Summary Basisboek Bedrijfseconomie

-
ISBN-13 9789001797881
1708 Flashcards & Notes
606 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Basisboek Bedrijfseconomie
  • P De Boer, M P Brouwers & W Koetzier
  • 9789001797881
  • 2011

Summary - Basisboek Bedrijfseconomie

  • 1 H14

  • ·         Wat is overbesteding? 

    -       →Consument vraagt meer dan dat de producent kan produceren = ondercapaciteit (minder capaciteit)

     

    -       →Als de feitelijke productie de productiecapaciteit overtreft.

  • ·         Wat zijn de nadelen van overbesteding?

    -       Prijzen kunnen omhoog gaan, dit leidt tot inflatie

  • ·         Wat is onderbesteding? 

    -       Te weinig kopen (minder besteding) = overcapaciteit (capaciteit over)

  • ·         Overbesteding en onderbesteding zijn allebei slecht voor de economie

  • Wat is inflatie? 

    ·         Stijging van de consumentenprijsindex

  • ·         Noem de oorzaken voor inflatie:

    -       Stijgende Grondstofkosten=als de grondstofkosten stijgt, dan stijgt de prijzen ook

    -       Rente en afschrijving

    -       Stijgende Loonkosten=als bv de loon van een leraar stijgt, dan word het collegegeld ook duurder

    -       Marge (winstmarge)= bv apple en samsung, de vraag naar apple is heel hoog dus verkopen ze het ook voor een hoge prijs

     

    -       BTW/Accijnzen

  • ·         Wat zijn de gevolgen van inflatie:

    -       Koopkracht geld

    -       Bestedingen dalen (consumptie, export en investeringen)→productie daalt: je koopt minder met hetzelfde geld

    -       Reele rente is laag→kapitaalintensief produceren (werkloosheid stijgt)

    -       Bevoordeling schuldenaars en mensen met een geindexeerd inkomen

    -       Benadeling schuldeisers en mensen met een vast inkomen

     

    -       Inflatie versterkt zichzelf

  • ·         Noem de typen conjunctuurgolven (naam van de cyclus), de belangrijkste oorzaken v/d golfbeweging en de duur v/d cyclus:

    ZIE PIC

  • ·         Conjunctuur, noem de lange golven (Kondratieff) van 1782-nu: noem de periode, de drijvende kracht en de opkomend land/regio:

    ZIE PIC

  • ·         Wat zijn de kenmerken van hoogconjunctuur?

    -       Overbesteding: Vraag stijgt, capaciteit stijgt, vraag is groter dan de capaciteit

    -       Bezettingsgraad stijgt en investeringen stijgt

    -       Economische groei hoog, werkloosheid daalt

    -       Inflatie stijgt, Rente stijgt

    -       (X-M) daalt

    -       (O-B) daalt

     

    -       Producenten- en consumentenvertrouwen is hoog

  • ·         Wat zijn de oorzaken voor inflatie?

    -       Overheid: BTW, accijnzen

    -       Bestedingsinflatie: Marge (winstmarge)

     

    -       Kosteninflatie: Loonkosten, Rente en Afschrijvingen en Grondstofkosten

  • ·         Wat zijn de gevolgen van inflatie?

    -       Koopkracht daalt

    -       Bestedingen dalen (consumptie, export en investeringen) à productie daalt

    -       Reële rente is laag à kapitaalintensief produceren (werkloosheid stijgt)

    -       Bevoordeling schuldenaars en mensen met een geïndexeerd inkomen;

    -       Benadeling schuldeisers en mensen met een vast inkomen

    -       Inflatie versterkt zichzelf

     

     

  • ·         Wat betekent anti-cyclisch begrotingsbeleid?

    -       Het is gericht op feitelijke conjunctuur (korte termijn)

     

     

  • Anti-cyclisch begrotingsbeleid, kenmerken te snelle groei en te langzame groei:

    -       Te snelle groei: O daalt en B stijgt

     

    -       Te langzame groei: O stijgt en B daalt

  • Wat betekent structureel begrotingsbeleid?

    -       Het is gericht op de trend (lange termijn)

     

     

  • ·         Kenmerken van structureel begrotingsbeleid:

    -       Uitgaven wordt bepaald door de trendmatige groei

    -       Belastingen wordt bepaald door de feitelijke groei

    -       Bij hoogconjunctuur: overschot

     

    -       Bij laagconjunctuur: tekort

  • ·         Wat is de conjunctuur?

