Summary Bodem en Water een stroomgebiedbenadering

-
134 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Bodem en Water een stroomgebiedbenadering

  • 1 Studietaak 1

  • Definities
    Debiet = volume water dat ergens doorheen stroomt; volume/tijdseenheid
    Cartografie: a. Vervaardigen van kaarten waarbij de inwinning van geo-informatie de eerste stap is; het eindproduct heeft een beperkte toepassing
    b. Het doorgeven van ruimtelijke INFORMATIE dmv kaarten
  • Kaarten
    Definities:
    1. Grafische weergave van ruimtelijke aspecten van de werkelijkheid
    2. Gemodelleerde weergave van het aardoppervlak
    3. Visuele representatie van ruimtelijke verschijnselen
    4. Schaalmodel van de werkelijkheid
    5. Flexibele interface op ruimtelijke gegevens

    Doel: in kaart brengen van:
    1. locaties van objecten en verschijnselen
    2. Zichtbare en onzichtbare ruimtelijke verschijnselen
    3. Ruimtelijke patronen binnen 1 verschijnsel en relaties tussen verschillende verschijnselen

    Horizontale relaties: verschillen/overeenkomsten tussen twee of meer gebieden (ook bv handel en migratiestromen).
    Verticale relaties: samenhangende relaties tussen twee of meer thema's.

    Topografisch: locaties van objecten; (kleinschalig: referentiekaart)
    Thematisch: verschijnselen

    Schaal: verhouding tussen werkelijke afstand en representatie op de kaart.

    Kleinschalig (verwijst naar de breuk, er komt een klein getal uit, 1:10.000.000): GROTE verkleining
    Grootschalig: KLEINE verkleining
  • Soorten thematische kaarten
    1. Stippenkaart: statische gegevens (aantallen) worden weergegeven als een stip, dichthedenkaart
    2. Figuratieve kaart: hoeveelhedenkaart, stippen verschillen in grootte (bv om grootte van een stad aan te geven)
    3. Choropleet (choros= gebied, plethos= waarde): aantallen per ha
    4. Chorochromatische kaart: kwalitatieve verschillen tussen gebieden (bv bodemkaart)
    5. Isolijnenkaart: verschijnsel (hoogte, diepte etc) weergegeven met lijnen die gelijke waarden aangeven
    6. Ruimtelijk model: x, y en z as
    7. Cartogram: lijn-, staaf of taartdiagram op een kaart
    8. Anamorfose: de grootte van een land wordt evenredig aan een bepaald kenmerk weergegeven (met behoud van vorm), bv BNP
    9. Bewegingskaart: beweging van goederen of mensen
  • Definities bij rivieren
    Verhang (hydraulica gradient): relatieve hoogteverschil, m/km (verval/afstand tussen de 2 plaatsen)
    Verval (hydraulic head): absoluut hoogteverschil tussen 2 plaatsen (m)
    Talweg: de lijn die de laagste punten in de vallei van een helling met elkaar verbindt, geeft het natuurlijke profiel van een waterloop aan
  • 1.1 Thema C2 stroomgebieden

  • Topografisch stroomgebied (topographical watershed)
    Wisselwerking tussen bodem en water belangrijk voor stroomgebied (basin) benadering.

    Definitie: gebied vanwaar alle over het oppervlak lopende water via stromen, rivieren en evt meren door 1 riviermond in zee stroomt.
    Bestaat uit: dalbodem/valley floor, valleiwanden/valley side en interfluve (tussenliggende gebieden die draineren op het water). 
    Waterscheidingskam/drainage divide: scheidingslijn tussen de oppervlakkige afvloed van het ene gebied en het andere gebied.

    Er is een groot verschil tussen de hoeveelheid water die de grote rivieren in de wereld afvoeren en de grootte van hun stroomgebied (zie tabel C2.1 blz 80), de Amazone is de grootste rivier (175.000 m2/sec en 5.800.000 km2).

    Werkelijke stroomgebied kan of groter of kleiner zijn dan het topografisch stroomgebied.

    Het stroomgebied van de hoofdrivier bevat ook de stroomgebieden van de bijrivieren/tributary.

