Summary Bedrijfseconomie voor de manager

-
339 Flashcards & Notes
6 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Bedrijfseconomie voor de manager". The author(s) of the book is/are Joost Bakker & Theo van Houten. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Bedrijfseconomie voor de manager

  • 1.1 Inleiding

  • Wat is het doel van dit hoofdstuk?

    Het doel van dit hoofdstuk is dat je voldoende inzicht krijgt in wat bedrijfseconomie kan betekenen voor een manager.

  • Waar staat de afkorting MVO voor?

    MVO = Maatschappelijk verantwoord ondernemen op basis van de drie P's

     

    1. People - Klanten en hun tevredenheid, klantgetrouw, imagoverlies, medewerkers en hun tevredenheid. Geen kinderarbeid en betere arbeidsomstandigheden.
    2. Planet - Duurzaamheid en milieu= CO2 uitstoot, energieverbruik en afvalquota.
    3. Profit - Maximaliseren van het rendement of resultaat.
  • Wat is het doel van een organisatie?

    Ontwikkeling van winstmaximalisatie naar het maximaliseren van welvaart en geluk.

  • Om het organisatiedoel te bereiken moet een organisatie?

    Waarde toevoegen in de ogen van de klant.

  • Als een organisatie volgens de klant van toegevoegde waarde is dan is de organisatie effectief.

    Om het organisatiedoel te bereiken moet een organisatie waarde toevoegen in de ogen van de klant. Dit moet leiden tot efficiënte en vooral effectieve organisaties.

     

     

    EFFICIËNT:

    Met efficiënt bedoelt men doelmatig, dat wilt zeggen dat de organisatie niet onnodig mensen en middelen (bijvoorbeeld grondstoffen, gebouwen, computers) gebruikt. 

    Het is van groot belang dat de inrichting en uitvoering in deze waardeketen efficiënt is en blijft. De rol van het management is daarbij onontbeerlijk. Deze managers nemen daarbij voortdurend beslissingen en leggen daar verantwoording over af.

     

    EFFECTIEF:

    Effectief houdt in dat de organisatie het doel dat zij nastreeft ook bereikt.

     

    Wat heeft het voor zin te rennen als je niet op de goede weg bent?

  • Wat betekent het begrip Value Chain?

    De bij het primaire proces betrokken afdelingen vormen een waarde keten, oftewel een Value Chain.

  • Wat is het primaire proces van een organisatie?

    Producten, goederen of diensten ontwikkelen, produceren en verkopen die in de behoefte van de klant voorzien. Deze vormen een waarde keten (Value Chain).

  • Efficiëntie en effectiviteit zijn beide belangrijk, maar effectiviteit heeft een grotere invloed op het voortbestaan van de organisatie dan efficiëntie.

  • De waardeketen bestaat uit de volgende bedrijfsfuncties.

     

    1. Onderzoek en ontwikkeling - zeker zo bekend onder de naam RESEARCH and DEVELOPMENT (R&D). Deze ontwikkelt nieuwe goederen, diensten en processen.

     

    2. Design - Geeft vorm aan het product, maar zorgt ook voor de gedetailleerde uitwerking ervan.

     

    3.  Productie - zorgt voor de inkoop van de benodigde grondstoffen, het werven van personeel, het produceren en assembleren (in elkaar zetten).

     

    4. Marketing - betekent het voeren van promotieactiviteiten en het verkopen van producten.

     

    5. Distributie - Is het leveren van de producten aan de afnemers. Transporteren.

     

    6. Klantenservice - Zorgt voor de zogeheten after sales, wat erg belangrijk is. Een klant wil geholpen worden als er problemen met het product ontstaan.

     

    Ondersteunende diensten zijn: Facilitair, Personeelszaken, Juridische zaken, administratie en controlling.

  • Bedrijfskundige kunnen in alle sectoren van de maatschappij terechtkomen, variërend van het bedrijfsleven en de overheid tot non profit organisaties. Het kunnen verschillende banen zijn zoals:

    1. Managementfuncties - leidinggevende en resultaatverantwoordelijke banen zoals hoofd van een bedrijfsbureau, projectleider, hoofd personeelszaken of hoofd logistiek.

