Summary Begrippen IDA

-
223 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Begrippen IDA

  • 1 Begrippen IDA

  • Afhankelijke variabele
    Variabele in een onderzoek waarvan de onderzoeker verwacht dat deze (deels) wordt bepaald door de onafhankelijke variabele. In experimenteel onderzoek is dit effect causaal. In observationeel onderzoek kan over causaliteit niks gezegd worden: het is dan mogelijk dat de afhankelijke variabele de onafhankelijke variabele veroorzaakt.
  • Alpha
    In de Nulhypothese-significantie toetsing is de alpha  of het significantieniveau de kritieke p-waarde. Dit betekent dat als de kans op een gegeven uitkomst onder aanname dat de nulhypothese klopt (de p-waarde) lager is dan deze alpha, de nulhypothese wordt verworpen. Meestal is de alpha .05 (5%), maar onderzoekers kiezen dit zelf voordat ze de studie uitvoeren, en zijn vrij om een andere waarde te kiezen als ze dit kunnen onderbouwen.
  • Anker
    Schaaluiteinde: bij een zevenpuntsschaal waarbij de antwoord opties 'Zeer onprettig', 'Onprettig', 'Een beetje onprettig', 'Neutraal', 'Een beetje prettig', 'Prettig' en 'Zeer prettig' zijn, zijn de ankers 'Zeer onprettig' en 'Zeer prettig'.
  • Aselecte steekproef
    Een steekproef waarbij elk lid van de populatie evenveel kans maakt om geselecteerd te worden. Als een steekproef aselect is, is het mogelijk om te generaliseren van de steekproef naar de populatie.
  • Attritie
    Uitval van onderzoekseenheden (meestal deelnemers) tussen de verschillende meetmomenten in een longitudale studie.
  • Beschrijvingsmaten
    Getallen die kenmerken van een datareeks en dus van een variabele beschrijven: de centrummaten, spreidingsmaten en verdelingsmaten.
  • Betrouwbaarheid
    De mate waarin een operationalisatie bij herhaling dezelfde uitkomsten geeft. Betrouwaarheid is het omgekeerde van toeval, steekproeffout en meetfout: als een meetinstrument bijvoorbeeld elke keer een andere uitkomst geeft terwijl dat wat gemeten wordt stabiel blijft, is het een erg onbetrouwbaar meetinstrument. Samen met validiteit bepaald betrouwbaarheid de kwaliteit van een operationalisatie.
  • Betrouwbaarheidinterval
    Een interval om een schatter heen dat in een gegeven percentage van de steekproeven de betreffende populatiewaarde bevat. Voor een 95% betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde geldt dat dat interval bij 95% van de steekproeven het populatiegemiddelde bevat. De 'betrouwbaarheid' van het betrouwbaarheidsinterval drukt vertrouwen uit in het principe van het betrouwbaarheidinterval over oneindige herhalingen, en zegt dus niets over de betrouwbaarheid van één enkel interval. Betrouwbaarheidintervallen geven een duidelijke indicatie de inschatting van een mogelijke schatter en hoe accuraat die schatting is. De breedte hangt af van het betrouwbaarheidspercentage en de standaardfout.
  • Bias
    Een verstoring/vertekening van een variabele of proces. Mensen zijn niet goed in introspectie door hun biases. Biases komen ook voor in onderzoek: als een variabele gebiased is, is de validiteit aangetast. Confounders leiden ook tot bias in een studie.
  • Bimodale verdeling
    Een verdeling met twee toppen.
  • Bivariate analyse
    Een analyse waarbij het verband tussen twee variabelen wordt geanalyseerd, zoals de correlatie, Cohen's d- en t-toets en eenweg-variantieanalyse.
  • Bivariate correlatie
    De correlatie tussen twee variabelen. Regressieanalyse kan worden opgevat als een multivariate correlatieanalyse, omdat er meer dan twee variabelen bij zijn betrokken. Als er in een regressieanalyse maar één voorspeller is (altijd binnen IDA cursus), dan is de gestandaardiseerde regressiecoëfficiënt van die voorspeller altijd gelijk aan de bivariate correlatiesoëfficiënt.
  • Boxplot
    Een grafiek waarin het minimum, het eerste kwartiel, de mediaan, het derde kwartiel en het maximum van een datareeks worden geplot. Bovendien worden de mogelijke outliers apart aangegeven met stipjes.
  • Categorische variabele
    Een variabele op het nominale of ordinale meetniveau.
