Summary Biological and Cognitive Psychology

-
ISBN-13 9781292022710
210 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Biological and Cognitive Psychology". The author(s) of the book is/are D van ' t Ent S A Los. The ISBN of the book is 9781292022710. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Biological and Cognitive Psychology

  • 1 Structure and Functions of Cells of the Nervous System

  • Wat zijn de stoffen potassium en sodium in het NL's?
    Kalium en natrium
  • 2 soorten bindingen tussen atomen (binnen zouten / moleculen):
    - Ionbinding
    - Covalente binding: gedeeld elektronenpaar
  • Waar is het celmembraan uit opgebouwd?
    Dubbele fosfolipidenlaag: hydrofiele kop, hydrofobe staart
  • 1.1 Cells of the Nervous System

  • Wat is het verschil tussen locale en relay interneuronen?
    - Locale interneuronen: vormen circuits met nabije neuronen en verwerken kleine stukjes informatie.
    - Relay interneuronen: verbinden circuits van locale interneuronen in een gebied van de hersenen met die in een ander gebied in de hersenen.
  • Wat zijn de 7 belangrijkste onderdelen van een neuron?
    - Dendriet
    - Cellichaam (soma)
    - Celkern
    - Axon
    - Myelineschede (Schwann cellen)
    - Knopen van Ranvier
    - Eindknopjes  (terminal buttons)
  • Wat is het verschil tussen multipolaire, bipolaire en unipolaire neuronen?
    Multi: 1 axon en veel dendrieten aan de soma
    Bipolair: 1 axon en 1 dendriet aan de soma
    Unipolair: 1 axon aan de soma die opgesplitst wordt: de ene kant ontvangt sensorische info, de andere kant zendt het naar het CZ. (bv. sensorische neuronen)
  • Wat zijn de belangrijkste organellen binnen het cellichaam (van een neuron)?
    1: Celkern met porien voor doorlaten mRNA
    2: Endoplasmatisch reticulum (vorming, opslag en transport eiwitten) met ribosomen
    3: Golgi apparaat (speciale vorm van ER): postkantoor voor inpakken (neurotransmitters in blaasjes) + produceert lysosomen
    4: Mitochondrien: energie fabriek (ATP: Adenosine Tri-Phosphate)
    5: Lysosomen: afvalverwerking, blaasjes met enzymen
    6: Microtubuli: wegennet voor transport neurotransmitters door axon (onderdeel van cytoskelet).
  • 2 soorten endoplasmatisch reticulum:
    - Ruw: bevat ribosomen die eiwitten maken voor buiten de cel of in het membraan zelf. Losse ribosomen maken eiwitten voor in de cel zelf.
    - Glad: vormen wegen voor de secretie van moleculen (bv. vervoer na afvalstoffen) + vorming van vetten.
  • Waar staat DNA voor?
    Deoxyribonucleic acid
  • Waar zorgen kinesinen en dyneinen voor?
    Axoplasmatisch transport

    Kinesinen: Anterograde transport van blaasjes met neurotransmitters van cellichaam (soma) naar eindknopjes (waar de synaps is).
    Dyneinen: Retrograde transport van stoffen van eindknopjes naar cellichaam.
  • Welke soorten hulpcellen zijn er en wat zijn hun functies (3 soorten gliacellen en Schwanncellen)?

    Gliacellen:
    - Microglia: onderdeel immuunsysteem en opruimen dode cellen (fagocitose)
    - Macroglia:
    • Oligodendrocyten: myeline schede (80% vet en 20% eiwit) in centraal zenuwstelsel. 'Pootjes' van de cel wikkelen zich om axonen.
    • Astrocyten ('stercellen'): ondersteuning structuur en stevigheid. Isolatie synapsspleten (zodat de neurotransmitters niet weg kunnen). Speelt ook een rol bij de bloed-brein barrière (BBB): intermediair tussen bloedvaten en neuronen in brein, brengen voedingsstoffen van bloed naar brein. Kan glucose opslaan (vorming glycogeen).

    Schwanncellen: myeline schede in perifeer zenuwstelsel. Cel wikkelt zich in z'n geheel om axon heen en zorgt voor 1 stukje myeline.
  • 1.2 Communication Within a Neuron

  • Welke 2 factoren spelen een rol bij het behouden van de rustpotentiaal in een cel?
    - Diffusie
    - Elektrostatica