    -       → De afwisselende periodes van hoge en lage groei v/h BBP

     

    -       → De min of meer regelmatige golfbeweging v/d bestedingen e/d procuctie rondom de productiecapaciteit

  • ·         Wat houdt de conjunctuurgolven op gang?

    -       De investeringen

  • ·         Hoe kan de conjunctuur voorspeld worden?

    -       M.b.v indicatoren als de investeringen e/d buitenlandse handel

  • Wat is een belangrijke bijverschijnsel van de conjunctuur?

    Inflatie

  • ·         Conjunctuurverloop: Het BBP kan toenement, omdat

    -       De hoeveelheid e/d productiviteit v/d productiefactoren van jaar tot jaar toenemen

     

     

  • Met hoeveel % groeit de productiecapaciteit per jaar? 

    2%

  • ·         Wat is Kondratieff?

    -       de economische cyclus met de langste duur?

  • ·         Waardoor wordt de lange golf (Kondratieff) veroorzaakt en noem 3 voorbeelden?

    -       Door grote doorbraken i/d technologie:

    1.    Industriele revolutie

    2.    Aanleg spoorwegen

     

    3.    Elektriciteit

  • ·         Wat is Juglar?

    -       De investeringen in de vaste activa (machines en gebouwen) die van belang zijn

     

     

  • ·         Wat is Kitchin?

    -       De kortste cyclus

     

    -       Het onstaat door voorraadinvesteringen

  • ·         De conjunctuurcyclus wordt onderscheiden i/d volgende fasen:

    -       Opgaande fase

    -       Hoogconjunctuur

    -       Neergang

     

    -       Laagconjunctuur (Recessie)

  • ·         De opgaande fase v/d conjunctuurcyclus kenmerkt zich door:

    -       Een toenemende groei v/d bestedingen

     

    -       Procuctiegroei neemt hierdoor ook toe

  • ·         De opgaande fase v/d conjunctuurcyclus kenmerkt zich door een toenemende groei v/d bestedingen. De procuctiegroei neemt hierdoor ook toe. In 1e instantie zullen bedrijven de toegenomen producte met het bestaande personeel kunnen en willen opvangen. Wat is het gevolg?

    -       De arbeidsproductiviteit i/d opgaande fase nemen sterk toe.

     

     

  • ·         Opgaande fase: Eventuele tekorten i/h personeelsbestand worden opgevangen door:

    -       Overwerk of het inhuren van uitzendmedewerkers

  • ·         In de opgaande fase spreken we van een:

    Hoeveelheidconjunctuur, de hoeveelheden veranderen, de prijzen (nog) niet

  • ·         Wat houdt hoogconjunctuur allemaal in?

    -       De vraag naar goederen en diensten overtreft de productiecapaciteit, zodat ondernemers in staat zijn hun prijzen te verhogen.

    -       De hoeveelheidconjunctuur is nu overgegaan i/e prijsconjunctuur

    -       De grote vraag naar grondstoffen en arbeid zorgt ook voor een stijging v/d grondstofprijzen e/d lonen

    -       Ondernemers en consumenten kijken met vertrouwen naar de toekomst, dit draagt bij a/e hoog niveau van C+I

    -       De vraag naar krediet is hoog, waardoor de rente ook stijgt

    -       Door het grote vertrouwen zullen ondernemingen de markten overschatten en gaan te veel investeren, waardoor de productiecapaciteit te sterk toeneemt

    -       Het aanbod van goederen en diensten o/d markt stijgt te snel, waardoor de prijzen minder hard stijgen of zelfs dalen.

    -       De loonkosten stijgen als de arbeidsmarkt gespannen raakt

    -       De rendementen o/d gepleegde investeringen vallen tegen en bedrijven zullen daarom minder in nieuwe machines of bedrijfsgebouwen willen investeren.

     

     

  • ·         Wat zien we in de conjuncturele neergang?

    -       De omgekeerde verschijnselen v/d opgaande fase: de bestedingen lopen terug waardoor inflatie, productie, werkgelegenheid en winstgevenheid dalen.

    -       Rente daalt, omdat de inflatie daalt, de vraag naar krediet is ingezakt

     

     

  • ·         Wat betekent de conjuncturele neergang?

