Summary Bestuursrecht in het Awb-tijdperk

-
ISBN-10 9013042244 ISBN-13 9789013042245
124 Flashcards & Notes
24 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Bestuursrecht in het Awb-tijdperk". The author(s) of the book is/are G A C M van Ballegooij. The ISBN of the book is 9789013042245 or 9013042244. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Bestuursrecht in het Awb-tijdperk

  • 1.2 Algemeen deel en bijzondere delen

  • Wat wordt verstaan onder algemeen en bijzonder bestuursrecht?
    Bijzonder bestuursrecht heeft als deelterreinen: bestuursrechtelijk organisatierecht, recht betreffende openbare orde en veiligheid, ruimtelijk (of omgevings-), economisch, sociaal, cultureel, medisch en fiscaal bestuursrecht. Het algemeen deel van het bestuursrecht omvat, simpel gezegd, de grootste gemene deler van de bijzondere delen. het geeft algemene regels, bijvoorbeeld over de totstandkoming van besluiten genomen door overheidsorganen en de rechtsbescherming die daartegen open staat, die (in beginsel) op alle bijzondere delen van het bestuursrecht gelden. Met de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft dan eindelijk ook de wetgever een belangrijke rechtvormende rol ten aanzien van het algemeen deel op zich genomen. 
  • 2.3 Relatie met andere wetgeving

  • Welke vier verschillende typen regels c.q. regelingen kent de Awb en wat houden deze typen in?
    Dwingend recht: regels die zonder uitzondering voor het gehele bestuursrecht behoren te gelden. De Awb heeft als formele wet geen bijzondere status en is dus ook 'maar' een wet infomrele zin waarvan bij latere wet kan worden afgeweken. Wel is in de Aanwijzingen voor de regelgeving (die wetgevingsjuristen in acht moeten nemen bij het opstellen van regels) neergelegd dat alleen wanneer dat noodzakelijk is, in bijzondere wetten wordt afgeweken van algemene wetten (waaronder Awb). Een dergelijke afwijking moet in de memorie van toelichting bij de bijzondere wet worden gemotiveerd. Aanwijzigingen voor regelgeving zijn niet juridisch bindend voor de wetgever. Dat betekent dat wanneer in een bijzondere wet, zonder dat dit noodzakelijk kan worden genoemd of goed is gemotiveerd, wordt afgeweken van Awb-regels, de bijzondere wet op dat punt niet onverbindend is en dus gewoon gelding heeft. Regelend recht: regels die beschouwd worden als de voor normale gevallen beste regeling. Een dergelijke afwijkingsmogelijkheid blijkt in Awb-bepalingen door het gebruik van de fomuleren 'tenzij bij wettelijk voorschrift (wetgeving in materiële zin) anders is bepaald'. Ook in lagere regelgeving mag in dat geval dus een van de AWB afwijkende regel worden opgenomen. Aanvullend recht: een 'restbepaling' voor als de bijzondere regelgever nagelaten heeft een regeling te treffen. Als een bijzondere beslistermijn ontbreekt, dan geldt de algemene (aanvullende) Awb-bepaling dat binnen een 'redelijke termijn' moet zijn beslist. Facultatief recht: deze uniforme openbare voorbereidingsprocedure hoeft alleen te worden gevolgd wanneer dat uitdrukkelijk is bepaald in bijzondere regelgeving of als een bestuursorgaan daartoe besluit. 
  • 3.3 Openbare lichamen

  • In welke bepaling uit het Burgerlijk Wetboek wordt aan onze belangrijkste openbare lichamen rechtspersoonlijkheid toegekend?
    De belangrijkste openbare lichamen zijn behalve de territoriale openbare lichamen, Staat, provincie, gemeente, (territoriale openbare lichamen) ook de functionele openbare lichamen van beroep en bedrijf, zoals de Nederlandse Orde van Advocaten, productschappen (functionele openbare lichamen (rijksuni's zijn dat ook) en (hoofd)bedrijfschappen; art. 134 Gw. Als deze openbare lichamen hebben rechtspersoonlijkheid op grond van het privaatrecht. Art. 2.1 bepaalt dit voor de staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordende bevoegdheid is toegekend. art. 1.8 Wet o het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) dat de openbare universiteiten rechtspersoon zijn en heeft het Commissariaat voor de Media een uit de wet voortvloeiende rechtspersoonlijkheid. Het zijn deze rechtspersonen die drager zijn van vermogensrechten, zoals eigendom, zij zijn partij bij civielrechterlijke overeenkomsten en dienen bij de burgerlijke rechter te worden aangesproken bij een eventuele onrechtmatige daad. 
  • 3.5 Belanghebbenden

