Summary Biologie voor jou 6v leeropdrachtenboek

-
ISBN-13 9789034574329
1013 Flashcards & Notes
32 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Biologie voor jou 6v leeropdrachtenboek". The author(s) of the book is/are A aaaaa. The ISBN of the book is 9789034574329. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Biologie voor jou 6v leeropdrachtenboek

  • 1 Voeding

  • Waarom moeten heterotrofe organismen voedsel opnemen?
    Om de assimilatie- en dissimilatieprocessen in het lichaam in stand te kunnen houden. 
  • Waarop is de voedselopname afgestemd?
    Het energieverbruik van het organisme. 
  • Wat zijn de 6 belangrijkste groepen voedingsstoffen?
    • eiwitten
    • koolhydraten
    • vetten
    • mineralen
    • vitaminen
    • water
  • Zijn eiwitten bouwstoffen of brandstoffen?
    Bouwstoffen, maar kunnen ook dienst doen als brandstof. 
  • Zijn koolhydraten bouwstoffen of brandstoffen?
    Brandstoffen, soms bouwstof
  • Noem 4 monosachariden. 
    • ribose
    • dexosyribose
    • glucose
    • fructose
  • Noem 2 disachariden. 
    • lactose
    • sacharose
  • Noem 2 polysachariden. 
    • zetmeel
    • glycogeen
  • Zijn vetten brandstoffen of bouwstoffen?
    Brandstoffen, soms bouwstof
  • Noem 5 functies van water in het lichaam. 
    • oplosmiddel
    • transport
    • regeling temperatuur
    • bouwstof
    • osmotische waarde
  • Zijn mineralen bouwstoffen of brandstoffen?
    Bouwstoffen (de ionen)
  • Wat is een brandstof?
    Een voedingsstof die energie levert. 
  • Wat is een bouwstof?
    Een voedingsstof die wordt gebruikt bij de bouw van (delen) van cellen en weefsels. 
  • Beschrijf kort de vertering van eiwitten. 
    Eiwitten zijn polymeren van een groot aantal aminozuurmoleculen. Deze worden afgebroken tot afzonderlijke aminozuren. Daarna worden ze opgenomen in het bloed, om naar de organen vervoerd te worden. Daar worden ze in de cellen bij de eiwitsynthese weer aan elkaar gekoppeld. 
    • Hoeveel verschillende aminozuren komen er voor in de eiwitten van de mens?
    • Hoeveel hiervan kunnen door het lichaam zelf gemaakt worden, en hoe gebeurt dit?
    • Hoe noemen we het overige aantal aminozuren?
    • 20
    • 12, transaminering
    • essentiële aminozuren
  • Wat gebeurt er met de aminozuren die niet bij de eiwitsynthese gebruikt worden?
    Deze worden gedissimileerd. Uit de aminogroep ontstaat ureum, wat wordt uitgescheden met de urine. verder ontstaan stoffen zoals pyrodruivenzuur, wat energie op kan leveren. 
  • Hoe worden koolhydraten opgeslagen in je lichaam?
    • een klein deel wordt omgezet in glycogeen, wat wordt opgeslagen in de spieren en lever.
    • het grootste deel wordt omgezet in vet en opgeslagen in het onderhuidse bindweefsel, en rondom organen. 
  • Wat zijn voedingsvezels?
    Stoffen die niet door enzymen uit het verteringsstelsel van de mens kunnen worden verteerd. Het zijn voornamelijk koolhydraten zoals cellulose en pectine. Een deel van de voedingsvezels kan wel door de darmflora worden afgebroken. 
  • Waar komt het vet cholesterol voor?
    In celmembranen en in het bloedplasma
  • Hoe kom je aan cholesterol?
    Het meeste cholesterol wordt aangemaakt door de lever, een klein deel krijg je binnen via je voeding. 
  • Verzadigde vetzuren bevorderen de afzetting van cholesterol tegen de binnenwand van de bloedvaten, onverzadigde vetzuren verminderen dit. 
  • Het lichaam kan glycerol en de meeste vetzuren vormen uit andere organische stoffen. De overige worden essentiële vetzuren genoemd . Deze zijn altijd onverzadigd. Een voorbeeld is linolzuur. 
