Summary Class notes - Adolescentie

Course
- Adolescentie
- Geen idee
- 2015 - 2016
- Open Universiteit
- Psychology
123 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Adolescentie

  • 1461362400 Tentamen

  • Volgens Van Aken en Slot (2004) wordt adolescentie onderverdeeld in enkele perioden. De typering van een periode kan volgens de auteurs het beste ontleend worden aan de aard en het karakter van de ontwikkeling die in deze periode plaatsvindt.
    In welke periode plaatsen ze de psychoseksuele ontwikkeling? 


     - vroege adolescentie  - puberale adolescentie
     - middenadolescentie
     - late adolescentie
    Het juiste antwoord is: vroege adolescentie
    Indeling van de adolescentie
    -de vroege adolescentie, waarin de lichamelijke rijping, de psychoseksuele ontwikkeling en het proces van losmaking van de ouders op gang komen
    -De middenadolescentie, waarin het experimenteren met diverse keuzemogelijkheden centraal staat
    - De late adolescentie, waarin jongeren beginnen verplichtingen aan te gaan met betrekking tot maatschappelijke positie en persoonlijke relaties.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen?
    I           Seksuele ontwikkeling correleert sterk positief met de cognitieve ontwikkeling.
    II          Adolescenten zijn relatief goed in staat hun gedrag en gedachten te reguleren als ze emotioneel in evenwicht zijn.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Alleen II is juist.
    Zie reader : de inleiding pag 40 en 41

    Cognitieve ontwikkeling correleert met leeftijd en ervaring, NIET met sexuele volwassenwording.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
    Uit onderzoek van National Family and Parenting Institute van 1999 bleek dat

    I           jongens minder dan meisjes geneigd waren om hun relatie met hun ouders als positief te beoordelen.
    II          de meeste jongeren dachten dat het een goed idee is om mensen te onderwijzen hoe zij zich als ouders moeten gedragen.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Het juiste antwoord is:
    I en II zijn onjuist.
    MAAR key findings zegt juist dat I juist is dus ???

    Key findings :
    -75% van de jonge geïnterviewden zei dat hun ouders er altijd voor hun zijn als zij hen nodig hebben.
    -66% zei zich geliefd en verzorgd te voelen.
    -59 % zei goed met zijn ouders op te kunnen schieten
    -Jongens gaven een iets mindere positieve kijk op hun relatie met hun ouders dan meisjes.
    -Jongere kinderen waren positiever dan oudere. En er lijkt een keerpunt te zijn op de leeftijd van 13.
    -56% vond het makkelijk te communiceren met hun ouders maar 20% ruziede  vaak met ouders.
    -57% zei regelmatig hulp bij huiswerk te krijgen, de jongste kinderen het meest en jongens zeggen minder hulp te ontvangen dan meisjes.
    -Er waren meer positieve reacties op deze punten door ' bevoordeelde' kinderen ( I.e. Kinderen van ' grammarschools' ( gymnasia?) hetgeen andere onderzoeksresultaten bevestigen zoals dat sociale stress ( sociale uitsluiting, racisme, financiële en andere druk) van invloed is op familie relaties.
    -Uit het onderzoek van ouders blijkt, dat een groot deel van de kinderen aanbeveelt om gedrag te beïnvloeden door beloning en argumentering meer dan straf zoals een pak slaag.
    -Kinderen geloven meer dan volwassenen dat ouders' duidelijkheid over wat goed of fout is, belangrijk is voor hun geluk.
    -Het idee hoe gelukkige kinderen op te laten groeien verschilt tussen jonge mensen en hun ouders, vooral op 3 punten:
    -70% kinderen tegenover 33% van de volwassenen zei dat het belangrijk is dat ouders goed met elkaar om kunnen gaan.
    -Ongeveer 50% kinderen tegenover ongeveer 15% zei dat het gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen hun capaciteit tot  het opvoeden van gelukkige kinderen beïnvloedt.
    -Ongeveer 75% kinderen tegenover 41% vindt het  je gehoord voelen en begrepen belangrijk.
    - ongeveer de helft van de jonge mensen waren het er mee eens dat onderwijs en counseling kan helpen bij moeilijke familierelaties.
    -43% vinden dat ouderschap onderwezen zou moeten worden op school .d
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.

    I           Androgenen zijn hormonen die alleen tijdens de puberteit een actieve rol spelen bij het
                reproductieve systeem van mens.
    II          Het begin van de puberteit wordt gekenmerkt door het actief zijn van de androgenen.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    sHet juiste antwoord: Alleen II is juist

    Zie reader : het lichaam pag 11.

    Hormonale veranderingen tijdens de pubertijd
    Hormoon levels beginnen in het midden van de kindertijd te stijgen en gaan gedurende de adolescentie nog sneller omhoog. Fysieke ontwikkeling en de volwassen voortplantingsfuncties worden gecontroleerd door het endocrien systeem, dat eerst via het HPA systeem (hypothalamus-pituitary-adrenal-axis) opereert en dan via het HPG systeem (hypothalamus-pituitary-gondal-axis).

    In de prenatale periode worden er al androgenen aangemaakt ten behoeve van het
    voortplantingssyteem. De aanmaak hiervan stopt postnataal totdat het meisje 6 of jongen 8 is. Dan komt de productie van androgenen weer op gang in de bijnierschors en hiermee wordt het voortplantingssysteem geactiveerd. Het is tevens het teken dat puberale ontwikkeling gaat beginnen. Dit wordt de adrenarche genoemd.

    Een jaar of twee later (meisje 8;jongen 10) volgt de gonadarche, welke zorgt voor
    vervolmaking van het voortplantingssysteem. Gonaden zijn geslachtsklieren. Tijdens de gonadarche zijn er variabele, pulserende uitbarstingen van de gonadotrofinenen LH (luteïniserend hormoon) en FSH (follikelstimulerend hormoon) door de hypothalamus, aanvankelijk alleen ’s nachts maar later ook overdag. LH en FSH worden in de kindertijd ook al uitgestoten maar in veel lichtere mate. Tijdens de pubertijd stijgt de uitstoting van LH en FSH juist. Uitstoot van LSH bij mannen is vanaf de pubertijd vrij constant.

    De gonadotrofinen LH en FSH zijn belangrijk voor het produceren van sexhormonen (androgenen en oestrogenen), welke de ontwikkeling van het voortplantingssysteem stimuleren. Bij meisjes stimuleert FSH de ovaria bij de aanmaak van eitjes, terwijl LH ervoor zorgt ervoor dat het niveau van de hormonen progesteron en oestrogeen op peil blijft. Bij jongens stijgt FSH eerder dan LH en is FSH nodig voor de ontwikkeling van de sertoli celfunctie, wat uiteindelijk tot spermaproductie moet leiden. De hypothalamus reguleert alles door de niveaus van het in omloop zijnde oestrogeen en testosteron in de gaten te houden en
    deze waar nodig te veranderen door de afgifte van LH en FSH. Dit gebeurt dan niet meer pulserend maar zoals bij volwassenen tonisch (voortdurend).   
  • Op welk moment tijdens de puberteit begint normaal gesproken de menstruatie?
    Leeftijd: 10,5. - 15,5
    Fysieke veranderingen (zie plaatje blz. 13) 
    Borstontwikkeling is meestal de eerst zichtbare verandering tussen de 8 en 13 jaar. (blank: 9,7 en zwart: 8,8). Schaamhaar begint meestal kort daarna, maar in 20% van de gevallen gebeurt dat soms andersom. De groei van borsten duurt ongeveer 4,5 jaar. De areola is dan gegroeid en teruggetrokken in de contouren van de twee borsten. De groeispurt begint bij meisjes tegelijk met borstontwikkeling. Menarche gebeurt bij blanke meisjes rond de 12.9 en bij zwarte meisjes rond de 12.2 jaar. 
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
    I           Jongens beginnen over het algemeen eerder met de puberteitsontwikkeling.
    II          Postpuberale meisjes hebben gemiddeld twee keer zo veel lichaamsvet dan postpuberale jongens.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    II is juist. Zie reader pagina 14 / 15
  • Welke factor is niet in verband gebracht met de vervroegde aanvang van de lichamelijke ontwikkeling bij hedendaagse pubers?
                opleiding
                etniciteit
                voedingsgewoonten
                lichaamsgewicht
    dHet juiste antwoord is : opleiding Zie reader het lichaam pag 33

