Summary Beginselen van de democratische rechtsstaat : inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht

-
ISBN-10 9013023940 ISBN-13 9789013023947
2171 Flashcards & Notes
82 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Beginselen van de democratische rechtsstaat : inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht". The author(s) of the book is/are M C Burkens. The ISBN of the book is 9789013023947 or 9013023940. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Beginselen van de democratische rechtsstaat : inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht

  • 1 Het onderwerp van het staats en bestuursrecht

  • Organieke wetten, wil zeggen wetten totstandgekomen in opdracht van de Grondwet (bijv. Provinciewet, Gemeentewet, vereist door art. 132 Gw en Kieswet vereist door o.m. art. 59 GW.)
  • Een orgaan wordt ook genoemd ...?

    Ambt

  • Wat is een beschikking?

    Een besluit met betrekking tot  een individueel geval 

  • waar houdt het privaatrecht zich mee bezig?

    Het privaatrecht houdt zich voornamelijk bezig met de rechtsbetrekkingen tussen particulieren onderling

  • Wat is het essentiële onderscheid tussen het publiek- en het privaatrecht?

    Privaatrecht houdt zich voornamelijk bezig met de rechtsbetrekkingen tussen particulieren onderling.

    Het publiekrecht houdt zich bezig met de verhouding tussen overheid en burgers, en tussen overheidsinstanties onderling.

    Het staats- en bestuursrecht omvat dus formele en materiële rechtsnormen inzake het handelen van de overheid en de rechtsbetrekkingen van burgers ten opzichte van de overheid.

    Opmerking verdient dat de regels van het privaatrecht bij tijd en wijle van toepassing zijn op overheidsverbanden. Dat is vooral het geval indien de overheid optreedt in het privaatrechtelijk verkeer, als burgerrechtelijk rechtspersoon.


  • Wat is het onderwerp bij het staatsrecht?
    De primaire wijze hoe de Nederlandse staat is georganiseerd.
  • De rechtsorde wordt traditioneel ingedeeld in:
    - privaatrecht
    - staats- en bestuursrecht
    - strafrecht

    Elk van deze drie terreinen kan worden onderscheiden in een formeel en een materieel deel. Het formele deel betreft de procedurele normen en het materiële deel de inhoudelijke normen
  • Wat is het essentiële onderscheid tussen het publiek- en het privaatrecht?
    Privaatrecht houdt zich voornamelijk bezig met de rechtsbetrekkingen tussen particulieren onderling.
    Het publiekrecht houdt zich bezig met de verhouding tussen overheid en burgers, en tussen overheidsinstanties onderling.
    Het staats- en bestuursrecht omvat dus formele en materiële rechtsnormen inzake het handelen van de overheid en de rechtsbetrekkingen van burgers ten opzichte van de overheid.
    Opmerking verdient dat de regels van het privaatrecht bij tijd en wijle van toepassing zijn op overheidsverbanden. Dat is vooral het geval indien de overheid optreedt in het privaatrechtelijk verkeer, als burgerrechtelijk rechtspersoon.
  • Eenzijdige binding van eenzijdig bindende overheidsbesluiten houdt in dat de gelding van het besluit niet afhankelijk is van de instemming van hen tot wie het besluit is gericht; men is aan het besluit gehouden, of men nu wil of niet.
  • Waar houdt het publiekrecht zich mee bezig?

    Het strafrecht, staats- en bestuursrecht met verhouding overheid en burgers en tussen overheidsinstanties onderling

  • Wat is een planologische kernbeslissing?

    Een plan met betrekking tot  bepaalde aspecten  van het nationale ruimtelijke beleid

  • Welk verschil bestaat er globaal gesproken tussen het staats- en het bestuursrecht?

    Globaal kan worden gezegd dat het staatsrecht veeleer de grondslagen voor het optreden van overheidsorganen formuleert en de organisatie van de staat reguleert (instelling van ambten/organen, toekenning bevoegdheden en onderlinge verhouding ambten), terwijl het bestuursrecht regels geeft over de wijze waarop bevoegdheden door de overheid vooral in de richting van de burgers kunnen en mogen worden aangewend.

  • Wat is het onderwerp bij het bestuursrecht?
    De regels die aan de overheidsoptreden ten grondslag liggen.
  • Het privaatrecht houdt zich voornamelijk bezig met de rechtsbetrekkingen tussen particulieren onderling.