  • Spoorelementen (o.a. fluor, fosfor, jood, magnesium, zwavel en ijzer)zijn in geringe hoeveelheden nodig. Het zijn vaan bestanddelen van enzymen en hormonen.
  • Hoe doen vitaminen o.a. dienst in het lichaam?
    Als co-enzym. 
  • Vitaminen kunnen niet of nauwelijks gemaakt worden door het lichaam. Enzymen en dus ook co-enzymen zijn nodig voor stofwisselingsreacties in het lichaam. Door een vitaminetekort kunnen gebreksziekten ontstaan.
    Veel vitaminen neem je op als pro-vitamine. 
  • Welke vitaminen zijn wateroplosbaar? Wat is het gevolg daarvan?
    B & C. Ze kunnen niet worden opgeslagen in het lichaam, 
  • Welke vitaminen zijn vetoplosbaar? Wat is het gevolg daarvan?
    A, D, K. Ze kunnen tot op bep hoogte worden opgeslagen in het lichaam. Vit A in grote hoeveelheiden in de lever. 
  • Waar vindt de vertering plaats?
    In het darmkanaal.
  • Noem de 8 onderdelen van het verteringskanaal. 
    • mond
    • slokdarm
    • maag
    • dunne darm
    • dikke darm en endeldarm
    • galblaas
    • lever
    • alvleesklier
  • Noem de 2 onderdelen van de mechanische vertering. 
    • het kauwen van voedsel met het gebit
    • het kneden van de voedselbrij door de darmperistaltiek. 
  • Hoe ontstaat de darmperistaltiek?
    In de wand van het hele darmkanaal bevinden zich kringspieren en lengtespieren. Door het afwisselend samentrekken en ontspannen hiervan ontstaat de darmperistaltiek. 
  • Welke 2 functies heeft het kauwen van voedsel?
    • vergroten tot oppervlakte
    • mengen voedsel met speeksel (betere werking enzymen)
  • Door het slijm in het speeksel is doorslikken makkelijker. Met de tong wordt het gekauwde voedsel naar de keelholte geduwd, waar het prikkels veroorzaakt die de slikreflex in werking stellen. De neusholte wordt afgesloten met de huig, het strotklepje sluit de keelholte af. Het voedsel kan dan alleen de slokdarm in.
  • Wat wordt er door het slikken in werking gezet?(2)
    • De peristaltische bewegingen van de slokdarm
    • het ontspannen van de kringspier tussen slokdarm en maag
  • Wat is de functie van de darmperistaltiek?
    Het voortduwen van de voedselbrij door het darmkanaal, en vermengen met de verteringssapppen. 
  • Hoe heet de kringspier tussen de maag en twaalf-vingerige darm?
    De pylorus of maagportier
  • Waar komen alvleessap en gal bij de voedselbrij, en hoe?
    in de twaalf-vingerige darm, hier monden de afvoerbuizen van de lever en alvleesklier uit. 
  • De lever produceert gal, wat tijdelijk wordt opgeslagen in de galblaas. Gal bevat galkleurstoffen en galzouten. Galzouten zorgen voor emulgatie en daardoor vergroot de totale oppervlakte van het vet.
  • Welke 4 dingen kunnen zonder vertering in het bloed worden opgenomen?
    • monosachariden
    • water
    • mineralen
    • vitaminen
  • Eiwitten worden afgebroken tot afzonderlijke aminozuren.
    Poly- en disachariden worden afgebroken tot monosachariden.
    Vetten worden afgebroken tot een glycerolmolecuul en afzonderlijke vetzuurmoleculen. 
  • Wat is maltose?
    Een disacharide (afbraakproduct van zetmeel)
  • Wat is de optimum pH van amylase?
    6,6. Werkt tussen 6 en 7,5
  • Welk hormoon regelt de productie van maagsap?
    gastrine
  • Bepaalde kliercellen in maagsapklieren produceren zoutzuur, andere slijm en weer andere pepsinogeen (inactief pro-enzym door zoutzuur en pepsine geactiveerd wordt tot pepsine).
  • Wat is het pH optimum van pepsine?
