Summary Behandeling

-
245 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Behandeling

  • 1 Hoofdstuk 1-3 Methoden en Technieken

  • Skinner
    (Kinder)gedragsproblemen kunnen niet los gezien worden van omgevingsinvloeden. Daarom moet therapeut de directe omgeving (ouders) altijd bij assistent en interventie betrekken. 
    - Operant conditioneren 
  • Wat voor gedrag moet aanwezig zijn om operante techniek toe te passen?
    1. Al het gedrag is voorspelbaar
    2. Instrumenteel gedrag (gedrag dat invloed heeft op de omgeving) kan niet los worden gezien van omgevingsinvloeden
    3. Er is in de klinische praktijk altijd sprake van wisselwerking tussen 'probleemkind' en zijn directe omgeving
  • Functionele gedragsanalyse voordat operante technieken uitgevoerd kunnen worden
    Simpelste in ABC schema (Antecedent, Behavior, Consequenties
  • Toename van gedrag
    Bekrachtiging = sleutelelement
    1. Positieve bekrachtiging is het proces waarbij gedrag toeneemt wanneer het onmiddellijke gevolg vh gedrag prettig of aangenaam is bij het 'ontvangen' van bijvoorbeeld een prijs of beloning. Er wordt een aversieve stimulus toegevoegd. (Extrinsieke bekrachtiging, materieel, werkt het best bij vastgelopen opvoedingssituaties)
    2. Bij negatieve bekrachtiging  wordt er iets aangenaams weggehaald, wat een prettig gevolg heeft. 
  • Token economy procedure
    (TE/puntensysteem) Het kind weet precies voor welk gedrag hij punten kan verdienen. De behaalde punten (secundaire bekrachtigers) kunnen worden ingewisseld voor iets materieels (back-up-versterkers).
    Effectiviteit hoogst wanneer: elke dag punten worden ingewisseld +evaluatie 

    Rekening houden met: sommige kinderen kunnen beter omgaan met beloningen op lange termijn, sommige op korte termijn.

    1. Je kiest het gedrag
    2. Je maakt tokens (geld, stickers, punten, tickets, sterren)
    3. Maak het visueel  (een folder, stickerblaadje,)
    4. Kies de bekrachtigend (computertijd, vrije tijd, snacks) 
    5. Aantal tokens die ingeleverd worden om de bekrachtiging te innen. 
  • Shaping (differentiële bekrachtiging)

    Ook wel successieve approximatie van doelgedrag- Stapsgewijs nieuw gedrag aanleren
    - Gedragingen die het doelgedrag benaderen worden bekrachtigd (approximatie), en gedragingen die er niet op lijken worden genegeerd (uitdoving)
  • Chaining
    - Gedrag wordt opgesplitst in kleine stukjes (gedragsschakels) 
    - De schakels worden aangeleerd tot het gedrag 1 geheel kan worden 
    - Aankleden, tanden poetsen (voornamelijk gebruikt bij kinderen met verst. beperking)
    - Beginnen bij laatste schakel omdat die onmiddellijke bekrachtiging waarde heeft. 
  • Stimuluscontrole/discriminatieleren
    Het kind met leren dat bepaald gedrag in sommige situaties wel gewenst kan zijn en in sommige niet. Dus ouders moeten bekrachtigen maar soms in andere contexten datzelfde gedrag negeren. Het duidelijk aangeven van instructies aan kinderen is ook een vorm van stimuluscontrole
  • Uitdoving/negeren
    Gedrag neemt af door het achterwege laten van bekrachtiging. Het werkt het beste als daarbij bekrachtiging van het gewenste gedrag plaatsvindt. 
    - Moeilijk voor ouders omdat: eerst vaak het probleemgedrag toeneemt, is dus minder snel effect. Ontspanningstechnieken kunnen ouders aanleren. 
    -  Als uitdoven gecombineerd wordt met bekrachtiging zijn wel goede resultaten te bereiken. 
    - Geen geschikte methode bij gevaarlijk. gedrag  
  • Over-correctie
    - Bij ongewenst gedrag wordt de situatie gelijk hersteld door aan te geven hoe het gewenste gedrag vertoont moet worden . Bijvoorbeeld: bij het afpakken van speelgoed aangeven dat je het moet vragen. 
    - Werkt het beste in combinatie met positief bekrachtigen
    - Kind leert om gewenst gedrag van ongewenst gedrag te onderscheiden. 
  • Response cost (RC)
    - Boete --> privileges, beloningen inhouden
    - Niet effectief: vaak gebruikt als dreiging, wat problematisch gedrag kan verergeren omdat ouders geen grenzen stellen
    - Wel effectief: Als ouders iets kiezen waar ze controle over hebben (zodat ze het leuks ook echt weg kunnen halen), de tijdsduur beperkt is (zodat ze het vol kunnen houden) en het direct volgt op het ongewenste gedrag  
  • Time out
    Meest aversieve (vermijdend) vorm van straf. 
    Effectiviteit neemt toe als
    - Het van te voren wordt uitgelegd en afgesproken met kind. 
    - Er een afzonderingsruimtes waar geen bekrachtiging vh gedrag plaatsvindt
    - De time out snel volgt op een ongewenste gedraging
    - De time out zsm consistent mogelijk wordt toegepast
    - de time out zo kort mogelijk duurt