    Het publiekrecht gaat meer om de verhouding tussen overheid en burgers, en tussen overheidsinstanties onderling.

  • Staatsrecht gaat primair om de bestudering van de wijze waarop de Nedse staat is georganiseerd en bestuursrecht om de regels die aan allerhande vormen van overheidsoptreden ten grondslag liggen.
  • wat is het verschil tussen feitelijke handelingen en rechtshandelingen?

    Een feitelijke handeling is bijvoorbeeld het openbreken van de weg door overheid, rechtshandelingen kunnen van publiekrechtelijke dan wel privaatrechtelijke aard zijn.

  • Op welke beslissingen heeft het staats- en bestuursrecht betrekking en welke binding gaat ervan uit?

    Het gaat om publiekrechtelijke beslissingen met een eenzijdig bindend karakter. Die eenzijdige binding houdt in, dat de gelding van het besluit niet afhankelijk is van de instemming van hen tot wie het besluit is gericht. Die binding betreft veelal primair de burgers, als norm-geadresseerden, maar ook de overheid zelf wordt door haar besluiten gebonden, omdat veelal een overheidsorgaan tevens norm-geadresseerde is. 

  • Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat dat bestaat uit een...
    Constitutionele monarchie en een parlementair stelsel.
  • Het staats- en bestuursrecht omvat de formele en materiële rechtsnormen inzake het handelen van de overheid en de rechtsbetrekkingen van burgers ten opzichte van de overheid.
  • Nederland is gedecentraliseerde eenheidsstaat waarin een constitutionele monarchie en een parlementair stelsel aanwezig zijn. In huidige vorm dateert de Nedse staat uit begin van negentiende eeuw.
  • Wat is kenmerkend voor het handelen van de overheid?

    Het publiekrechtelijk handelen dmv eenzijdige bindende besluiten

  • Wat is het problematische karakter van bindende overheidsbeslissingen?

    Naarmate in complexe samenlevingen en onderlinge wisselwerking van burgers groter wordt, ontstaat ook een toenemende behoefte aan bindende regelingen met betrekking tot deze interactie.

    Naarmate besluiten meer maatschappelijk omstreden zijn, zal het des te noodzakelijker zijn deze besluiten te laten nemen door een orgaan, dat qua samenstelling en gedragslijn waarborgt dat volgens een zorgvuldige procedure alle opvattingen worden gehoord en tegen elkaar afgewogen.

    Alle eenzijdige bindende besluiten zijn problematisch. Eenzijdige binding houdt immers in, dat zij rechtsposities beheersen onafhankelijk van de vraag of betrokkenen daar individueel mee kunnen instemmen. Besluitvorming op grondslag van eenstemmigheid van alle betrokkenen vormt geen werkbaar mechanisme. Het zou betekenen dat iedereen zelfstandig de besluitvorming zou kunnen blokkeren. Dat leidt tot het niet-nemen van besluiten. Ook inschakeling van alle betrokkenen in de besluitvorming vormt in veel gevallen geen werkbaar stelsel. Het zou betekenen dat bij de totstandkoming van algemeen geldende gedragsregels alle burgers zouden moeten worden ingeschakeld. De belangrijkste oplossingsrichting blijkt te liggen in het staatsbestel dat we democratische rechtsstaat noemen. Die benaming geeft aan dat de belangrijkste grondslagen van ons bestel rechtsstaat en democratie zijn. Zowel langs de weg van rechtsstatelijke als langs de weg van democratische vereisten worden uitingen van overheidsgezag gelegitimeerd.

  • Wat is primair bij een rechtstaat?
    Dat het staat zelf aan de regels gebonden zijn.
  • Overheidshandelingen:

    - feitelijke handelingen

       bijv. het opbreken van een weg door de gemeentelijke overheid 

       teneinde leidingen te repareren.

    - rechtshandelingen

       deze kunnen van publiekrechtelijke dan wel van privaatrechtelijke aard

       zijn.

  • Met term rechtsstaat wordt geprobeerd aan te duiden dat de staat zelf gebonden is aan het recht.
  • Geef concrete voorbeelden van volken die zonder eigen statelijk verband leven.

    Welke problemen levert dit op?