    In woestijngebieden komen stroomgebieden voor waarvan de rivier niet in de oceaan uitstroomt (eindigt in een bekken of vallei): endoreisch stroomgebied
  • Natuurlijke rivieren verleggen hun loop
    Het water in een rivier zoekt altijd de steilste helling (verhang) om naar beneden te stromen.
    In een bocht is de snelheid van het water het hoogst aan de buitenkant en het kleinst aan de binnenkant, aan de buitenkant wordt zand weggeschuurd en aan de binnenkant vindt sedimentatie plaats.
    Uiterwaarden (vaak landbouwgrond): land tussen rivier en winterdijk.
    Zomerdijken zijn lager (in de zomer  minder afvloed) en liggen dicht bij de rivier.
    Kribben: om ligging rivier vast te leggen en dichtslibben te voorkomen.
    Stuw: beweegbare barrière in het water die het water tegen houdt en zorgt voor een hogere waterspiegel

    De Maas is een regenrivier en volgt het neerslagpatroon in het stroomgebied.
    de Rijn ontvangt smeltwater en regenwater, gemengde rivier.
  • Verschil tussen topografisch stroomgebied en werkelijk stroomgebied
    topografisch: afvloed van oppervlakkig water
    Als water van het ene topografische stroomgebied ondergronds naar een ander stroomgebied stroomt verschilt het werkelijke/hydrogeologische stroomgebied van het topografische.

    Stroomgebieden worden ook beïnvloed door bv wegen of spoorlijnen, drinkwaterreservoirs, irrigatiekanalen en pompsystemen.
  • Ordening drainagegebieden
    Voor alle gebieden vrijwel hetzelfde, in stroomordes/stream orders.
    Als twee stromen van dezelfde orde samenvloeien stijgt ie met 1 rang ( 1 en 1 wordt 2).
    Bij ongelijke stromen die samenvloeien krijgt de samenvloeiing de orde van de grootste stroom (1 en 2 wordt 2).

    Drie langste rivieren:
    1. Nijl
    2. Amazone
    3. Yangtze

    Grootste stroomgebied:
    1. Amazone (ook meeste water)
    2. Congo
    3. Missisippi
  • 1.2 Thema B hydrologische kringloop

  • Verschillende fasen en geografische vormen van water
    1. Vloeibaar: water in rivier, beek, meer, zee etc
    2. Vast: ijskappen, gletsjers, drijfijs
    3. Gas: wolk, waterdamp

    HYDROLOGISCHE kringloop: water verandert steeds van fase en van geografische vorm (rivier stroomt naar de zee).
    Verdamping vanuit zee (evaporatie): 86%
    Verdamping/transpiratie van het land (evapotranspiratie): 14% 
    Neerslag op zee: 78%
    Neerslag op het land: 22%
    Bovengrondse afvloeiing: 8%

    99% van het water op aarde zit in oceanen, meren, rivieren, ijskappen en gletsjers of in ondergronds gesteente.
    1% van het water neemt deel aan de hydrologische kringloop!
    ca. 1% van alle water op aarde is drinkbaar (0,1% zoet oppervlaktewater, 0,9% grondwater)!!!

    Water blijft ca. 10 dagen in de atmosfeer, tot 1500 jaar in grondwaterlagen, 2500 jaar in oceanen en tot 10.000 jaar in ijskappen.

    Waterbeweging in de grond boven het grondwater (onverzadigde zone): percolatie
    Waterbeweging waarbij grondwater naar het oppervlak komt: kwel/effluent seepage


    In hellende gebieden stroomt door de zwaartekracht water van hoger gelegen infiltratiegebieden naar lager gelegen gebieden, door toename van druk naar oppervlak: bron/spring


    Als grondwater wordt afgesloten ontstaat fossiel water.



  • Debiet
    De eigenschappen van een stroomgebied bepalen hoeveel water in de grond terecht komt en hoeveel oppervlakkig afstroomt! BELANGRIJK voor inschatting overstromingsgevaar.

    ca. 36% van neerslag op land gaat terug naar zee, deels via rivieren, deels ondergronds.

    DEBIET: hoeveelheid water (V= volume) die getransporteerd wordt binnen een bepaalde tijd (m3/s): 
    Q = V/t 
    Het debiet is afh van de hoeveelheid water die getransporteerd wordt en de stroomsnelheid (v= m/s)!

    Q = V/t = L x B x D/t = L x A/t = v x A
    L=afstand die afgelegd is in een periode (m)
    B=breedte van de rivier (m)
    D=diepte van de rivier (m)
    A=doorsnede van de rivier op een bepaald punt (m2)
    v=stroomsnelheid (m/s)

    De hoeveelheid water die beschikbaar is hangt af van de hoeveelheid neerslag en de verdamping: neerslagoverschot/ neerslagtekort.
    Bij regenrivieren is deze afhankelijkheid groot: Maas, Schelde, Missisipi en Amazone.
    In de Maas veel variatie: minimaal 25 m3/s en maximaal (winter) 3000 m3/s, gemiddeld 300 m3/s.

    Gletsjerrivieren ontvangen water van sneeuw en gletsjer.
    Gemengde rivieren van beide.
  • Grondwater
    Verschil tussen topografische en werkelijke stroomgebied kan veroorzaakt worden door de doorlaatbaarheid van de bodem en de helling van grondlagen.