    Genetische invloeden:  etniciteit, moeder-dochter m.b.t. dezelfde aanvang menarche
    Dieet: inname van proteïnes (dierlijk/plantaardig), vet en het totaal aantal calorieën hebben
    effect op de start van puberteit.
    Dikke kinderen van beide seksen beginnen vaak eerder met de puberteit
    Energieverbruik: overmatig sporten en psychiatrische ziekten (bijv anorexia) worden in
    verband gebracht met een hypogonadotrofische toestand die tot vertraging of zelfs het
    tegenhouden van de start van de puberteit kan leiden. Er kan sprake zijn van uitgestelde
    pubertijd bij atletische meisjes en meisjes met eetstoornissen.
    Er is aangetoond dat er een zekere mate van vet aanwezig moet zijn bij meisjes om de
    puberteit te laten starten. Een eerdere pubertijd is gelinked aan obesitas (=probleem van deze
    tijd).


    Er zijn diverse hypothesen over waarom meisjes eerder volwassen aan het worden zijn, waaronder:
    1. Milieuvervuiling (toxines). DDE en PCB’s bootsen oestrogeen na. Blootgesteld
    worden (als kind of prenataal) aan deze toxines zou de puberteit kunnen vervroegen.

    2. Lichaamsvet. Het hormoon leptine reguleert het lichaamsvet en heeft invloed op
    gonadotrofine-activiteit in het brein. Hogere concentraties van dit hormoon (t.g.v.
    obesiteit) zouden tot een eerdere puberteit leiden. Waarschijnlijker is echter dat de
    verhoogde leptineconcentraties het gevolg zijn van de aanvang van de puberteit . In dat geval zou obesiteit een ander mechanisme ‘triggeren’ dat de puberteit laat starten en de leptineconcentraties laat stijgen. Het verband tussen gewicht en puberteit is alleen bij meisjes gevonden. Men denkt wel dat ook SES-verschillen hierbij een belangrijke rol spelen.

    3. Psychosociale of omgevingsstress. Bepaalde stressvolle familiesituaties zouden de vroege start van de puberteit kunnen voorspellen:
    - vader afwezig in kindertijd
    - weinig genegenheid van ouders        
  • Muziekvideoclips vertonen vaak genderstereotiep gedrag: de man als macho en de vrouw als willoos lustobject. Jongeren die regelmatig naar zulke clips kijken, nemen dit gedrag vaak over en gaan zich genderstereotiep gedragen.
    Volgens welke theorie kan dit het beste verklaard worden?

                social role theory
                social cognitive theory of gender
                cognitive developmental theory of gender
                social identity theory
    Het juiste antwoord: social cognitive theory of gender Zie reader Het Lichaam pag 50


    Alice Eagly: sociale rol theorie. Genderverschillen ontstaan door de contrasterende rol tussen man en vrouw. Vrouwen hebben minder macht en status dan mannen en hebben minder controle over bronnen. Vergeleken met mannen spenderen vrouwen meer aan huisarbeid, minder tijd aan betaald werk, lagere loonbetaling etc. Vrouwen passen zich aan deze rol. Dus worden zij meer coöperatief dan mannen. De sociale hiërarchie en scheiding in werk zijn belangrijke oorzaken van genderverschillen in macht, assertiviteit en zorgzaamheid. 

    De sociale cognitieve theorie (van gender) is belangrijk om de sociale invloed op gender te begrijpen. De ontwikkeling van de genderrol wordt beïnvloed door de observatie en imitatie van andere mensen en beloningen en bestraffen van sociaal gedrag door bijv. ouders. (dochter, wat zie je er leuk uit in die jurk!) Ook spelen broer en zus belangrijke rol. De jongere neemt meer over van de oudere broer en zus. Andersom wordt er minder overgenomen. Peers vormen in een later stadium van de adolescentie een zeer belangrijke rol. Deze peers bekrachtigen elkaar in hun gedrag. Op school worden jongens door leraren sneller bekritiseerd. Ook wordt er van hen sneller verwacht dat ze leerproblemen zullen hebben. Van meisjes wordt verwacht dat ze gehoorzamer zijn. Verder zijn er meer leraressen op scholen, zodat jongens een man-voorbeeld missen. Jongens zijn drukker, krijgen meer aandacht en meer instructie dan meisjes. Ook blijven ze vaker zitten

    Er zijn op school dus biassen die op gender zijn gebaseerd.
    Moet je dan kiezen voor een meisjes/jongensschool of een gemengde school? De meningen hierover zijn wisselend. 
     
    Invloed massa media
    Televisie is kenmerkend stereotyperend bezig. Deze heeft veel invloed op adolescenten. Onderzoeken wijzen uit dat meisjes meer dan jongens vinden dat de media hun lichaamsbeeld beïnvloed. Andere onderzoeken wijzen uit dat hoe meer adolescente jongens en meisjes tv keken, hoe negatiever ze waren over hun lichaam.

    -cognitieve ontwikkelings theorie van gender (Kohlberg, 1966): gender-type treedt naar buiten nadat kinderen zichzelf als jongen of meisje hebben bestempeld. Dus zij organiseren hun wereld pas nadat zij zichzelf zien als meisje of jongen.
    -gender schema theorie: gender-type treedt naar buiten als adolescenten gender schema’s ontwikkeld hebben die geschikt zijn vanuit het oogpunt van hun cultuur. 
    Een schema is een raamwerk waarin de individu zijn informatie in organiseert en
    interpreteert. Een gender schema is een cognitieve structuur die de wereld organiseert in termen van man en vrouw.
  • Eén van de meest consistente genderverschillen betreft een grotere fysieke agressie van jongens in vergelijking met meisjes. Santrock kijkt in het artikel ‘Gender’ook naar studies waar niet-fysieke agressie werd bestudeerd.
    Welke stelling is in dit verband juist?

                In vergelijking met meisjes blijken jongens agressiever te zijn in fysieke agressie maar uit divers onderzoek blijkt dat jongens gelijk (of zelfs minder) scoren op verbale agressie.
                Jongens blijken agressiever dan meisjes te zijn in hun verbale agressie en fysieke agressie maar - in tegenstelling tot meisjes - doen ze (bijna) nooit mee aan relationele agressie.
                Jongens blijken agressiever dan meisjes te zijn in fysieke agressie en worden vaker dan meisjes betrokken bij relationele agressie. Er is weinig informatie bekend over het verschil tussen jongens en meisjes wat verbale agressie betreft.
                Jongens blijken veel agressiever te zijn dan meisjes in hun fysieke agressie, verbale agressie en relationele agressie.
    Het juiste antwoord: in vergelijking met meisjes blijken jongens agressiever te zijn in fysieke agressie maar uit divers onderzoek blijkt dat jongens gelijk ( of zelfs minder ) scoren op verbale agressie
    Zie reader Het Lichaam pag 58

    Gender: overeenkomsten en verschillen
    Man/ vrouw verschillen: fysiek en cognitief. Enkele voorbeelden:
    -vrouwen hebben twee maal meer lichaamsvet dan mannen
    -o.i.v. androgenen worden mannen langer
    -vrouwen blijven gezonder en worden ouder
    -mannen hebben hogere levels stresshormonen.
     Wat betreft hersenen zijn er soms verschillen gevonden:
    -een deel van de hypothalamus dat betrokken is bij sexueel gedrag is bij mannen groter
    -delen van het corpus callosum van de vrouw zijn langer 
    -gebied van partiële kwab (ruimtelijk inzicht) is bij de man groter
    -delen betrokken bij emotionele expressie vertonen bij vrouwen meer metabolische activiteit
    Deze verschillen kunnen ontstaan zijn door erfelijkheid en evolutie, maar ook door sociale ervaringen.
     