  • Wanneer wordt een belang aangemerkt als zijnde rechtstreeks bij een besluit betrokken in de zin van art. 1:2 Awb?
    Het moet een eigen belang zijn (zelf doen of gemachtigd zijn), het moet objectief zijn (niet psychisch of emotioneel), het moet actueel zijn (nu spelen), het moet persoonlijk zijn (anders dan voor willekeurige andere persoon), en het moet rechtstreeks zijn (causaal verband tussen beslissing en belang, niet afgeleid en niet via contract. 
  • 4.2 Het legaliteits- en het specialiteitsbeginsel

  • Wat houdt het specialiteitsbeginsel in en in welke Awb-bepaling is het neergelegd?
    Het is neergelegd in art. 3:4 Awb, lid 1, en houdt in dat het bestuur bij het gebruik maken van een wettelijk toegekende bevoegdheid alleen díe belangen mag meewegen, die de betreffende regeling specifiek beoogt te beschermen. Bevoegdheden worden met een speciaal doel toegekend en mogen alleen ter behartiging van dit doel worden gebruikt. In casus Wielerronde zou dat betekenen dat bij de beslissing al dan niet een standplaatsvergunning toe te kennen niet zou mogen meewegen of vanuit de beoogde kraam producten op een voldoende hygiënische wijze worden verkocht. De bevoegdheid is namelijk alleen toegekend met het oog op het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid.
  • 4.3 Bevoegdheidsverdeling binnen het openbaar bestuur