     Ionkanalen in celmembraan voor Na+ K+ en Cl- spelen hierbij ook een rol.
  • Welke waarde heeft de rustpotentiaal en welke rol spelen K+ en Na+ hierbij (+ Na/K pomp)?
    -70mV
    Evenwicht tussen diffusie van K+ naar buiten en stroom van K+ naar binnen door elektrostatische kracht.
    Maar: Na+ lekt naar binnen (door diffusie en elektrostatische krachten)
    >>> Na/K-pomp: pompt 3 Na+ naar buiten en 2 K+ naar binnen per keer (kost ATP)
  • Wat zijn de voordelen van sprongsgewijze geleiding d.m.v. myeline?
    - Sneller: geen nieuwe actiepotentialen nodig. Actiepotentiaal plant zich passief voort onder myeline (diffusie Na+), maar dooft daardoor wel langzaam uit. Dus myeline stukje mag niet te lang zijn.
    - Energiezuiniger: alleen actiepotentialen bij knopen van Ranvier
  • Wat zijn cationen en anionen?
    Cationen: positief geladen ionen
    Anionen: negatief geladen ionen
  • Kaliumkanalen gaan open bij -20 mV
  • Absolute refractaire periode: geen nieuw actiepotentiaal
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de Sapir-Whorf hypothese?
- De taal die je spreekt bepaalt hoe je over bepaalde zaken nadenkt.
- Je kunt geen concepten hebben die je taal ook niet heeft

bv. 'gezellig', getallen, kleuren

Maar taal is generatief en dynamisch > we kunnen nieuwe woorden creëren (bv. koot & bie)
Wat is een ambiguïteit op zinsniveau en wat is een oplossing?
- ZInnen:
  • Intuinzinnen (bv. “Op de Cartesiuswegis vrijdagavond een pizzakoerier beroofd van een portemonnee met daarin honderd gulden en een pizza.”)
Oplossing:
  • Principe van minste aanhechting: interpretatie van de meest eenvoudige grammatica vd zin (ligt o.a. ook aan de context).
Wat is een ambiguïteit op tekstniveau en wat is een oplossing?
- Teksten:
  • Er wordt info weggelaten die lezer zelf moet invullen (vooral in romans)
Oplossing:
  • Top down: informatie toevoegen vanuit het situation model - een kennisstructuur op basis van info uit tekst (textbase) en alle extra kennis en gevolgtrekkingen buiten tekst.
Wat zijn 2 ambiguïteiten op woordniveau en wat zijn 3 oplossingen?

- Woordniveau:
  • Woordsegmentatieprobleem: hoe segmenteren we een spraakstroom?
  • Woord kan meerdere betekenissen hebben.
Oplossing:
  • Statistische regelmatigheden: '-nk' en 'sch-' zijn wsl het eind en het begin van 2 verschillende woorden, want komen nooit samen voor in 1 woord (in die volgorde).
  • Topdown invloeden (goon > gewoon): bij bekende woorden
  • Semantische priming door de zin > juiste betekenis bv. bank
> “Mijn auto slaat steeds af, terwijl ik eigenlijk rechtdoor wil.” 


Woorden vergelijken met een mentaal woordenboek, lexicon: uitspraak, spelling en woordsoort (niet betekenis). Deze eigenschappen worden geordend in een TRACE connectionistisch netwerk. Die inhibeert letters die niet goed samengaan, zoals de B en de K.
Wat zijn de 2 ambiguïteiten op foneem niveau en wat zijn 3 oplossingen?
- Foneem
  • Fonemen klinken anders tussen personen 
  • en binnen een persoon (door coarticulatie)
Oplossing:
  • Foneemherkenning is categorisch: je hoort of een b of een p, maar niet ertussenin (voice onset time verschilt tussen b en p).
  • Contexteffecten: foneem restauratie (hersenen vullen zelf logische klanken in)
  • + McGurck effect: liplezen (multisensorische integratie)
Wat is het lexicon en wanneer in het leven vindt groei van het lexicon plaats?
Mentaal woordenboek

Groei: van 1 jaar (begin praten) tot de dood
Wat wordt er bedoeld met perceptual narrowing en synaptische pruning tijdens de ontwikkeling van de fonetiek?
  • Perceptual narrowing: meer gevoeligheid voor fonemen eigen taal en minder voor andere talen > komt door sociale interactie
  • Synaptische pruning: ongedaan maken van overschot aan synaptische verbindingen. V.a. 2 jaar gaat de pruning sneller dan de aanmaak van synapsen, waardoor het aantal synapsen / neuronen weer verminderd.


Hierdoor leren Nederlandse kinderen bv. wel het verschil tussen de l en de r en Thaise kinderen niet.
Wat zijn de 4 stadia in de ontwikkeling van de fonetiek? > 0-6 mnd; 6-12 mnd; v.a. 12 mnd; v.a. 24 mnd.
  • 0-6 mnd.: gevoeligheid voor alle fonemen en allofonen van alle talen
  • 6-12 mnd.: toenemen gevoeligheid eigen taal, afnemen andere talen
  • v.a. 12 mnd: begin begrijpen en spreken eigen taal
  • v.a. 24 mnd: fonetische verzameling eigen taal compleet
Wat is het verschil tussen competentie (competence) en de uitvoering (performance) van taal door een persoon?
Competence: je kennis van grammatica.
Performance: de uitvoering, hoe je praat.
Wat zijn de 5 belangrijkste kenmerken van taal?
  • Communicatief
  • Arbitrair (willekeurig): flexibele relatie tussen symbool en referent (bv. de naam 'tafel')
  • Gestructureerd: grammatica
  • Generatief: vormen van betekenissen is onbeperkt (op zins en woordniveau, bv. hottentottententententoonstelling)
  • Dynamisch: taal verandert