    Cognitieve overeenkomsten en verschillen
    Vandaag de dag denken sommige onderzoekers dat de cognitieve verschillen tussen man en vrouw zijn overdreven, alhoewel andere onderzoekers verschillen hebben aangetoond. Wat de cognitieve verschillen op school betreft kunnen deze ook nog veroorzaakt zijn door stereotype behandeling of door het zich aan te passen aan de genderrol. 
     
    Socio-emotionele overeenkomsten en verschillen
    -agressie: jongens dragen meer bij in fysieke agressie. Meisjes zijn in verbaal iets agressiever dan jongens. Meisjes zullen eerder roddels verspreiden of diegene negeren dan fysiek agressief te worden: relationele agressie.
  • Wat is geen kenmerk van anorexia nervosa, zoals beschreven door Sonja Fleminger?
           -     Anorexia nervosa begint vaak sluipend.
            -    Anorexia nervosa komt vaak voor bij meisjes die ogenschijnlijk volledig         voldoen aan wat  de omgeving van hen verwacht.
          -      Bij anorexia nervosa gaat uiteindelijk de vermagering opvallen.
          -      Meisjes met anorexia nervosa missen meestal zelfdiscipline en voelen zich snel overspoeld door emoties zoals angst en somberheid.
    Het juiste antwoord:
    meisjes met anorexia nervosa missen meestal zelfdiscipline en voelen zich snel overspoeld door emoties zoals angst en somberheid.


    Invloedrijk was de theorie van Bruch (1973) die als eerste de nadruk legde op de strijd om autonomie, controle en zelfrespect en Crisp (1997) die anorexia nervosa ziet als een fobische vermijdingsstoornis, waarbij het object van de fobie een normaal volwassen lichaam is met alles wat daar sociaal en psychologisch bij hoort. Tegenwoordig gaat men uit van een meervoudige determinantie: het biopsychosociaal verklaringsmodel.
  • Binnen de cognitieve ontwikkeling heeft Elkind een theorie ontwikkeld waarin cognitief egocentrisme centraal staat.

    Waaruit blijkt bij adolescenten cognitief egocentrisme?

          -      een onderwaardering van de eigen gevoelens en opvattingen
          -      de gedachte uniek te zijn
                het geloof dat anderen minder sterk op hun uiterlijk en gedrag letten als zijzelf
            -    de gedachte dat anderen hen anders beoordelen dan zijzelf
    Het juiste antwoord: de gedachte uniek te zijn Zie reader  Het Denken pag 14-15


    Selman (1980) formuleerde, net als Piaget, een soort fasentheorie van overlappende niveaus van sociaal-cognitieve ontwikkeling. Al vóór het 12e jaar zijn kinderen in staat om na te denken over het eigen gedrag en zijn ze in staat om wederkerigheid (reciprociteit) in gezichtspunten te onderkennen. Kinderen kunnen zich geleidelijk beter in de ander verplaatsen en realiseren zich dat anderen dat ook doen. In de vroege adolescentie komt daar nog de mogelijkheid bij om diverse standpunten meer van een afstand, vanuit het standpunt van een 3e
     persoon, te bezien.

    Dit noemt Selman het structurele perspectief: De mate van zelfbewustzijn neemt toe, men krijgt oog voor het soms tegenstrijdige karakter van de eigen gevoelens en kan daardoor het eigen gedrag ook beter sturen. Later in de adolescentie vindt er een verdieping en vermaatschappelijking plaats van het perspectief. Verder ontstaat het inzicht dat op diverse niveaus gemeenschappelijke
    gezichtspunten kunnen worden ontwikkeld. Er komt ook een besef van de relativiteit van standpunten.
     
    De tweede benadering is die van Elkind (1967). Volgens hem vertonen ook adolescenten die de nieuwe formele denkstructuren nog onvoldoende beheersen, een bepaalde mate van cognitief egocentrisme. Dat wil zeggen dat adolescenten nog niet voldoende onderscheid maken tussen zaken waar ze zelf intensief mee bezig zijn en de dingen waar vooral de anderen over nadenken. Adolescenten hebben voortdurend het gevoel te worden bekeken: zij hebben een ‘imaginair publiek’. Zij denken dat iedereen op hen let en schamen zich dikwijls.
    In de tweede plaats blijkt dit egocentrisme uit een overwaardering van de eigen gevoelens en opvattingen. Deze overschatting kan leiden tot de overtuiging dat zij uniek zijn en dat bepaalde dingen hun nooit zullen overkomen. Elkind spreekt in dit verband van een ‘persoonlijke fabel’ (bv onveilig vrijen).
     
    Latere onderzoekers (zoals Lapsley, 1993) neigen ertoe om het cognitieve egocentrisme niet zo zeer op te vatten als een bijproduct van het formele denken, maar als voortkomend uit:
    1. het streven om een zekere onafhankelijkheid t.o.v. hun ouders te bereiken en tegelijkertijd met anderen verbonden te blijven
    2. de ontwikkeling van hun vermogen tot perspectief nemen zoals die werd beschreven door Selman. In deze gedachtegang komt de persoonlijke fabel voort uit het streven naar onafhankelijkheid, terwijl het imaginaire publiek voortkomt uit het tegelijkertijd aanwezige streven toch ook met anderen verbonden te blijven. Het zou dus meer betreffen dan alleen de cognitieve ontwikkeling tijdens de adolescentie, maar ook te maken hebben met de spanning die jongeren ervaren tussen afhankelijkheid en verbondenheid.

    Uit recent onderzoek naar deze wat nieuwere manier om naar beide vormen van egocentrisme te kijken, bleek dat dit inderdaad het geval is (Goossen ea, 2002).
  • De ontwikkelingen binnen de hersenen gaan tijdens de adolescentieperiode gepaard met een verbetering in de executieve functies van de adolescent.
    Welke functie verbetert niet significant tijdens de adolescentie?

                selectief aandacht richten
                probleem oplossen
                strategisch plannen
                prospectief onthouden
    sHet juiste antwoord: Strategisch plannen

    Zie reader Het Denken: pag 30

    Ontwikkeling van de executieve functie

    De veranderingen in de frontale cortex tijdens de adolescentie hebben effect op de executieve functies. De ontwikkeling van deze executieve functies verloopt echter niet lineair. Onder executieve functies wordt de capaciteit begrepen die het individu toelaat om zijn of haar gedachten en gedrag te beheersen en te coördineren en omvat onder andere de kundigheid van selectieve aandacht, besluitvorming, responsinhibitie en het functioneren van het werkgeheugen. 

    Deze executieve functies worden geassocieerd met de frontale cortex. MRI-studies toonden aan dat er tijdens de adolescentie veranderingen optreden ter hoogte van de frontale cortex waardoor deze executieve functies verbeteren, non lineair. 
    Zo liet een multitakenstudie, die het prospectieve geheugen test, zien dat tussen 6 en 10 jaar zowel de efficiëntie als de kwaliteit van de gehanteerde strategieën toeneemt. Echter, tussen 10  en 14 jaar is er geen significante verbetering vast te stellen.

