Summary Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk

-
ISBN-10 9046603784 ISBN-13 9789046603789
368 Flashcards & Notes
6 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk". The author(s) of the book is/are H W B thoe Schwartzenberg. The ISBN of the book is 9789046603789 or 9046603784. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk

  • 1 Inleiding

  • Waar is het civiele bewijsrecht hoofdzakelijk geregeld?

    149-207 Rv. Gelden ook in hoger beroep, 353 lid 1, en in verzoekschriftprocedures tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet, 284 lid 1. Niet in kortgeding omdat de aard van de te geven beslissing (voorlopige maatregel) en de snelheid waarmee de procedure wordt gevoerd zich daartegen verzetten. 

  • Waardoor kan bewijs worden geleverd?

    In beginsel door alle middelen rechtens, 152 lid 1. 

  • Wat betekent de vrije bewijsleer?

    152 lid 2. De bewijskracht van bewijsmiddelen is aan het oordeel van de rechter overgelaten. Bewijskracht betekent in dat verband vooral: overtuigende kracht; een redelijke mate van zekerheid omtrent het bestaan van bepaalde feiten of rechten. De benodigde mate van zekerheid zal verschillen al naar gelang de gevolgen van de rechterlijke beslissing ingrijpender zijn. 

  • Wat zegt art. 150? En waar moet de wederpartij voor zorgen? 

    De stelplicht. Uit de toepasselijke regel van materieel recht (de grondslag van de vordering) kan worden afgeleid wat de stelplicht in een concreet geval inhoudt. 

    De wederpartij zal de naar voren gebrachte feiten voldoende moeten betwisten om niet het risico te lopen dat de feiten als vaststaand worden aangenomen (149 lid 1). 

  • Eiser heeft stelplicht en diens feiten worden door de wederpartij gemotiveerd betwist, op wie rust de bewijslast?

    Op eiser rust de bewijslast van die feiten en eiser draagt het bewijsrisico wanneer hij dat bewijs niet kan leveren. Rechter doet dit d.m.v. een interlocutoir (tussen)vonnis waarin hij de bewijsopdracht formuleert. Hij kan ook kiezen voor een deskundigenbericht of een descente. 

  • Wanneer wordt de term 'aannemelijk maken' gebruikt? 

    In gevallen waarin de rechter niet is gebonden aan de regels van het bewijsrecht, zoals in kort geding en bij de vaststelling van schade (6:97 BW). Ook zie je het bij toepassing van de omkeringsregel: de aangesproken partij kan zich van aansprakelijkheid bevrijden als zij aannemelijk maakt dat de normschending niet de oorzaak van de schade is. Zie ook bijv. 154 lid 2.

  • In de debatfase als in de bewijsleveringsfase dient te zijn voldaan aan de grondbeginselen van het burgerlijk procesrecht zoals te vinden in 6 EVRM en art. 19 Rv e.v. Geef voorbeelden hiervan. 

    • Rechter heeft plicht om beide partijen te horen en gelijke kansen te geven (equality of arms). 
    • partijen hebben het recht op het ontvangen en zelf verstrekken van informatie en het recht voldoende gelegenheid te krijgen om op ontvangen informatie te reageren. 
    • partijen moeten in een civiel geding in voldoende mate en op gepaste wijze de gelegenheid krijgen om hun zaak te presenteren, inclusief het bewijs, zonder dat de ene partij een beduidend slechtere positie heeft dan de andere partij. 
    • Dombo arrest EHRM 27 oktober 1993. 
  • 2.1 149 lid 1 eerste volzin

  • Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. 

  • Wat moet de rechter doen die moet oordelen of er schade is ontstaan of niet?

    HR: de rechter die over feiten oordeelt heeft de vrijheid om schade reeds aannemelijk te achten op grond van het vaststaan van feiten waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid (vaste rechtspraak: NJ 1991, 746). 

  • Wat zegt art. 149 Rv?

    Formuleert het uitgangspunt van het bewijsrecht. Bewijsgaring moet aan partijen worden overgelaten. De rechter dient zich te beperken tot een beoordeling van het bewijsmateriaal en mag alleen dus die feiten gebruiken die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die zonder of met bewijslevering naar zijn oordeel vaststaan. 

    Dit beginsel omvat dus niet alleen feiten en rechten die bewezen zijn, maar ook die op een andere wijze zijn komen vast te staan, bijv. doordat ze niet (voldoende) zijn betwist (zie 149 lid 1 tweede zin). 

  • Wat betekent 'in het geding'?

    Rechter mag geen feiten of rechten die hem uit een ander dossier bekend zijn geworden, maar welke niet door een van de partijen in het latere geding zijn aangevoerd, aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Zelfs niet wanneer die andere procedure een procedure tussen dezelfde partijen -of sterker nog: over hetzelfde onderwerp- betreft. 

    (Art. 236 lid 3: beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, mag niet ambtshalve worden toegepast.) 

    Als stukken uit een andere procedure worden overgelegd, moeten partijen dit zodanig doen dat het voor de rechter en wederpartij duidelijk is op welke stellingen en feiten daaruit een beroep wordt gedaan (de enkele verklaring dat de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd is onvoldoende). 

  • Mag de rechter feiten aanvullen?

    Op grond van 24 Rv geen feiten die niet door de belanghebbende partij aan haar vorderingen, stellingen of weren ten grondslag zijn gelegd, tenzij deze aanvulling feiten van algemene bekendheid betreft of berust op algemene ervaringsregels (149 lid 2). Rechter onderzoekt en beslist op grond van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd (24 Rv). 