     

    2. Managementondersteunende functies op diverse terreinen, zoals auditor van processen en kwaliteitssystemen, planner van de productie of adviseur personeel en organisatie;

     

    3. Adviserende functies, bijvoorbeeld als consultant bij overnames, reorganisaties of het betreden van nieuwe markten.

     

    Om deze functies goed te kunnen uitvoeren is een interdisciplinaire opleiding nodig. Een bedrijfskundige moet goed met mensen kunnen omgaan, goed de organisatiestructuur en cultuur begrijpen. Hij of zij moet weten hoe de bedrijfsprocessen in elkaar steken en hoe ze te verbeteren zijn. Ook moet je weten binnen welke juridische kaders kan opereren. En natuurlijk de financiële consequenties van beslissingen kunnen inschatten.

     

     

  • 1.2 Doel van een organisatie

  • Doel van een organisatie 

    Ontwikkeld van winstmaximalisatie naar het maximaliseren van welvaart en geluk.

  • 1.3 Besluistvormingsproces

  • Het besluitvormingsproces bestaat uit 5 stappen. Welke 5 stappen zijn dit?

     

    Dit zijn 5 stappen voor een manager om een besluit te vormen aan de hand van financiële informatie, de werking van bedrijfseconomische instrumenten en hoe die uitkomsten geïnterpreteerd moeten worden.

    Stap 1: Identificeer het probleem en de onzekerheden.

    Stap 2: Verzamel informatie.

    Stap 3: Maak toekomstscenario's.

    Stap 4: Beslis.

    Stap 5: Implementeer, evalueer en leer.

  • De Demingcirkel of Plan-Do-Check-Act (PDCA) cyclus.

     

    Dit is een handig hulpmiddel. Voor elk bedrijfsproces of voor alle processen samen (zijnde de organisatie) wordt deze cyclus doorlopen om tot optimalisatie van het proces te komen en zo het resultaat van het proces te maximaliseren. Deze cyclus wordt continu doorlopen.

     

    - In de plan-fase worden de doelen voor het proces gedefinieerd. Het gaat daarbij om de resultaten de beschikbaarheid van middelen en de belangen van stakeholders van het proces.

     

    - In de Do-fase wordt het proces uitgevoerd en de resultaten gemeten.

    - In de Check-fase worden de gemeten resultaten vergeleken met de doelen.

    - In de Act-fase worden indien nodig acties uitgezet om de resultaten te verbeteren.

    - Vervolgens herhaalt de cyclus zich.

  • Risk Management

     

    Een andere manier om de gevolgen van beslissingen te beheersen is risicomanagement. Het betreft hierbij niet alleen verzekerbare risico's, zoals het risico op brand of een ongeval. De bedrijfseconomie probeert ook zaken als fraudebestrijding binnen de organisatie, grote afhankelijkheid van een beperkt aantal klanten of leveranciers en risico's op reputatieschade beter in beeld te krijgen.

     

     

  • Risicomanagement bestaat bijna altijd uit de volgende stappen.

    - Risico-inventarisatie. Welke risico's (bijvoorbeeld technisch of juridisch) worden gelopen?

     

    - Risicoanalyse. Wat is de kans dat iets gebeurt, en wat is het gevolg of de impact als het gebeurt? Dat samen bepaalt het risico.

     

    - Kwatitatieve beoordeling van de risico's. Wat is de waarde van elk risico? 

     

    - Optieanalyse. Wat zijn de beheersingsstrategieën: Welk risico wil men vermijden, verminderen, overdragen (vaak verzekeren) of accepteren?

     

