Summary Biologie voor jou 4h leeropdrachtenboek deel b

-
ISBN-10 9034574253 ISBN-13 9789034574251
938 Flashcards & Notes
436 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Biologie voor jou 4h leeropdrachtenboek deel b". The author(s) of the book is/are Arteunis Bos. The ISBN of the book is 9789034574251 or 9034574253. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Biologie voor jou 4h leeropdrachtenboek deel b

  • 5 Evolutie

  • De soorten/groepen organismen die nu leven op aarde, bestonden niet altijd. De levensvormen op aarde zijn in de loop van miljarden jaren ontstaan en veranderd. De manier waarop dit gegaan is, kan worden verklaard met de evolutietheorie van Darwin. Hij is de grondlegger hiervan. 
  • Wat is de evolutietheorie?
    De evolutietheorie verklaard hoe de levensvormen op aarde in de loop van miljarden jaren ontstaan en veranderd zijn.
  • 5.1 De indeling van de levende natuur

  • In hoofdstuk 1 (Inleiding in de biologie) is verteld dat de levende natuur ingedeeld wordt in 3 domeinen:
    - Bacteriën
    - Archaea (oerbacteriën die in extreme omgevingen leven, zoals hete bronnen)
    - Eukaryoten (dit zijn organismen waarvan de de cellen minstens een celkern bevatten)

    Bacteriën en archaea zijn prokaryoten. Dit zijn eencellige organismen die geen celkern bevatten.
  • Deze 3 domeinen worden ingedeeld in rijken. In de biologie worden organismen onderverdeeld in vier verschillende rijken:
    1. Planten
    2. Dieren
    3. Schimmels
    4. Bacteriën


    Organismen worden op basis van een aantal kenmerken (bijvoorbeeld of de cellen celwanden hebben) ingedeeld in deze vier rijken.
  • In welke 3 domeinen wordt de levende natuur onderverdeeld?
    Bacteriën, archaea en eukaryoten.
  • Wat is het verschil tussen eukaryoten en prokaryoten?
    Eukaryoten: organismen met cellen die minsten 1 celkern bevatten.
    Prokaryoten: organismen die eencellig zijn, zonder celkern.

    Het verschil is dus dat prokaryoten geen celkern hebben en eukaryoten wel.
  • 5.1.1 Indelingscriteria

  • In hoofdstuk 1 is verteld dat de indeling in rijken is gebaseerd op 4 kenmerken:
    • Celtype (prokaryoot of eukaryoot)
    • Aanwezigheid van een celwand
    • Aantal cellen
    • Voedingswijze (autoroof of heterotroof)

    Deze kenmerken worden indelingscriteria genoemd.
  • Een organel (bijvoorbeeld: celkern, vacuole, mitochondriën, endoplasmatisch reticulum) is een deel van een cel met een eigen functie. Organellen zijn omgeven door membranen. Prokaryoten hebben geen organellen in hun cellen, alle andere organismen wel.
  • Dieren zijn organismen zonder celwanden om hun cellen; alle anderen organismen hebben deze wel.
  • Er bestaan eencellige organismen (zoals bacteriën en archaea) en organismen (eukaryoten) die bestaan uit meerdere cellen. Schimmels, planten en dieren zijn eukaryoten.
    Protisten zijn een restgroep eukaryote organismen die moeilijk in te delen zijn in planten, dieren of schimmels.
  • Organische stoffen (zoals koolhydraten, eiwitten, vetten) zijn afkomstig van organismen of producten van organismen. Deze stoffen hebben grote, ingewikkelde moleculen. De moleculen bevatten:
    • Altijd een of meer koolstofatomen (C)
    • Waterstofatomen (H)
    • Zuurstof (O)
    • Stikstof (N)
    • Fosfor (P)
    • Zwavel (S)


    Anorganische stoffen (zoals water, keukenzout, koolstofdioxide) komen zowel in organismen als in de levenloze natuur voor.
  • Autotrofe (zelfvoedende) organismen nemen alleen anorganische stoffen op uit hun omgeving (water, zouten, zuurstof) en maken hieruit organische stoffen waaruit ze bestaan (eiwitten, vetten, koolhydraten). Autotrofe organismen hebben geen andere organismen nodig voor hun voedsel. Organismen die chlorofyl (bladgroen) bevatten zijn autotroof. Planten en enkele soorten bacteriën/archaea zijn autotroof.

