Summary Celbiologie

-
226 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Celbiologie". The author(s) of the book is/are Wageningen. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Celbiologie

  • 1 Thema 1: Cellen en celorganellen

  • Cellen produceren onder andere eiwitten (enzymen)

  • Mitochondrien voor energievoorziening

  • Plastiden voor fotosynthese

  • Golgi apparaat voor levering celproducten

  • ER voor celproducten aflevering

  • I-cell disease 
    • Kijken naar de lysosomale enzymactiviteit in de amnionvloeistof en in gekweekte amnioncellen van een ongeboren baby, om te checken of het I-cell disease heeft. 
    • I-cell hebben grotere lysosomen die niet af te breken zijn. En veel rommel dus minder functionerend. En stijve gewrichten (kraakbeen) en groot voorhoofd.
  • 1.1 Intro college

  • Iedere cel kent een regionale regio met DNA:
    • Opslag van erfelijke materiaal
    • Genen bestaan uit DNA
    • Eiwitten ontstaan uit transcriptie van DNA in RNA en translatie in ketens van aminozuren
    • Eiwitten zorgen ook weer dat DNA kan repliceren en de informatie weer in RNA kan kopiëren.
  • Vergroting en oplossend vermogen zijn bepalend voor de zichtbaar van een organisme onder een microscoop
  • Transmissie EM (TEM) is voor de doorsnede
    Scanning EM (SEM) is voor de oppervlakte structuren
  • Eukaryoten en definities:
    • Cytoplasma: alles in een cel dat buiten de kern ligt, incl plasmamembraan
    • Organellen: onderdelen van de cel, die afzonderlijk geïsoleerd kunnen worden, omgeven zijn door een membraan en een specifieke functie hebben.
    • Cytosol: het grondplasma, een waterige oplossing van verschillende moleculen, waar de organellen in liggen.
    • Cytoskelet: structuur van draden en buizen, die de cel structureren en voor de dynamiek zorgen.
  • Organellen en hun functie:
    • De kern vormt zorgt voor opslag van informatie (chromosomen)
    • Ruw ER zorgt voor de eiwitproductie (bevat ribosomen)
    • Glad ER  zorgt voor vetproductie (geen ribosomen)
    • Golgi zorgt voor de glycosylering en heeft een membraansysteem van cisternen en vesikels.
    • Mitochondria genereren bruikbare energie uit voedsel (ATP)
    • Chloroplasten vangen energie uit zonlicht
    • Lysosoom/ vacuole zijn organellen met water en opgeloste stoffen (afbraak)
    • Peroxysoom is een vesikel dat enzymen bevat
    • Interne membranen creëren intracellulaire compartimenten met verschillende functies
    • Het cytoskelet is verantwoordelijk voor gerichte beweging in en van de cel. Het is een systeem van actine filamenten en microtubuli.
    • De celwand wordt extern door de cel zelf gemaakt. Het is de omhulsel van de plantencel.
  • Dierlijke cellen hebben geen celwand, dus geen vaste vorm.
    Beweeglijke keratocyten: cellen die wonden helen
  • Een prokaryoot heeft geen kernmembraan, waar zich DNA (nucleoid) in bevindt. En geen organellen
  • Waar is energie voor nodig die gegenereerd wordt uit de mitochondrien?
    • Synthese/ afbraak
    • Mechanische activiteit
    • Transport
    • Homeostase
    • Communicatie
    • Warmte
  • Wat zijn de functies van de mitochondria?
    • Suikers, die in het grondplasma al gedeeltelijk afgebroken zijn, worden in de mitochondria m.b.v. zuurstof geoxydeerd tot H2O en CO2
    • De hierbij vrijkomende energie wordt vastgelegd in het ATP (adenosinetrifosfaat)
    • ATP kan de energie naar alle delen van de cel transporteren en houdt zo de energie vragende levensprocessen op gang.
  • Waarom barsten cellen/ organellen niet?
    • Cellen zitten vol met moleculen
    • In waterige oplossing trekken ze dus water aan, waardoor de cel groter wordt
    • De plasmamembraan heeft geen structurele sterkte en zou dus barsten
    • Dit wordt voorkomen door de opgeloste moleculen op te sluiten in compartimenten en door actieve ionkanalen in alle membranen van die compartiment
    • Ionenpompen zorgen voor evenwicht tussen compartimenten en tussen cel en omgeving.
  • Wat zijn de functies van de membranen?
    1. Ontvangen van informatie van buitenaf
    2. Import en export van moleculen door het membraan
    3. Capaciteit voor beweging en expansie
  • Uit welke twee vetten bestaat een membraan?
    Fosfolipiden en glycolipiden
    De fosfolipiden kunnen op verschillende manieren in de membraan bewegen: laterale diffusie, flexie, rotatie, bobbing of flip-flop (de fosfoliide translocator (flippase) is hierbij nodig).
  • Er zijn verschillende eiwitten in het membraan, welke?
    Transporters (poriën)
    Ankers om eiwitten vast te houden
    Receptoren
    Enzymen
  • Het Endoplasmatisch reticulum (ER):
    • Heeft een complex membraansysteem bestaande uit cisternen
    • Cisternen zijn holtes die omgeven zijn door een membraan en gevuld zijn met een waterige oplossing
    • Het milieu binnen (lumen) en buiten de cisternen is verschillend
    • Ruw en Glad ER
  • Wat zijn de functies van het ER? (4)
    1. Voorraad voor fosfolipiden
    2. Voorraad voor Ca2+
    3. Aanhechtingsplaats voor ribosomen (RER, eiwitsynthese en modificatie)
    4. Intern transportsysteem
  • Het Golgi-aparaat:
    • Bestaat uit een netwerk van Golgi lichaampjes
    • Een golgi lichaampje bestaat uit een stapel schijfvormige cisternen omgeven door vesikels (golgi-blaasjes)
    • In bepaalde cisternen vindt bepaalde assemblage, verandering van eiwitten, plaats en productie van koolhydraten
    • Daarna snoeren vesikels af naar cytoplasma of naar celmembraan
  • Wat zijn de fucnties van het Golgi apparaat? (6)
    • Herverdelen van membranen
    • Sorteren van eiwitten
    • Glycosyleren van eiwitten tot glycoproteinen
    • Synthese van polysacchariden (cellulose niet)
    • Vormen van vesikels, die specifieke enzymen bevatten, of specifieke opslageiwitten
    • Rol bij exocytose, bijvoorbeeld uitscheiding hormonen, homing, productie celwand, etc.