  • Causaliteit
    Causaliteit of oorzakelijkheid is de wet van oorzaak en gevolg. In wetenschappelijk onderzoekis men meestal niet alleen geïnteresseerd in de samenhang tussen twee variabelen, maar is het juist interessant om uit te vinden of de ene variabele de andere veroorzaakt. Als de ene variabele de andere veroorzaakt, heet dat causaal verband. Alleen samenhang tussen twee variabelen waarvan er één gemanipuleerd is kan informatie geven over causaliteit: dus alleen binnen een experimenteel design.
  • Centreren
    Een transformatie waarbij van elk datapunt een centrummaat (meestal het gemiddelde, heel soms de mediaan) wordt afgetrokken. Het gemiddelde van de resulterende datareeks is dan gelijk aan 0. Centreren is de eerste stap bij standaardisatie van een variabele.
  • Centrummaat
    Getallen die een indicatie geven van de centrale tendentie van een datareeks (en dus variabele), oftewel, waar de meeste datapunten in de datareeks zich bevinden. In IDA hebben we het over het gemiddelde, de mediaan en de modus.
  • Centrale limietstelling
    Het fenomeen dat de steekproevenverdeling van gemiddelden altijd normaal verdeeld is, tenzij de steekproef uitzonderlijk klein is (underpowered studies).
  • Cohen's d
    Een effectgrootte die wordt gebruikt om het verschil tussen twee gemiddelden uit te drukken op een manier die onafhankelijk is van de schaal waarop de afhankelijke variabale is gemeten. Cohen's d is gedefinieerd als het verschil tussen twee gemiddelden gedeeld door de standaarddeviatie. Deze kwalitatieve labels worden gebruikt om Cohen's d waarden te duiden:
    - Triviaal: tussen -.2 en .2
    - Klein/zwak: tussen -.2 en -.5 of tussen .2 en .5
    - Middelgroot/middelsterk: tussen -.5 en -.8 of tussen .5 en .8
    - Groot/sterk: tussen -.8 en -1.3 of tussen .8 en 1.3
    - Zeer groot/zeer sterk: kleiner dan -1.3 of groter dan 1.3
  • Cohen's d-verdeling
    Het gestandaardiseerde verschil tussen twee gemiddelden. De Cohen's d die wordt berekend in een steekproef is per definitie afkomstig uit deze verdeling. De steekproevenverdeling kan worden gebruikt om de kans op een gegeven d te berekenen onder aanname dat de nulhypothese klopt (de p-waarde).
  • Confirmatie
    Confirmatie is het bevestigen van een hypothese. In de wetenschap kan iets nooit worden bewezen, maar er kan wel sterke evidentie worden gevonden dat een bepaalde hypothese klopt. Dit heet confirmatie. Het omgekeerde is falsificatie.
  • Confounder
    Een confounder is een verstorende variabele. Als een onderzoeker een uitspraak wil doen over een verband tussen twee variabelen, vooral over een causaal verband, moeten alle confounders zijn uitgeschakeld. Dit kan alleen door middel van een experiment. Als een experimenteel design niet mogelijk is, kan een onderzoeker proberen in kaart te brengen wat mogelijke confounders zijn, en die meten, zodat ervoor gecorrigeerd kan worden in de analyses. Echter, het is niet mogelijk uit te sluiten dat er nog onbekende confounders resteren. Uitspraken over causaliteit vereisen daarom altijd een experimenteel design.
  • Conditie
    De waarde van een variabele die in een manipulatie. Als bijvoorbeeld “blootstelling aan geweld in de media” wordt gemanipuleerd zoals in het klassieke experiment van Bandura met de Bobo-doll, kan die variabele twee waarden hebben: “geen blootstelling” en “wel blootstelling”. Elk van deze waarden correspondeert vervolgens met een conditie in de manipulatie die de operationalisatie van die variabele is.
  • Construct
    Een construct is een psychologische variabele zoals die is gedefinieerd in een theorie.
  • Contentvaliditeit
    Vroeger dacht men dat er verschillende typen validiteit bestonden. Contentvaliditeit was een van die typen, en had betrekking op de mate waarin de inhoud van een operationalisatie overeenkwam met de inhoud van het te meten of te manipuleren construct. Inmiddels wordt validiteit als een unitair construct gezien: het idee dat er verschillende typen zouden bestaan is in 1999 achterhaald in de Standards for Educational and Psychological Testing van de American Educational Research Association, de American Psychological Association, en de National Council on Measurement in Education. In plaats daarvan wordt gesteld dat contentvaliditeit eerder is te beschouwen als een perspectief op validiteit, of een raam waardoor naar de validiteit van een operationalisatie gekeken kan worden.