    Dat de groei v/d economie afneemt en mogelijk uitmondt i/e negatieve groei

  • ·         Wat is de definitie uit de economische wetenschap van recessie?

    -       Een economie bevindt zich i/e recessie als het BBP 2 kwartalen achter elkaar daalt

  • ·         Wat betekent een negatieve outputgap?

    -       =Onderbesteding: tijdens deze fase is de productie kleiner dan de capaciteit, BBP groeit langzaam en soms is de groei zelfs negatief.

  • ·         Wat betekent een positieve outputgap?

    -       =Overbesteding: als de bestedingen e/d productie de productiecapaciteit overtreffen

  • ·         Wat veroorzaken investeringen i/d conjunctuurcyclus?

    -       De omslagen v/e laagconjunctuur naar een hoogconjunctuur en omgekeerd

  • ·         Wat gebeurt er met de voorraden van ondernemingen in het dieptepunt v/d conjunctuur?

    -       De voorraaden zijn zover gedaald dat de normale productie gevaar loopt

     

     

  • ·         Aan wat kan de conjunctuur worden afgemeten?

    -       A/d volumeveranderingen i/h BBP

  • ·         I/d praktijk lijkt de conjunctuur een ....-vormig verloop te hebben

    -       M-vormig

  • ·         Voor overheden en ondernemingen zijn voorspellingen v/d conjunctuur van belang. Voorspellen kan m.b.v:

    Indicatoren

  • ·         Wat geven indicatoren aan?

    -       Ze geven al van tevoren aan hoe een bep. variabele, in dit geval het BBP, zich in de nabije toekomst zal ontwikkelen

  • ·         Aan de hand waarvan meten statistische bureaus de inflatie?

    -       A/d hand v/d stijging v/d prijzen van consumptiegoederen

  • ·         Wat houdt bestedingsinflatie in?

    -       Het is het gevolg van overbesteding en komt dan ook voor i/e situatie van hoogconjunctuur. In deze fase v/d conjunctuur is de productiecapaciteit volledig bezet en is er sprake v/e positieve outputgap.

  • ·         Wat houdt kosteninflatie in?

    -       Wanneer ondernemers de kostenstijging proberen door te berekenen i/d prijzen om te voorkomen dat de winstmarge daalt.

  • ·         ECB streeft naar een beheersing v/d inflatie i/d buurt van:

    2%

  • ·         Wat zijn de 6 inflatie-indicatoren?

    -       Inflatie-indicator                                                    Komt na verloop van tijd tot uiting in

    1.    Outputgap                                                               Bestedingsinflatie  

    2.    Lage werkloosheid (<5%)                                     Stijgende lonen (kosteninflatie)

    3.    Lonen en arbeidsproductiviteit                            Arbeidskosten per eenheid product

    4.    Grondstofprijzen Producentenprijzen                Prijzen van eindproducten (kosteninflatie

    5.    Daling v/d wisselkoers                                          Stijgende invoerprijzen

     

    6.    Feitelijke inflatie                                                     Verwachte inflatie

  •  

     

    ·         De gevolgen van inflatie vindt men op het gebied v/d:

    -       Inkomensverdeling: de inkomens uit vermogen gaan erop achteruit

     

    -       Schuldontwaarding: de schulden blijven nominaal gelijk terwijl de waarde v/h geld daalt.

  • ·         Wat is consumentenprijsindex?

    -       Het gewogen gemiddelde v/d prijsstijging van consumentengoederen.

     

     

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Basisboek Bedrijfseconomie
  • P de Boer
  • or
  • 9th