    • Eiwitvacuole, lysosoom, plasmamembraan, secretiegranulum
  • Eiwitsynthese:
    mRNA groeit van 5' naar 3'. Dat houdt in dat het DNA wordt afgelezen van 3' naar 5'.
    tRNA, met aminozuur leest de code en brengt nieuwe aminozuur binnen. tRNA komt weer vrij zonder aminozuur.
    De ribosomen maken tRNA binding en vorming van peptidebindingen mogelijk.
  • Chaperone eiwitten voorkomen problemen met het vouwen van eiwitten
    • Clathrine eiwitten en COP eiwitten helpen bij de vesikel vorming. Clathrine mantel
    • Rab eiwitten zijn nodig voor de herkenning
    • Snare eiwitten zorgen voor de fusie met het membraan
  • Afbraak in lysosoom:
    • Verteren macromoleculen voor de cel. Dat zijn nucleinezuren, eiwtten en polysacchariden
    • Breken ook organellen af als zij hun functie verliezen
    • Lysosomen bevatten tientallen enzymen die vaak bij een zure pH actief zijn
  • Cytoskelet bevat drie structuren:
    • Microtubuli
    • Intermediaire filamenten
    • Microfilamenten
    Voor structuur, stevigheid, transport, beweging en celdeling
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Extracellulaire communicatie
  • Een hormoon wordt afgegeven door een endocriene cel aan een bloedvat en deze wordt over grote afstanden getransporteerd naar een doelcel
  • Paracriene signalen worden aan extracellulaire vloeistoffen afgegeven aan de buurt en beïnvloed buurtcellen. Een vorm van paracriene communicatie wordt autocriene signalering genoemd
  • Neurale signaleringen maken gebruik van lange axonen om zo doelcellen te beïnvloeden. De elektrische signalen bereiken de axon terminals en deze signalen worden omgezet tot chemische signalen: elke elektrische impuls stimuleerd de zenuw terminal om een puls van extracellulaire signaal moleculen vrij te laten, genaamd neurotransmitters
  • Contact-afhankelijk signalering, een celoppervlakte bindt een signaal, en deze signaal bindt aan een receptor van een aangrenzende cel

