Summary Boom Basics Bestuursrecht

-
168 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Boom Basics Bestuursrecht

  • 1 Inleiding

  • NED. BR:
    • gegrondvest op bijz.  wetten
    • in 20e eeuw snelle groei a.g.v.  toegenomen overheidsinvloed, 
     --> VERZORGINGSSTAAT
    • kreeg vorm binnen rechtsstaatgedachte 
    * wetmatigheid van bestuur
    * effectieve rechtsbescherming
    --> DE SOCIALE RECHTSSTAAT
  • Wat zijn de onderdelen vh algemeen bestuursrecht?
    • De juridische verschijnselen
    • de juridische begrippen
    • de rechtsnormen
    die voorheen in talrijke bijz.  wetten waren neergelegd. 

    NB:
    Het gaat m.n.  om:
    1. definities
    2. beginselen en
    3. voorschriften
    voor 
    • de totstandkoming van besluiten en
    • de rechtsbescherming tegen genomen besluiten
  • Er worden 3 functies van het bestuursrecht onderscheiden. Welke zijn dat en in hoeverre komen zij tot uitdrukking in de bovenstaande casus?
    In het tekstboek wordt gesproken over
    • de legitimerende functie van het bestuursrecht, 
    • de instrumentele functie van het bestuursrecht en 
    • de waarborgfunctie van het bestuursrecht.


    De drie genoemde functies komen allen naar voren in de casus over de fiets van Piet Havinga. In de eerste plaats bevat de casus informatie over de juridische grondslag voor het optreden van de gemeenteambtenaar. De bevoegdheid om een fiets door middel van de toepassing van bestuursdwang te verwijderen vloeit blijkens de casus voort uit de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Leiden. Dit is de legitimerende functie van het bestuursrecht.



    In de tweede plaats kan het verwijderen van fietsen die overlast en/of gevaar veroorzaken in de openbare ruimte een onderdeel vormen van het overheidsbeleid (te weten het reguleren van activiteiten in de openbare ruimte). Het gebruik van bestuursrecht voor de vaststelling en de uitvoering van overheidsbeleid wordt de instrumentele functie genoemd.

    In laatste plaats komt in de casus de waarborgfunctie van het bestuursrecht aan de orde. Piet is het niet eens met de verwijdering van zijn fiets en gaat eerst in bezwaar bij het college van burgemeester en wethouders van Leiden en vervolgens in beroep bij de rechtbank Den Haag (sector bestuursrecht). In de casus wordt uitgegaan van de klassieke uitleg van de waarborgfunctie (rechtsbescherming). Deze functie omvat echter meer dan enkel het garanderen van rechtsbescherming bij een onafhankelijk rechter. Algemene materiële en formele waarborgen in de Awb en ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur vormen ook een invulling van deze functie.


    NB:
    Zoals ook in het tekstboek wordt aangegeven vloeien de verschillende functies van het bestuursrecht in elkaar over. Bovendien kunnen bepaalde functies in bepaalde situaties ook op gespannen voet staan met elkaar (zo kan bijv. de waarborgfunctie de instrumentele functie bijten).
  • Wat wordt verstaan onder een bestuursrechtelijke rechtsbetrekking?
    Een bestuursrechtelijk rechtsbetrekking is de door het recht beheerste relatie tussen het bestuur en burger(s).
  • Is er tussen het bestuur en de burger sprake van een ‘wederkerige rechtsbetrekking’?
    In het tekstboek wordt stelling genomen tegen het concept van de ‘wederkerige rechtsbetrekking’. De auteurs geven aan dat van echte ‘wederkerigheid’ in een bestuursrechtelijk rechtsbetrekking tussen overheid en burger geen sprake kan zijn.

    De wederkerige rechtsbetrekking brengt volgens de wetgever mee dat de burger inspraak moet hebben bij bestuurlijke besluitvorming en dat (binnen het kader van de wet) rekening moet worden gehouden met belangen van de burger. Maar de wederkerige rechtsbetrekking brengt ook met zich dat de burger rekening moet houden met de positie en de belangen van het bestuur.