    2,5
  • Wat is de functie van pepsine?
    Het splitsen van lange polypeptiden in kortere ploypeptiden
  • Waarvan is het openen en sluiten van de maagportier afhankelijk?
    De pH in de twaalf-vingerige darm
  • Wat gebeurt er als de pH in de twaalf-vingerige darm daalt (bijv door zure voedselbrij)?
    • de kringspier spant zich aan
    • bep cellen in de wand worden gestimuleerd tot de secretie van sectretine en cholecystokine. 
  • Wat zijn de functies van secretine?
    • de lever stimuleren tot de aanmaak van gal
    • de alvleesklier stimuleren tot de aanmaak van NaHCO3
  • Wat is het nut van de afgifte van NaHCO3?
    Deze stof is basisch, en neutraliseert zo de voedselbrij, die in de maag een hoge pH heeft gekregen.  De pH stijgt tot 8/9. De kringspier ontspant, waardoor er nieuw voedsel in de twaalfvingerige darm kan. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is lymfe?
Weefselvloeistof dat in lymfevaten belandt. Deze vaten verenigen zich tot grotere lymfevaten, deze bevatten ook kleppen. Het lymfevatenstelsel voert de lymfe terug naar het bloedvatenstelsel. Lymfeknopen/-klieren zuiveren lymfe van onder andere ziekteverwekkers
Wat is de functie van weefselvloeistof?
Zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toe voeren en afvalstoffen van de cellen weg voeren. 
Het bevat onder andere zuurstof, voedingsstoffen, hormonen, afvalstoffen en plasma-eiwitten. BiNaS 84G
Hoe ontstaat weefselvloeistof?
Doordat aan het begin van de haarvaten vocht uittreedt (filtratie). Plasma-eiwitten met relatief grote moleculen kunnen de haarvaten niet verlaten waardoor een colloïd-osmotische druk ontstaat tussen bloedplasma en weefselvloeistof.
Beschrijf het proces van bloedstolling
  1. Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde want en vormen een bloedpropje
  2. Er komen stoffen vrij die een keten van reacties op gang zetten (fibrogeen --> fibrine)
  3. Fibrine vormt een netwerk van draden dat de wond afsluit


Het is mogelijk om antistollingsmiddelen te slikken
Wat zijn witte bloedcellen?
Leukocyten, ze hebben een celkern en veranderlijke vorm. Het is voor de bescherming tegen ziekteverwekkers en lichaamsvreemde stoffen. In het rode beenmerg ontstaan verschillende soorten: lymfocyten en fagocyten
Wat zijn bloedplaatjes?
Het heeft geen celkern. Het wordt gevormd in het rode beenmerg en het is nodig voor bloedstolling
Wat zijn rode bloedcellen?
Ze hebben geen celkern, in het rode beenmerg onder invloed van het hormoon epo wordt het gemaakt. Het wordt afgebroken in het rode beenmerg, in de milt en in de lever. 
Het bevat hemoglobine die zuurstof en koolstofdioxide kan binden. De functie is het vervoer van zuurstof en CO2
Wat is bloedplasma?
Water  met opgeloste stoffen en plasmaeiwitten. Het houdt het interne milieu constant, het vervoert zuurstof, voedingsstoffen, afvalstoffen, regelende stoffen en beschermende stoffen.
Plasmaeiwitten helpen bij het handhaven van de colloïd-osmotische druk en de bloeddruk. Fibrinogeen helpt bij bloedstolling.
Wat is bloeddruk?
De druk van het bloed tegen de wand van het hart en de bloedvaten
De maximale druk is de bovendruk of systolische bloeddruk, dit is wanneer de kamers samentrekken
De minimale druk is de onderdruk of diastolische bloeddruk, dit is tijdens de hartpauze
Het wordt opgeschreven als bovendruk/onderdruk
Per type bloedvat is de stroomsnelheid omgekeerd evenredig met de totale diameter van de bloedvaten
Wat zijn aders?
Venen, hierdoor stroomt bloed naar het hart toe. Er is een lage bloeddruk, geen slag merkbaar, het heeft een dunne wand en het ligt meestal ondiep in het lichaam