    De volwassenen (gemiddelde leeftijd van 25 jaar) scoorden daarentegen significant beter dan de groep 6- tot 10-jarigen. Er werd geconcludeerd dat het prospectieve geheugen tijdens de adolescentie verbetert (in lijn met de frontale rijping van het brein), zij het met een status-quo rond de puberteit (10 tot 14 jaar). 

    Een analoog non lineair ontwikkelingspatroon werd gevonden in een studie met een ‘match-to-sample’-taak, die een beroep  deed op het werkgeheugen en het beslissingsvermogen. Bij het begin van de puberteit (10-12 jaar) was er een achteruitgang op deze test te zien. Er was een dip in performance. Na de puberteit (13-14) werd er weer beter gepresteerd.

    Onderzoekers associeerden deze tijdelijk verminderde prestaties op dergelijke executieve taken met een toename van synapsen tijdens het begin van de puberteit. Na de puberteit heeft het proces van pruning plaatsgevonden waardoor er een efficiënter en gespecialiseerd cognitief netwerk ontwikkeld is en de prestaties op executieve taken weer toenemen.

    De dip in cognitief functioneren wordt dus veroorzaakt door de plotselinge proliferatie van synapsen. De ontwikkelingen binnen de hersenen gaan tijdens de adolescentieperiode gepaard met een verbetering in de executieve functies van de adolescent:
    - probleem oplossen
    - selectief richten
    - prospectief onthouden       
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
    I           Volgens het Jamesian Discrepansy Model zullen individuen die niet voldoen aan hun
                eigen idealen, een lage eigenwaarde hebben.
    II          Volgens Harter (1999) moeten zelfwaarderingsinterventies voor adolescenten zich
                vooral richten op de emotionele determinanten van zelfwaardering.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    I en II zijn juist

    Zie reader Het Denken pag 47

    Het zelfconcept gerelateerd aan eigenwaarde: 
    Er is onderscheid tussen globale percepties (zoals eigenwaarde, zelfvertrouwen) en domeinspecifieke zelfconcepten (zoals competentie, verschijning, gedragsoptreden, aantrekkelijkheid voor peers). Het kunnen maken van globale zelfevaluaties is pas mogelijk vanaf midden kindertijd.

    Discrepantie Model van James: kritiek vanuit de sociale omgeving speelt een rol.

    Volgens de Sociometer Theory fungeert zelfvertrouwen als een monitor van het ‘er sociaal bijhoren’. In de adolescentie wordt goedkeuring van peers belangrijker. Door competentie op een bepaald gebied, zal de adolescent waardering krijgen. Als de adolescent nergens in uitblinkt, zal hij een andere strategie kiezen om zich goed te voelen, zoals neerwaartse vergelijking en externe attributie. Of hij zal het domein van competentie bagatelliseren.
     
    - Een voorbeeld van een interventie gericht op cognitieve factoren is:

    adolescenten met een lage zelfwaardering aan te leren dat de oorzaak van falen niet altijd bij henzelf ligt: cognitieve her-attributie

    - een voorbeeld van een interventie gericht op sociale factoren is:  
    adolescenten met een lage zelfwaardering leren complimenten of steun van anderen te internaliseren, zodanig dat ze zelf ook gaan geloven in hun eigen kunnen

    Harter (1999): interventies om de zelfwaarde van de adolescentie te verhogen moeten gericht worden op de cognitieve en sociale determinanten.
    Vier strategieën voor de cognitieve determinant zijn:
    - zelfwaarde interventies moeten de discrepanties tussen aspiraties en gepercipieerde competentie reduceren
    - zelfwaarde interventies voor oudere adolescenten kunnen relevante accurate zelfevaluaties aanmoedigen
    - zelfwaarde interventies zouden de potentie voor verandering in de valentie van
    zelfrepresentaties moeten beoordelen
    - zelfwaarde interventies moeten ook aandacht hebben voor de eigen theorieën van de individuen over de oorzaken van hun lage zelfwaarde.
    Twee strategieën voor de sociale determinant zijn:

    - zelfwaarde interventies moeten proberen de steun voor goedkeuring te verhogen
    - zelfwaarde interventies moeten zich richten op het internaliseren van de positieve meningen van anderen. Een strategie om internalisatie te verkrijgen is: persoonlijke doelen nastreven.
  • Wat betekent Elkind’s term de ‘persoonlijke fabel’?
                de gedachte verbonden te zijn met anderen
                de gedachte uniek te zijn in eigen gevoelens en opvattingen
                het gevoel persoonlijk onafhankelijk te willen zijn
                het gevoel continu door anderen te worden bekeken
    De gedachte uniek te zijn in eigen gevoelens en opvattingen.
    Zie reader Het Denken pag 52.

    Elkinds' cognitieve theorie van adolescent egocentrisme
    - persoonlijke fabel: de onjuiste overtuiging dat eigen gevoelens en ervaringen uniek zijn en verschillen van anderen, voorbeeldgedachten die hierbij passen zijn: 'niemand begrijpt mij', 'mij zal dat niet overkomen' en 'ik kan alles aan'. Verder: de overtuiging onkwetsbaar te zijn en alles aan te kunnen
     -imaginair publiek: het idee van de adolescent dat hij in het middelpunt van de aandacht van anderen staat, ervan overtuigd zijn dat hun eigen verschijning en gedrag er voor anderen net zoveel toedoen als voor henzelf.

    Gevolgen en uitkomsten van persoonlijke fabel en imaginair publiek: riskant gedrag; gevoel van isolatie; conformeren aan de groepsnorm van vrienden en zelfbewust zijn.  
  • Welke bewering verklaart volgens Vartanian (2000) waarom kinderen geen egocentrisme ervaren, in tegenstelling tot adolescenten?
           -     Kinderen hebben nog niet een even grote sociale context als adolescenten.
            -    Kinderen assimileren en accommoderen nog niet aan hun omgeving.
             -   Kinderen hebben nog beperkte cognitieve schemata van sociale interacties.
              -  Kinderen kunnen nog niet abstract denken.
    Kinderen kunnen nog niet abstract denken
    Zie reader Het Denken pag 53.

    De cognitieve ontwikkeling volgens de cognitieve theorie van egocentrisme
    (Elkind).Volgens de cognitieve theorie van adolescent egocentrisme leidt het kunnen denken in abstracties en mogelijkheden, typerend voor Piagets formeel-operationele stadium van de cognitieve ontwikkeling, tot fantasievolle gedachten over wat anderen mensen zouden kunnen denken. Echter omdat de cognitieve vaardigheden nog niet optimaal zijn, slaagt de adolescent er niet in zijn eigen gedachten te onderscheiden van anderen (imaginair publiek).

    Tegelijkertijd beseft de adolescent niet dat de ervaringen en gevoelens van peers
    gemeenschappelijk zijn, in plaats daarvan voelt de adolescent zichzelf uniek en almachtig. Deze overdifferentiatie (overonderscheiding) betreft de egocentrische essentie van de persoonlijke fabel en ligt nog in de lijn van concreet operationeel denken. In het algemeen vertonen meisjes iets vaker egocentrisme dan jongens, maar het omgekeerde is ook aangetoond. Hier valt dus geen uitspraak over te doen
    De sociaal-cognitieve theorie van perspectief nemen (Selman). Het gaat hier meer om ‘problemen in interpersoonlijk begrip’. In de sociaal-cognitieve theorie van perspectief nemen, worden beide fenomenen verklaard door de mogelijkheid om zichzelf en anderen gelijktijdig vanuit een derde persoon te kunnen beschouwen (het ‘observerende ego’, niveau 3 van perspectief nemen, formeel operationele stadium Piaget). Deze cognitieve vaardigheid verhoogt het zelfbewustzijn en kan het denkbeeldige publiek en de persoonlijke fabel mogelijk verklaren.
     
