Summary Basiskennis taalonderwijs

-
ISBN-10 9001745369 ISBN-13 9789001745363
644 Flashcards & Notes
8 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Basiskennis taalonderwijs
  • Henk Huizenga Rolf Robbe
  • 9789001745363 or 9001745369
  • 2020

Summary - Basiskennis taalonderwijs

  • 1 Mondelinge taalvaardigheid

  • De voor talige/ pre linguale periode =
    - Dit is de periode voordat een kind zijn eerste woordje zegt.

  • Vanaf het eerste levensjaar begint de talige  periode. Een kind gaat woorden en zinnen als communicatiemiddel gebruiken. Deze woorden zijn kinderen sterk verbonden aan een gebeurtenis of actie.
  • Differentiatie fase:
    - Deze fase begint rond 2,5 jaar en eindigt rond de 5 jaar.
    - Een kind leert de morfologische en de pragmatische aspecten van taal.
    - Een kind krijgt ruimtelijk inzicht, tijdsbesef en leert op een gedetailleerde manier dingen waarnemen. Dit gaat samen met de taalontwikkeling.
    - Rond het 3de levensjaar heeft een kind een woordenschat van 1.000 woorden.
    - Kinderen leren ook functiewoorden en woordsoorten gebruiken waardoor de telegram stijl verdwijnt.
  • Functiewoorden =
    Woorden die een relatie aangeven, zoals wie en wat.
  • Over generaliseren = 
    kinderen leren in de differentiatie fase verschillend morfologische principes (vorm van een woord). Niemand legt kinderen dit uit. Hierdoor passen kinderen soms onterecht taalregels toe en dit noem je over generaliseren.
  • Het verloop van het leren van een tweede taal is hetzelfde als een eerste taal. Het proces is anders. Je hebt verschillende processen:
    - Simultane tweetaligheid = Een kind leert 2 talen tegelijkertijd.
    - Successieve tweetaligheid = Een kind leert de 2de taal na de eerste taal.
     
  • Spreek strategie = 
    een bewuste handeling die iemand hanteert om een spreek doel te bereiken.
     
  • 2 Woordenschat

  • Alle woorden die kinderen leren woorden opgeslagen in het woordgeheugen of het mentaal lexicon. Dit maakt een deel uit van het langetermijngeheugen.
  • Je hebt verschillende identiteiten van woorden:
    - akoestische identiteit → hoe het woord klinkt
    - articulatorische identiteit hoe je een woord uitspreekt
    - fonologische identiteit akoestische en articulatorische ligt heel dicht bij elkaar en fonologische de algemene noemer.
    - morfologische identiteit  opbouw van een woord
    - semantische identiteit → betekenis van een woord
    - syntactische identiteit  de mogelijkheden om het woord te combineren met andere woorden.
    - orthografische identiteit  de spelling van een woord.
  • label=
    de klank vorm van een woord. ⇒ fonologisch.
  • Concept=
    de betekenis van een woord. ⇒ semantisch.
  • Concrete betekenis = 
    De betekenis van een woord uitleggen aan de hand van een plaatje. Een kind kent het woord door het te zien. Kinderen leren vanaf t jaar vooral concrete betekenissen.
  • Abstracte betekenis = 
    De betekenis duidelijk maken aan de hand van een omschrijving. De betekenis van een woord zoals een kind het in zijn hoofd heeft. Vanaf 2 jaar maken kinderen abstracte betekenissen eigen.
  • Contextuele betekenis = 
    De betekenis uitleggen aan de hand van een context. Een kind vertelt alle relaties die een woord met andere woorden heeft. Een kind maakt zich deze vaardigheid eigen rond 3 tot 4 jaar.
  • Productieve woordenschat = 
    De woorden die kinderen gebruiken om met andere te communiceren.
     
