Summary Biologie

750 Flashcards & Notes
6 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Biologie

  • 1.1 Organisatieniveaus

  • Wat is de biosfeer?
    Het gedeelte van de aarde waar leven mogelijk is.
  • Waarin kun je biomen onderverdelen?
    In ecosystemen.
  • Wat is een emergente eigenschap?
    Een eigenschap die op een hoger organisatieniveau pas ontstaat en niet aanwezig is bij een lager organisatieniveau.

    Bijvoorbeeld:
    Emergente eigenschap: Bloed rondpompen
    Het hart zorgt ervoor dat bloed wordt rondgepompt en de vaten zorgen ervoor dat het bloed ergens heen kan. Op celniveau kan het bloed rondpompen geen functie hebben, maar ook zonder het hart is het rondpompen van bloed onmogelijk. Hierdoor zorgen alle organen van het bloedvatenstelsel pas voor het rondpompen van het bloed.
  • 1.2 Cellen

  • Waaruit bestaat het cytoplasma?
    1. Water (voor het grootste gedeelte)
    2. Opgeloste stoffen:
    • Eiwitten
    • Suikers
    • Zouten
    • Vetachtige stoffen 
    • Etc.
  • Benoem de volgende organismen op eukaryoot en prokaryoot.

    1. Dieren
    2. Schimmels
    3. Bacteriën
    4. Planten  
    1. Eukaryoot
    2. Eukaryoot
    3. Prokaryoot
    4. Eukaryoot
  • Wat is een plasmide?
    Cirkelvorming chromosomen. Dit komt voor bij bacteriën / prokaryoten.
  • Wat zijn ciliën en flagels en welke functie hebben ze bij bacteriën?
    1. Ciliën zijn de trilharen van een bacterie. Deze zorgen voor de voortbeweging.
    2. Flagels zijn de zweepstaarten die sommige bacteriën hebben. Ook deze zorgen voor de voortbeweging van de bacterie, waarbij een flagel dient als een soort motortje.
  • Benoem de onderdelen.
    1. Lysosoom
    2. Celmembraan
    3. Mitochondrium
    4. Ruw endoplasmatisch reticulum
    5. Cytoplasma / grondplasma
    6. Kernmembraan
    7. Kernporie
    8. Kernplasma
    9. Kernlichaampje
    10. Ribosomen
    11. Golgi-apparaat of Golgi-systeem
  • Hebben mitochondriën een enkel of dubbel membraan / celwand?
    Mitochondriën hebben een dubbel membraan, ook wel een celwand. Het binnenste membraan is sterk geplooid voor oppervlakvergroting.
  • Welk organel ligt het dichtst bij de celkern en wat is de functie?

    1. Ruw endoplasmatisch reticulum
    2. Glad endoplasmatisch reticulum
    3. Golgi-systeem  
    Het ruw endoplasmatisch reticulum, met daarop ribosomen, ligt het dichtst bij de celkern.

    Hier komt het eiwit terecht dat door de ribosomen is gemaakt.  Het ER zorgt verder voor het transport van het eiwit binnen de cel.
  • Wat is de functie van het golgi-systeem?
    Opslag en bewerking van eiwitten. Eiwitten krijgen hier hun definitieve vorm en worden de eiwitten aangewezen naar hun plek binnen of buiten de cel.
  • Noem 3 functies van de fosfolipidenlagen van de cel.
    1. Transport via eiwitmoleculen.
    2. Bescherming
    3. Communicatie via receptoren 
  • Waaraan kun je het type cel herkennen?
    Aan de receptoren.
  • Wat doet het cytoskelet?
    Zorgt voor de stevigheid van de cel en geeft de cel vorm. Het cytoskelet is een netwerk van draadjes en buisjes in en om de cel, waardoor ook stoffen kunnen worden getransporteerd.
  • Hoe wordt een celwand ook wel genoemd?
    Een intercellulair materiaal of tussencelstof.
  • Benoem van drie plastiden
    1. Waaruit ze bestaan
    2. Waar ze zich bevinden
    3. De functie
    1. Chloroplasten (bloedgroenkorrels), bestaan uit het pigment chlorofyl. Chloroplasten komen voor in bladmoes (vulweefsel van bladeren), in sluitcellen (huidmondjes) en in schorsparenchym (groen weefsel van jonge stengels). Chloroplasten vervullen een belangrijke rol bij de fotosynthese.
    2. Amyloplasten (zetmeelkorrels), bevatten zetmeel, en bevinden zich in de wortels, knollen, bollen en zaden. Ze zijn belangrijk voor zetmeelopslag.
    3. Chromoplasten (kleurstofkorrels), bevatten kleurstof, bevinden zich in de bloemkronen en vruchten van de plant. Ze zijn door de opvallende kleuren belangrijk voor het lokken van andere dieren / insecten
  • Vul aan:

    Bij het rijpen van een vrucht worden ... omgezet in  ..., hierdoor krijgt de vrucht een kleur.
    1. Chloroplasten
    2. Chromoplasten
  • Leg uit wat grondplasma is.
    Het cytoplasma bestaat voor een groot gedeelte uit grondplasma. Dit een vloeistof die uit zichzelf stroomt en er zo voor zorgt dat er stoffen in de cel getransporteerd kunnen worden.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - biologie

  • 1 inleiding

  • Leg uit: het bio-psycho-sociaal model
    Het model laat toe ieder symptoom te analyseren en of aan te pakken door de drie luiken van het model en de relatie ertussen in beschouwing te nemen
  • Geef voorbeelden bij het bio psycho sociaal model
    Biologie: aanleg, erfelijkheid, ziekte, medicijnen, drugs en alcohol
    psychologie: persoonlijkheid, karaktertrekken, eigenschappen
    sociologie: gezin, vrienden, werk
  • 2 algemene kennis

  • Wat is anatomie
    - Grieks woord
    - letterlijke betekenis: 'opensnijden'
    - bestudeerd hoe het lichaam en alle verschillende onderdelen eruit zien
  • Wat is fysiologie?
    - Grieks woord
    - bestudeerd hoe het lichaam en de verschillende onderdelen ervan functioneren
    - het kan op verschillende manier bestudeerd worden: in rust of in actie
  • Wat is pathologie?
    - Grieks woord
    - wordt nagegaan wat het effect is van een ziekte op het functioneren van organen en stelsels
  • 2.1 de mens als biologisch organisme

  • Tot welke biologische soort behoren mensen?
    Homo sapiens
  • Hoe zijn mensen opgebouwd? En de orgaanstelsels?
    Alle mensen zijn op een heel gelijkaardige manier opgebouwd. Met het blote oog en stel dat we in het inwendige van de mens kunnen kijken kunnen we verschillende orgaanstelsels zien die elk opgebouwd zijn uit minstens 2 organen
  • Wat zijn organen?
    Organen vervullen een bepaalde functie en zijn opgebouwd uit twee of meer types weefsels die samenwerken om een specifieke functie uit te voeren
  • Wat zijn weefsels?
    Bij het weefsels bestuderen onder de microscoop blijken deze opgebouwd uit cellen van dezelfde soort. De cellen zijn zodanig gerangschikt dat het weefsel zijn functie kan uitoefenen.
  • Geef een voorbeeld van weefsels?
    In het skeletspierweefsel zijn alle skeletspiercellen parallel gerangschikt zodat de cellen bij contractie inkorten in dezelfde richting
  • Wat is contractie?
    Samentrekken
  • Wat wordt in celbiologie bestudeerd?
    - structuur
    - werking
  • Geef de kenmerken van cellen
    - heel gelijkaardig van samenstelling en werking
    - afkomstig van 1 en dezelfde cel = de bevruchte eicel
    - verschillen in bouw (morfologie)
    - 200 verschillende celtypes in het menselijke lichaam
    - hebben specifieke functies
  • Geef voorbeelden van celtypes
    Spiercel
    bindweefselcel
    zenuwcel
    levercel
  • Uit wat zijn cellen opgebouwd?
    - water
    - moleculen
  • In welke verbindingen bestaan moleculen?
    -organische verbindingen
    -anorganische verbindingen
  • Leg uit: organische verbindingen
    Liggen aan de basis van het leven: nucleïnezuren, eiwitten, koolhydraten en vetten
  • Leg uit: anorganische verbindingen
    Komen voor in het lichaam in opgeloste vorm of in vaste vorm
  • 2.2.1 anatomische gebieden