    NB: de ervaring van een identiteitscrisis lijkt samen te gaan met een verhoogd imaginair publiek idee. 
  • Het model ‘Risico- en protectieve factoren voor suïcide’beslaat een aantal domeinen waaronder suïcidale intentie en suïcidale ideatie.
    Welke factor is een protectieve factor in dat domein?

                voorzorgsmaatregelen om de zelfmoordpoging in het geheim uit te voeren
                zelfbeschadiging
                suïcidale ideatie
                geen hulp zoeken náeen zelfmoordpoging
    Suïcidale ideatie.
    Zie reader Het Denken pag 72

    Suïcidale intentie komt voort uit suïcidale ideeën en wordt gekarakteriseerd door:

    - gevorderde planning
    - voorzorgsmaatregelen tegen ontdekking
    - dodelijke methode
    - afwezigheid van hulp zoeken
    - laatste daad (zoals afscheidsbrief)
     
    Bij suïcidale intentie is er dus een erg serieus risico. Intentie en idee zijn de twee uitersten van een continuüm. Bij suïcidale ideeën rapporteren adolescenten dat ze denken over zelfbeschadiging, maar hebben ze geen duidelijke plannen over suïcide. De absentie van suïcidale intentie is een beschermende factor. Een verbaal of geschreven contract (aan de ouders of hulpverlener) gedurende suïcide risico beoordeling om geen suïcide te plegen is ook een beschermende factor. Het niet beschikbaarheid zijn van dodelijke methoden zoals wapens en giftige middelen is een belangrijke beschermende factor.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen over de risicofactoren voor suïcide.
    I           De beschikbaarheid van vuurwapens verhoogt niet het risico op suïcide bij
                adolescenten.
    II          Het ondertekenen van een monitoring-contract met de ouders wordt gebruikt als een van
                de mogelijke instrumenten bij een extramurale antisuïcidale zorg.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Alleen II is juist.
    Zie reader Het Denken pag 74 en 83.

    Suïcidale intentie komt voort uit suïcidale ideeën en wordt gekarakteriseerd door:
    - gevorderde planning
    - voorzorgsmaatregelen tegen ontdekking
    - dodelijke methode
    - afwezigheid van hulp zoeken
    - laatste daad (zoals afscheidsbrief)
     


    -non suïcide contract
    dit is een overeenkomst, oraal of geschreven, tussen de adolescent en behandelaar om geen suïcide te plegen voor de volgende afspraak.
    Stappen die hierin voorkomen kunnen inhouden: afstand nemen van conflicten met ouders, vermijden van catastroferen van verloren ervaringen, manieren van afleiding zoeken zoals lezen en naar rustgevende muziek luisteren.
    -monitoring contract
    de ouders worden uitgenodigd om overeen te stemmen met een monitoring contract:
    - 24-uurs supervisie: 24 uurs telefoonlijn
    gebleken is dat dit een belangrijke vermindering van suïcidepogingen en dreiging met suïcide teweegbrengt.
    -behandelplan: het non-suïcide- en monitoring contract worden aangeboden als onderdeel van een therapeutisch plan.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
    I           Jongeren van wie de ouders de autonomie van hun kinderen stimuleren, lopen minder risico op suïcidale ideatie dan kinderen met ouders die de autonomie niet stimuleren.
    II          De overbezorgdheid van moeders verlaagt het risico op suïcide bij jongeren.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Alleen I is juist.

     Zie reader Het Denken pag 94
    Hechting houdt een langdurige affectieve band in die gebaseerd is op wederzijds vertrouwen, steun en emotionele connectie. Adolescentie is een periode van relationele transitie. Een nieuw evenwicht moet gevonden worden tussen vroegere hechting gerelateerde systemen (aan bijvoorbeeld de ouders) en streven naar autonomie. Onderzoek toont aan dat zowel hechting als autonomie positief gerelateerd zijn aan indicaties van psychosociaal welbevinden.

    Inadequate onderhandeling over autonomie en hechtingssystemen hebben belangrijke consequenties voor sociaal en psychologisch welbevinden en is gerelateerd aan adolescent suïcidaal gedrag.

    Algemene steun en veilige verbintenissen en ‘bonding’met beide ouders en leeftijdsgenoten zijn beschermende factoren tegen adolescent suïcidale ideeën en gedrag.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
    I           De ontwikkelingspsychologische visie van Harrop geeft veel aandacht aan de relatie van de adolescent met zijn of haar directe omgeving.
    II          Het neuropsychologisch model van Walker legt veel nadruk op de rol van genen.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    I en  II zijn juist.
    Zie digitaal werkboek opdracht 8 3.3.2. Vraag 7.

    Schizofrenie is een complexe psychiatrische stoornis waarbij zowel omgevingsfactoren als genetische factoren een oorzakelijke rol spelen. Het neuropsychologisch model van Walker legt veel nadruk op de rol van genen, in de ontwikkelingspsychologische visie van Harrop daarentegen wordt  veel aandacht gegeven aan de relatie van de adolescent met zijn of haar directe omgeving.  Het is duidelijk dat beide theorieën hun waarde hebben in het verklaren van het ontstaan van schizofrenie en implicaties hebben naar detectie en behandeling.  Beide visies hoeven elkaar ook niet uit te sluiten, integendeel zij kunnen elkaar ook aanvullen. Steeds meer wordt het klassieke idee van ‘of genen –of omgeving’ter verklaring van psychiatrische stoornissen verlaten en wordt ervan uitgegaan dat genen en omgeving elkaar kunnen beïnvloeden.
  • Conflicten tussen ouders en adolescenten behoren tot het normale ontwikkelingsproces.
    Welke term beschrijft deze verhoogde turbulentie in de ouder-kindrelatie?

                de storm-en-stresshypothese
                de maturational gap
                de self-discrepancy theory
                het kwetsbaarheid-stressmodel
    De storm-en stresshypothese.
    Zie reader Relaties pag 9.

    ‘Storm en stress’: volgens deze psychoanalytische benadering waarin de aandacht expliciet wordt geschonken aan de relatie tussen de adolescent en de ouders, staat het ontwikkelingsperiode in teken van het losmakingproces. Dit proces van losmaking: de tweede separatie-individuatiefase (Blos) vindt plaats ten behoeve van de autonomie, zelfstandigheid, (onthechting) en identiteitsontwikkeling (eigen weg gaan, eigen grenzen bepalen) van de adolescent. Hierbij zijn conflicten in de ouder-kindrelatie onvermijdelijk, natuurlijk en noodzakelijk voor de verdere groei van de adolescent en hoort bij het normale ontwikkelingsproces. Van de ouders beschouwt 65% deze periode als het moeilijkst voor opvoeders. Moeders vinden het weer moeilijker dan vaders en ouders vinden de pubertijd van hun dochter moeilijker dan die van hun zoon.

    Ouderlijke stress  is het hoogst tijdens de vroege adolescentie. Een opgroeiende jongere trekt de autoriteit van de ouders in twijfel. Daarnaast staan ouders voor hun eigen ontwikkelingstaken gedurende de midlifecrisis die vaak gelijktijdig bij hen plaats vindt (waaronder misschien jaloezie op het kind ).

    Door onderzoek is de storm en stress hypothese ernstig gerelativeerd. In Nederland
    ervaart echter maar 5 tot 10% van de gezinnen een dramatische verslechtering van de ouder-kind relatie tijdens adolescentie. Bovendien is het bij de meeste van de probleemgezinnen een verslechtering van al bestaande problemen: het gaat dus niet om een plotselinge verslechtering.