  • Aan wie kan de wetgever zoal bestuursbevoegdheden attribueren?
    De wetgever kan een bestuursbevoegdheid toedelen aan enkelvoudig of meervoudig samengestelde bestuursorganen.  Ook kunnen bevoegdheden worden geattribueerd aan (besturen van) rechtspersonen opgericht op grond van het privaatrecht (CBR, NV Nederlandsche Bank). In sommige gevallen heeft een wetgever bestuursbevoegdheid geattribueerd aan ambtenaren, die dan ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid als een bestuursorgaan worden aangemerkt. 
    enkelvoudig: minister, commissaris van de Koning, burgemeester, belastinginspecteur enz. 
    meervoudig: de regering, gedeputeerde staten, het college van burgemeesters en wethouders enz.
  • Wanneer en op grond van welke Awb bepaling is (sub)delegatie respectievelijk (sub)mandaat toegestaan?
    Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (art. 10 Awb). De verantwoordelijkheid voor deze besluiten blijft bij de mandans. De mandaatgever (mandans) blijft ook steeds bevoegd (art. 10:7 Awb). Mandaat van bestuursbevoegdheden is blijkens art. 10:3 lid 1 Awb steeds mogelijk, tenzij het wettelijk voorschrift waarop de bevoegdheid berust anders bepaalt of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen mandaat. Art. 10:3 lid 2 Awb bepaalt dat bepaalde bevoegdheden niet kunnen worden gemandateerd. 
    - beslissingsmandaat:uitoefening van een bestuursbevoegdheid is opgedragen aan een ambtenaar
    - ondertekeningsmandaat: indien de handtekening die onder het besluit staat afkomstig is van een ambtenaar die zelf geen betrokkenheid heeft gehad bij de besluitvormingsprocedure, maar met het plaatsen van zijn handtekening aan een vormvereiste voor rechtsgeldigheid voldoet.
    - afdoeningsmandaat: dat de mandaatgever de feitelijke handelingen die voor de toepassing van een besluit verricht moeten worden opdraagt aan en ander, meestal een ambtenaar. 
    Degene aan wie een bevoegdheid is gemandateerd, kan op zijn beurt die bevoegdheid verder mandateren. Gesproken wordt dan van sub- of ondermandaat.
  • Hoe gaat de rechter om met besluiten waaraan bevoegdheidsgebreken kleven?
    In de fase van het beroep bij de bestuursrechter kan dit bevoegdheidsgebrek in beginsel tot vernietiging leiden. Art. 6:22 Awb geeft de rechter wel de mogelijkheid om dit soort vormvoorschriften te passeren voorzover daardoor aan belanghebbenden geen nadeel wordt berokkend. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat de rechter niet bereid is om bevoegdheidsgebreken in alle gevallen te passeren.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Op basis van welke toetsingsgrond beoordeelt de (nationale) ombudsman de klachten?
De ombudsman beoordeelt volgens art. 9:27 Awb 'of het bestuursorgaan zich in de door hem onderzochte aangelegenheid als dan niet behoorlijk heeft gedragen'. Dit betekent dat een veel verdergaande toetsing dan bij de bestuursrechter mogelijk is. Deze opzet is ook de bedoeling: een beschikking kan formeel correcte wijze tot stand zijn gekomen en ook materieel aan de rechtmatigheidstest voldoen, terwijl de burger toch zeer onfatsoenlijk kan zijn behandeld door ambtenaren die de beschikking hebben voorbereid. 
Wie kan een klacht indienen bij de ombudsman en waarop moet die klacht dan betrekking hebben?
Iedereen kan aan de ombudsman verzoeken een onderzoek in te stellen (art. 9:18 Awb). Het moet gaan om gedragingen van bestuursorganen (9:18 Awb). De klachten hoeven niet uitsluitend betrekking te hebben op handelingen van de organen zelf (art. 1a lid 4 WNo). Voordat een verzoekschrift wordt ingediend is het noodzakelijk het desbetreffende bestuursorgaan in te lichten over de bezwaren die tegen een bepaalde handelswijze bestaan (kenbaarheidsvereiste). --> art. 12 lid 2 WNo ; art. 9:20 lid 1 Awb.
Welke rechtsgevolgen heeft een oordeel van de ombudsman?
Het oordeel van de ombudsman heeft geen directe rechtsgevolgen. De burgerlijke rechter acht zich niet aan het oordeel van de ombudsman gebonden. In het algemeen volgt de overheid zijn aanbevelingen op en hebben de rapporten in praktijk invloed op het overheidsoptreden.
In welke wetten is de procedure voor klachtbehandeling door de ombudsman geregeld?
Titel 9:2 van de Awb voorziet in een eenvormige regeling voor de externe klachtbehandeling en een landelijk dekkend stelsel van onafhankelijke klachtinstanties. Deze bepalingen in de Awb zijn nu niet alleen van toepassing op de klachtprocedure bij de Nationale ombudsman, maar ook op de procedure bij ombudsmannen of ombudscommissies die zijn ingesteld door decentrale overheden (krachtens Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet of Wet gemeenschappelijke regelingen. Er is ook een wet Nationale ombudsman, die de bevoegdheid van de Nationale ombudsman en zaken als benoeming en ambtstermijn regelt. Daarnaast kent deze wet een vangnetbepaling, inhoudende dat voor decentrale overheden in beginsel de Nationale ombudsman de externe klachtvoorziening is, tenzij op decentraal niveau een eigen ombudsvoorzieningen is ingesteld. 
In welk grondwetsartikel is geregeld dat er een Nationale Ombudsman moet zijn?
Er bestaat de Wet Nationale ombudsman (WNo), en de positie van de ombudsman is verankerd in art. 78a Gw. 
In welke bepalingen van de Awb zijn de algemene regels voor samenloop van sancties neergelegd?
Met de inwerkingtreding van de 4e tranche van de Awb gelden er algemene regels over samenloop van sancties. Een algemeen uitgangspunt is dat het bestuursorgaan geen herstelsanctie oplegt zolang een andere wegens dezelfde gedraging opgelegde herstelsanctie van ...
Wat houdt kostenverhaal in en waarin de Awb is dit geregeld?
Het is de overtreder zelf die voor de kosten moet opdraaien die het bestuursorgaan maakt bij de toepassing van bestuursdwang, tenzij die redelijkerwijze niet te zijnen laste behoren te komen (5:25 Awb). Het bestuursorgaan is niet verplicht tot verhaal van kosten over te gaan. 
Wat wordt er verstaan onder bestuursdwang?
Het gaat om de herstelsanctie inhoudende:
a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding
b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet tijdig wordt uitgevoerd (5:21 Awb). Hieruit volgt dat zowel overtredingen van wetten in formele zin als van allerlei verordeningen binnen de reikwijdte van de bestuursdwangbevoegdheid vallen, alsook de niet-naleving van voorschriften die bij een vergunning of ontheffing zijn gesteld. 
Waarom is het onderscheid tussen herstelsancties en bestraffende sancties van belang?
Bij herstelsancties ontbreekt in beginsel het bestraffende element: met deze machtsmiddelen beoogt het bestuursorgaan 'slechts' een beëindiging van de normovertreding, anders gezegd, herstel van de rechtmatige situatie. De bestuurlijke boete is bestraffend (punitief) van aard, terwijl bestuursdwang en last onder dwangsom kunnen worden gekwalificeerd als herstelsancties die reparatoir van aard zijn. Het gaat om het oogmerk waarmee de sanctie wordt opgelegd door het bestuursorgaan. Art. 6 EVRM stelt eisen aan de procedure waarin de gegrondheid van een vervolging tegen iemand wordt vastgesteld. Dat betekent dat de oplegging van een sanctie met een punitief karakter aan die eisen moet voldoen. De eisen betreffen onder meer het bewijsrecht en de (toetsing van de evenredigheid) van de sanctie. 
Wat zijn de verschillen tussen een herstelsanctie en een bestraffende sanctie?
Bestuurlijke sancties worden onderverdeelt in herstel- en bestraffende sancties. Een herstelsanctie (reparatoire of situatieve sanctie) is een sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van de herhaling daarvan dan wel tot het wegnemen of beperking van de gevolgen van een overtreding. Een bestraffende sanctie (punitieve of repressieve sanctie) is een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen. Blijkens art. 5:2 lid 2 Awb, is de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen niet als een bestuurlijke sanctie aan te merken.