Summary - Basisboek Bedrijfseconomie

  • 3 Investering en financiering

  • Wat is activa?
    Productiemiddelen van een bedrijf
  • Wat zijn vaste activa?
    bewijzen gedurende lagere tijd (meer dan 1 jaar) hun diensten aan de onderneming
  • Wat is vlottende activa?
    Ontstaan en gaan teniet binnen een jaar
  • Wat is Eigen vermogen?
    Is ter beschikking gesteld door de eigenaren van de onderneming. Bijvoorbeeld spaargeld of door stortingen van aandeelhouders ter verkrijging van nieuwe aandelen.
    In principe voor onbepaalde tijd, maar kan ook uitbetaald worden
  • Wat is vreemd vermogen?
    Ter beschikking gesteld door schuldeisers. Dit is tijdelijk vermogen met afspraken over terugbetaling
  • Wat is passiva?
    Investeringen
  • Wat is een resultatenrekening?
    opbrengsten en of kosten-confrontatie voor een bepaalde periode
  • Wat is lineaire afschrijving?
    Elk jaar hetzelfde bedrag afschrijven
  • Wat is Degressieve afschrijving?
    afschrijvingen zijn in de beginjaren hoger dan in de latere jaren
  • Wat is Sum-of-the-years-digitmethode?
    Wegingsfactor per jaar. Jaar 1 hoog wegingsfactor, per jaar lager
  • Wat is boekwaardemethode?
    vast percentage van de boekwaarde afschrijven.
  • Wat is de boekwaarde?
    Waarde na aftrek van afschrijvingen die in eerdere jaren gepleegd zijn.
  • 3.3 Winst vs kasmutaties

  • Wat is afschrijven?
    Waardevermindering van je productiemiddel. Dit wordt geschat.
  • Voorbeeld Afschrijven Machine
    aanschafwaarde: 400.000
    levensduur: 5 jaar
    Restwaarde: 40. 000

    totale afschrijving: 400.000 - 40.000 = 360.000
    jaarlijkse afschrijving: 360.000 / 5 = 72.000
  • Voorzieningen
    balanspost die gevormd dienst te worden om mogelijke toekomstige verplichtingen te voldoen die zijn ontstaan door de bedrijfsvoering afgelopen jaren. voorziening is gebaseerd op schatting

    Voorziening = kostenpost op de RR + gaat van het EV/winst af!!!
  • 4 Hoofdstuk 8

  • Wat betekend ABC?
    Activity based costing
  • 6.2 Debiteurenbeheer

  • Debiteuren
    leverancierskrediet uitgegeven door de onderneming. (jij krijgt nog geld van hen)
  • 6.3 Liquiditeitsbeheer

  • Liquidemiddelen (LM)
    (kas, bank) dit wordt gebruikt om betalingen mee te voldoen. 
    Een onderneming dient voldoende over LM te beschikken om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Wel is het zo dat LM niks opleveren.

    Je kan een rekeningcourant aanvragen, waarmee je rood kunt staan 
  • 3 motieven lm
    1. transactiemotief: continuiteit te waarborgen
    2. voorzorgmotief: zekerheid in bouwen voor onvoorziene kosten/uitgaven
    3. speculatiemotief: extra om te profiteren van prijsveranderingen
  • Liquiditeitsbegroting
    overzicht van de verwachte uitgaven en ontvangsten voor de komende periode.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 3:

  • Basisboek bedrijfseconomie
  • P de Boer, M P Brouwers, W Koetzier
  • or
  • 9th
  • 2011

Summary - Basisboek bedrijfseconomie

  • 1 Ondernemingen en hun functie in de economie


  • Vraag: De algemene economie is opgemaakt uit 2 deel-economieën, noem deze en leg kort uit wat ze betekenen.

    - Micro economie: economische theorie op individueel niveau. Bijvoorbeeld de theorie van marktvormen: totstandkoming van prijs voor een individueel product.

    - Macro economie: economische theorie op maatschappelijk niveau. Bijvoorbeeld inflatie en werkloosheid.
  • 1.1 Consumenten en Producenten


  • Algemene economie: bestudeert de relaties tussen consumenten en producenten én tussen de producenten onderling. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee verschillende soorten:

    - Micro economie: economische theorie op individueel niveau. Bijvoorbeeld de theorie van marktvormen: totstandkoming van prijs voor een individueel product.

    - Macro economie: economische theorie op maatschappelijk niveau. Bijvoorbeeld inflatie en werkloosheid.

    Bedrijfseconomie: richt zich op het economisch handelen binnen de productieorganisaties (ondernemingen).

    Productieorganisatie: brengt productiemiddelen bij elkaar die vervolgens worden omgezet in producten. Samenwerking tussen productiefactoren arbeid en kapitaal.

    Productiemiddelen: Grondstoffen, duurzame productiemiddelen, arbeid

    Duurzame productiemiddelen: kunnen gedurende langere tijd hun diensten aan de onderneming bewijzen (gebouwen, machines etc.)