    Maturational gap: the self-discrepancy theory states that people compare themselves to internalized standards called "self-guides". These different representations of the self can be contradictory and result in emotional discomfort. Self-discrepancy is the gap between two of these self-representations. The theory states that people are motivated to reduce the gap in order to remove disparity in self-guides.[1]

    Het kwetsbaarheid-stressmodel, ook kortweg kwetsbaarheidsmodel genoemd, is een overkoepelend model dat aangeeft welke factoren een rol spelen bij het uitbreken van een bepaalde psychische stoornis. Het model gaat ervan uit dat het individu enerzijds een kwetsbaarheid (in het Engels vulnerability of diathesis) in zich draagt en dat anderzijds omgevingsfactoren (stressbronnen) een rol spelen. De kwetsbaarheid is de aanleg voor de stoornis. Het kwetsbaarheid-stressmodel werd oorspronkelijk ontwikkeld als verklaring voor het ontstaan van psychotische episodes bij schizofrenie.    
  • Welke bewering is geen verklaring voor het gegeven dat er vaak meer conflicten zijn tussen allochtone adolescenten en hun ouders in eerste-generatiegezinnen in vergelijking tot de tweede en derde generatie?
        -        De integratie in de nieuwe cultuur in een eerste generatie gezin is beperkter.
         -       De adolescent in een eerste-generatiegezin doorloopt minder snel het separatie-            individuatieproces.
        -        Adolescente kinderen van eerste-generatiegezinnen zijn in een positie tussen twee     werelden geplaatst.
          -      Gezinnen uit de eerste generatie zijn meer georiënteerd op terugkeer naar eigen land.
    De adolescent in een eerste-genaratiegezin doorloopt minder snel het separatie- individuatieproces.
    Zie reader De Relaties pag 24.

    Onderzoek is pas na 1995 van start gegaan. Het stereotype en problematische beeld dat de media schetsen over deze gezinnen, moet worden bijgesteld, zo blijkt uit onderzoek. In gezinnen uit de 2e  generatie zijn ouders die in Nederland geboren zijn en/of hier zijn opgeleid, veel beter bekend met de Nederlandse samenleving en zijn daardoor beter in staat hun adolescente kinderen te begeleiden.

    Bij allochtone jongeren is vaker sprake van externaliserend en internaliserend
    probleemgedrag dan bij Nederlandse jongeren. Juist in de adolescentie ontstaan veel problemen rondom de opvoeding. In veel culturen waaruit allochtone adolescente jongeren afkomstig zijn, is geen sprake van een afzonderlijke adolescentiefase. In allochtone gezinnen kunnen bepaalde, voor westerse begrippen normale, gedragingen als bedreigend worden ervaren. Veel allochtone ouders ervaren Nederland als een ‘vrijere’ omgeving. Daarnaast is de
    opvoeding in deze culturen vaak een ‘collectieve’zaak. Het opkomen voor de eigen, individuele  mening en assertief gedrag wordt door de Nederlandse ouders meestal gezien als een positief kenmerk terwijl dit gedrag binnen allochtone culturen kan worden gezien als uitingen van brutaliteit en gebrek aan respect.

    Collectivisme: dit komt tot uiting in de doelen van opvoeding die deze allochtone ouders voor ogen staan. Wat betreft tradities: jongens krijgen meer vrijheid, terwijl meisjes aan meer beperkingen worden onderworpen. In het algemeen zijn allochtone jongeren meer georiënteerd op de Nederlandse samenleving dan hun ouders. Dit verstoort een normale hiërarchische verhouding tussen ouder en kind.

    Na de hereniging van een gezin kan het moeilijk zijn de onderlinge relaties weer vorm te geven en bijvoorbeeld voor de vader zijn positie als gezinshoofd te heroveren. Ongeveer 60% van de allochtonen woont in de steden in achterstandwijken die een aantal kenmerken hebben (gezinnen met een laag inkomen, kleine behuizing, veel werkloosheid en een hoog criminaliteitscijfer) die ongunstig zijn voor een gezonde ontwikkeling van kinderen.

    In het algemeen blijkt in allochtone gezinnen een langzame verschuiving richting een meer autoritatieve manier van opvoeden. 
  • Uit onderzoek van Sartor en Youniss (2002) bleek ouderlijke steun (parental involvement)
                een significantie predictor te zijn van identiteitsvorming (identity achievent) bij meisjes,
                maar niet bij jongens.
                geen enkele significantie relatie te hebben met identiteitsvorming (identity achievement).
                een significante predictor te zijn van identiteitsvorming (identity achievement) bij zowel
                jongens als meisjes.
                een significantie predictor te zijn van identiteitsvorming (identity achievent) bij jongens,
                maar niet bij meisjes.
    Het juiste antwoord:
    Een significante predictor te zijn van identiteitsvorming ( identity achievement) bij zowel jongens als meisjes.

    Zie reader De Relaties pag 32

    De drie dimensies van socialisatie die volgens Barber nodig zijn voor een gezonde
    ontwikkeling van de adolescent:
    a    verbondenheid met belangrijke anderen: warmth. 
    b    sturing van gedrag door ouders: demandingness. 
    c    ontvankelijkheid voor de separatiebehoeften van de adolescent: responsiveness. 

    Barber (1996) onderscheidt twee typen van ouderlijke controle: psychologische controle en gedragscontrole
    -psychologische controle (parental monitoring): Psychologisch controlerende ouders maken bijvoorbeeld gebruik van schuldinductie, dit betekent dat ze appelleren aan de schuld- en schaamtegevoelens van het kind om iets van het kind gedaan te krijgen. Verder maken psychologisch controlerende ouders vaak misbruik van de hechtheidsband tussen ouder en kind door het gedrag van het kind alleen op voorwaardelijke basis te aanvaarden; indien het kind niet voldoet aan de wensen of normen van de ouders dreigt het de liefde van de ouders te
    verliezen (love-withdrawal). Psychologische controle kan de emotionele ontwikkeling en het losmakingsproces van de adolescent belemmeren.
    -gedragscontrole: toezicht door de ouders door het kind reden en uitleg te geven waarom iets moet of niet mag. Dit type controlegedrag heeft volgens Barber een socialisatiefunctie en heeft een positieve invloed op de sociale ontwikkeling en identiteitsvorming. De ontwikkeling tijdens de adolescentie is het meest positief als de opvoedingsstijl van de ouders wordt gekenmerkt door de combinatie van een hoge mate van ondersteuning en controle (Sartor en Youniss, 2002). 

    Uitkomsten en wetenswaardigheden wat betreft de nieuwe studie: 
    -jongens scoren meer op identiteitsmetingen die gerelateerd zijn aan intrapersoonlijke  aspecten van identiteit terwijl meisjes hoger scoren op interpersoonlijke items
    -identiteitsverwerving bij adolescenten is positief gecorreleerd met steun, sociale controle en school controle van de ouders. 
    -meisjes rapporteerden hogere levels van ouderlijke steun, sociale-/ school controle dan jongens
    -bij jongens was de associatie tussen steun en identiteit sterker dan bij meisjes
    -bij meisjes was de associatie tussen sociale-/ controle school controle en identiteit sterker dan bij jongens
    - bij de lagere klas waren alle associaties sterker dan bij de hogere klas
    -positieve ouderlijke betrokkenheid heeft in de vroege adolescentie een crucialere invloed dan in de latere adolescentie: peers worden dan belangrijk.
  • Tijdens de adolescentie worden sociale relaties buiten het gezin erg belangrijk en er ontstaan verschillende adolescentengroepen.
    Hoe wordt een groep adolescenten van ongeveer dezelfde leeftijd of ongeveer hetzelfde ontwikkelingsniveau genoemd?

                clique
                crowd
                friends
                peers
    Peers

    Peers zijn andere adolescenten van ongeveer dezelfde leeftijd of van hetzelfde
    ontwikkelingsniveau als de adolescent zelf. Peers zijn nodig voor een gezonde ontwikkeling omdat zij, buiten hun ouders en familie om, een andere belangrijke bron van informatie zijn voor de adolescent. Zo leert de adolescent zichzelf beter kennen omdat hij zijn vaardigheden en prestaties kan vergelijken met leeftijdsgenoten en zo te weten komt wat zijn sterke en zwakke punten zijn. Tussen 7 en 11-jarige leeftijd brengt een kind 40% van de tijd met peers door. Jonhe adolescenten brengen twee keer meer tijd met hun peers  dan met hun ouders
    door. Door interactie met peers leert de adolescent dat vriendschapsrelaties symmetrisch zijn.