    Het voorgaande betekent volgens de Memorie van Toelichting voor de burger:
    ‘dat hij zich bewust moet zijn met het bestuur in een rechtsbetrekking te staan waarin van een zekere wederkerigheid sprake is. Uiteraard behoeft hij zich niet spontaan het algemeen belang aan te trekken; dat is de taak van het bestuur. Maar de wederkerigheid brengt wel met zich dat hij, voor zover hij wenst dat met zijn inzichten of belangen rekening wordt gehouden, deze op de daartoe geschikte wijze naar voren moet brengen en dat hij daaraan ook door het bestuur kan worden gehouden. Vraagt iemand bijvoorbeeld een subsidie aan, maar weigert hij desgevraagd voldoende gegevens te verschaffen over de te subsidiëren activiteit, dan zal het bestuur de aanvraag buiten behandeling mogen laten.’

    Deze passage uit de memorie van toelichting geeft op zich goed de verhouding tussen bestuur en burger in een moderne rechtsstaat weer. Het gaat om een verhouding die wordt beheerst door het recht, een ‘rechts’-betrekking. Met name door de opkomst en verfijning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) is de positie van de burger ten opzichte van het bestuur versterkt. Bij de uitoefening van bestuursbevoegdheden zal het bestuur deze abbb’s in acht moeten nemen. Anderzijds mag het bestuur van de burger verwachten dat hij het bestuur behulpzaam is bij de uitoefening van bestuursbevoegdheden. Dit betekent dat de burger het bestuur bijvoorbeeld moet voorzien van informatie die het bestuur nodig heeft om te beoordelen of de burger voor een bepaalde vergunning in aanmerking komt (vgl. art. 4:2, tweede lid, Awb).
  • Waartoe kan de term 'wederkerige rechtsbetrekking' leiden?
    De term wederkerige rechtsbetrekking kan overigens tot misverstanden leiden. De term rechtsbetrekking stamt uit het privaatrecht. Als in privaatrechtelijke context wordt gesproken over een ‘rechtsbetrekking’ gaat het om een rechtsbetrekking tussen juridisch gelijkwaardige rechtssubjecten, waarbij er sprake kan zijn van wederzijdse rechten en plichten (vorderingen en schulden). Zo’n rechtsbetrekking is vaak het resultaat van een overeenkomst.

    Een overeenkomst berust in principe op wilsovereenstemming die is bereikt tussen gelijkwaardige partijen (althans partijen die soortgelijke, namelijk in de regel privaatrechtelijke, belangen nastreven). In het bestuursrecht wordt echter niet samen besloten, maar – uiteindelijk – eenzijdig door het bestuur.

    Kenmerkend voor het bestuursrecht en de uitoefening van bestuursbevoegdheden is dat het bestuur – uiteindelijk –, eenzijdig besluiten neemt. Hieraan doet het verlenen van inspraak en het horen van burgers, respectievelijk belanghebbenden niet af. Indien noodzakelijk zal (en moet) het bestuur naar ‘eigen’ inzicht handelen. Dat wil zeggen in het algemeen belang en zo nodig tegen de wil van burgers. Hierbij moet vanzelfsprekend het recht worden gerespecteerd. Maar het algemeen belang kan in een concrete situatie zo zwaar wegen dat het particuliere belang van de burger daarvoor moet wijken. Dat kan bijvoorbeeld ook leiden tot het weigeren van een besluit.

    De idee van de wederkerige rechtsbetrekking impliceert een horizontalisering van de verhouding tussen overheid en burger, waaronder wordt verstaan dat de verhouding veel gelijkwaardiger zou zijn dan vroeger het geval was. Anderzijds is deze benadering een uitvloeisel van een principiële opvatting van de positie van de burger ten opzichte van de overheid. Volgens de auteurs van het tekstboek is er over het algemeen geen sprake van een horizontale verhouding tussen overheid en burger. De overheid kan, als het moet, nog altijd eenzijdig haar wil doorzetten.
  • Geef aan wat de relatie is tussen de opdracht van het bestuur om het algemeen belang te behartigen en het verbod van vooringenomenheid.
    Het bestuur behartigt per definitie het algemeen belang. Alle handelen van het bestuur zal dan ook daarop gericht moeten zijn. Het bestuur mag geen eigen – van het algemene belang vreemde – belang nastreven. Deze notie is van belang bij de normering van het bestuurshandelen. Dat brengt bijvoorbeeld met zich dat bestuursorganen zich moeten onthouden van praktijken die de rechtspositie van de burger ondermijnen (fair play).