  • Wat is anterieur?
    De voorkant, voor
  • Wat is ventraal? Voorbeeld
    De buikzijde (synoniem voor anterieur)
    voorbeeld: de navel bevindt zich ventraal
  • Posterieur
    De achterzijde, achter
  • Dorsaal
    Meer naar de rug gelegen (synoniem voor posterieur)
    voorbeeld: de schouderbladen bevinden zich dorsaal ten opzichte van de ribbenkast
  • Craniaal
    In de richting van het hoofd/schedel
  • Superieur
    Boven, hoger
  • Caudaal
    In de richting van de staart/stuit
  • Inferieur
    Onder / lager
  • Mediaal
    (naar) het midden van het lichaam (lengteas)
  • Lateraal
    (naar) de zijkant van het lichaam
  • Proximaal
    Dichtbij de romp, in de richting van het aanhechtingspunt
  • Distaal
    Weg van de romp, weg van een aanhechtingspunt
  • Geef de 3 termen waarmee de oriëntatie in het vlak evenwijdig met de lengteas wordt benoemd
    1. Sagittaal
    2. midsagittaal of mediaan
    3. frontaal (of coronaal bij hersenen)
  • Leg uit: sagittaal
    Een sagittale doorsnede scheidt het lichaam in een linker en een rechtergedeelte
  • Leg uit: midsagittaal of mediaan
    Bij een sagittale doorsnede loopt het vlak door de middellijn waar door het lichaam door het midden wordt gedeeld in een evenwaardige linker en rechterzijde worden gescheiden
  • Leg uit: frontaal
    Een frontale of coronale doorsnede scheidt een ventraal en dorsaal gedeelte van het lichaam. Coronaal heeft meestal betrekking op doorsneden door het hoofd
  • Benoem de term waarmee de oriëntatie van het vlak loodrecht op de lengteas
    Transversaal of horizontaal
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de eerste stap van translatie?
Een vrij tRNA-molecuul met een aminozuur methionine bindt aan de kleine subunit van een ribosoom.

Aan de onderzijde van het tRNA-molecuul bevindt zich een anticodon. In dat geval bevat het anticodon de code 3'-UAC-5' dat is complementair aan 5'-AUG-3'
Hoe wordt pre-mRNA bewerkt?
De introns worden verwijdert.
Aan het 5' einde komt de 5'cap; Aan een guanosine komt een extra methylgroep

Aan het 3' einde komt een poly-A-staart: Lange rij met ongeveer 50 tot 250 nucleotiden met A 
Wat zijn introns?
De niet-coderende stukken mRNA. Geen informatie voor eiwitten.
Hoe heet de mRNA streng na transcriptie?
Pre-mRNA
Leg de derde stap van transcriptie uit.
RNA-polymerase eindigt bij een specifieke DNA-code die de terminator genoemd wordt

3'-TTATTT-5'

Hierna stopt de transcriptie.
Leg de tweede stap van transcriptie uit.
Op de promotor kan RNA-polymerase binden. Dit enzym zorgt ervoor dat de mRNA streng gevormd kan worden langs de originele DNA-streng (template of matrijsstreng). De andere streng heet de coderende streng.

Polymerase: 3' --> 5'
Leg de eerste stap van transcriptie uit.
Dubbelstrengs DNA worden opengeknipt bij een stukje DNA dat de promotor genoemd wordt. De promotor begint met een dubbelstrengs DNA met de code 
3'-TATAAA-5' (TATA-box) --> makkelijk uit elkaar te halen.
Welke streng wordt er gekopieerd bij transcriptie?
De template of de matrijsstreng met behulp van RNA polymerase.
Wat doet tRNA en rRNA?
Transfer RNA transporteert losse aminozuren zodat ze bij de translatie gekoppeld kunnen worden aan het nieuwe eiwit.

Ribosomaal RNA: Een ribosoom bestaat voor een groot deel uit eiwitten en uit RNA. Het RNA waaruit een ribosoom bestaat noem je rRNA.
Leg de eiwitsynthese uit in een paar stappen.
  1.  .mRNA  langs DNA: Transcriptie
  2. mRNA-molecuul gaat uit de kernporie
  3. mRNA wordt in ribosoom getransleerd: Er wordt eiwit gemaakt, translatie.