  • Continue variabele
    Een variabele op het interval of ratiomeetniveau.
  • Controleconditie
    In een experiment is een controleconditie een conditie waarin er geen manipulatie plaatsvindt. De inhoud van de controleconditie wordt daarom zo vastgesteld dat deze is gematched met de experimentele condities, in alle aspecten behalve de te manipuleren onafhankelijke variabele(n).
  • Correlatieanalyse
    De analysetechniek waarmee de correlatiecoëfficiënt wordt berekend.
  • Correlatie, correlatiecoëfficiënt
    Een maat voor samenhang tussen twee continue variabelen. Als over correlatie in het algemeen wordt gesproken, wordt meestal Pearson’s correlatie bedoeld, gesymboliseerd door r r, en berekend door de covariantie van twee variabelen te delen door het product van hun standaarddeviaties. Omdat de standaarddeviaties afhankelijk zijn van de schaal waarop een variabele is gemeten, betekent dit dat de covariantie wordt gecorrigeerd voor de schaal waarop beide variabelen zijn gemeten. De correlatie loopt daarom altijd van -1 (een volledig negatief verband) via 0 (volledige onafhankelijkheid) naar 1 (een volledig positief verband). Het kwadraat van de correlatie geeft weer hoeveel procent van elkaars variantie de twee variabelen delen. Een correlatie van .4 correspondeert dus met een middelsterk effect, waarbij de variabelen 20% van elkaars variantie verklaren. De variantie van elke variabele is dan vijf keer zo groot als de covariantie (de gedeelde variantie). De correlatie is ook een effectmaat, met de volgende tentatieve kwalitatieve labels:
    • Triviaal: tussen -.1 en .1
    • Klein / zwak: tussen -.1 en -.3 of tussen .1 en .3
    • Middelgroot / middelsterk: tussen -.3 en -.5 of tussen .3 en .5
    • Groot / sterk: tussen -.5 en -.7 of tussen .5 en .7
    • Zeer groot / zeer sterk: kleiner dan -.7 of groter dan .7
  • Correlatiematrix
    Een tabel met in de rijen en kolommen variabelen, en in de cellen dan de correlatie tussen die twee variabelen. Correlatiematrices zijn vaak symmetrisch, met dezelfde variabelen in de rijen en de kolommen.
  • Covariantie
    Covariantie is dat deel van de variantie dat een variabele deelt met een andere variabele. De covariantie kan worden gestandaardiseerd door deze te delen door het product van de standaarddeviaties van beide variabelen. Hiermee wordt gecorrigeerd voor de meetschalen van beide variabelen, waardoor de resulterende gestandaardiseerde covariantie te vergelijken is tussen studies. Dit heet de correlatie.
  • Covariaat
    Covariaat kan twee betekenissen hebben. Binnen deze cursus wordt vooral de betekenis gebruikt van onafhankelijke variabele in de context van regressie-analyse (de afhankelijke variabele wordt dan vaak het criterium genoemd). Een covariaat kan ook een variabele zijn die wordt meegenomen in een meerweg (multivariate) variantie-analyse om te corrigeren voor een variabele op intervalniveau.
  • Criterium
    Binnen de context van regressie-analyse wordt criterium wel gebruikt om de afhankelijke variabelen aan te duiden. De onafhankelijke variabelen worden dan van covariaten genoemd.
  • Crossectioneel onderzoek
    In een crosssectionele studie is er maar één meetmoment; alle data wordt dus min of meer gelijktijdig verzameld, dus in dezelfde sessie, zonder dat er noemenswaardig veel tijd verstrijkt tussen de metingen.
  • Curvilineair
    Als twee variabelen een curvilineair verband vertonen, is de toe- of afname in de ene variabele wel systematisch, maar niet evenredig afhankelijk van de toe- of afname in de andere variabele. Als twee variabelen wel samenhangen, maar geen lineairverband vertonen, is er vaak sprake van een curvilineair verband. Exponentiële verbanden zijn bijvoorbeeld curvilineair.
  • Data
    Een verzameling van één of meerdere datapunten, meestal getallen, die zijn verzameld bij een of meerdere onderzoekseenheden, meestal deelnemers.