    Een codificatie van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is te vinden in artikel 2:4 van de Awb. In het eerste lid van deze bepaling is bepaald dat bestuursorganen hun taken zonder vooringenomenheid moeten vervullen. Daarnaast moet het bestuursorgaan (tweede lid) ervoor waken dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming niet beïnvloeden.
  • Het bestemmingsplan (2) wordt gewijzigd. De omgevingsvergunning om te bouwen (3) wordt vervolgens afgegeven. En ten slotte wordt de exploitatievergunning (4) verleend.
    Zijn op de onder (1) tot en met (4) genoemde handelingen regels van bestuursrecht van toepassing?
    Het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning voor bouwen en de exploitatievergunning zijn besluiten die door overheidsorganen worden genomen op grond van publiekrechtelijke bevoegdheden die in de wet zijn toegekend. De bevoegdheid om een bestemmingsplan vast te stellen (en te wijzigen) is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Dat voor het oprichten van een stadion een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist, vloeit voort uit artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). De plaatselijke horeca-exploitatieverordening schrijft voor dat voor het exploiteren van een stadion een exploitatievergunning nodig is.
    De regels van het bestuursrecht hebben betrekking op het uitoefenen van zulke publiekrechtelijke bevoegdheden.
    Het convenant dat tussen de gemeente en de projectontwikkelaar is gesloten, is niet in een publiekrechtelijke wet geregeld. Omdat dat convenant, waarin twee partijen afspraken hebben neergelegd, als een overeenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek kan worden gezien (omdat de gemeente een privaatrechtelijke rechtspersoon is die dus als rechtssubject aan het privaatrechtelijke rechtsverkeer kan deelnemen), is op dat convenant in ieder geval het in het BW vervatte overeenkomstenrecht van toepassing. Omdat de overheid (i.c. de gemeente) de overeenkomst sluit (contractspartij is) zal bij de toepassing van de privaatrechtelijke regels rekening (moeten) worden gehouden met publiekrechtelijke regels en beginselen. In zoverre werkt dus bestuursrecht door in het toepasselijke recht. Artikel 3:1, tweede lid, Awb biedt bovendien een uitdrukkelijke basis voor het (eventueel) overeenkomstig toepassen van in hoofdstuk 3 Awb vervatte algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie ook art. 3:14 BW waarin is bepaald dat een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht). Een ander voorbeeld van een geval waarin doorwerking van bestuursrecht aan de orde moet komen, is het besluit van de gemeente om geen toestemming te verlenen voor een wijziging van de bestemming van een pand (bijvoorbeeld van woning naar kantoor), die nodig is op grond van de erfpachtovereenkomst die met de gemeente is gesloten ter zake van de grond waarop het pand staat. Later in de leerstof komt deze materie meer uitgebreid aan de orde.
  • Het bestemmingsplan (2) wordt gewijzigd. De omgevingsvergunning om te bouwen (3) wordt vervolgens afgegeven. En ten slotte wordt de exploitatievergunning (4) verleend.  Zijn de regels van bestuursrecht die we tot het algemeen deel of tot een bijzonder deel van het bestuursrecht rekenen, of tot beide?.
    De regels die in de Awb zijn vervat en de ongeschreven bestuursrechtelijke regels en beginselen rekenen we tot het algemeen deel van het bestuursrecht. De voorschriften die in hoofdstuk 3 en 4 Awb zijn opgenomen zijn dus regels van het algemeen deel die de gemeentelijke organen in acht moeten nemen bij het vaststellen van het bestemmingsplan, het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen en de exploitatievergunning, en (eventueel) overeenkomstig (vgl. art. 3:1, tweede lid, Awb) bij het afsluiten en effectueren van het convenant.
    In de Wro, de Wabo en de gemeentelijke horeca-exploitatieverordening staan ook allerlei voorschriften die in het bijzonder betrekking hebben op het nemen van de daarin geregelde besluiten. Bij het wijzigen van het bestemmingsplan moeten dus regels van het algemeen deel (Awb en ongeschreven recht) in acht worden genomen, maar ook regels die we tot het ruimtelijke ordeningsrecht (een bijzonder deel van het bestuursrecht) rekenen. De Wabo rekenen we tot het ‘omgevingsrecht’. Het betreft hier wederom een bijzonder deel van het bestuursrecht. Ook de horeca-exploitatieverordening wordt gerekend tot het bijzonder bestuursrecht. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen en de exploitatievergunning moet het gemeentebestuur – evenals bij de wijziging van het bestemmingsplan – niet alleen acht slaan op de regelgeving uit de bijzondere wetten (Wro, Wabo en de plaatselijke horeca-exploitatieverordening) maar ook op de Awb en het ongeschreven bestuursrecht.
  • Lees de bepalingen van de hoofdstukken 2, 3 en van de titels 4.1 en 4.3 Awb. Lees vervolgens de readertekst “3 Het algemeen deel van het bestuursrecht”.
    In hoofdstuk 2 Awb zijn de volgende onderwerpen geregeld:
    • Afdeling 2.1 Algemene bepalingen:
      • bijstand en vertegenwoordiging
      • doorzendplicht
      • onpartijdigheid bestuursorgaan
    • Afdeling 2.2 Gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer
    • Afdeling 2.3 Verkeer langs elektronische weg