    Het kind wordt contingent en consequent uit de bekrachtigende situatie verwijderd, volgend op het probleemgedrag. Alle aandacht wordt teniet gedaan. 
  • Contingency contracting
    Een contract tussen opvoeder en kind (er moet onderhandeling plaatsvinden). Alleen toepassen wanneer kind oud genoeg is. 


    Zaken die worden vastgelegd:
    - Doelen voor elkaar  (concreet en observeerbaar)
    - Beide moeten bereid zijn te compromissen
    - Positief reageren op gedrag. Bij gebruik van puntensysteem vastleggen wanneer en hoe punten te verdienen. 
  • Mediatietherapie
    - Behandelvorm waarbij opvoeders rechtstreeks bij de behandeling worden ingeschakeld. 
    - De mediator ontvangt instructies om het gedrag van het kind in de gewenste richting te veranderen. 
    - De eerste interventie bij externaliserend problematiek
    - Rollenspel is belangrijk (ouders hebben mogelijkheid om in een veilige omgeving te leren)
    - Weerstand vanuit ouders omdat het vaak tijd en energie kost. Weerstand is een teken van beweging
  • Triadisch werkmodel
     Tot aan de puberteit is mediatietherapie vanzelfsprekend. 

    Tharp en Wetzel zien het meer als consultatieve triade omdat de mediator instructies ontvangt van consultant om het gedrag van het kind te veranderen in de gewenste richting. Een voorwaarde van deze interventie is dus op gedragsverandering van de mediatoren (assumptie is dat ouders onbedoeld door hun eigen opvoedgedrag problemen bij kinderen versterken)
  • Classroom management
    Hoofddoel: dat leerlingen zich aan de regels houden in de klas. 
    Basale doel: Zorgen voor veilig en voorspelbaar schoolklimaat
    - Klassenregels moeten op een positieve manier worden gesteld
  • Universele preventieprogramma's voor op school
    1.Nog geen sprake van ernstige problematiek

    2. selectieve (secundaire) preventieprogramma's: voor kinderen die ernstig risico lopen op ontwikkelen v diverse vormen v gedragsproblematiek

    3. geïndiceerde preventieprogramma's (tertiaire preventie): wanneer er al gedragsproblemen zijn. 
    - Bij zeer ernstige gedragsproblematiek wordt operante gedragstherapie op school gecombineerd met home-based contingent interventiestrategieen. 
    - Soms is klas of groepsgerichte behandeling nodig (soms niet ingezet vanwege financieringsproblemen)
    - Krijgen van rugzakje is individuele hulp voor individuele specifieke probleem  (individuele financiering) 
    - Mediatietherapie voor leerkrachten. 
    - Classroom management kost veel tijd en energie. 
    - Schoolwide positive behavior support (SWPBS): schoolbrede aanpak waarbij concrete gedragsverwachtingen worden geformuleerd en met puntensysteem dit wordt bekrachtigd. 
     Een driedeling voor (1) alle kinderen, (2) selectieve kinderen met risico, (3) specialistische interventies voor kinderen met ernstige problematiek. 

    .
  • 3 stappen mediatiemodel
    1. Het erkennen en omschrijven van de hulpvraag: 
    Kinderen melden zichzelf niet aan maar doen meestal de volwassenen (de derde personen)

    2. Analyseren vd functie vd klacht in de context. De context (de derde) zijn hier dus van belang om ook te onderzoeken

    3. Triadisch werkmodel (Tharp en Wetzel) bestaat uit een deskundige, mediator en kind
    Noemen het ook wel de consultatieve triade: 

    - Consultgever (C): geeft instructies aan mediator om het gedrag vh kind te veranderen. 
    - Mediator (M): is rechtstreeks bij het probleem betrokken en biedt hulp aan de opvoeder. 



