Summary Bestuursrecht deel 1

303 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Bestuursrecht deel 1

  • 1.1 Centrale vragen van bestuursrecht

  • Welke drie punten geven de essentie weer van het bestuursrecht?
    1. Het instrumentarium van het overheidsbestuur;
    2. De normen voor het overheidsbestuur;
    3. De (rechtsbescherming) mogelijkheden voor betrokkenen om zich tegen het overheidsbestuur te verzetten.
  • Waarom is overheidsbestuur van belang?
    Taken die vanuit een oogpunt van het algemeen belang als essentieel worden gezien, en voor de behartiging waarvan een zeker gezag is vereist, toegekend aan organen van de rijksoverheid of van provinciale of gemeentelijke overheden.
  • Waarom zijn er aparte regels nodig voor het bestuursrecht?
    Vaak hebben overheidsorganen voldoende aan de bepalingen die in het privaatrecht en strafrecht worden gegeven, maar soms is dit niet voldoende. Dit komt omdat de overheid vaak eenzijdig vaststellen wat rechtens is (verticaal overheidsbestuur). 
    Ook hebben overheidsorganen geen eigen belang, maar alleen algemeen belang. Een ander verschil met andere rechtspersonen is dat ze dit algemene belang tegen andere belangen afwegen. 
    Het privaatrecht gaat uit van gelijkwaardige partijen, maar de overheid is geen gelijkwaardige partij. 
    Ook het strafrecht leent zich niet volledig voor toepassing in bestuursrechtelijke verhoudingen. Het strafrecht ziet op bestraffing en bestuursrecht op het bereiken of herstellen van de legale situatie. 
  • Welke functies heeft de overheid?
    • Ordenende functie: vooral met dwingende normen dit is nu minder aan de hand, omdat er geen klassieke liberale rechtsstaat meer is;
    • Presterende functie: het gaat hier om bijvoorbeeld verstrekken van uitkeringen, maar ook realiseren of onderhouden van allerlei voorzieningen;
    • Sturende functie: het gaat hier om dwingende voorschriften en selectievere instrumenten om bijvoorbeeld de markt te sturen.
    • Arbitrerende functie: komt vooral tot uitdrukking in planbevoegdheden ten aanzien van de verdeling van de beschikbare ruimte en in het verbinden van voorschriften aan een vergunning waarin de tegenstrijdige belangen zoveel mogelijk met elkaar worden verzoend. 
  • Op welke 2 manieren wordt het legaliteitsbeginsel beargumenteerd?
    • Rechtszekerheidsbeginsel: vooraf is duidelijk waartoe overheidsorganen bevoegd zijn en hoe ver die bevoegdheden reiken;
    • Het primaat van de wetgever: de volksvertegenwoordiger maakt deel uit van de wetgevende macht, zodat formeel kan worden volgehouden dat een machtiging van de wetgever impliceert dat een meerderheid van de burgers hiermee instemt. 
  • Wat houdt terugtred van de wetgever in en uit welke 2 aspecten bestaat het?
    Terugtred van de wetgever houdt in dat de wetgever niet zelf de rechtsnormen formuleert waaraan de burger zich heeft te houden, maar laat die normstelling steeds vaker over aan bestuursorganen. 
    De terugtred van de wetgever bij de inhoudelijke normstelling van het bestuursoptreden heeft ertoe geleid dat bestuursorganen in veel gevallen min of meer zelfstandig bepalen wat rechtens is. Er is sprake van gelede normstelling. 