    Er is wederkerigheid in het vertellen over zichzelf en in het luisteren naar anderen waarbij observatie en inleving in de ander belangrijke vaardigheden zijn. Door het oplossen van onenigheden met leeftijdgenoten leert de adolescent ook de principes van eerlijkheid en rechtvaardigheid. Het dient echter ook vermeld te worden dat de invloed vanuit de peers ook negatief kan zijn, denk hierbij bijvoorbeeld aan delinquent gedrag.


    De meeste peeractiviteiten spelen zich buitenshuis af, op privéplekken en vaker met leden van hetzelfde geslacht. Goede peer relaties zouden noodzakelijk zijn voor een normale sociale ontwikkeling gedurende de adolescentie. Onderzoek van Smetana wees uit dat zowel adolescenten als hun ouders peer relaties zien als een arena waarin ouders weinig autoriteit kunnen uitoefenen op de keuzes van hun adolescenten, in contrast met morele, educationele en religieuze gebieden, waar de ouders meer autoriteit menen te hebben. 

    Kliekjes en crowds: Kliekjes zijn kleine gezelschappen (2-12), meestal van dezelfde sexe en leeftijd. Sommigen worden door de ouders gevormd (sport), maar anderen hebben vriendschap puur als doel. In een kliek wordt vaak een groepsidentiteit gevormd. Crowds zijn groter van structuur en zijn minder persoonlijk dan kliekjes. Ze brengen wel of niet veel tijd met elkaar door  Soms worden ze gedefinieerd met een naam van hun activiteit; soms ook op basis van hun interactie (interactie gebaseerd/ reputatie gebaseerd).

    Reputatiegebaseerde groepen verschijnen voor het eerst in de adolescentie en worden in de late adolescentie minder belangrijk.    
  • Het artikel ‘Peers’van Santrock bespreekt een aantal interventies voor het verbeteren van de sociale vaardigheden van adolescenten en hun relaties met peers.
    Geef aan welke stelling in dit verband niet juist is.

           -     Onderzoekers melden dat het vaak heel moeilijk is om de sociale vaardigheden te  verbeteren van kinderen die verworpen worden.
            -    Een interventie gericht op het verminderen van antisociaal gedrag zoals agressie, werkt net zo goed als een interventie ter verbetering van de sociale vaardigheden.
            -    Een interventie ter verbetering van de sociale vaardigheden van de verworpen adolescenten houdt vaak in dat ze leren om naar andere mensen te luisteren in plaats  van ze te domineren.
           -     Een interventie ter verbetering van de sociale vaardigheden heeft meer succes bij kinderen jonger dan tien jaar dan bij adolescenten omdat adolescenten vaak al een meer vaststaande reputatie hebben die maar moeilijk te veranderen is.
    Een interventie gericht op het verminderen van anti-sociaal gedrag zoals agressie werkt net zo goed als een interventie ter  verbetering van de sociale vaardigheden.
    Zie reader De Relaties pag 47-48

    Conglomerate strategieën houden het gebruik van een combinatie

    aan technieken in: coaching (bijvoorbeeld wat betreft zelfcontrole, stress management en het oplossen van sociale problemen). Voorbeelden van geschikte en ongeschikte strategieën om vrienden te maken zijn bijvoorbeeld:
    - interactie (zelf initiëren van gesprek en vraag naar informatie bij de ander) 

    - aangenaam zijn in de omgang, prosociaal zijn (oprecht en betrouwbaar zijn) 
    - respect tonen voor zichzelf ( zorg dragen voor eigen reputatie door er bijvoorbeeld verzorgd uit te zien) 
    - respect tonen voor de anderen (open staan voor de ander, beleefd zijn) 
    - in sociale steun voorzien (ondersteunen en aanmoedigen van de anderen alsook samen dingen doen)
    - luisteren, op een warme manier doorvragen en iets over jezelf vertellen (vertrouwelijk)

    Ongeschikte strategieën:
    - het vertonen van psychologische agressie (onbeleefd en onrespectvol zijn, anderen kwetsen) 
    - jezelf van je slechtste kant laten zien (egocentrisch en gemeen zijn)  
    - antisociaal gedrag vertonen (fysieke en verbale agressie, onbetrouwbaar zijn)

    Programma’s die sociale vaardigheden trainen zijn succesvoller bij kinderen tot 10 jaar of jonger dan bij adolescenten. Samen met deze programma’s moet er ook aan de gedachten van de peers gewerkt worden in de vorm van coöperatieve groepstraining. Eenmaal gevestigde reputaties in groepen veranderen anders langzaam.  
  • Berndt (1979) heeft een onderzoek gedaan naar zowel positieve, neutrale en negatieve aspecten van peer conformisme.
    Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.

    I           Rond het achtste jaar (third grade) is de invloed van ouders en leeftijdgenootjes (peers)  vaak direct tegengesteld aan elkaar.
    II          Het conformeren naar antisociaal gedrag van adolescenten neemt weer af vanaf vijftien/.  zestien jaar (late high school).

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    .
    Het juiste antwoord: I en II zijn juist

     Zie reader De Relaties pag 43

    - rond de leeftijd van 8, 9 jaar (third grade) is de invloed en de druk van de ouders vaak tegenstrijdig met de invloed en de druk van leeftijdgenoten. Rond deze leeftijd is echter de
    invloed van ouders vaak nog van doorslaggevende betekenis en zal de jonge adolescent zich
    vaak gedragen volgens de regels van de ouders.
    - rond de leeftijd van 11, 12 jaar (sixth grade) beïnvloeden de ouders en leeftijdgenootjes het
    gedrag van de adolescent meer in dezelfde richting. De druk vanuit de peergroep is groter
    geworden en de situatie bepaalt in dat geval meer welke invloed het sterkste is. In sommige
    situaties zullen adolescenten zich meer conformeren aan de druk van ouders, in andere
    situaties heeft de druk van de leeftijdgenoten de overhand.
    - rond de leeftijd van 14, 15 jaar (ninth grade) staan de invloed van ouders en die van de
    leeftijdgenoten vaak haaks op elkaar. In deze periode is de conformiteit met de (antisociale)
    normen van de leeftijdgenoten het grootst waardoor onvermijdelijk conflicten met ouders ontstaan. De kloof tussen het streven naar autonomie van de adolescent en de drang van ouders om controle en invloed uit te oefenen op het gedrag van de adolescent, is in deze periode het grootst.
    - rond het 16e jaar (eleventh grade) ontwikkelt de adolescent steeds meer een eigen stijl in het maken van gedragsbeslissingen en komt hij steeds meer los van de invloed van de ouders en vrienden.
    Ouders, leraren en andere volwassenen kunnen adolescenten helpen te leren hoe om te gaan met peer pressure. Adolescenten kunnen leren dat hun sociale wereld wederkerig gecontroleerd is (door anderen maar ook door hun eigen controle en hun invloed op anderen)   
  • Volgens Cass zijn er enkele fasen aan te wijzen in de identiteitsontwikkeling bij homoseksuelen.
    Welke fase noemt hij niet?