    In hoofdstuk 3 Awb zijn de volgende onderwerpen geregeld:
    • de werkingssfeer van de in hoofdstuk 3 vervatte algemene beginsel van behoorlijk bestuur
    • zorgvuldige voorbereiding
    • het verbod van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir)
    • de plicht tot belangenafweging bij (vrije) bevoegdheidsuitoefening
    • de eis van evenwichtige belangenafweging
    • advisering door een niet onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan werkzame adviseur die bij of krachtens wettelijk voorschrift met het adviseren is belast
    • de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
    • coördinatie van besluitvorming
    • het in werking treden van besluiten
    • het bekendmaken van besluiten
    • het mededelen van besluiten
    • de verplichting tot het mededelen van de mogelijkheid van bezwaar of beroep
    • de eis van deugdelijke motivering
    • de eis van kenbare motivering
    • motivering bij volgen of afwijken van advies
    In titel 4.1 Awb zijn de volgende onderwerpen geregeld:
    • de wijze van indienen van een aanvraag
    • het verschaffen van gegevens en bescheiden door de aanvrager
    • het buiten behandeling laten van een aanvraag
    • de behandeling van een herhaalde aanvraag na afwijzing van een voorgaande
    • het horen van de aanvrager
    • het horen van derde-belanghebbenden
    • het achterwege laten van het horen
    • de eis van het beslissen binnen een redelijke termijn
    • de mogelijkheid van uitstel
    • de mogelijkheid van oplegging van een dwangsom aan het bestuursorgaan bij het niet tijdig nemen van een besluit door het bestuursorgaan
    • de mogelijkheid van het van rechtswege ontstaan van een beschikking (positieve fictieve beschikking) bij het niet tijdig nemen van een besluit door het bestuursorgaan

    In titel 4.3 Awb zijn de volgende onderwerpen geregeld:
    • de bevoegdheid tot het vaststellen van een beleidsregel
    • de verwijzing naar een beleidsregel
    • de bekendmaking van de grondslag van een beleidsregel
    • het hanteren en eventueel afwijken van een beleidsregel
  • Aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen wordt een verzoek gedaan om een rijbewijs dat in Venezuela is behaald om te zetten in een Nederlands rijbewijs. Het bureau dat voornemens is om het verzoek af te wijzen, staat voor de vraag of het op grond van artikel 4:7 Awb de verzoeker eerst moet horen.
    Welke in titel 1.1 Awb gedefinieerde begrippen komen bij beantwoording van die vraag aan de orde?
    Artikel 4:7, eerste lid, Awb vangt aldus aan: ‘Voordat een bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, stelt het de aanvrager ..... (enz.)’.

    Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen moet dus nagaan 
    (1) of het een bestuursorgaan in de zin van de Awb is, 
    (2) of het verzoek als een aanvraag in de zin van de Awb kan worden aangemerkt, en 
    (3) of het verzoek betrekking heeft op een beschikking in de zin van de Awb.


    Toetsen aan het begrip bestuursorgaan, zoals gedefinieerd in artikel 1:1 Awb (waarbij moet worden nagegaan of het overheidsorgaan niet valt onder de uitzondering van art. 1:1, tweede lid, Awb), is dus in ieder geval nodig.


    Het begrip ‘beschikking’ is omschreven in artikel 1:3, tweede lid, Awb. Daaruit volgt dat het moet gaan om een ‘besluit’ dat niet van algemene strekking is. Ook de definitie van ‘besluit’ in artikel 1:3, eerste lid, Awb komt dus aan de orde.


    Wat onder ‘aanvraag’ wordt verstaan, vindt u in artikel 1:3, derde lid, Awb. Toetsing aan het daar bepaalde brengt u weer bij artikel 1:2 Awb. Het moet immers gaan om een verzoek van een ‘belanghebbende’.


    Bij de toepassing van artikel 4:7, eerste lid, Awb moet dus getoetst worden aan de volgende begrippen:
    • bestuursorgaan (art. 1:1 Awb)
    • belanghebbende (art. 1:2 Awb)
    • besluit (art. 1:3, eerste lid, Awb)
    • beschikking (art. 1:3, tweede lid, Awb)
    • aanvraag (art. 1:3, derde lid, Awb)
  • De Awb kent regels van verschillende orde. In dat verband wordt wel onderscheiden tussen regels van dwingend, regelend, aanvullend en facultatief recht. Art. 3:7 lid 1

    In artikel 3:7, lid 1, Awb is voorgeschreven dat het bestuursorgaan, waaraan advies wordt uitgebracht, aan de adviseur, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking stelt die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak. Die eis geldt algemeen: het betreft een regel van dwingend recht die zonder uitzondering bij advisering als bedoeld in afdeling 3.3 Awb door het bestuursorgaan in acht zal moeten worden genomen. Dat betekent dus dat een lagere wettelijke regeling (bijvoorbeeld een gemeentelijke verordening waarin regels met betrekking tot advisering worden opgenomen) geen afwijkende regel mag bevatten, bijvoorbeeld dat gegevens moeten worden verstrekt ‘die naar het oordeel van het gemeentebestuur nodig zijn’ of dat ‘verstrekking van gegevens achterwege blijft als het bestuursorgaan geheimhouding wenselijk acht’.

    Bij wet in formele zin kan wel worden afgeweken van als dwingend bedoelde bepalingen. Uit de wetsgeschiedenis van de Awb (en de aanwijzing voor de regelgeving) blijkt dat er zo min mogelijk van de Awb moet worden afgeweken. Ziet de wetgever zich genoodzaakt in een bijzondere wet in formele zin af te wijken van de Awb dan zal hij dit uitdrukkelijk moeten doen. In de bepaling dient dan te staan: ‘In afwijking van artikel ... van de Awb ... (enz.)’. Daarnaast moet de wetgever in formele zin in de memorie van toelichting bij de betreffende bepaling motiveren waarom afwijking van de Awb noodzakelijk is.
  • De Awb kent regels van verschillende orde. In dat verband wordt wel onderscheiden tussen regels van dwingend, regelend, aanvullend en facultatief recht. Art. 3:10 Awb.
    In artikel 3:10 Awb is bepaald dat de voorschriften die zijn neergelegd in de daaropvolgende paragrafen over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, alleen van toepassing zijn als het bestuursorgaan voor die toepasselijkheid heeft gekozen (of als de wetgever ze toepasselijk heeft verklaard). Die voorschriften betreffen dus een standaardregeling die van toepassing kan worden verklaard. Het bepaalde in artikel 3:10 Awb is dus een regel van facultatief recht. 