  • Datafile
    een electronisch bestand waar meerdere datapunten in zijn opgeslagen, meestal zodanig geordend dat elke kolom correspondeert met een variabele en elke rij met een onderzoekseenheid (meestal een deelnemer). Spreadsheets, zoals in LibreOffice Calc of Microsoft Excel, zijn vaak vergelijkbaar met datafiles: grote tabellen met getallen en letters.
  • Data-integriteit
    Data-integriteit betreft de mate waarin de data correct zijn geregistreerd. Bedreigingen voor de data-integriteit zijn bijvoorbeeld verkeerd ingevoerde vragenlijsten of outliers.
  • Datamanagement plan
    In dit plan leggen onderzoekers uit hoe ze de data en metadata in hun onderzoek opslaan en verwerken.
  • Datapunt
    Een klein stukje data dat het gevolg is van meting of manipulatie van een variabele. Dit kan een getal zijn, zoals een score van 6.3 op extraversie of een score van 8.2 op zelfvertrouwen, of een categorie, zoals “blauw” als lievelingskleur, “universitair” als opleidingsniveau, of “zonder beloning” voor een manipulatie. Elke deelnemer in een studie levert meestal minimaal twee, maar vaak veel meer datapunten. Een combinatie van datapunten van dezelfde operationalisatie heet een datareeks en representeert vaak een variabele. In statistische software worden datapunten meestal geordend in tabellen, waarbij deelnemers de rijen bepalen, datareeksen de kolommen (die daarom ook variabelen worden genoemd), en elke cel een datapunt bevat.
  • Datareeks
    Een datareeks is een verzameling van een of meerdere datapunten van dezelfde operationalisatie.
  • Deciel
    De decielen zijn de kwantielen die samen een datareeks in 10 10 gelijke delen splitsen. Een deciel is een punt uit een datareeks waar precies een tiental percentages van de datareeks onder valt. Het tweede deciel is die waarde waar 20% 20% van de datapunten in een datareeks onder valt. Het vijfde deciel is die waarde waar 50% 50% van de datapunten in een datareeks onder valt, oftewel, de mediaan. Zie ook percentielen.
  • Dichotome variabele (binaire variabele)
    Een dichotome variabele of operationalisatie kan slechts twee mogelijke meetwaarden aannemen. Deze kan daardoor zowel als nominale, ordinale, of *interval-**variabele* worden gezien, en kan dus als categorisch of continue worden opgevat. Omdat er maar twee mogelijke waarden zijn, maakt het voor statistische analyses immers niet uit hoe deze twee waarden ten opzichte van elkaar worden geordend. Bovendien is er maar één interval tussen de twee waarden: alle intervallen tussen opeenvolgende meetwaarden zijn dus altijd even groot (want dat is er maar eentje). Hoewel dichotome variabelen dus erg veelzijdig zijn, hebben ze ook het minste power.
  • Dip test
    Een analyse om te bepalen of de verdeling van een datareeks (en dus variabele) eentoppig is of multimodaal.
  • Discrete variabele
    Een discrete variabele is een ander woord voor een categorische variabele.
  • Doelgroep
    Een doelgroep is een subpopulatie waar een onderzoek of ander project zich op richt.
  • Doelstelling
    De doelstelling van een onderzoek betreft het uiteindelijke doel. Natuurlijk is het primaire doel van een studie om de relevante onderzoeksvraag of -vragen te beantwoorden, maar om toestemming te krijgen van de ethische commissie moet die onderzoeksvraag- of onderzoeksvragen ook ergens toe leiden. Iets onderzoeken omdat het nu eenmaal wel grappig lijkt is immers niet noodzakelijk een verstandige besteding van de schaarse onderzoeksmiddelen. Doelstellingen van onderzoek verschillen soms per veld: onderwijskwaliteit verbeteren is een algemeen geaccepteerde uiteindelijke doelstelling in de onderwijswetenschappen, productiviteit verhogen in de arbeids- en organisatiepsychologie, en gezondheid en welzijn verhogen in de gezondheids- en klinische psychologie. Doelstellingen zijn meestal specifiekere versies van dit soort uiteindelijke ‘globale doelstellingen’. Uit de doelstelling van een onderzoek volgt een of meerdere onderzoeksvragen.
  • Dubbel blinderen
    Er is sprake van dubbele blindering als zowel de deelnemers als de onderzoekers (proefleiders) niet weten welke condities worden onderzocht, in welke conditie ze zitten, en/of welke theoretische verwachtingen er zijn over condities. Dubbele blindering is een manier om invloed van verwachtingen te minimaliseren (of liefst voorkomen).