    Er zijn verschillende voorbeelden van volken die het zonder eigen staat moeten stellen. Of omdat er een duidelijk gebied ontbreekt, of omdat zij daarover de soevereiniteit niet (kunnen) uitoefenen. Een markant voorbeeld zijn de Koerden die in een gebied leven dat behoort tot onder meer Turkije en Irak. Ook de Basken kunnen als voorbeeld worden aangehaald. De geschiedenis leert dat in die situaties waarin een hecht verbonden volk niet zelf het gezag uitoefent over een staat, sprake kan zijn van een gewapende strijd tegen de staat onder wiens gezag het betwiste gebied valt. De verbitterde strijd op het territoir van voormalig Joegoslavië geeft wel aan tot welke excessen dat kan leiden. In dit verband speelt het begrip natie een rol. Het mooiste is het als de geschiedenis

    heeft toegelaten dat natie en staat congruent zijn, maar dit is lang niet altijd het geval, hetgeen tot nationalisme, met alle eventuele uitwassen van dien kan leiden. Voorbeelden van naties die zonder al te veel problemen niet samenvallen met eigen staten zijn wellicht Schotland en Wales.

  • De meeste publiekrechtelijke rechtshandelingen hebben de vorm van besluiten die eenzijdig bindend worden opgelegd.

    Sommige publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn tweezijdig. Te denken valt aan het treffen van een gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten, of aan het sluiten van een verdrag. Daarnaast zijn de meeste privaatrechtelijke rechtshandelingen van de overheid tweezijdig.

  • Staatsrecht formuleert de grondslagen voor het optreden van overheidsorganen en reguleert de organisatie van de staat (instelling van ambten/ organen, toekenning bevoegdheden en onderlinge verhouding ambten), terwijl bestuursrecht regels geeft over wijze waarop bevoegdheden door de overheid vooral in richting van burgers kunnen en mogen worden aangewend.
  • Kenmerkend voor de overheid is het publiekrechtelijk handelen dmv eenzijdig bindende besluiten. Deze besluiten vormen dan ook het basismatriaal van het staats- en bestuursrecht. Daarbij betreft het staatsrecht voornamelijk de besluiten van de hoogste staatsorganen en de organisatorische structuur van de organen.

    Het bestuursrecht betreft daarentegen de besluiten van organen die zich op specifieke terreinen tot de burgers richten, alsmede de organisatorische structuur van specifieke organen.


    De organisatorische structuur van veel organen - ook wel ambten genoemd - waarmee het staatsrecht zich bezig houdt, zijn geregeld in de Grondwet of de zogenaamde organieke wetten.

  • Kenmerkende verschil tussen publiek- en privaatrecht ligt in voorwerp van regeling van desbetreffende rechtsnormen. Privaatrecht zijn normen bedoeld om verhouding tussen private (rechts)personen nader te bepalen; particulier belang is voorwerp van regeling. Publiekrecht omvat die regels die betrekking hebben op verhouding tussen 'de overheid' en de burgers, en die tussen (ambten van) overheden onderling; voorwerp van regeling is het algemeen belang.
  • Wat zijn organieke wetten?

    wetten totstandgekomen in opdracht van de Grondwet
  • Staatsrecht is institutioneel van karakter. Staatsrechtelijke beschouwingen worden primair de instelling, werkwijze en bevoegdheden van de organen van de staat beschreven. Bestudering van fundamentele normen die de positie van de burger tov de staat bepalen (de grondrechten) behoort ook tot vak staatsrecht.

    Tot bestuursrecht behoren regels die wijze waarop overheidsorganen burgers concreet tegemoet treden, bepalen. Gaat dan vooral om vraag hoe publiekrechtelijke bevoegdheden worden uitgeoefend.
  • Overheidsbesluiten:

    - algemeen verbindende voorschriften

    - beschikkingen

    - beleidsregels

    - plannen

    - vonnissen, arresten of uitspraken van geschillenbeslechters

  • Staat- en bestuursrecht of constitutioneel en administratief recht.
  • Typerend voor overheidsbesluiten is dat zij bindend zijn, in die zin dat de geadresseerden van die besluiten ergens toe verplicht worden of anderszins een verandering in hun rechtssituatie ondergaan, onafhankelijk van het antwoord op de vraag of zij daarmee instemmen.
  • Bestuursrecht is onderdeel van recht dat primair ziet op relatie tussen burger en overheid. Staatsrecht is onderdeel van recht dat betrekking heeft op organisatie, inrichting en bevoegdheden van staat en zijn organen (ambten).
  • Waarom is er behoefte aan bindende besluiten?