  • Endocrien in stand houden van bloedsuiker spiegel.
  • Hogere glucose concentratie is uitscheiding van insuline door B-cellen in de pancreas
  • Insuline heeft effect op levercellen (opslag glycogeen)/ spiercellen (idem)/ vetweefselcellen (opname glucose).
  • Glucose concentratie laag dan glucogon uitscheiden door alfa-cellen (effect op levercellen > vorming van cAMP)

  • Een klasse van signaalmoleculen die afhankelijk zijn van intracellulaire receptoreiwitten zijn steroide hormonen; inclusief cortisol, estradiol, testosteron en het schildklier hormoon (thyroxine).
    Hydrofobe moleculen gaan door het plasmamembraan van de doelcel en bindt aan de receptoreiwitten die liggen in het cytosol of de kern. Cytosol en kern receptoren worden kernreceptoren genoemd.
2. Ionkanalen
Algemene functie van ionkanalen
  • Ionen geleiden, bij neuronale signaaloverdracht
  • Herkennen en selecteren van specifieke ionen
  • Reageren op elektrische, mechanische of chemische signalen door zich ofwel te openen ofwel te sluiten.
  • Ionkanalen zorgen voor selectief transport van ionen over het plasmamembraan
  • Slechts 1 ionsoort kan door een kanaal heen en kan maar 1 kant op bewegen
  • Of ionen door het kanaal gaan, hangt af van: het gradiënt van een ion, potentiaal binnen en buiten de cel, pH
  • Tegen de gradiënt in bewegen kost energie/ ATP
  • Het openen en sluiten van ionkanalen wordt gereguleerd door verandering van het membraanpotentiaal bij spanningsafhankelijke ionkanaaltjes
  • Liganden regelen ligand afhankelijke ionkanalen door eraan te binden
  • Mechanische kanalen kunnen gereguleerd worden door druk
  • Ionkanalen hebben open, gesloten en rust stand. De wisseling hierin heet gating
10. Structuur gen/ operon
  • Een gen is een afgebakend stuk DNA op een chromosoom, dat codeert voor een bepaald eiwit.
  • Elk gen ligt op een locus, een vaste plaats op het chromosoom. Op die plaats kunnen verschillende varianten van hetzelfde gen voorkomen, de zogeheten allelen

Een gen heeft een:
  • CAP-binding site: plaats waar RNA-polymerase kan binden aan de promotor. Transcriptie begint vanag hier. Soms moet de CAP binden aan cAMP, voordat het aan het DNA kan binden.
  • Promotor (met operator): plaats op gen waar RNA-polymerase bindt
  • Operator: Kan de binding van een enzym aan de promotor tegenhouden met een repressor.
  • ORF (Open Reading Frame): Deel van het gen dat afgelezen wordt en dus gebruikt voor transcriptie. Hier bevinden zich de exons en introns.
  • Terminator: eindpunt van het gen. Hier stopt transcriptie
  • Operon: Genexpressie
8.  Expressie genen (lac. operon)
  • Lac operon is mRNA dat codeert voor het enzym B-galactosidase.
  • Dit enzym hydrolyseert lactose tot galactose en glucose.

  1. Aanwezigheid lactose - afwezigheid glucose
  • Lac operon wordt gevormd
  • Lactose bindt aan de lac repressor
  • Lac repressor wordt inactief en bindt niet aan de promotor
  • De transcriptie van het lac operon wordt niet gehinderd
  • Door afwezigheid van glucose wordt er cAMP gevormd met catabolite activator die aan de promotor bindt.
  • Hierdoor wordt de transcriptie van het lac operon mRNA extra gestimuleerd.

  1. Lactose afwezig - glucose aanwezig
  • Concentratie cAMP laag, door aanwezigheid glucose
  • Transcriptie lac operon wordt niet gestimuleerd.
  • Transcriptie lac operon geremd
  • Allolactose bindt aan de lac repressor waardoor deze niet kan binden aan de operon.