  • Editorial
    Een editorial is een wetenschappelijk artikel dat meestal in één van drie categoriën valt. Het is vaak ofwel een artikel waarin de editors (redacteuren) van een journal nieuw beleid van het journal introduceren, ofwel een artikel waarin de editors een issue (editie) of sectie van een journal toelichten dat bijvoorbeeld rondom een specifiek onderwerp is samengesteld, ofwel een opiniestuk waarin de schrijvers een punt beargumenteren.
  • Ééntoppige verdeling
    Een verdeling met één top.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Zuivere schatter
Een zuivere schatter is een schatter waarvan de verwachtingswaarde gelijk is aan de waarde van de betreffende maat in de populatie. Als een valide meetinstrument wordt gebruikt, is het steekproefgemiddelde bijvoorbeeld een zuivere schatter voor het populatiegemiddelde.
z-verdeling
De standaardnormaleverdeling.
z-score
Een datapunt uitgedrukt in het aantal standaarddeviaties dat dat datapunt van het gemiddelde af ligt. Als een deelnemer bijvoorbeeld een score van 8 heeft op extraversie, en de gemiddelde extraversie is 5, en de standaarddeviatie is 2, dan is de z-score van die deelnemer:
Als een variabele wordt gestandaardiseerd, betekent dat dat elke score wordt omgezet naar de corresponderende z z-score.
y-as
De verticale as in een plot.
y
De letter waarmee in formules meestal de afhankelijke variabele wordt aangeduid.
x-as
De horizontale as in een plot.
x
De letter waarmee in formules meestal de onafhankelijke variabele wordt aangeduid.
Vrijheidsgraden
Het aantal vrijheidsgraden van een datareeks is het aantal datapunten - 1 (n−1 n−1). Vrijheidsgraden drukken uit hoeveel van de datapunten ‘vrij’ kunnen veranderen zonder het gemiddelde van de datareeks te veranderen. De datareeks 1, 2, 3, en 4 heeft 3 vrijheidsgraden, omdat als er drie datapunten worden veranderd, daardoor het vierde datapunt noodzakelijkerwijs vast ligt, omdat het gemiddelde anders zou veranderen. 
Stel dat we de eerste drie getallen veranderen. We zetten ze bijvoorbeeld alle drie op 0. De datareeks wordt dan 0, 0, 0, ? - want dat laatste datapunt moeten we nog kiezen. Als we nu een ander datapunt kiezen dan 4∗(2.5+0+0+0)=10 4∗(2.5+0+0+0)=10, verandert ons gemiddelde, en verandert onze hele datareeks dus in essentie. De individuele datapunten in een datareeks zijn meestal immers niet van belang: die variëren sowieso door steekproeffout en meetfout. De vrijheidsgraden geven aan hoeveel van deze datapunten we ook echt vrij kunnen veranderen zonder de essentie van de datareeks aan te tasten.
Voorspeller
De term ‘voorspeller’ wordt vaak gebruikt als synoniem voor een onafhankelijke variabele, vooral in de context van regressieanalyse. Voorspeller wordt soms echter ook iets breder gebruikt, namelijk voor een variabele waaruit een andere variabele voorspeld kan worden. Een afhankelijke variabele kan dus ook een voorspeller zijn van een onafhankeijke variabele, en in een studie waarin de onafhankelijke variabele niet is gemanipuleerd is er geen implicatie dat een voorspeller ook een causaal effect heeft op de afhankelijke variabele.
Verwerpen
Binnen de nulhypothese significantietoetsing (NHST) wordt de nulhypothese verworpen als de p p-waarde die correspondeert met de betreffende effectgrootte lager is dan het vooraf vastgestelde significantieniveau. Dit betekent dat er wordt geconcludeerd dat de nulhypothese niet klopt, wat meestal betekent dat er wordt aangenomen dat er een verband bestaat in de populatie. Om iets zinnigs te zeggen over dat verband moet er eerst een betrouwbaarheidsinterval worden berekend; verwerping van de nulhypothese is dus in zichzelf niet interessant of informatief. Het is belangrijk om te beseffen dat binnen een NHST-kader uitsluitend de nulhypothese eventueel kan worden verworpen. Een alternatieve hypothese, bijvoorbeeld dat er wel een verband bestaat, kan nooit worden verworpen, zelfs niet als de p p-waarde veel groter is dan het significantieniveau. Dit komt omdat de alternatieve hypothese niet wordt getoetst.