    - Kind (K) 


    In een schoolsetting zijn de leerkrachten de mediatoren. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Noodzaak voor gericht onderzoek groter als
ook wel smallebandonderzoek --> onderkennende en verklarende hypothese uitwerken. Noodzaak voor gericht onderzoek naar screening wordt groter naarmate:

- leer en opvoedproblamtiek en/of didactische achterstand groter is
- duidelijk signalen zijn v ernistge psychosociale problematiek
- meer risicofactoren gesignaleerd en complexiteit toeneemt
- Klachtgedrag minder goed begrepen wordt
- Sterker meningsverschil hulpverlener en hulpvrager
6 criteria probleemkeuze
Centraliteit: in hoeverre sleutelpositie? (in hoeverre is het belangrijkste probleem die tot de kern komt?)
Waarschijnlijkheid: wat is de waarschijnlijkheid vh bestaan vh probleem?is het overtuigend probleem?
Problematische waarde: wilt het kind zelf wel aan het probleem werken?
Concretiseerbaarheid = het concreet kan het probleem worden geformuleerd?
Behandelbaarheid = hoe haalbaar is het?
Leeftijd v client = beslissingsbevoegdheid
Het inadequate gedrag is ontstaan en wordt in stand gehouden doordat: (behaviorisme)
n Dit gedrag wordt uitgelokt door situaties die bepaalde associaties oproepen (klassieke conditionering)
n Dit gedrag wordt gevolgd door positieve bekrachtigers (operante conditionering)
n Er sprake is van negatief modelgedrag dat wordt geïmiteerd (sociaal leermodel,
zelf-bekrachtiging) 
Gedragstherapeutische assesmentmethode




n Holistische theorie: verklarend model
n Probleemkeuze: 6 criteria
n Topografische analyse: beschrijven van gedrag
n Functieanalyse en betekenisanalyse: verklaren van gedrag 
Leertheoretisch: (behavioristisch en cognitief)
Behavioristisch: gedrag is een functie van omgevingsfactoren of ervaringen uit het verleden
(uitkomst van een leerproces: klassieke conditionering, operante conditionering, sociaal leren). 
Gedrag wordt bepaald door externe factoren. 

Behandeling gericht op: combinatie leerprincipes voor aanleren v nieuw gedrag/nieuwe betekenissen. 


--------------------------------------------------------------------------------------

Cognitief model: inadequaat gedrag of en emotionele problemen ontstaan door onjuiste cognities (onjuiste cognities uiten zich in: negatieve verwachtingen en waardering, onjuiste attributies, irrationele overtuigingen) ze hebben een tekort in zelfregulatie en zelfcontrole. 
Gedrag wordt bepaald door interne factoren

Behandeling gericht op: wijzigen disfunctionele gedachten en leren cognitieve vaardigheden en strategien. 

Diagnostisch instrument: 
ABC schema
Biomedisch
- Gedrag kan worden verklaard door bestudering v neuropsychologische processen. 
- probleem ligt niet aan individu, ook niet aan interactie stressvolle omgeving
- probleem ligt aan disfuncties in hersenorganen (genetisch, neurologisch, temperament)

Instrumenten
neurologisch onderzoek

Interventie
- medicatie 
Client-centered (humanistisch)
- Iedereen behoefte om innerlijke behoeften zichzelf te ontplooien (self)
- Kind heeft behoefte aan waardering v ouders (experince)
- verstoring, groot verschil tussen self en experience (kind zoekt dingen om zichzelf te ontplooien maar krijgt geen waardering voor. 
Dus
- omgeving creëren met positieve acceptatie 
- ontwikkelen van een positief self concept zodat goede basis hebt

interventie
- gericht op relatie, respect voor het kind, non directieve instelling, permissieve houding. 
Psychoanalytische model
Id: lustprincipes
Ego: realiteitsprincipes
Superego: probeert een middenweg te vinden. 
Psychodynamisch model
- Groot belang personen in vroege ontwikkeling
- Aandacht voor psychoanalytische model (persoonlijkheid is de uitkomst v ontwikkelingsproces --> Id, Ego, Superego
- Sociaal - emotionele ontwikkeling raakt verstoord door het niet succesvol koplossen v een conflict. 
- Conflicten ontstaan in orale (bijten, spugen), anale (ophouden loslaten ontlasting) of fallische (geslachtsverschil ontdekt krijgt liefdesgevoelens tegenover ouder) fase

Interventie
- gebruik van spel 
Visie, instrumenten, interventies systemisch model

Visie- Functioneren vh gezin als geheel van invloed op het gedrag van het kind
- Opvoedingsstijlen hebben invloed op het gedrag van het kind
- Wederkeringheid v gedrag in ouderkindrelatie, gelijkwaardig of niet. 

Diagnostische instrumenten:
- gezinsobservatie
- gezinsvragenlijsten
- gezinsinterview
- genogram


interventies:
- Gezinstherapie (systeemtherapie)
- Oudertherapie