    De feitelijke grondslag ziet op de feiten die door een partij met het oog op een bepaald rechtsgevolg (vordering, ingebrekestelling, verjaring) zijn geselecteerd en ingeroepen. Pas dan kan het door haar ingeroepen rechtsgevolg door de rechter erkend worden. Deze feitelijke grondslag moet zijn gesteld en vormt de grondslag voor het onderzoek en de beslissing van de zaak.

  • Wat is een feitelijk of rechterlijk vermoeden en wat mag de rechter daar wel/niet mee doen?

    De rechter mag wel uit hem ten processe op regelmatige wijze gebleken en vaststaande feiten het bestaan van andere feiten afleiden. 

  • Wat zegt art. 25 Rv?

    De rechter is bevoegd een vordering op andere rechtsgronden toe te wijzen (25 Rv), doch niet op andere feitelijke gronden dan waarop eiser zijn vordering heeft doen steunen. De rechter is verplicht om zelfstandig en onafhankelijk van partijen na te gaan welke rechtsregels van toepassing zijn op de naar voren gebrachte feiten. Ook indien partijen zelf deze rechtsregels niet naar voren hebben gebracht. De rechter heeft de vrijheid daar zijn eigen conclusies aan te verbinden, maar deze conclusies mogen niet leiden tot het beslissen op gronden van de eis of verweren die niet zijn aangevoerd. 

    Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten of omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekort gedaan in haar verdedigingsrecht. 

    (Lastig om te begrijpen, uitleg nodig?)

  • Wat kan een rechter allemaal doen/beslissen ter terechtzitting?

    • bevel geven tot het toelichten van bepaalde stellingen
    • overleggen van bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden (22 Rv)
    • comparitie van partijen bevelen (87, 88 en 131)
    • ambtshalve onderzoek instellen naar de waarheid van niet tussen partijen vaststaande feiten: getuigenverhoor bevelen, partijen tijdens de comparitie ondervragen, deskundigenbericht, openlegging van boeken bevelen, descente houden, uitlating bij akte vragen. 
    • Maatstaf: kan het een zinvolle en verantwoorde bijdrage vormen voor het vaststellen van wat echt is gebeurd?
  • Wat betekent de regel hoor en wederhoor en waar te vinden? 

    19 Rv. Heeft ook betrekking op het kunnen kennisnemen van en adequaat kunnen reageren op bescheiden die (kort) voor of bij gelegenheid van een terechtzitting, waarop zij aan de orde komen, worden overgelegd. (Rechter dient erop te letten dat aan de eis van 19 is voldaan en dat zijn beslissing daarmee in overeenstemming is met het oog op controle door de hogere rechter of uit het pv van de zitting. Dus welke maatregel de rechter heeft genomen of dat de wederpartij er mee heeft ingestemd). 

    De rechter is niet geroepen om onvangrijke stukken waarvan de relevantie voor het ter beoordeling voorgelegde geschil niet of onvoldoende wordt toegelicht, te gaan doorspitten om na te gaan of daarin misschien gegevens voorkomen die op de hem voorgelegde vraag betrekking (kunnen) hebben. Dit mag niet, omdat deze kennis van de rechter niet duidelijk aan de andere partij in de procedure is voorgehouden en daarvan dan onvoldoende kennis hebben kunnen nemen om die bij hun standpuntbepaling in aanmerking te (kunnen) nemen. 

    Dit ivm de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor. 

  • Arrest Schook/Vergeer?

    Wanneer de rechter gegevens die niet van algemene bekendheid zijn aan zijn oordeel ten grondslag legt, verdraagt zich dat niet met de wettelijke regeling der gerechtelijke plaatsopneming, welke de nodige waarborgen biedt voor controle en bespreekbaarheid door partijen. 

    De rechtbank mag bijv. niet gegevens, ontleend aan een niet-officiele bezichtiging van een pand door ;e;en van haar rechters, aan haar oordeel ten grondslag leggen. In geschil was of het gehuurde een bedrifjsruimte (art. 7:290 BW: voor het publiek toegankelijk) dan wel een gesloten pakhuis was. De rechtbank was tot een ontkennend antwoord gekomen op grond van een niet-officiele bezichtiging door één harer leden. In geval van bewijsgaring buiten partijen om is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. De wettelijke regeling van de descente biedt waarborgen dat de resultaten controleerbaar zijn en door partijen in het geding kunnen worden besproken. 

  • Is ambtshalve toepassing van verweermiddelen door de rechter verboden?

    In bepaalde gevallen wel bij wet of rechtspraak en dan moet er uitdrukkelijk een beroep worden gedaan op bepaalde verweermiddelen. Dat impliceert dat daartoe voldoende feiten moeten worden gesteld. Bepaalde rechtsgronden die ter vrije bepaling van partijen staan mogen niet ambtshalve door de rechter worden toegepast, omdat die een (mede) feitelijk verweermiddel van een belanghebbende partij veronderstellen dat niet door haar is aangevoerd. 

    Bijvoorbeeld: 

    • bevrijdende verjaring 3:322 BW
    • gezag van gewijsde 236 lid 3 Rv
    • ontbinding overeenkomst 6:267 BW
    • rechtsgronden zoals retentierecht (3:290 BW), opschortingsrecht, of arbitraal beding. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.