend aan haar klanten zou moeten worden afgetrokken van de schadevergoeding. 
    De rechtbank is echter van mening dat dat niet hoeft worden afgetrokken van de schadevergoeding. 
    De klanten van TennetT zouden dus ook nog een schadevergoeding kunnen eisen. 

    Dit was de eerste keer dat een Nederlandse rechter over een passing-on-verweer heeft geoordeeld. Het gaat hier om de vraag: kan je aan de schadevergoeding ontkomen door te zeggen dat jouw afnemers geen schade hebben geleden omdat zij de hoge prijzen hebben doorberekend? 

    In r.o. 4.30 stapt de rechter daar best gemakkelijk overheen. Eigenlijk zegt zij daar dat als je een keer teveel hebt betaald, dan heb je dus schade geleden. De uitspraak eindigt met vaststelling dat ABB aansprakelijk is en dat er nog moet worden verder geprocedeerd over de hoogte van de schade.

    Omdat ABB zelf naar de toezichthouder ris gestapt hoeft zij geen boete te betalen. Zij is daarom ook niet in beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechter. Dit heeft tot gevolg dat zij de uitspraak erkent en schuldeisers dus schadevergoeding gaan eisen o.g.v. deze uitspraak. Niet heel verstandig dus
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is er kort gezegd bepaald in het arrest Green Choice m.b.t. de feitelijk leidinggevende?
ACM verwijst in randnr. 14-16 naar artikel 5.1 Awb en 51 Sr, zij overweegt dan dat bij een leidinggever niet perse hoeft te gaan om iemand die formele dienstbetrekking heeft met de onderneming, maar het is voldoende wanneer feitelijk leidinggever feitelijk zeggenschap kan uitoefenen over de gedragingen van de onderneming. Verder overweegt ACM dat het niet perse noodzakelijk is om als feitelijk leidinggevende te worden aangemerkt dat je echt actief betrokken bent bij de overtre­ding, je kunt ook door passieve gedragingen feitelijk leidinggeven. Met name wanneer je met het nalaten van dingen bevordert dat een overtreding kan worden gepleegd dus zowel actief als passief gedrag kan beide reden zijn om als feitelijk leidinggever te worden aangemerkt. 

Na deze overweging gaat ACM in op minimum-criteria die uit strafrechtelijke criteria volgen uit feitelijk leidinggevende: 
1. Je moet bevoegd zijn en redelijkerwijs gehouden zijn om maatregelen te nemen om de overtreding tegen te houden; 
2. Je moet die gedragingen om dat tegen te houden achterwege hebben gelaten; en 
3. Je moest de aanmerkelijke kans voor lief hebben genomen dat die overtreding gepleegd zou worden of zou voortduren. Voor dat laatste gaat de ACM nog nader in, daar stelt ACM de vraag of dat inhoudt dat je ook bewust de bedoeling gehad moet hebben op het plegen van de overtreding, maar dat is niet het geval volgens de NMa, voldoende is dat je bewust het gedrag van de onderneming hebt gewild. Dat wordt voorwaardelijke opzet genoemd, dat moet gericht zijn op het gedrag van de onderneming. Je hoeft dus niet op de hoogte te zijn geweest van de overtreden norm. 
Wat is er bepaald in de Greenchoice zaak met betrekking tot de toetsing van de rechter ten aanzien van de 'Beleidsregels boetes ACM 2013'?
Greenchoice; boete heeft te maken met sectorspecifieke toezicht, boete opgelegd t.a.v. de elektriciteitswet en gaswet. 
Greenchoice had de verplichting overtreden om op betrouwbare wijze en tegen redelijke voorwaarden/tarieven elektriciteit en gas te leveren. Die verplichting volgt uit de Gaswet. 
De ACM viel met name over het ‘op betrouw­bare wijze leveren van energie. Wanneer mensen aan einde van hun contract kwamen (vanwege tijdsverloop of na opzegging) dan was Greenchoice verplicht om eindafreke­ning te sturen aan de consument en daarin aan te geven of consument nog bij moest betalen of teveel had betaald en recht had op terugbetaling. 

De eindafrekeningen waarin de mensen nog geld tegoed hadden van Greenchoice kregen geen eindafrekening, en degene die nog aan Greenchoice moesten betalen kregen deze rekeningen wel. ACM heeft boete opgelegd aan Greenchoice en twee feitelijk leidinggevenden. 

In dit besluit staat ACM stil bij omstandigheden wanneer persoon als leidinggevende kan worden aangemerkt. ACM verwijst in randnr. 14-16 naar artikel 5.1 Awb en 51 Sr, zij overweegt dan dat bij een leidinggever niet perse hoeft te gaan om iemand die formele dienstbetrekking heeft met de onderneming, maar het is voldoende wanneer feitelijk leidinggever feitelijk zeggenschap kan uitoefenen over de gedragingen van de onderneming. Verder overweegt ACM dat het niet perse noodzakelijk is om als feitelijk leidinggevende te worden aangemerkt dat je echt actief betrokken bent bij de overtre­ding, je kunt ook door passieve gedragingen feitelijk leidinggeven. Met name wanneer je met het nalaten van dingen bevordert dat een overtreding kan worden gepleegd dus zowel actief als passief gedrag kan beide reden zijn om als feitelijk leidinggever te worden aangemerkt. 