    Het productieproces:

    Afbeelding pagina 17.

    De omvang van de winst wordt beïnvloed door efficiency en effectiviteit.

    Efficiency: De doelmatigheid van het productieproces. Beïnvloed de kostprijs.

    Effectiviteit: De doelgerichtheid van het productieproces. Beïnvloed de omzet.

    Figuur 1.2

    Mission statement: een verklaring waarin staat welke doelen de onderneming zichzelf stelt.

    Behalve winst is ook continuïteit een belangrijk streven van een onderneming, echter is het maken van winst vaak een vereiste voor de continuïteit.

  • Vraag: De algemene economie is opgemaakt uit 2 deel-economieën, noem deze en leg kort uit wat ze betekenen.
    - Micro economie: economische theorie op individueel niveau. Bijvoorbeeld de theorie van marktvormen: totstandkoming van prijs voor een individueel product.

    - Macro economie: economische theorie op maatschappelijk niveau. Bijvoorbeeld inflatie en werkloosheid.

  • Vraag: Er wordt onderscheid gemaakt tussen de productiefactoren arbeid en kapitaal. Noem 2 voorbeelden van de productiefactor kapitaal.
    Grondstoffen, duurzame productiemiddelen (machines, gebouwen etc.)
  • Wat is het verschil tussen efficiency en effectiviteit?
    Efficiency beïnvloed de kostprijs van een product of dienst en effectiviteit beïnvloed de omzet van een product of dienst.
  • 1.2 Profit –en non-profit organisaties


  • Non-profit organisaties:

    - Overheidssector: levert collectieve goederen en diensten die vaak niet door ondernemingen geleverd kunnen worden. Sommige voorzieningen kunnen echter wel door ondernemingen geleverd worden (bijvoorbeeld privéscholen)

    - Particuliere non-profitinstellingen: verenigingen, fondsenwervende instellingen etc.

    Privatisering: Taken die voorheen werden uitgevoerd door de overheid, worden nu uitgevoerd door ondernemingen (die winst willen maken).

    Verschillen tussen profit en non-profitorganisaties:

    - Non-profitorganisaties zijn onlosmakelijk verbonden met hun doel en kunnen niet overschakelen op een ander doel om financieel economische redenen.

    - Non-profitorganisaties zijn niet economisch zelfstandig en zijn afhankelijk van donaties, contributies, subsidies etc.

    - Non-profitorganisaties drukken effectiviteit niet uit in geld maar in realisering van hun doel.


    Non-profitorganisaties zijn wel onderworpen aan financiële rapportage maar het behalen van winst is niet het primaire doel.
  • Noem 3 verschillen tussen profit en non-profitorganisaties.

    -          Non-profitorganisaties zijn onlosmakelijk verbonden met hun doel en kunnen niet overschakelen op een ander doel om financieel economische redenen.

    -          Non-profitorganisaties zijn niet economisch zelfstandig en zijn afhankelijk van donaties, contributies, subsidies etc.

    -          Non-profitorganisaties beoordelen effectiviteit niet uit in geld maar in realisering van hun doel.

  • Waarom werkt het marktmechanisme vaak niet in de voorziening van collectieve goederen en diensten? Welk mechanisme wordt hiervoor in de plaats gebruikt?
    consumenten kunnen vaak niet een stukje van een collectieve voorziening kopen voor individueel gebruik. Het budgetmechanisme houdt in dat burgers een gedwongen bijdrage (belasting) afstaan waardoor een collectief budget ter beschikking komt waarmee de productie van een collectieve voorziening gefinancierd kan worden.
  • 1.3 Ondernemingsactiviteiten


  • Er zijn 4 globale soorten ondernemingsactiviteiten:

    1. Landbouw en extractie: deze ondernemingen maken gebruik van de rijkdommen van de natuur. Alhoewel deze rijkdommen relatief weinig kosten, zijn de duurzame productiemiddelen wel zeer belangrijk (landbouwgrond voor de agrariër en vergunningen voor extractieve bedrijven).

    2. Industrie: industriële ondernemingen creëren een fysiek product dat vóór de productie nog niet in die vorm bestond. 
    Er zijn 4 soorten productie:

    - Massaproductie: het maken van één soort product in grote hoeveelheden. Dit is een standaardproduct dat op voorraad gemaakt word voor de markt.