    Afvloeien neerslag:
    Bovengronds: oppervlakteafvloeiing
    Ondergronds: deel via grondwaterzone, deel via ondergrondse afvloeiing (zone tussen oppervlak en grondwater).

    In de grondwaterzone is geen lucht aanwezig! Gronddeeltjes zijn verzadigd met water: verzadigde zone.
    De zone tussen het grondwater en het oppervlak is NIET verzadigd: onverzadigde zone, wordt kleiner hellingafwaarts!
    Hellingshoek grondwater, veel kleiner dan die van aardoppervlak!
    Als grondwaterspiegel en aardoppervlak elkaar raken: beek, rivier, bron.


    Heterogene bodem:
    1. Aardoppervlak met begroeiing: doorlatend en onverzadigd
    2. Grondwaterlaag (aquifer): doorlatend en verzadigd
    3Slecht doorlatende laag (aquitard) (gesteente/klei): vrijwel GEEN watertransport
    4. Watervoerende laag (water komt ergens anders vandaan waar geen slecht doorlatende laag boven zit, kan heel oud zijn: fossiel water!)
    5. Slecht doorlatende laag.
  • Geomorfologie van rivieren
    Hoe groter de transportkracht van een rivier des groter het sediment dat vervoerd kan worden (van klei tot keien).
    Sediment kan van de bodem zijn of van elders komen.

    Wijze van sediment transport afhankelijk van grootte van de deeltjes:
    1. Lichtste materiaal: zwevend (suspension) of opgelost (dissolved)
    2. Zwaardere materiaal: springend/saltatie (saltation) of rollend/tractie (traction)

    Erosie: uitschuren bedding en oevers door meegevoerde materiaal (sediment verandert zelf ook). 

    Watersnelheid in een rivier wisselt, langs oevers en bedding, meer wrijving en dus weerstand en lagere snelheid. Hoogste snelheid aan het oppervlak in het midden van de rivier.
    Stroomdraad/thread of maximum velocity: lijn met de hoogste stroomsnelheid, vaak niet in het midden door bochten in de rivier.
    Snelheid hoog in buitenbocht en laag in binnenbocht: afzetting sediment in binnenbocht, erosie vooral in buitenbocht (bochten worden groter).
    Meanderen: kronkelen van de rivier. 
    Als twee buitenbochten elkaar raken kan de rivier doorbreken, er wordt een nieuwe kortere weg gevolgd. Door sedimentatie van de oude lus ontstaat een geïsoleerd meertje: hoefijzermeer/oxbow lake.
  • Verontreinigingen
    Puntbronnen: als punt op de landkaart, beperkte ruimtelijke omvang en goed af te bakenen.
    * vaak sterk geconcentreerd
    * vervuilingsgraad hoog per m2.
    * vaak duidelijke vervuiler
    * brongericht maatregelen mogelijk
    Diffuse bron: groot gebied met vervuiling.
    * moeilijk te herleiden tot 1 vervuiler
    * per oppervlak gering effect
    * effect over grote afstand merkbaar
    * oa verontreinigd sediment
    * aanpak effect-gericht (bv toevoegen kalk aan bodem om effect zure regen te neutraliseren)
  • Maatregelen voor aanpak puntbronnen
    1. Saneren: weghalen verontreiniging door zuivering ondergrond (met of zonder afgraving)
    2. Bescherming tegen erosie door de rivier
    3. Monitoring
  • Fauna in de grensmaas
    Grensmaas behoort tot de barbeelzone.
    Barbeel (typevissoort van Grensmaas) is een reofiele vis die leeft van benthos (waterbodemdiertjes) die via de kieuwen uit het slib worden getrokken.
    Barbeelzone: -matig stromende middendeel van de grote Europese rivieren
    - bedding van kiezel, grind en zand
    - sommige plekken sterke stroming
    - diepte 1-2 m
    - temp 15-20 oC
    - zuurstofrijk (ook in de zomer)

    Barbeel is kwetsbaar: gevoelig voor verontreiniging, zuurstofbehoefte, late geslachtsrijpheid en beperkte vruchtbaarheid.
    Paaien mei-juli bij 13,5 oC in losse grindbedden (schoon en fijn grind), bij lage stroomsnelheid (0,5 m/s), paaiplaatsen mogen 4-5 dagen niet droogvallen! 
    Geschikte paaiplaatsen vooral in morfodynamische rivierdelen: hier is voortdurend verplaatsing van grind van 2-5 cm. In de Maas is dit beperkt, vooral afh van winterdebiet.
    Voor opgroeien van de vissen is structuurdiversiteit van groot belang.

    Verstoringen:
    Eerst wordt waterpeil Julianakanaal gevoed, waterkrachtcentrale in Wallonie beïnvloed ook het debiet in de Grensmaas.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.