    omdat in elke menselijke gemeenschap een aantal voorzieningen dient te worden getroffen, die de gemeenschap als zodanig aangaan.
  • Gaat in staats- en bestuursrecht vooral om publiekrechtelijke beslissingen met eenzijdig bindend karakter. Binding die ervan uitgaat berust niet op wederzijdse instemming tussen overheid en burger(s) tot wie beslissingen zich richten. Integendeel: positie van de overheid veronderstelt dat ieder tot wie beslissing zich richt die beslissing ook respecteert.
  • Soevereiniteit, ultieme gezag.
  • In periode van soevereine vorstenstaatjes was vorst eerst en vooral plaatsvervanger van God op aarde. Soevereine vorst regeerde in Zijn naam en stond ook letterlijk boven de wet. Alle gezag lag in zijn handen en werd namens hem uitgeoefend. Wie het vorstelijk gezag betwistte maakte zich schuldig aan goddeloosheid; hem wachtte een zware straf.
  • Een Koninklijk Besluit is een beslissing genomen door de regering zonder medeweten van de Staten-Generaal (Tweede Kamer en Eerste Kamer). Wanneer het algemene regels bevat wordt er gesproken over een Groot KB of AMvB. Algemene regels mogen pas worden uitgevaardigd als de Raad van State om advies is gevraagd. Betreft het een besluit in een concreet geval, een Klein KB genoemd, dan hoeft de Raad van State niet te worden gehoord.
  • Wat is een ministeriële regeling (mr)?

    Een ministeriële regeling is een regeling, gemaakt door een minister, waarin de inhoud van een wet nader is uitgewerkt. Een ministeriële regeling wordt gemaakt zonder medewerking van de ministerraad, Raad van State en beide Kamers.

    Nadere uitwerking wet

    Een ministeriële regeling is een nadere uitwerking van een wet, omdat een wet niet alles tot in de details kan regelen. In de wet staat welke onderdelen later nog nader uitgewerkt mogen worden. Die uitwerking staat dan in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) of een ministeriële regeling.

    Verschil ministeriële regeling en AMvB

    Een ministeriële regeling en een AMvB zijn beide versnelde vormen van wetgeving omdat ze niet langs de Tweede en Eerste Kamer hoeven. Een verschil is, dat een AMvB wel in de ministerraad wordt besproken en advies van de Raad van State nodig heeft, en een ministeriële regeling niet. Een ministeriële regeling is dus sneller in te voeren dan een AMvB. Die snelheid is mogelijk omdat een ministeriële regeling vaak een verdere uitwerking van een AMvB is. 
    Daarnaast wordt een ministeriële regeling in de Staatscourant gepubliceerd en een AMvB in het Staatsblad.

    Traject ministeriële regeling

    Een ministeriële regeling  doorloopt het volgende traject:

    • ambtelijke voorbereiding op het ministerie;
    • publicatie in de Staatscourant;
    • inwerkingtreding.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Geef voor artikel 9 Gw het competentievoorschrift en het doelcriterium/de doelcriteria aan
In lid 1 staat dat het recht kan worden beperkt op grond van de wet. Er is geen sprake van de mogelijkheid tot delegatie (want de daartoe benodigde terminologie wordt niet gebruikt), dus wat betreft het competentievoorschrift geldt de formele wetgever als de enige instantie die beperkingen mag opleggen, waarbij geen doelcriteria worden gegeven. In lid 2 staat dat regels kunnen worden gesteld ter bescherming van de doelcriteria: de gezondheid, het verkeer en de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Omdat van ‘regels’ wordt gesproken is delegatie (aan de regering) mogelijk. Hier is dus sprake van een breder competentievoorschrift; daarentegen mag het recht slechts beperkt worden met een beroep op een of meer van de genoemde doelcriteria.
Leg uit wat met de term ‘doelcriteria’ wordt bedoeld in het geval van beperkingen van grondrechten.
Grondrechtenbeperkingen moeten strekken tot behartiging van een bepaald belang dat de beperkende overheid voor ogen staat; de doelcriteria geven aan wat dat belang is. Dat kan een algemeen belang zijn, zoals de voorkoming van wanordelijkheden in art. 6, lid 2, Gw (en art. 14, lid 1 en 3, Gw spreekt zelfs expliciet van ‘het algemeen belang’) of een specifiek belang, zoals de goede zeden, gericht op personen jonger dan 16 jaar, in art. 7, lid 2, Gw.
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.7.1
Waarom zijn er normen, zoals het verbod van foltering, die onder geen enkele voorwaarde kunnen worden beperkt?
Deze normen worden zo fundamenteel geacht dat deze niet mogen worden aangetast; men spreekt dan van zogeheten bodemnormen. Het is bijvoorbeeld voorstelbaar dat een overheid het strafrechtelijk mogelijk wil maken om verdachten te folteren om informatie over geplande terroristische aanslagen te verkrijgen, maar die mogelijkheid bestaat zelfs dan niet. De grens die in dit geval gerespecteerd moet worden ligt daar waar de lichamelijke integriteit wordt aangetast en pijn wordt toegebracht (art. 15 EVRM, lid 1, geeft aan dat in een algemene noodtoestand van verplichtingen op grond van het EVRM mag worden afgeweken, maar zondert daarvan – onder andere – art. 3, dat folteren verbiedt, uit in lid 2).
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.5
Zijn de in de Grondwet opgenomen grondrechten onaantastbaar als deze niet worden opgevat als natuurrechten?
Nee. Grondrechten hebben in dit geval geen bijzonder karakter. Deze zijn wel ‘verschanst’, hetgeen wil zeggen dat artikel 137 Gw aangeeft dat de Grondwet alleen kan worden gewijzigd met een 2/3 meerderheid in beide kamers (na een gewone meerderheid in de eerste lezing), maar wordt deze gekwalificeerde meerderheid behaald, dan kunnen de in de Grondwet opgenomen grondrechten beperkt en zelfs geschrapt worden. De grondrechten zijn ook opgenomen in internationale verdragen, zoals het EVRM (uitzonderingen zijn de onderwijsvrijheid en de rechten die voortvloeien uit het censuurverbod; zie daarvoor Beginselen H7, par. 7.4). Deze verdragen zouden, om de grondrechten aan te kunnen tasten, moeten worden opgezegd, wat niet onmogelijk is, maar (op dit moment) geen waarschijnlijk scenario is.
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.2
Zijn de in de Grondwet opgenomen grondrechten onaantastbaar als deze worden opgevat als natuurrechten?
Ja. Natuurrechten zijn rechten die de mens van nature toekomen, ongeacht of deze al dan niet zijn gepositiveerd (dat wil zeggen, door de wetgever in de wet zijn vastgelegd). Het opnemen van deze rechten in de grondwet is niet meer dan een erkenning van het bestaan van deze rechten (en een bevestiging door de grondwetgever dat de overheid niet in strijd met deze rechten zal handelen).
Vindplaats: Beg. H6
Geef het voornaamste verschil aan tussen grondrechten zoals John Locke deze verdedigt en rechten zoals deze voortvloeien uit de totstandkoming van de Magna Carta.
In het geval van de Magna Carta was sprake van een verdrag tussen de koning en zijn vazallen, waarbij hun een aantal rechten werd toegekend. Deze rechten kwamen, met andere woorden, tot stand op grond van het verdrag. John Locke stelt dat ‘eenieder’ (ieder mens) van nature over bepaalde rechten beschikt, dus ongeacht van een verdrag dat men sluit. Het verschil ligt er dan ook in dat eenieder (en niet slechts verdragspartijen) over grondrechten beschikt. Hiermee hangt nauw samen dat grondrechten verondersteld worden onvervreemdbaar te zijn, dit in tegenstelling tot overeengekomen rechten, die kunnen vervallen als het verdrag wordt opgezegd.
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.1 en 6.2
Waarin verschilde de regeling die in 1887 in de Grondwet werd opgenomen met betrekking tot de zelfstandige regelgevende bevoegdheid van de regering ten opzichte van de uitspraak van de Hoge Raad daaromtrent in het Meerenberg-arrest?
In het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad dat de regering geen algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar dat zij daartoe enkel bevoegd was op grond van hetzij een specifieke delegerende wet, hetzij op grond van een uitdrukkelijke grondwetsbepaling. In de grondwetsherziening van 1887 werd daarentegen wel erkend dat de regering een algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar voor de handhaving daarvan door straffen was een (specifieke) wettelijke grondslag nodig en die straffen dienden ook door de wet te worden geregeld. Deze oplossing lijkt sterk op het huidige regime van art. 89 Grondwet.
Vindplaats: Beg. H4, par. 4.4.4.2; readertekst 17 en 18
Wat was de betekenis van het Meerenberg-arrest (13 januari 1879) voor de reikwijdte van het optreden van de Koning en zijn ministers?
Het Meerenberg-arrest is vooral van belang omdat de Hoge Raad laat zien dat het regelstellende optreden van de regering zich dient te begeven binnen de contouren van het grondwettelijk stelsel. Ten tijde van het Meerenberg-arrest ontbrak in de Grondwet een bepaling als ons huidige artikel 89 Grondwet. De Hoge Raad weerlegde de stelling van de regering dat deze zou beschikken over een algemene bevoegdheid tot het uitvaardigen van AMvB’s, ook wanneer deze maatregelen niet steunden op een wet. Welke bevoegdheid de regering dan wel heeft, diende te worden opgemaakt uit het stelsel van de Grondwet. Dit stelsel ging volgens de Hoge Raad niet uit van een in beginsel onbeperkte bevoegdheid van de regering. Het uitgangspunt was volgens de Hoge Raad veeleer dat de regering slechts bevoegdheden bezit die haar uitdrukkelijk door de Grondwet zijn toegekend of die berusten op enige delegatie door de wetgever aan de regering als uitvoerende macht. Ook aan de Blanketwet van 1818 kon de regering geen onbeperkte en algemene bevoegdheid ontlenen om algemene maatregelen (ook zonder specifieke wettelijke grondslag) uit te vaardigen.
Vindplaats: Beg. H4, par. 4.4.4.2; readertekst 17 en 18
Tot welk oordeel kwam de Hoge Raad in het Jamin-arrest (HR 25 januari 1926, NJ 1926) over het optreden van de Hoofdinspecteur van de Arbeid?
De Hoge Raad sprak een oordeel uit over de (nadere) voorschriften die de Hoofdinspecteur had gesteld met betrekking tot de verwarming van winkels waarin vrouwelijk personeel arbeid verrichtte. De Arbeidswet liet aan de regering de mogelijkheid over om nadere regels uit te vaardigen op het terrein van arbeidsomstandigheden (‘delegatie’ van regelgevende bevoegdheid door de wetgever in formele zin aan de regering). Uit de tekst van de Arbeidswet (‘bij algemeenen maatregel van bestuur’) moest worden opgemaakt dat de wetgever het verder doorgeven, het subdelegeren, van regelgevende bevoegdheid (door de regering) niet wenste toe te staan.