    - Stukproductie: het leveren van maatwerk bestemd voor één bepaalde klant dat op bestelling wordt gemaakt.

    - Serie-stukproductie: de klant krijgt zijn eigen product maar er worden kosten bespaard door componenten van het product in grotere aantallen te produceren.

    - Serie-massaproductie: productie van varianten van het standaardproduct.

    3. Handel: handelsonderneming produceren geen nieuwe producten maar profiteren van de ongelijkheid tussen productie en consumptie (grootte, samenstelling, tijdstip en plaats van productie en consumptie). 
    Er zijn 2 soorten handelsondernemingen:

    - Groothandel: deze koopt in bij de fabrikant en verdeeld de ingekochte partijen over de detailhandel

    - Detailhandel: levert direct aan de consument

    4. Dienstverlening: deze ondernemingen verrichten prestaties voor hun klanten zonder een concreet goed te vervaardigen (horeca, banken, transport etc.). Arbeidskosten zijn hier vaak de belangrijkste kostenpost.
  • Noem de 4 verschillende globale categorieën van ondernemersactiviteiten
    1. Landbouw en extractie
    2. Industrie
    3. Handel
    4. Dienstverlening
  • Wanneer is er sprake van serie-massaproductie?
    wanneer er sprake is van productie van varianten van het standaardproduct
  • In de verschillende ondernemingen ligt de nadruk op verschillende kostenposten. In welk soort onderneming is de kostenpost arbeid het grootst?

    In de dienstverlening omdat dit vaak een “peoples business” is waar arbeid de voornaamste waarde toevoeging is.
  • Wat is het verschil tussen massa –en stukproductie?

    - Massaproductie: het maken van één soort product in grote hoeveelheden. Dit is een standaardproduct dat op voorraad gemaakt word voor de markt.

    - Stukproductie: het leveren van maatwerk bestemd voor één bepaalde klant dat op bestelling wordt gemaakt.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 4:

  • Basisboek bedrijfseconomie
  • P De Boer, M P Brouwers & W Koetzier
  • or
  • 2011

Summary - Basisboek bedrijfseconomie

  • 1 (W1) Ondernemingen en hun functie in de economie

  • Hoe kan je een onderneming omschrijven?
    Als een naar winst strevende productieorganisatie
  • welke selectiemethoden zijn er ?
    NCW, GBR, Terugverdienperiode, interne rentabiliteit. 

  • Wat wordt verstaan onder het begrip ‘integrale kostprijs’

    a.       De vaste en variabele kosten per eenheid product

  • Geef een omschrijving van het begrip onderneming.
    Een onderneming is een naar winst strevende productieorganisatie.
  • Wat verstaan we onder de vermogenskostenvoet ?
    gewogen gemiddelde tussen eigen vermogen en vreemd vermogen

  • Wat is het doel van het systeem van ‘direct costing’

    a.       Het nemen van beslissingen op korte termijn


  • wat verstaan we onder het contant maken van geldstromen ?
    waar toekennen aan cashflows
  • Hoe bereken je de kostprijs?
    vaste plus variabele kosten
  • wat is een converteerbare obligatielening ?

    . Een converteerbare obligatielening is een lening die na verloop van tijd, gedurende een onder bepaalde voorwaarden kan worden omgewisseld in aandelen van het betrokken bedrijf.

          


  • Bij een eenmanszaak is sprake van aansprakelijkheid van de eigenaar. Wat is de betekenis daarvan?

    a.       De eigenaar is zowel met zijn ingebrachte vermogen als met zijn privévermogen aansprakelijk voor de gehele schuld aan een handelscrediteur.

  • Welke interesttafel gebruik je bij de Samengestelde interst ?
    "grote" S 
  • Welke persoon begeeft zich sterk op het vlak van financiering
    treasurer
  • Welk persoon begeeft zich sterk op het vlak van management accounting
    controller
  • Met welk(e) vakgebied(en) hang het vak belastingrecht het meest samen?

    financial accounting
  • Wat wordt verstaan onder de activa van een onderneming?

    de bezittingen
  • Theo Jansen is eigenaar van reclamebureau ‘de Roos’. Hij lost 25.000 af van een hypothecaire lening op zijn bedrijfspand. Deze aflossing valt onder:

    uitgaven
  • Waarom wordt vreemd vermogen risicomijdend genoemd?

    a.       Met de verschaffers van vreemd vermogen worden van tevoren afspraken gemaakt over aflossing en een vaste rentebetaling.