  • Receptieve woordenschat = 
    Ook wel de passieve woordenschat. De woorden die kinderen begrijpen / de betekenis van kennen
  • 3 principes voor woordenschat verwerving:
    - Labelen
    - Categoriseren
    - Netwerk bouwen
  • labelen=
    je koppelt een woord aan een voorwerp of gebeurtenis.
  • Categorisch = 
    Als een kind een aantal woorden kent, kan het ook betekenissen met elkaar koppelen en woorden onderbrengen onder 1 overkoepelend begrip.
  • Netwerk opbouw = 
    Een kind ontwikkeld zijn woordenschat door allerlei betekenissen van woorden in het geheugen aan elkaar te koppelen.
     
  • 4 woord leerstrategieën:
    - analyseren van een woord
    - gebruik maken van de context
    - gebruik van een bron in de eerste of tweede taal.
    - letten op de overeenkomsten tussen de eerste en tweede taal.
  • Schooltaal = 
    Zijn abstracte begrippen die lln moeten kennen om het onderwijs te kunnen volgen.
  • Vaktaal =
    De vakinhoudelijke begrippen die lln op school leren, die ze niet in het gewone taal verkeer tegenkomen.
  • Signaal woorden = 
    Woorden die de lezer informatie geeft over de relaties in een tekst.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Basiskennis taalonderwijs
  • Henk Huizenga
  • 9789001822965 or 9001822967

Summary - Basiskennis taalonderwijs

  • 1 De kennisbasis Nederlandse taal

  • Wat is het 'fundament' van de 4 invalshoeken bij de domeinen vd kennisbasis taal?

    Achtergrondkennis van het domein.

  • Wat houdt de kennisbasis van taal in?

    Het is geen leerboek, maar de basiskennis die je nodig hebt om lessen te kunnen geven in het onderwijs.

  • Wat is stellen?
    Het schrijven van teksten 
  • Wat is traditioneel taalonderwijs?
    lesgeven met een methode
  • Wat is geletterdheid?
    Onder geletterdheid verstaan we het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en te gebruiken.
  • De basiskennis wordt op elke pabo getoetst. Elke pabo heeft daarvoor zijn eigen manier. De basiskennis moet je beheersen om verder door te kunnen met de opleiding.