Na deze overweging gaat ACM in op minimum-criteria die uit strafrechtelijke criteria volgen uit feitelijk leidinggevende: 
1. Je moet bevoegd zijn en redelijkerwijs gehouden zijn om maatregelen te nemen om de overtreding tegen te houden; 
2. Je moet die gedragingen om dat tegen te houden achterwege hebben gelaten; en 
3. Je moest de aanmerkelijke kans voor lief hebben genomen dat die overtreding gepleegd zou worden of zou voortduren. Voor dat laatste gaat de ACM nog nader in, daar stelt ACM de vraag of dat inhoudt dat je ook bewust de bedoeling gehad moet hebben op het plegen van de overtreding, maar dat is niet het geval volgens de NMa, voldoende is dat je bewust het gedrag van de onderneming hebt gewild. Dat wordt voorwaardelijke opzet genoemd, dat moet gericht zijn op het gedrag van de onderneming. Je hoeft dus niet op de hoogte te zijn geweest van de overtreden norm. 

NMa oordeelt dan ook dat meneer X daaraan voldoet en er boete wordt opgelegd. 
Er worden dus boetes opgelegd op grond van 2 wetten: 1. elektriciteitswet en 2. de Gaswet. ACM ging bij beide wetten uit dat zij de helft van de boete vertegenwoordigde. 

Meneer gaat in beroep, worden echter alleen afgewezen. X voerde aan dat hij 2 keer werd beboet en dat hij niet alleen de feitelijk leidinggevende was, maar hij ook mede-eigenaar. En omdat Greenchoice boete heeft moeten betalen ben ik als aandeelhouder al in mijn vermogen aangetast en daarnaast krijg ik ook nog eens een boete voor feitelijk leidinggevende en dat is in strijd met het ‘ne bis in idem’-beginsel. 

De ACM oordeelt dat meneer X in zijn hoedanigheid van aandeelhouder niet in zijn vermogen is aangetast, want onderneming is alleen maar meer winst gaan maken en is niet minder waard geworden voor het feit dat ze die boete heeft gekregen. Daarnaast zijn het natuurlijk 2 verschillende hoedanigheden: toerekening aan de persoon en aan onderneming. 

Ook zegt X: deel van de overtreding was al gepleegd voor 1 juni 2009 en dat was het moment waarop de ACM voor het eerst de bevoegdheid kreeg om natuurlijke personen te beboeten, en gedragingen voor 2009 mogen dus niet worden meegewogen. ACM verwerpt dat argument ook. Wat betreft bewijs: er is sprake van een overtreding die voor 2009 is begonnen, maar daarna ook nog steeds is doorgegaan. En bij zo’n voortdurende overtreding mag ACM zich mede baseren op feiten en omstandigheden van voor het moment waarop die overtreding beboetbaar werd. 

Ook zegt X dat hem verklaringen zijn ontfutseld door ACM, ACM stelde vast dat aan begin van alle gesprekken keurig de cautie is gegeven en tijdens verhoor is op geen enkel moment aangegeven dat meneer X gebruik wilde maken van zijn zwijgrecht. X heeft achteraf ook de schriftelijke verslag van zijn verklaringen ondertekend. 

Meneer X zegt ook dat Greenchoice een compliance-programma heeft ingevoerd en dat X persoonlijk een leidende rol heeft gehad bij invoeren van compliance-programma en hij vindt dan ook dat NMA dat als boet verlagende omstandigheid in acht moet nemen, want bij Greenchoice is die boete wel verlaagd om die reden. 