  • Hoe worden de vlottende activa ingedeeld?

    a.       In voorraden, debiteuren en liquide middelen.

  • Een mobiele telefoon wordt verkocht voor 100. De variabele kosten zijn 25 per stuk. Het percentage dekkingsbijdrage van dit product is:

    a.       75%

  • Als de productieomvang in een periode toeneemt, zullen in elk geval:

    a.       de totale variabele kosten toenemen

  • De break-evenomzet van een boekhandel bedraagt 750.000 per jaar. De brutowinstmarge, in procenten van de omzet is 40%. Onder brutowinst wordt hier verstaan de omzet minus de inkoopkosten van de omzet. Wat zijn de jaarlijkse vaste kosten van deze boekhandel?

    300.000(0,4 keer 750.000)
  • Welk onderdeel zal een mission statement normaliter niet  bevatten?

    a.       De winst die naar verwachting volgend jaar behaald zal worden.

  • Auto’s staan op de balans onder:

    vaste activa
  • Een van de financiële ratio’s is de quick-ratio. De quick-ratio is een kengetal voor de berekening van:

    a.       De liquiditeit

  • Onder solvabiliteit wordt verstaan: de mate waarin een onderneming in geval van liquidatie kan voldoen aan de financiële verplichtingen jegens de verschaffers van:


    a.       het totaal vreemde vermogen
  • In 2009 betaalde de heer De Jager 10.000 rente over de hypothecaire lening op zijn bedrijfspand. Ook lost hij 30.000 af. Wat zijn de kosten over 2009 van deze transacties?

    10.000
  • Op 1 januari 2008 bedraagt het eigen vermogen van het bedrijf ‘Streetmusic’ 800.000. Over het boekjaar 2008 wordt een winst behaald van 60.000. Het eigen vermogen per 31 december 2008 bedraagt dan:

    860.000
  • Reclamebureau ‘Juanita’ start op 1 januari 2009 met zijn activiteiten. Voor het pand wordt een brandverzekering afgesloten, waarvoor eind december 2008 de premie van

    8.000 voor 3 jaar vooruitbetaald wordt. Waar zal de post ‘vooruitbetaalde bedragen’ te zien zijn?

    a

    a.       Op de debetzijde van de balans
  • Wie is bij de NV verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken?

    de directie
  • Wat wordt verstaan onder het begrip ‘directe kosten’?

    a.       Kosten die een rechtstreeks verband hebben met de producten

  • Wat is de meest verregaande vorm van samenwerking?

    fusie
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is typisch voor groothandel?
Business-to-business: zowel de leveranciers als de klanten zijn bedrijven.
Wat is kartelvorming?
Overeenkomst tussen ondernemingen waarbij afspraken worden gemaakt om de concurrentie te beperken
Wat is een franchise?
Zelfstandige ondernemer sluit zich tegen betaling van een vergoeding aan bij een keten om gebruik te maken van bepaalde faciliteiten (bijv. inkoop, marketing en winkelinrichting)
Wat is het verschil tussen een fusie en een overname?
Fusie: twee gelijkwaardige partijen die samensmelten
Overname: overnemen van een ander bedrijf
Noem 3 vormen van samenwerking tussen ondernemingen
  1. Fusie en overname
  2. Franschising
  3. Kartelvorming 
Wat is een profitorganisatie?
Een organisatie die streeft naar winst
Wat is efficiency?
De doelmatigheid van het productieproces.
Wat is effectiviteit?
De doelgerichtheid van het bedrijf, of het product voldoet aan eisen van de afnemer.
Wat zijn de drie 'inputs' voor een industriële onderneming?
  1. grondstoffen
  2. duurzame productiemiddelen
  3. menselijke arbeidskracht
Worden bij een bv/nv stortingen voorkomend uit het verkopen van aandelen wel meegenomen als winst en het uitkeren van dividend als kosten?
Nee ook deze stortingen komen niet op de resultatenrekening, het is namelijk toegenomen eigenvermogen maar niet doormiddel van de bedrijfsactiviteiten zelf, anders zou doormiddel van stortingen van de aandeelhouders sprake zijn van creative accounting