  • Jeugdliteratuur
    Belevend lezen, waarderend lezen, leesbevordering. Lezen waarbij literaire boeken/teksten centraal staan 
  • Traditionele grammatica 
    Zinnen ontleden in zinsdelen en de verschillende woorden kunnen benoemen
  • Spellen
    De meest voorkomende woorden correct kunnen schrijven en de belangrijkste spellingsregels kunnen toepassen 
  • Zelfhandhaving
    Beschermt zichzelf en verdedigt wat ze heeft 
  • Zelfsturing 
    Ze ordent met woorden haar handelen en kondigt haar plannen aan
  • Sturing van anderen
    Gedrag van een ander beinvloeden 
  • Structurering van een gesprek 
    Gebruik je taal om het gespreksverloop te beginvloeden
  • Sociale taalfuncties
    Zelfhandhaving, zelfsturing, sturing van anderen, structurering van het gesprek
  • Auditieve analyse
    Opsplitsen van een woord in losse klanken ( R-AA-M) 
  • Auditieve synthese
    Het samenvoegen van klanken
  • Auditieve discriminatie
    Het verschil kunnen horen tussen klanken
  • Mondelinge taalvaardigheid
    Spreken, luisteren, voeren van allemaal gespreksvormen staan centraal
  • Woordenschat 
    Aanleren van de betekenis van nieuwe woorden, uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden 
  • Geletterdheid: 
    Vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en te gebruiken 
  • Ontluikende geletterdheid 
    Ontwikkeling voorschoolse periode van 0-4 jaar
  • Beginnende geletterdheid
    Ontwikkeling groep 1 t/m 3 
  • Gevorderde geletterdheid
    Periode na groep 3
  • Aanvankelijk lezen
    Leren lezen in groep 3
  • Voorgezet leren
    Leesonderwijs na groep 3
  • Voortgezet technisch lezen
    Vlot en nauwkeurig kunnen leze n
  • Begrijpend lezen
    Het begrijpen van een tekst, achterhalen van de bedoeling 
  • Conceptualiserende (cognitief)  
    Gedachten ordenen, rapporteren, redeneren, projecteren 
  • Communicatief (sociaal)
    Zelfhandhaving, sturing van anderen, structurering van anderen, zelfsturing 
  • Expressieve 
    Poezie (songtekst), gevoelens uiten, experimenteren. 
  • Recursief systeem
    Het groter en altijd langer kunnen maken van zinnen 
  • Niveau's van de taal
    Morfologisch, syntactisch, semantisch, fonologisch, orthografisch, pragmatisch 
  • Creatieve constructie theorie
    Aangeboren taalmechanisme 
  • Behaviorisme 
    Imitatie 
  • Interactionele benadering 
    Taal leervermogen en taalaanbod van de omgeving en interactie tussen kind en andere moedertaal sprekers  
  • Brabbelen
    Klankgroepen produceren DADADA MAMAMA. Klanken zijn aangepast aan moedertaal
  • Twee en meerwoord-fase 
    Woorden combineren, 2 of meer woorden. Relaties aangeven. Bal daar 
  • Eenwoordfase
    Poes -> daar zit de poes. Vooral naar personen, dieren, voorwerpen, dingen. Eindfase: Eigenschap van een voorwerp, Kachel en zegt warm.
  • Telegramstijl fase
    Begin leren grammatica. Veel onderwerp en gezegde. Die hier, mama zitten. 
  • Vocaliseren
    Actief met de taal. Luisteren naar stem. Zelf klanken produceren. Oefent spraak mechanisme 
  • Vocaal spel 
    Experimenteren met voortbrengen van geluiden. Gevarieerde toonhoogte, luiheid en duur. Oefent in eerste instantie voor zichzelf. Interactie, reageren op elkaar 
  • Overgeneralisatie
    Taalregels ten onrechte toepassen (loopte, gevald, meegebrengt) Verleden tijd en voltooid deelwoord ontdekt 
  • Inhoudswoorden
    Duidelijk omschreven betekenis. Zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoegelijkenaamwoorden 
  • Functie woorden
    Worden die talige relatie weergeven. Want omdat, wie wat 
  • Impliciete feedback
    Zinnen van een kind verbeterd herhalen 
  • Neologismen
    Zelf woorden verzinnen (timmer) hamer (steeklepel) vork 
  • Schreien/huilen
    Door huilen een signaal afgeven (honger pijn) communicatie
  • De vroeglinguale periode 
    1-2,5 jaar. Brabbelen gaat over naar betekenisvol taalgebruik. Een woord zinnen, twee woord zinnen en meer woord zinnen 
  • De differentiatiefase 
    Nieuwe woordsoorten, woordenschat wordt groter. Taalontwikkeling op alle niveaus. Steeds meer volwassen lijken 
  • De prelinguale periode
    Eerste woordjes (voortalige periode) Geen taal (Geen systeem, regels, symbolen) Geen bedoelingen, onsamenhangende klanken 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Voor instructie bij het voortgezet technisch lezen hanteert men 7 uitgangspunten, waaronder ondersteuning bij het lezen, aandacht voor begrijpend lezen, instructie voor/tijdens/na, het goed laten voorbereiden van teksten en:
Werken aan motivatie/leesplezier, functionele oefensituaties en aandacht voor het lezen van woorden, zinnen en teksten.
Een leerling herkent woorden direct woorddelen in een woord. Van welk strateigie maakt dez leerling gebruik van?
Morfologische analyse
Globaal lezen houdt in dat:
Kinderen een woord herkennen op basis van een aantal kenmerkende visuele eigenschappen
Een van de stappen van de elementaire leeshandeling is:
Auditieve synthese
Visuele analyse is de vaardigheid om:
Binnen een woord afzonderlijke grafemen te onderscheiden.
Wat is de meest complexe auditieve vaardigheid?
Het bepalen van de klankpositie.
Een tussendoel van het alfabetisch principe is:
Kinderen leggen de foneem-grafeemkoppeling.
Wat is in de fase van ontluikende geletterdheid niet van belang?
De taal waarin kinderen worden voorgelezen of waarin ze ervaring opdoen
Wat is de Taallijn?
Taalonderwijs waarbij extra aandacht is voor kinderen met een taalachterstand
Het voegwoord en is een voorbeeld van een..
Functiewoord