    De 2 aspecten zijn:
    1. In de wet in formele zin wordt het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften overgelaten aan bestuursorganen van de centrale overheid (delegatie);
    2. Noch in de formele wet, noch in de (lagere) bestuurswetgeving wordt het gedrag van de burgers wordt genoteerd, maar dat die normering wordt overgelaten aan het bestuursorgaan door middel van uitoefening van een beschikking- of andere bestuursrechtelijke bevoegdheden. 
  • Hoe kan de beslissingsvrijheid van de overheid worden beperkt?
    Als eerste heb je het gelijkheidsbeginsel en de overheid moet toezeggingen nakomen.
    De rechter heeft ook algemene beginselen van behoorlijk bestuur geformuleerd waaraan het bestuurlijk handelen kan worden getoetst. 
    Bestuursorganen maken ook zelf regels, waarin ze aangeven welk beleid ten aanzien van de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid willen voeren en die daarom beleidsregels worden genoemd, leggen bestuursorganen zich in zekere in vast. 
    De gebondenheid aan deze regels in inmiddels in art. 4:84 Awb gecodificeerd. 
  • Hoe kan de kwaliteit van het overheidsbestuur worden gewaarborgd?
    Niet in elke gemeente is evenveel informatie op het gebied van bepaalde onderwerpen, toch moet dit overal wel gewaarborgd kunnen worden. 

    Er zijn een aantal middelen om de kwaliteit te waarborgen:
    1. Kwaliteit van de wetgeving: naarmate bestuursrechtelijke wetten duidelijkere en meer werkbare inhoudelijke criteria voor de uitoefening van bestuursbevoegdheden bevatten, zal de kwaliteit van het bestuur toenemen;
    2. Politieke controle door vertegenwoordigende organen, zoals de gemeenteraad.
    3. Controle door de rechter: er moet dan wel een beroep bij hem worden ingesteld. De rechter kan een besluit alleen op rechtmatigheid toetsen. De rechter kan dus alleen maar beoordelen of het bestuursorgaan de wettelijke normen en de beginselen van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen. De rechter mag niet de doelmatigheid toetsen. 
    4. Bestuurlijk toezicht: hogere bestuursorganen oefenen een controle uit. :
      1. Representatief bestuurlijk toezicht: hogere bestuursorganen zijn bevoegd om op grond van specifieke wetten besluiten van lagere bestuursorganen te vernietigen wegens strijd met het recht van algemeen belang;
      2. Preventief bestuurlijk toezicht: besluiten die aan goedkeuring van hogere bestuursorganen zijn onderworpen.
  • 1.2 Fundamentele beginselen en uitgangspunten