  1. Lactose aanwezig - Glucose aanwezig
  • Transcriptie lac operon niet gestimuleerd, maar ook niet geremd
  • Aanwezigheid glucose is een lage cAMP concentratie (- effect op transcriptie)
  • Aanwezigheid lactose, geen binding van de repressor (+ effect op transcriptie)
Translatie:
  • Translatie van een nucleotide sequentie van mRNA naar een eiwit, vindt plaat in het cytoplasma op een ribosoom. Als mRNA is geregen door een ribosoom, wordt zijn code overgeschreven naar een eiwit
  • De nucleotide sequentie van het mRNA wordt afgelezen in sets van drie nucleotiden (codons), elke codon correspondeert met 1 aminozuur
  • De overeenkomst tussen de aminozuur en codons wordt gespecificeerd door de genetische code. De mogelijke combinaties van de 4 nucleotiden in RNA geven 64 mogelijke codons in de genetische code
  • tRNA gedraagt zich als een adaptor molecuul in de eiwit synthese. tRNA wordt aan de A-kant gekoppeld van het ribosoom d.m.v. GTP. Bij de juiste match tussen het anticodon dat gekoppeld moet worden met het codon van het mRNA zal GTP een fosfaat afstaan, zodat het GDP wordt en loskoppeld. Aan de P-kant zit al het geproduceerde eiwit dat verlengt wordt en aan de E-kant verlaat de tRNA het ribosoom weer. Enzym aminoacyl-tRNA synthetases linken aminozuren aan hun correcte tRNAs. Elke tRNA bevat een sequentie van drie nucleotiden, de anticodon, welke matcht met een codon in mRNA bij complementaire baseparing tussen codon en anticodon.
  • Eiwit synthese begint wanneer een ribosoom begint met een startcodon (AUG) in mRNA, een proces dat is gereguleerd door eiwitten die translation initation factors worden genoemd. De complete eiwitketen wordt losgelaten van het ribosoom wanneer er een stopcodon wordt bereikt (UAA, UAG, UGA)
RNA polymerase en DNA polymerase verschillen van elkaar:
  1. RNA polymerase katalyseert (versnellen) ribonucleotides en niet deoxyribonucleotides.
  2. RNA polymerase kan straten zonder een primer. Dit kan, omdat transcriptie niet zo neuwkeurig hoeft te zijn als DNA replicatie. RNA is niet voor permanente opslag van genetische informatie in cellen en DNA wel. Dus fouten in RNA transcriptie hebben relatieve kleine consequenties.
B en T cel activatie
  • Bij B cel activatie, is er hulp van T helper cellen. Antigen bindt aan BCR. Antigenen van bacterie zijn gebonden aan MHC II. Helper T cel herkent antigen op B cel met TCR en verbindt zo beide cellen. Cytokinen stimuleren B cel tot deling een B cel kloon ontstaat. Deze klonen differentiëren tot plasmacellen die antilichamen produceren die specifiek zijn voor dit antigen. Andere B cellen differentiëren tot geheugen cellen
  • Bij T cel activatie, wordt een antigen herkent. Er is een presentatie van het antigen aan MHC. Regulatie door cytokinen. Dan is er T cel stimulatie voor de afgifte van cytokine. Kloon van helper T cellen die specifiek dit antigen herkent
Immunisatie
  • Actieve immuniteit, toegepast bij vaccinatie:
    Productie van antilichamen in het lichaam in antwoord op infectie met antigen
  • Passieve immuniteit
    Toedienen van specifieke antilichamen tegen infectie
  • Immuuntherapie
    Specifieke antilichamen richten tegen bijv. tumor
G-eiwit werking

  1. Een signaalmolecuul bindt aan de G-eiwit gebonden receptor .
  2. De gebonden GDP aan het α-subunit laat los, en wordt vervangen door GTP. 
  3. De α-subunit laat los van het β- en γ-subunit, en verplaatst zich langs het plasmamembraan .
  4. De geactiveerde α-subunit bindt aan het doeleiwit. 
  5. GTP wordt gehydrolyseerd tot GDP. 
  6. Het inactieve α-subunit laat los van het doeleiwit, en bindt weer met het βγ-complex om zo weer een inactief G-eiwit te vormen
  7. Terug naar 1
Intracellulaire communicatie
  • Intracellulaire signaalwegen hebben 1 of meer cruciale wegen:
  1. Ze kunnen het signaal doorgeven en op deze manier helpen met de spreiding door de gehele cel
  2. Ze kunnen het ontvangen signaal versterken, zodat maar een paar extracellulaire signaalmoleculen nodig zijn om zo een grote intracellulaire response te ontvangen
  3. Ze kunnen signalen ontvangen van meer dan 1 intracellulaire signaalweg en deze te integreren voordat het signaal wordt doorgegeven
  4. Ze kunnen het signaal verspreiden naar meer dan 1 signaalweg of effector eiwit