Summary Biologie voor jou 5vwo B

-
ISBN-13 9789402065084
489 Flashcards & Notes
16 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Biologie voor jou 5vwo B". The author(s) of the book is/are Marianne Gommers. The ISBN of the book is 9789402065084. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Biologie voor jou 5vwo B

  • 3.1 Chemie in cellen

  • Metabolisme (stofwisseling)
    Het geheel van alle chemische omzettingsprocessen in een organisme
  • Basale metabolisme (de grondstofwisseling)
    Alle processen die in rust doorgaan
    • intensiteit kan bepaald worden door de hoeveelheid zuurstof te meten die een individu in rust verbruikt 
  • Chemische energie
    De energie die in de atoombindingen van energierijke stoffen (tussen C-H bindingen zit energie opgeslagen, wanneer deze verbroken wordt komt energie vrij) is opgeslagen.
  • Assimilatie
    De opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen (energie is nodig)
  • Dissimilatie
    De afbraak van grote organische moleculen tot kleinere moleculen (energie komt vrij)
  • Koolstofassimilatie
    Het vormen van glucose uit koolstofdioxide en water
    Dit doen autotrofe organismen (planten en cyanobacterien)
  • Voortgezette assimilatie
    Het ontstaan van grote organische moleculen met energierijke bindingen. Vanuit de grondstof glucose worden koolhydraten, eiwitten, vetten en DNA gevormd
  • ATP (adenosinetrifosfaat)
    Stof die chemische energie transporteert naar plaatsen in de cel waar energie nodig is.
    Adine - ribose - 3x fosfaatgroep
  • ADP (adenosinedifosfaat)
    Wanneer er 1x fosfaatgroep van ATP is afgesplitst, ontstaat ADP en komt er bindingsenergie beschikbaar
  • Wat is fosforylering en waar vindt dit plaats?
    Binding van een fosfaatgroep aan ADP --> ontstaat energierijke ATP.
    • Gevormd bij in chloroplasten bij fotosynthese
    • Gevormd bij verbranding in mitochondriën
  • Wat zijn andere energiedragende moleculen?
    • NADP+
    • NAD
    --> zijn chemisch aan ATP verwante moleculen
  • 3.2 Enzymen

  • Enzymen
    Eiwitten die chemische omzettingsprocessen katalyseren zonder zelf te verbruikt te worden
  • Actieve centrum
    Het deel van het enzymmolecuul waar de reactie plaats vindt. Hier past het substraatmolecuul precies op.
  • Substraat
    De stof waarop het enzym inwerkt
  • Substraatspecifiek
    Elk enzym kan slechts inwerken op een stof (of op een groep van stoffen). Elke reactie vereist een eigen enzym.
  • Enzym-substraatcomplex (E-S-complex)
    Moment van binding tussen substraat en enzym, korte durende binding. Na deze binding is substraat omgezet in product. Enzym laat los en kan weer met ander substraat verbinden
  • Cofactor
    Molecuul dat nodig is om een enzym te laten werken. Kan organisch of anorganisch zijn.
    • Als cofactor organisch is: co-enzym  
  • Bij de werking van ATP'ase is ATP zowel substraat als co-enzym.
    Als ATP'ase gebruikt wordt voor fosforylering (synthese van ATP) dan wordt het ook wel ATP-synthase genoemd
  • Activeringsenergie
    De energie die moet worden toegevoerd om de reactie op gang te brengen
  • Reactie-energie
    Energie die bij de reactie vrij komt
  • Enzymactiviteit
    De mate waarin een enzym een reactie versnelt. Deze wordt bepaald door te meten hoeveel substraat per tijdseenheid wordt omgezet.
  • Denaturatie
    Wanneer de temperatuur zo hoog wordt (boven de max. Temperatuur) dat de specifieke ruimtelijke structuur verloren gaat. 
    Dit is onomkeerbaar.
  • Invloed van pH op enzymactiviteit:
    De ruimtelijke structuur blijft intact bij de optimum pH. Wanneer deze omhoog/omlaag gaat verandert het actieve centrum bij enzymmoleculen, waardoor deze zijn werking verliest. 

    Dit is omkeerbaar: bij de optimum pH krijgt het enzym de passende structuur weer terug
  • Activator
    Een stof die bindingen aan gaat met enzymmoleculen waardoor de activiteit verhoogt wordt.
    E-S-complexen worden sneller gevormd.
  • Remstoffen
    Een stof die bindingen aan gaat met enzymmoleculen waardoor de activiteit verlaagt wordt.
    Er worden minder of geen E-S-complexen meer gevormd
  • Reactieketen
    Een reeks opeenvolgende stofwisselingsreacties die leidt tot een eindproduct. Er ontstaat hierdoor een evenwicht.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe werkt genetische modificatie met virussen?
  • Er wordt kopie gemaakt van mRNA 
    • dit bevat geen introns of andere overbodige info
  • met enzym: reverse-transcriptase kan langs een mRNA-keten een enkelstrengs DNA-keten worden gevormd
  • Er ontstaan complementair DNA (of copyDNA -cDNA-)
Hoe werkt recombinant-DNA-techniek?
Met restrictie-enzymen DNA fragmenten uit DNA knippen
En vervolgens inbrengen in het gewenste organisme
  • via bacterie (en zijn plasmide)
Wat is recombinant-DNA-techniek?
Bij deze techniek wordt de nucleotidevolgorde van het DNA in een organisme gewijzigd door DNA in te brengen dat afkomstig is van een ander individu.
  • cisgenese
    • als DNA van organisme van dezelfde soort komt
  • transgenese
    • als DNA van organisme van andere soort komt 
Wat is een transgeen/ggo?
Een organisme waarbij het DNA is veranderd
Genetische modificatie
= een gen van een bepaald organisme kan worden overgebracht naar het DNA van een ander organisme
Celkerntransplantatie
= een manier van klonen. Hierdoor kunnen de gunstige eigenschappen worden doorgegeven.
Biotechnologie
= een verzamelnaam voor technieken waarbij organismen worden gebruikt om producten te maken voor de mens.
Crossing-over
= als delen van chromosomen worden uitgewisseld tussen de homologe chromosomen. Dit kan door afbreken chromosoom die zich aan ander chromosoom hecht (=chromosoommutatie)
  • versterkt het effect van recombinatie tijdens de meiose
  • kan in elk chromosoom op elke willekeurige plaats optreden
Kwaadaardige tumoren
= door mutaties is de cel ongevoelig geworden voor stoffen die de celdeling remmen. Delingssnelheid is hoog
  • metastase 
    • uitzaaiing van tumoren naar andere lichaamsdelen 
Wanneer ontstaat gezwel
= als suppressorgen er niet voor zorgt dat de cel overgaat tot apoptose