  • Wat wordt bedoelt met een democratische rechtsstaat?
    Democratie houdt in dat de Nederlandse overheid de samenleving bestuurt volgens de eisen van een democratie met zeggenschap voor de burgers.
    Met rechtsstaat wordt bedoeld dat de Nederlandse overheid is gebonden aan algemene en specifieke rechtsnormen. 
  • Wat zijn de pijlers van de democratische rechtsstaat?
    1. Volkssouvereiniteit: de overheidsmacht ligt bij de burgers. Een staatsbestel dat deze gedachte als grondslag heeft, noemen we een democratie. 
    2. Machtenscheiding: om machtsmisbruik te voorkomen worden bevoegdheden verdeeld over verschillende machten. 
    3. Verantwoordelijkheid: de belangrijkste bestuursorganen zijn direct of indirect verantwoording verschuldigd aan een vertegenwoordigend lichaam (art. 42 lid 2 Gw, art. 179 en 167 Provw, art. 180 en 169 Gemw).
    4. Openbaarheid van bestuur. 
  • Welke uitgangspunten van de democratische rechtsstaat bestaan er naast democratie en legaliteit?
    1. Specialiteitsbeginsel: de overheid moet het algemeen belang behartigen. Bevoegdheden en rechten worden specifiek omschreven en worden zij toegekend voor de realisering van specifieke doeleinden: zij zijn doelgewonden.
    2. Rechtszekerheidsbeginsel: 
      1. Formele rechtszekerheid: duidelijke begrenzing van de bestuursbevoegdheid en op ondubbelzinnigheid in de bepaling van de rechtspositie van de burger.
      2. Materiële rechtszekerheid: het geldende recht ook werkelijk toepassing vindt en voorts dit besluiten in beginsel niet met terugwerkende kracht aan burgers mogen worden tegengeworpen.
    3. Gelijkheidsbeginsel: gelijke gevallen moeten gelijk worden behandelt. 
    4. Stelselmatigheid: een bestuursorgaan moet dus inzicht kunnen geven in de beslissingscriteria die in het algemeen bij de uitoefening van zijn bevoegdheid hanteert. 
    5. Individueel rechtsbeding: er moet ook worden gelet op de individuele omstandigheden waarin de burger verkeert. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wanneer is er sprake van verjaring?
Op grond van art. 3:310 lid 1 BW geldt voor de vordering tot schadevergoeding in beginsel de korte termijn van 5 jaar, die aanvangt nadat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. 
Art. 3:130 lid 1 maakt ook duidelijk dat de vordering in elk geval verjaard na afloop van een termijn van 20 jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis.
Welke 2 gevallen van eigen schuld worden in het bestuursrecht onderscheiden?
  • De onrechtmatigheid van het besluit is geheel of gedeeltelijk te wijten aan de benadeelde, omdat deze niet of niet tijdige de juiste gegevens en bescheiden heeft overlegd;
  • De benadeelde maakt gebruik van een omgevingsvergunning bouwen, zonder dat deze onherroepelijk is geworden.
Wat is de schadebeperkingsplicht?
Op grond van deze plicht is de benadeelde binnen redelijke grenzen gehouden tot het nemen van maatregelen ter beperking van de schade nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
Wanneer is er sprake van eigen schuld?
Men spreekt over een eigen schuld in situaties waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis mede aan de benadeelde te wijten is of waarin de omvang van de schade voorafgaand aan of gedurende de gebeurtenis door de benadeelde is beïnvloed.
Hoe kan de uitkering van schade worden beperkt?
  1. Limitering bij algemene maatregel van bestuur (art. 6:110 BW);
  2. Matiging door de rechter (art. 6:109 BW);
  3. Eigen schuld en de schadebeperkingsplicht.
Welke soorten schade worden in het bestuursrecht in aanmerking genomen?
  1. Vermogensschade (art. 6:95 BW)
    1. Redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade;
    2. Redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid;
    3. Redelijke kosten ter verkrijging van gemaakte buitenechtelijke kosten;
    4. Vertragingsschade (art. 6:119 en 6:120 BW).
  2. Materiële schade (art. 6:96 BW):
    1. Gederfde winst
    2. Geleden verlies
  3. Immateriële schade (art. 6:95 jo. 6:106 BW)
In hoeverre wordt de schade in aanmerking genomen?
Het uitgangspunt van art. 6:162 is dat de benadeelde in beginsel een recht heeft op volledige vergoeding van de schade.
Wat vereist de causaliteit?
De schade moet kunnen worden toegerekend aan de onrechtmatige handeling.
Wat houdt het relativiteitsvereiste in?
Op grond van art. 6:163 BW houdt het relativiteitsvereiste in: 'Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot de bescherming tegen de schade zoals de benadeelde deze heeft geleden.'
Beoogt de geschonden norm niet de benadeelde te beschermen tegen de soort schade en de wijze waarop die is ontstaan, dan kan degene die de onrechtmatige gedraging verrichte, niet aansprakelijk worden gehouden.
Wanneer is er sprake van toerekenbaarheid?
In art. 6:162 lid 2 BW staan de gronden opgesomd voor toerekening. 
Van toerekenbaarheid is sprake als de dader schuld heeft of de onrechtmatige handeling om andere redenen aan hem kan worden toegerekend. 

De in art. 6:162 neergelegde eis dat de onrechtmatige gedraging moet kunnen worden toegerekend aan de dader, is zo goed als verdampt als het gaat om de aansprakelijkheid van overheidslichamen voor het nemen van onrechtmatig geoordeelde appellabel besluiten, pseudorisicoaansprakelijkheid.