ACM zegt dat boete die is opgelegd aan onderneming een andere is dan die aan natuurlijke personen en dat elk voor zich afzonderlijke beboetbare gedragingen zijn. Toch geeft ACM 10% korting vanwege de sturende rol die X heeft gepleegd bij invoeren van compliance-programma. 
Wat is er bepaald in de Fresco-HOlding zaak met betrekking tot de toets van de rechter t.a.v. de 'Beleidsregels boetes ACM 2013'?
Fresco holding-arrest; Fresco had verkeerde gegevens geleverd. Ze had niet gemeld dat nog 2 andere relevante dochterondernemingen op dezelfde markt actief zijn. Fresco voerde aan dat informatie niet essentieel was voor beoordeling. Redelijke termijn van 4 jaar was niet overschreden. Relatief klein verschil in bepaling van de ernstfactor dat makt in de praktijk meteen een verschil van 120.000 euro in de hoogte van de boete. ACM heeft vrijheid om die factor tussen 0-5 te bepalen en heeft daar vrij veel discretionaire ruimte. Voor ondernemingen kan het dus wel heel veel verschil maken en mede om die reden kijkt het CBB wel erg grondig kijkt naar de manier waarop die boete gebaseerd is: zie r.o. 5.3. Als ACM mede kan toerekenen aan de moedervennootschap dan heeft dat ook consequenties voor de hoogte van de boete. Kan zijn dat moedervennootschap op dezelfde markt actie is, dan kun je hogere omzet in berekening opnemen en sowieso betekent het dat je voor wat betreft de toepassing van het wettelijk boetemaximum die 10%-berekening ook mee kunt nemen. Daarom rekenen mededingingsautoriteit graag toe aan moedervennootschappen. Uit rechtspraak volgt een rechtsvermoeden: als moedervennootschap 100% van de aandelen van dochtervennootschap bezit dan mag de mededingingsautoriteit er van uitgaan dat die moedervennootschap een grote invloed heeft gehad en dan mogen ze ervan uitgaan dat zij wisten hiervan en dan is er sprake van omkering van bewijslast: moeder moet dan bewijzen dat zij er niks vanaf wist en ook niet kon weten, in de praktijk kun je dat vrijwel nooit weerleggen. Dus kan je zeggen dat er sprake is van een risicoaansprakelijkheid als moedervennootschap voor de dochtervennootschap.
Wat is er bepaald in de Deutsche Telekom zaak?
In Duitsland had de toezichthouder maximum tarieven vastgesteld, en Deutsche Telekom hield zich hier netjes aan en kreeg vervolgens toch een boete vanwege overtreden EMP, dit omdat de tarieven alsnog onder de normale mededingingsregels als onredelijk hoog werden geoordeeld. 
De redenering was dat Duitse toezichthouder enkel maximum tarieven had vastgesteld en Deutsche Telekom van mening was dat zij daarom de ruimte had om lager dan de maximum-prijzen te gaan maar daar heb je geen gebruik van gemaakt, en daarom maak je misbruik van MP.
Waar heeft de 'Deutsche Telekom zaak' betrekking op?
De Deutsche Telekom zaak heeft betrekking op het argument wat tegen de regulering door de overheid is, omdat verschillende toezichthouders vaak ook verschillende besluiten nemen.
Waarom vinden sommigen dat de overheid niet teveel moet reguleren?
Reguleren kan de innovatie en investeringen beperken. Als je als onderneming aan teveel regels moet voldoen heb je wellicht geen zin meer om op een bepaalde markt actie te worden of dat je geen zin hebt om te investeren in producten. Ook wordt er gewezen op het feit dat verschillende toezichthouders vaak ook verschillende besluiten nemen. Dit laatste komt tot uiting in de Deutsche Telekom zaak.
Wat volgt er kort gezegd uit de 'Ziekenfondsen zaak'?
Dat ziekenfondsen niet kunnen worden aangemerkt als onderneming en zij daarom buiten het toepassingsgebied van het kartelverbod vallen.
Wat is er bepaald in de 'Ziekenfondsen zaak'?
EC had geprobeerd om op te treden tegen de Nederlandse ziekenfondsen die prijsafspraken hadden gemaakt. HvJ-EU heeft toen geoordeeld dat ziekenfondsen geen ondernemingen waren volgens de mededingingsregels en dat ziekenfondsen daarom buiten toepassingsgebied van het kartelverbod vallen.
Wat volgt er kort gezegd uit de Psychologen zaak?
Er zijn markten waar prijsafspraken niet als mededingingsbeperkend worden aangemerkt, waarbij je dus niet op basis van kartelverbod tegen prijsafspraken kunt optreden.
Wat is er bepaald in de Psychologen zaak?

Acm beboet brancheverenigingen voor het maken van prijsafspraken. Uiteindelijk oordeelde het CBb dat de acm die boete niet had mogen opleggen, want de acm had onvoldoende onderzoek gedaan. 


Psychologen het argument aangevoerd dat de ACM onvoldoende onderzoek had gedaan. De prijs is in de psychologen-markt namelijk geen relevante concurrentie parameter. Patiënten kijken niet naar de prijs, want die worden in veel gevallen door de zorgverzekeraar vergoed (dus prijs maakt de patient niets uit). En ook in het geval patiënten deels zelf moeten betalen, kijken ze niet naar de prijs, want voor de patient is veel belangrijker dat hij een goede klik heeft met de psycholoog dan de hoogte van de prijs. 

Naar het feit dat de prijs geen rol speelde in de psychologenbranche had de ACM geen onderzoek gedaan. De ACM zei dat prijsadviezen van de branchevereniging aan de aangesloten psychologen een prijsafspraak is, en er daarom een boete wordt opgelegd omdat er sprake is van een kartel. Dus kennelijk zijn er markten waar prijsafspraken niet als mededingingsbeperkend worden aangemerkt, waarbij je dus niet op basis van kartelverbod tegen prijsafspraken kunt overtreden.