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Leverancierskrediet
De organisatie ontvangt goederen maar betaald ze nog niet. De leveranciers (crediteuren) moeten nog betaald worden. Deze schuld staat aan de creditzijde = passiva kant van de balans. Betalingsvoorwaarden van de leveranciers zijn een betalingstermijn en korting op rente bij snelle betaling. De kosten zijn aan de hand van het kortingspercentage te berekenen.
Vijftien of zestig dagen?
Stel de betalingsvoorwaarden van de leverancier zijn onder andere:
Betalen binnen 60 dagen en 2 % korting als u binnen 15 dagen betaalt.
Als u voor 1000 euro inkoopt, heeft u twee mogelijkheden: 98 % van 1000 = 980 betalen binnen 15 dagen of 1000 betalen binnen 60 dagen. Het kost dus 20 euro meer om 45 dagen later te betalen. Op jaarbasis is dat 20 / 45 dagen x 365 dagen = 162 en uitgedrukt in een percentage is het 162 euro / 980 = 16,55 %. 
Als de kosten van het RCK lager zijn dan 16,55 % is het dus verstandig om 980 te lenen en de leverancier binnen 15 dagen te betalen. Zijn de kosten van het rekening courant krediet hoger dan 16,55% dan is het beter om van de leverancier te lenen en na 60 dagen 1000 te betalen...
Vergoeding voor beschikbaarstelling vermogen.
Vreemd vermogen verstrekkers stellen tijdelijk vermogen ter beschikking aan een organisatie. In ruil daarvoor krijgen zij een vaste, afgesproken vergoeding. Deze rente- of beter interestvergoeding veroorzaken door de bril van de organisatie interestkosten. De hoogte van de interestvergoeding is afhankelijk van vier factoren:
1. Marktwaarde
Basis voor de dagelijkse rente komt van de Euribortarieven, waartegen Europese banken elkaar kortetermijnleningen verstrekken.
2. Risico voor de geldgever;
- Debiteurenrisico; de kans dat de geldnemer het geld niet terugbetaald. Wordt gecheckt aan de hand van de kredietwaardigheid, dit hangt af van het Eigen vermogen hoe groter deze is hoe hoger de kredietwaardigheid.
- Looptijd; hoe langer deze is hoe hoger de risico - opslag.
3.  Rangorde van de geldgever: 
-Vreemd vermogen verstrekkers krijgen voorrang op eigenaren in geval van liquidatie.
Achtergestelde lening: schuldeiser krijgt als laatste, vlak voor de eigenaar zijn geld.
Preferente lening: Krijgt als eerste zijn geld (belastingdienst of hypotheekverschaffer.

4. Verhandelbaarheid van schuld: 

Als van een obligatielening de schuld verkocht kan worden aan anderen is de geldgever minder gebonden aan de looptijd en zal daarom lagere vergoeding eisen.
Vormen van vreemd vermogen
Banklening of onderhandse lening:
Is een lening tussen de organisatie en één persoon of financiële instelling, met afspraken over bedrag, looptijd, vergoeding en betalingsmomenten. Dit is de oervorm van vreemd vermogen, waarbij de geldgever relatief veel risico loop en dus relatief duur is. (Hypotheek, banklening).
Hypothecaire lening:
De lening is gekoppeld aan een onderpand (onroerend goed). Geeft de verstrekker meer zekerheid en is daardoor relatief goedkoper (lagere vergoeding en interestkosten).
Als de organisatie haar hypothecaire lening niet kan terugbetalen, kan de bank het onderliggende bedrijfspand verkopen.
Obligatielening:
Is een door een organisatie uitgegeven geldlening die verdeeld is in een groot aantal schuldbekentenissen. Deze worden obligaties genoemd en hebben meestal een nominale waard van 1000,= of 5000,=. Het uitgeven van een obligatielening lijkt erg op een aandelenemissie, maar heeft het voordeel dat de organisatie geen naamloze vennootschap hoeft te zijn.
Obligaties zijn aan toonder en vrij verhandelbaar met een vaste rente, de zogeheten couponrente, en een vooraf vastgestelde looptijd. Net als aandelen hebben ook obligaties een marktwaarde, die grotendeels afhankelijk is van de marktrente. Indien de couponrente lager is dan de marktrente dan is de obligatie minder waard en als de couponrente hoger is dan de marktrente dan is de obligatie meer waard.
- Het voordeel van een obligatielening is het  grote aantal vreemd vermogen verstrekkers, waardoor een organisatie relatief veel geld kan ophalen zonder afhankelijk te worden van een geldgever (laag risico).
Er bestaan zeer veel verschillende vormen van obligatieleningen: 
- Hypothecaire;
- Achtergestelde;
- Zero;
- Bounds;
- Discount Bounds;
- Junk Bounds;
Zij hebben allemaal hun eigen kenmerken en zijn geschikt voor specifieke financieringsdoelen.
Converteerbare obligatielening:

Is een obligatielening waarbij de geldgever het recht heeft om gedurende een bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden de obligatie te ruilen voor aandelen.
In ruil voor een converteerbare obligatie kan een koper immers de beschikking krijgen over aandelen en die hebben beurswaarde.
Wanneer kopers van converteerbare obligaties gebruik maken van dit recht, daalt het vreemd vermogen en stijgt het eigen vermogen van de organisatie.
Conversiewaarde = is de waarde van het aandeel dat voor de obligatie kan worden ingeruild. Dit is dan de beurswaarde. 
Intrinsieke waarde of boekwaarde
Dit is de theoretische waarde op basis van het eigen vermogen van een organisatie. Door dit eigen vermogen, het verschil tussen de bezittingen en de schulden, te delen door het aantal geplaatste aandelen berekent men de intrinsieke waarde per aandeel. De intrinsieke waarde wordt dus mede bepaald door de waardering van die bezittingen en schulden. Omdat daar vaak de balans voor gebruikt wordt spreekt men ook wel van boekwaarde van het aandeel.
Nominale waarde
Dit is het bedrag dat op het aandelenbewijs of in de statuten staat. Het maatschappelijk, geplaatst en gestort aandelenvermogen wordt tegen deze nominale waarde gewaardeerd. De nominale waarde heeft slechts formele betekenis. Indien een aandelenhouder meer of minder betaalt dan de nominale waarde staat dit verschil op een apart balanspost, agioreserve.
Financieren met eigen vermogen
Intern Financieren

Eigen Vermogen is het vermogen dat is ingebracht door de eigenaren. Zij stellen dit vermogen permanent ter beschikking van de organisatie, het hoeft dus niet te worden terugbetaald. 
In formele zin is het eigen vermogen dus geen schuld of verplichting. Door de strikte scheiding tussen organisatie en eigenaar, zelfs bij een eenmanszaak, is het wel mogelijk om te spreken van een morele schuld aan de eigenaar.  
Het eigen vermogen is ondernemend of risicodragend.
Financieren met eigen vermogen kan op twee manieren: intern en extern. Bij interne financiering gaat het om de winstreserve of de ingehouden winst. 
De winstreserve neemt toe als de aandeelhouders besluiten om het resultaat na belasting (EAT) niet of niet helemaal uit te keren als dividend, maar terug te geven aan de organisatie. De organisatie kan vervolgens besluiten om er activa mee te financieren. Enige voorzichtigheid is geboden bij deze interne financiering. Indien een organisatie beschikt over  bijvoorbeeld 100.000 aan winstreserve, dan wil dat nog niet zeggen dat ze met dat bedrag ook daadwerkelijk een nieuwe machine kan financieren. Daarvoor is namelijk contant geld nodig, liquide middelen!!!
Het kan best zijn dat de beschikbare winstreserve bewust of onbewust al gebruikt is voor de financiering van andere activa. Investeringen in netto werkkapitaal,  zoals debiteuren en voorraden, worden vaak onbewust gefinancierd met ingehouden winsten.
Op de afbeelding staan twee Balansen met dezelfde samenstelling van het vermogen. Welke van de twee kan op 1 januari een nieuwe machine van 100.000 intern financieren?
 Het antwoord is Illusius NV: 
Dit bedrijf heeft op 1 januari daadwerkelijk 100.000 aan liquide middelen. Bij Fictiva NV zijn deze al geinvesteerd in netto werkkapitaal.
Wijzigingen op de balansposten worden veroorzaakt door de volgende gebeurtenissen in een organisatie
Vaste Activa:
- Neemt toe bij de aanschaf van nieuwe spullen. Het gaat daarbij om spullen die langer dan    één productieproces meegaan. Dit zijn investeringen in strikte zin.
- De vaste activa nemen af als gevolg van afschrijvingen.
Vlottende Activa:
- Voorraden nemen toe als de organisatie inkopen doet of producten produceert.
- Voorraden nemen af als een organisatie verkopen realiseert. Ze nemen dan af met de inkoopwaarde van de gerealiseerde omzet.
- Debiteuren nemen toe als een organisatie verkopen op rekening realiseert. Het zijn dan klanten van wie de           organisatie geld tegoed heeft. De post debiteuren neemt af zodra de organisatie dat geld ontvangt.
- Kastegoeden en banktegoeden nemen toe als een organisatie geld uitgeeft en nemen af als een organisatie geld   ontvangt. De geldontvangsten en gelduitgaven worden gespecificeerd op het liquiditeitenoverzicht.
Eigen vermogen:
Het eigen vermogen neemt toe als een organisatie nieuwe aandelen uitgeeft. Het neemt ook toe als een organisatie een positief resultaat behaalt en de eigenaren besluiten dit niet uit te keren. Het eigen vermogen neemt af als een organisatie negatieve resultaten behaalt.
Langlopende verplichtingen:

Voorzieningen nemen toe als een organisatie wil sparen voor een toekomstige gelduitgave, bijvoorbeeld groot onderhoud of een reorganisatie. Toevoegingen aan de post voorzieningen komen ten laste van het resultaat. Voorzieningen nemen als als een organisatie een gelduitgave doet uit dit spaarpotje. Deze gelduitgaven hebben geen gevolgen voor het resultaat.
Overige langlopende verplichtingen nemen toe als een organisatie nieuwe leningen afsluit. Ze nemen af als een organisatie leningen (deels) aflost.
Kortlopende verplichtingen:
Crediteuren nemen toe als een organisatie goederen of grondstoffen op rekening inkoopt. Het zijn dan leveranciers aan wie de organisatie geld verschuldigd is. Ze nemen af zodra de organisatie dat geld daadwerkelijk betaalt.
Het rekening-courantkrediet neemt toe als een organisatie geld uitgeeft en neemt af als de organisatie geld ontvangt. De specificatie van deze geldontvangsten en gelduitgaven staat op het liquiditeitenoverzicht.
Te betalen bedragen nemen toe als een organisatie kosten maakt, maar die nog niet betaalt. Ze nemen af als een organisatie daadwerkelijk geld betaalt.
Inkoop bestaat ook uit 3 momenten
1. Overeenstemming bereiken met leverancier: 
Op dit moment neemt de post crediteuren toe en neemt ook het bezit toe, in de vorm van een soort virtuele voorraad (nog te ontvangen goederen). De organisatie heeft nu het recht om spullen te krijgen, en heeft een schuld bij een leverancier.
2. Goederen ontvangen van de leverancier:
Op dit moment  nemen de echte voorraden toe en neemt de post nog te ontvangen goederen af. De organisatie heeft nu nieuw, fysiek bezit in de vorm van de ingekochte spullen.
3. Geld uitgeven aan de leverancier van de goederen: 
Op dit moment neemt de post crediteuren af en neemt ook de hoeveelheid liquide middelen af, meestal in de vorm van een toename van het rekening courantkrediet. De organisatie heeft nu geen schuld meer bij de leverancier. Zij heeft daadwerkelijk geld uitgegeven en daarmee de schuld bij de bank, het rekening-courantkrediet, toe te laten nemen.
De verkoop bestaat altijd uit 3 momenten
  1. Overeenstemming bereiken met klant: Op dit moment neemt de post debiteuren toe en neemt het eigen vermogen, in de vorm van omzet, toe. De organisatie realiseert een opbrengst en heeft een vordering op een klant.
  2. Goederen afgeven aan de klant: Op dit moment nemen de voorraden en het eigen vermogen af met de kosten van het geleverde. De organisatie realiseert nu een resultaat van de verkoop: omzet minus de kosten van de omzet.
  3. Geld ontvangen van de klant: Op dit moment neemt de post debiteuren af en neemt de hoeveelheid liquide middelen toe, meestal in de vorm van een vermindering van het rekening-courantkrediet. De organisatie heeft nu geen vordering meer op de klant. Zij heeft daadwerkelijk geld ontvangen en daarmee een deel van de schuld bij de bank, het rekening-courantkrediet, afgelost.
Matching - Principe
De kosten worden aan een periode toegewezen op basis van het matching-principe: Op welke periode hebben betreffende kosten betrekking? Het matching-principe is één van de fundamentele vereisten van de boekhouding. Het waarborgt dat er op ieder gewenst tijdstip een getrouw beeld van het resultaat ontstaat. Het principe houdt in dat de kosten zoveel mogelijk toegewezen worden aan de periode waarop ze betrekking hebben en waarin ook de tegenovergestelde opbrengsten geboekt worden.