De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de voorschriften die de Hoofdinspecteur had uitgevaardigd een regelgevend karakter droegen en niet als uitvoeringsmaatregelen konden worden gezien. Aangezien de wetgever alleen aan de regering een regelgevende bevoegdheid had verstrekt, was hier derhalve sprake van onbevoegd en derhalve verboden regelgevend optreden. De eisen die de Hoofdinspecteur had gesteld waren derhalve niet geldig. Overtreding ervan was derhalve ook niet strafbaar.

Vindplaats: Beg. H4, par. 4.4.3.3
Maakt de in de Grondwet gehanteerde delegatieterminologie het mogelijk dat het recht tot vereniging, dat verankerd is in artikel 8 Grondwet, door de regering in een algemene maatregel van bestuur aan beperkingen onderhevig wordt gemaakt?
De systematiek waarlangs grondwettelijk kan worden bepaald of delegatie mogelijk is, is vrij overzichtelijk. Indien één of andere vorm van het woord ‘regelen’ wordt gebruikt dan is delegatie toegestaan. Dit geldt evenzeer als de zinsnede ‘bij of krachtens’ wordt gebruikt. Toegepast op het bepaalde in artikel 8 Grondwet moeten we tot de conclusie komen dat de wetgever hier bedoeld heeft beperkingen op het recht van vereniging in eigen hand te houden. Alleen in een formele wet kunnen aan de uitoefening van dit grondrecht beperkingen worden gesteld.
Vindplaats: Beg. H4, par. 4.4.3.2