    Facultatief wil zeggen: er kan voor de toepasselijkheid daarvan worden gekozen. Zou zonder die keuze de regeling al toepasselijk zijn geweest, maar met de mogelijkheid van afwijking bij nader voorschrift, dan zou het om regelend recht zijn gegaan. Nu heeft de wetgever de toepasselijkheid uitdrukkelijk overgelaten aan het bestuur, wanneer ze niet al ‘automatisch’ gelden omdat ze bij wettelijk voorschrift van toepassing zijn verklaard.
  • De Awb kent regels van verschillende orde. In dat verband wordt wel onderscheiden tussen regels van dwingend, regelend, aanvullend en facultatief recht. Art. 4:1 Awb.
    In artikel 4:1 Awb is een regel voor het normale geval neergelegd: een aanvraag dient schriftelijk te worden ingediend. Maar uit de aanhef van die bepaling (‘Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald’) blijkt dat de wetgever er uitdrukkelijk van uitgaat dat van die hoofdregel kan worden afgeweken. Zo beschouwd valt artikel 4:1 Awb onder de voorschriften die ‘regelend recht’ inhouden. De hoofdregel is vastgesteld, maar deze is niet van dwingende aard.
    Daarbij verdient aantekening dat met de term ‘bij wettelijk voorschrift’ wordt gedoeld op een wet in materiële zin. Bijgevolg kan niet alleen bij wet in formele zin maar ook bij lagere algemeen verbindende voorschriften (zoals bijv. een gemeentelijke verordening) worden afgeweken van de betreffende bepaling (in casu art. 4:1 Awb).
  • De Awb kent regels van verschillende orde. In dat verband wordt wel onderscheiden tussen regels van dwingend, regelend, aanvullend en facultatief recht.
    Bij wettelijk voorschrift kan een termijn worden bepaald waarbinnen door het bestuursorgaan op een aanvraag moet worden beslist. Artikel 4:13, eerste lid, Awb gaat daar uitdrukkelijk van uit: een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn. Wordt geen beslistermijn vastgesteld, dan volgt uit artikel 4:13, tweede lid, Awb dat in ieder geval binnen acht weken na de aanvraag enige reactie moet worden gegeven: hetzij een kennisgeving van een (redelijke) termijn waarbinnen het besluit tegemoet kan worden gezien, hetzij een beslissing op de aanvraag. Die bepaling fungeert dus als een soort ‘restbepaling’ (zij heeft zogezegd een ‘vangnetfunctie’; alleen als in een wettelijke regeling geen termijn is bepaald geldt de ‘redelijke termijn’ uit art. 4:13, tweede lid, Awb). Deze ‘rest-‘ ofwel ‘vangnetbepalingen’ rekenen we tot de regels van ‘aanvullend’ recht.
  • De APV van de gemeente Vergezicht bevat de volgende bepalingen:
    1. In afwijking van artikel 4:13 Awb dient een beschikking op grond van de APV te worden gegeven binnen een termijn van zes maanden.
    2. Aanvragen tot het verlenen door de gemeenteraad van een subsidiebeschikking dienen bij B&W te worden ingediend.
    3. In afwijking van artikel 6:9 Awb is een bezwaar- of administratief beroepschrift tijdig ingediend indien het niet later dan een week na afloop van de termijn door het bevoegde bestuursorgaan is ontvangen.





    1. Artikel 4:13 Awb betreft een ‘restbepaling’ (vangnetbepaling) (zie ook de uitwerking bij opdracht 1.7, onder d). De bevoegdheid van de bijzondere wetgever staat voorop. In dit geval heeft de gemeenteraad van die bevoegdheid gebruikgemaakt. Er is daarom geen sprake van afwijking van de Awb.
      De ‘redelijke termijn’ van artikel 4:13 en het bepaalde in het tweede lid komen pas in beeld wanneer er geen beslistermijn in het betreffende wettelijke voorschrift (APV) is opgenomen! De vraag is wel of een termijn van zes maanden in alle gevallen als redelijk kan worden aangemerkt. Mogelijk zal een termijn van zes maanden in een concreet geval, wegens strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, onrechtmatig geoordeeld moeten worden. Dit doet aan de geldigheid van de regeling in beginsel niet af.
       
    2. De indiening van aanvragen is geregeld in artikel 4:1 Awb. Het gaat hier om een bepaling van ‘regelend recht’, waarvan bij wettelijk voorschrift kan worden afgeweken.
       
