Summary Biologie voor jou Havo 5 A

-
ISBN-13 9789402065053
307 Flashcards & Notes
15 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Biologie voor jou Havo 5 A". The author(s) of the book is/are Marianne Gommers, Arthur Jansen, André van leijen, Ruud Passier, Hans Rawee, Theo de Rouw. The ISBN of the book is 9789402065053. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Biologie voor jou Havo 5 A

  • 1.1 chemie in de cellen

  • Wat is stofwisseling
    Het geheel van chemische omzettingsprocessen in een organisme
  • Organische stoffen bevatten 1 of meer ketens van koolstofatomen. Deze ketens kunnen enkele atomen lang zijn. Een organische molecuul bevat naast koolstof atomen ook altijd waterstof en meestal zuurstof. Het vormen van deze bindingen kost energie. Bij het verbreken van zo'n binding komt er energie vrij voor de cel. Dit wordt chemische energie genoemd
  • Chemische energie
    De energie die in de atoombindingen van energierijke stoffen is opgeslagen.
  • Anorganische stoffen bestaan uit kleine en eenvoudig gebouwde moleculen. Ze bevatten weinig chemische energie.
  • Assimilatie
    Is de opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen (energie nodig)
  • Dissimilatie
    Is de afbraak van grote organische moleculen tot kleinere moleculen (komt energie vrij)
  • Bij voortgezette assimilatie ontstaan grote organisch moleculen met energierijke bindingen. Door dissimilatie komt die energie beschikbaar voor cel processen, zoals assimilatie of transport van stoffen
  • 1.2 enzymen

  • Enzymen
    Zijn eiwitten die chemische omzettingen katalyseren. Daarbij worden de enzymen zelf niet gebruik.
  • Het actieve centrum
    Deel van het enzym waar de reactie plaatsvind
  • Een enzymmolecuul maakt dus vele malen dezelfde reactie mogelijk. Daardoor zijn enzymen al in kleine hoeveelheden werkzaam.
  • Enzymactiviteit
    De mate waarin een enzym een reactie versnelt
  • Bij een stijging van tempratuur neemt de enzymactiviteit toe als de tempratuur nog hoger gaat wordt de enzym activiteit minder omdat er minder intacte enzymen overblijven omdat enzymen boven een bepaalde tempratuur kapot gaan
  • 1.3 fotosynthese

  • Bladgroen
    Pigment waardoor planten in staat zijn om de energie uit licht om te zetten in de chemische energie glucose
  • Bladgroen bevind zich in de bladgroenkorrels.
  • Behalve bladgroen bevatten bladgroenkorrels ook enzymen die nodig zijn bij de fotosynthese
  • Bladgroen kan energie uit licht absorberen. De opgenomen lichtenergie wordt in de fotosynthese gebruikt om ATP te vormen en om water te splitsten in waterstof en zuurstof.
  • Na de fotosynthese wordt de zuurstof (deels) afgegeven aan de lucht. De waterstof en de energie uit de ATP worden samen met koolstofdioxide gebruikt voor de vorming van glucose
  • 1.4 voortgezette assimilatie

  • Koolhydraten ook sacharide genoemd zijn opgebouwd uit koolstof, waterstof en zuurstof. Koolhydraten hebben in de cel vooral de functie als bouwstof en (reserve) brandstof
  • Monosachariden
    Bevatten vijf of zes c-atomen een voorbeeld hiervan is glucose
  • Disacharide
    Bestaan uit 2 monosacharide. Twee glucose moleculen vormen maltose. Een ander VB van disacharide zijn lactose en sacharose
  • Polysacharide
    Zijn lange ketens monosacharide een voorbeeld hiervan is zetmeel een ander VB is cellulose.
  • Cellulose
    Is het hoofdbestandsdeel van celwanden van planten
  • Eiwitten
    Zijn ketens van enkele tientallen tot meer dan duizend aminozuren
  • Een aminozuur bevat een centraal c-atoom met daaraan gebonden een (NH2) aminogroep, een carboxygroep (cooh), een H-atoom en een restgroep
  • In menselijke eiwitten komen twintig verschillende typen aminozuren voor. Planten zijn in staat om aminozuren op te bouwen uit glucose en stikstof houdende ionen. De energie voor opbouw van aminozuurmoleculen wordt geleverd door ATP. Dieren kunnen geen aminozuren opbouwen uit glucose. Ze zijn wel in staat een aantal aminozuren te vormen uit de aminozuren die ze met voedsel binnenkrijgen
  • Alle organisme kunnen eiwitmoleculen vormen door aminozuren aan elkaar te koppelen
  • De primaire structuur van een eiwit molecuul wordt bepaald door de typen aminozuren die erin voorkomen en in welke volgorde deze aminozuren deze voorkomen
  • De secundaire structuur ontstaat doordat aminozuren telkens een binding maken onder een andere hoek dit wordt dan een spiraalvorm dit word ook wel helixstructuur genoemd.
  •  Vetten worden ook wel lipiden genoemd. Ze lossen niet op in water en worden in organisme gebruikt als bouwstof in de membranen en als reservebrandstof.
  • Veel vetten zijn triglyceriden. Dit wordt gevormd doordat 3 vetzuurmoleculen zich binden aan 1 glycerolmolecuul. Glycerol bestaat uit drie C-atomen waaraan 3 OH groepen binden. Vetzuur bestaat uit een lange keten van CH2 met aan het einde een carboxygroep (cooh).
  • Celmembranen bestaan grotendeels uit fosfolipiden. Hierbij is 1 vetzuur van het triglyceride vervangen door een fosfaatgroep. Fosfolipiden hebben hierdoor twee hydrofobe vetzuurstaarten en 1 hydrofiele kop met een fosfaatgroep. Hierdoor vormen de fosfolipiden een dubbele laag moleculen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Vitamine
Zijn organische stoffen die nodig zijn om de processen in je lichaam goed te laten verlopen. Belangrijke vitaminen zijn A,B,C,D en K
Spoorelementen
Mineralen die je in zeer kleine hoeveelheid nodig hebt VB. Zijn chroom, fluor, jodium en ijzer
Mineralen
Zijn anorganische stoffen zoals calcium, fosfor, kalium en natrium. Je hebt mineralen dagelijks nodig om ervoor te zorgen dat processen in je lichaam goed doorlopen
Cholesterol
Is een vet dat je voor een klein deel binnenkrijgt via de voeding. De meeste cholesterol wordt aangemaakt door de lever. Cholesterol komt voor in celmembranen en wordt gebruikt bij de productie van hormonen, gal en vitamine D.
Vetten
Zitten in voedingsmiddelen als halvarine, zonnebloemolie, vlees, vis, kaas, noten, koek, snacks en sauzen.
Voedingsvezels
Zijn koolhydraten die niet worden verteerd door enzymen van de mens. VB. Cellulose en pectine. Wel bevorderen ze de darmwerking en de stoelgang ook zorgen ze voor een verzadigd gevoel
Eiwitten
Zijn ketens van enkele tientallen tot meer dan duizend aminozuren
Brandstoffen
Zijn voedingsstoffen die energie kunnen leveren voor de dissimilatie (verbranding)
Voedingsmiddelen
Alles wat je eet en drinkt
De beperkende factor
De factor die het minst gunstigst is voor de intensiteit van de fotosynthese