    Heterotroof betekent: een ander nodig hebben voor het voedsel. Heterotrofe organismen kunnen geen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen. Zij hebben andere organismen nodig voor hun voedsel. Ze nemen zowel organische als anorganische stoffen op uit hun omgeving. De meeste soorten bacteriën, dieren en schimmels zijn heterotroof.
  • Op welke vier kenmerken is de indeling in rijken gebaseerd? Hoe worden deze kenmerken genoemd?
    • Celtype (prokaryoot of eukaryoot)
    • Aanwezigheid celwand
    • Aantal cellen
    • Voedingswijze (heteromorf of autotroof)


    Deze vier kenmerken worden indelingscriteria genoemd.
  • Wat is een organel? Noem 4 voorbeelden van organellen.
    Een organel is een deel van een cel met een eigen functie. Voorbeelden zijn:
    • Celkern (hierin ligt DNA opgeslagen)
    • Vacuole (blaasje met vocht waarin voedingsstoffen liggen opgeslagen)
    • Mitochondriën (energiecentrales van de cel)
    • Endoplasmatisch reticulum (netwerk van membranen waar eiwitten worden gemaakt)
  • Wat zijn protisten?
    Restgroep eencellige eukaryoten en meercellige planten die niet goed zijn in te delen bij schimmels, planten en dieren.
  • Wat zijn organische stoffen? Noem 3 voorbeelden.
    Organische stoffen zijn afkomstig van organismen of producten van organismen. Ze bevatten relatief grote, ingewikkeld gebouwde moleculen. Voorbeelden zijn: koolhydraten, eiwitten en vetten.
  • Wat zijn anorganische stoffen? Noem 3 voorbeelden.
    Anorganische stoffen komen zowel in organismen als in de levenloze natuur voor. Bevatten kleine, eenvoudig gebouwde moleculen. Voorbeelden zijn: water, keukenzout, zuurstofgas, koolstofdioxide.
  • Wat is het verschil tussen heterotrofe en autotrofe organismen?
    Autotrofe organismen: kunnen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen. Ze hebben geen andere organismen nodig voor hun voedsel. Nemen alleen anorganische stoffen op uit hun milieu. Voorbeelden zijn: planten en enkele soorten bacteriën en archaea.

    Heterotrofe organismen: kunnen geen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen. Hebben andere organismen nodig voor hun voedsel. Nemen zowel organische als anorganische stoffen op uit hun milieu. Voorbeelden zijn: schimmels, dieren en de meeste soorten bacteriën en archaea.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat betekent abiotisch, wat zijn abiotische factoren en wat is hun invloed?
Abiotisch betekend niet levend. Abiotische factoren zijn bijv. Temperatuur, wind, water enz. Een abiotische factor kan een biotische factor beïnvloeden.
Wat ontstaat er door successie
Uiteindelijk broekbos
Wat vindt er in een plas langzaam plaats
Verlanding
Wat is een duin
Aangewaaide zandheuvels
Noem voorbeelden van een climaxecosysteem
Tropische regenwouden koraalriffen en loofbossen
Wat is een climaxecosysteem
Laatste stadium in de successie
Wat is een pionierecosysteem
Ecosysteem dat als eerste ontstaat in een onbegroeid terrein
Wat is successie
Verandering van de soortensamenstelling van een levensgemeenschap waardoor deze geleidelijk overgaat in een andere
Waardoor treed er energieverlies op in elke schakel
Door afgestorven weefsel, door onverteerd voedsel en door verbanding
Wat geeft de piramide van biomassa weer
Geeft van elk trofisch niveau de biomassa weer