    3. Deze bepaling wijkt af van een als ‘dwingend’ bedoelde Awb-bepaling. Deze afwijking is niet geoorloofd omdat een APV-bepaling geen wet in formele zin is. Afwijken van een als ‘dwingend’ bedoelde Awb-bepaling is alleen mogelijk bij wet in formele zin. In die (formele) wetsbepaling moet dan uitdrukkelijk worden afgeweken van de Awb. Dat wil zeggen dat het wetsartikel de frase ‘In afwijking van artikel ... Awb ...’ moet bevatten. Er moeten bovendien goede gronden zijn om af te wijken van de ‘dwingende’ Awb-bepaling. Deze gronden moeten in de Memorie van Toelichting worden vermeld (zie ook opdracht 1.6, onder a).
  • Langs welke twee wegen beïnvloedt het Europese recht de besluitvorming van Nederlandse bestuursorganen?
    In de 1e plaats via de indirecte weg: veel Nederlandse wetgeving die door bestuursorganen moet worden uitgevoerd betreft in principe geïmplementeerd Europees recht. Zo treffen we in het ruimtelijk bestuursrecht en het natuurbeschermingsrecht veel wettelijke regelingen en/of bepalingen aan die een Europeesrechtelijke origine kennen. Hetzelfde geldt voor het mededingingsrecht. Het gaat dan met name om geïmplementeerde EG-richtlijnen.

    In de 2e plaats via de directe weg: sommige Europese regels moeten rechtstreeks worden toegepast. Het gaat daarbij met name om EG-verordeningen. Deze zijn rechtstreeks toepasselijk in de Lidstaten.
  • Voor gevallen waarin het Nederlands recht in strijd is met Europees recht zijn door het Hof van Justitie 3 ‘doorwerkingsinstrumenten’ ontwikkeld om het communautaire recht voorrang te verlenen.
    Welke zijn dit?
    1. de rechtstreekse werking: voor veel Europeesrechtelijke regels geldt dat zij rechtstreeks bij de nationale rechter kunnen worden ingeroepen en dat de nationale bestuursrechters hen rechtstreeks moeten toepassen (ook als nationaal recht daarmee in strijd is).
    2. de (verdrag)conforme interpretatie: de rechter moet het (met EG-recht strijdig) nationale recht zoveel mogelijk interpreteren conform het Europese recht.
    3. de zogenaamde Francovich-aansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid ziet onder meer op situaties waarin belanghebbenden schade ondervinden door niet-tijdige of onjuiste omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetgeving.
  • Wie zijn subjecten aan de kant van de 'burger' in BR? Geef daar een concreet voorbeeld van.
    ...
  • Wie zijn subject aan de kant vh 'bestuur' (bo) en welke kenmerken heeft deze?
    ...
  • Geef d.m.v.  een vb welke organen vallen onder art. 1:1 lid 1 sub a Awb?
    ...
  • Waarop moet worden gelet bij het bepaeln of een 'persoon' als een 'orgaan' ve krachtens PBR ingesteld rechtspersoon kan worden beschouwd?
    ...
  • Leg uit wat in het kader vd toepassing van art. 1:1 Awb met het 'voor zover-criterium' wordt bedoeld?
    ...
  • In welke gevallen kan een privaatrechtelijke rpn tot de 'openbare dienst' in de zin van art. 1 Ambtenarenwet worden gerekend. En in hoeverre kan die rpn als bo in de zin vd Awb worden aangemerkt?
    ...
  • Waarop moet worden gelet bij de beantwoording vd vraag of een natuurlijk persoon voldoet aan de criteria van art. 1:2 lid 1 
    Awb? Verduidelijk dat a.d.h.v.  een voorbeeld?
    ...
  • Geef voorbeelden ve rpn die als bh in de zin vd Awb moet worden aangemerkt i.v.m.  een geraakt zijn in 
    a.  een eigen belang
    b.  een alg.  belang
    c.  een collectief belang.
    ...
  • Wat moet worden verstaan onder 'toevertrouwde belangen' in art. 1:2 lid 2 Awb?
    ...

  • Geef voorbeelden van gevallen waarin een bo zich als bh in de zin vd Awb kan presenteren?
    ...
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.