                Identity Confusion of identiteitsverwarring
                Identity Acceptance of identiteitsacceptatie
                Identity Rejection of identiteitsverwerping
                Identity Synthesis of identiteitssynthese
    Juiste antwoord is: Identity rejection of identiteitsverwerping.

    Zie reader De Relaties pag 94-95

    - Identiteitsformatie
    Cass (1979) stelt dat er in een vroeg stadium van identiteitsformatie twee aspecten van identiteit zijn: privé (persoonlijk) en publiek (sociaal). Identiteitsontwikkeling is het proces waarbij deze twee aspecten geïntegreerd worden tot één identiteit en volgens Cass gaat de adolescent hierbij door zes stadia. Als een individu in een willekeurig deel van het proces besluit er niet verder mee te gaan heet dit: identity foreclosure (verhindering). 

    Progressie door de volgende ontwikkelingsfasen is niet-lineair; een individu kan zich op hetzelfde moment in meer dan één stadium bevinden.
     
    De zes stadia van Cass:
    -identity confusion: de erkenning dat je je bewust bent van enige reactie op stimuli van dezelfde sexe, wat leidt tot een mogelijke gay- identiteit
    -identity comparison: het individu heeft het gevoel niet tot de maatschappij te behoren en ook niet tot kleinere subgroepen zoals familie en peers
    -identity tolerance: sexuele same-sex identiteit wordt nu getolereerd, een proces dat aan het eind van de vorige fase al in gang is gezet
    -identity acceptance: toenemend contact met andere gay-adolescenten en met de gaysubcultuur, waardoor homosexualiteit als identiteit normaal wordt en een manier van leven.
    -identity pride : het individu wordt zich bewust van zijn/ haar eigen acceptatie en verwerping door de maatschappij. Om deze spanning te overbruggen maakt het individu onderscheid tussen hetero- en homosexualiteit, waarbij hij/ zij het laatste meer gewicht toekent
    -identity synthesis: het individu is zich ervan bewust dat het gezichtspunt van de heterosexueel dat homosexualiteit negatief is, onjuist is. Ondanks niet geaccepteerd worden door alle heteroseksuelen kan een homoseksuele identiteit geïntegreerd worden met alle andere aspecten van het zelf. 
  • Welke zelfrepresentaties behoren volgens Higgins tot het self-concept?
                actual/own, actual/other
                ideal/own, ideal/other
                actual/own, ideal/own, ought/own
                ought/own, ought/other
    Het juiste antwoord: Actual/own ,actual/ other

    Zie reader De Relaties pag 103

    Self-state representaties en hun motivationele significantie
    Het combineren van de domeinen van het zelf met de standpunten van het zelf levert zes typen van self-state representaties op. De eerste twee gaan over het zelf-concept van de persoon; de overige vier zijn zelf directieve standaarden of self-guides.
     
    De zes self-state representaties:
    1    actual/own: het beeld dat het individu van zichzelf heeft. Dit omvat alle persoonlijke attributen die de persoon aan zichzelf toeschrijft en als relevant voor zijn identiteit ervaart
    2    actual/other: alle attributen waarvan het individu denkt dat anderen die aan hem toeschrijven
    3    ideal/own: attributen die het individu zelf wenst te hebben
    4    ideal/other: attributen die het individu denkt dat zijn omgeving wenst dat hij die bezit 
    5    ought/own: wie hij vindt dat hij zou moeten zijn, waartoe hij zich geroepen voelt
    6    ought/other: hoe het individu denkt dat zijn omgeving vindt dat hij zou moeten zijn
     
    De SDT stelt dat mensen verschillen in de mate waarin zij gemotiveerd zijn de self-guides te ontmoeten. Niet iedereen bezit alle self-guides. De SDT gaat ervan uit dat mensen gemotiveerd zijn een situatie te bereiken waarin hun zelfconcept (domein actual) een match maakt met hun persoonlijk relevante self-guides (domeinen ideal en ought self). Een zeer belangrijke set van zelfdiscrepantie is de set die de discrepantie reflecteert tussen iemands  zelfconcept en zijn/ haar self-guides. 
  • Welke van de volgende stellingen is juist wanneer oudere depressieve kinderen worden vergeleken met jonge depressieve kinderen?
                Symptomen zoals anhedonie en psychomotorische retardatie komen vaker voor bij  adolescenten dan bij jongere depressieve kinderen.
               
    Symptomen zoals aboulie en somatische klachten komen vaker voor bij oudere
                depressieve kinderen/adolescenten dan bij jongere depressieve kinderen.
               
    Jongere depressieve kinderen hebben minder vaak angststoornissen dan oudere
                depressieve kinderen/adolescenten.
               
    In vergelijking met oudere depressieve kinderen of adolescenten neigen zeer jonge kinderen vaker te huilen en een depressieve stemming te rapporteren.
    Het juiste antwoord: Symptomen zoals anhedenie en psychomotorische tetardatie komen vaker voor bij adolescenten dan bij jongere depressieve kinderen
    Zie reader De Relaties pag 114 en 116

    Adolescente depressie: beschrijving, oorzaken en interventies
    Depressie begint meestal in de adolescentie, is één van de meest prevalente psychiatrische stoornissen en komt vaak voor bij mensen die epilepsie hebben.
    De effecten van depressie zijn veelvoudig en veelsoortig en daarom is het ook begrijpelijk dat dit de op vier na grootste oorzaak is van belemmering op allerlei gebieden en voortijdige dood.

    De structuur en aard van depressie is bij jongeren anders dan bij volwassenen:
    -DSM-IV-TR: de depressie duurt minimaal 1 jaar bij jeugd in vergelijking met volwassenen 2 jaar.
    -jongere kinderen hebben misschien niet de cognitieve, sociaal emotionele of biologische capaciteiten ontwikkeld om bepaalde volwassen depressieve symptomen te ervaren en/of de oorzaken en/of consequenties van depressie kunnen veranderen tijdens verschillende ontwikkelingsperioden.
    -hele jonge kinderen vertalen depressieve gevoelens in somatische symptomen van depressie Een ander belangrijk issue:
    dimensioneel wordt depressie gezien als gradueel kwantitatief (bv personen zijn min of meer depressief); er is geen scherpe grens tussen normale/ abnormale depressieven. Categorieel zijn ze depressief of niet (kwalitatief).

    De meeste onderzoeken tonen dat de structuur van depressie bij kinderen en adolescenten dimensioneel is. Beoordelingsinstrumenten omvatten korte, betrouwbare, valide en genormeerde vragenlijsten.
     
    Epidemiologie van depressie
    -tussen de 20% en 50% van de adolescenten rapporteert zelf significante verschijnselen van een depressie te hebben
    -tussen de 11% en 14% van de adolescenten heeft werkelijk een depressie. Bij volwassenen is dit 16,6% dus dit is vergelijkbaar.
    -er is een 6-voudige toename in depressie van vroege adolescentie (3% op 15-jarige leeftijd) naar late adolescentie (17% op 18-jarige leeftijd).
    -depressieve stemming op jongere leeftijd vormt een risico voor een depressieve stoornis later in het leven.
    -vergeleken met mannen zijn twee keer zoveel vrouwen zijn depressief. Bij adolescente meisjes is dit 25-40% en bij adolescente jongens 20-35%. Bij meisjes ontstaat het vaker in de  vroege adolescentie. Angold e.a vonden dat sexe verschillen w.b. depressie begonnen in Tanner fase III 
     
    Comorbiditeit
    Depressie geeft een grotere kans op bepaalde gedragsstoornissen, ADHD en angststoornissen. Het groeihormoon GH zorgt voor een grotere biologische kwetsbaarheid voor depressie. Hetzelfde geld voor onderactiviteit in de links frontale hersenregio 
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen (conform het artikel The developmental origins and treatment needs of female adolescents with depression).
    I           Gedachten over zelfmoord zijn bij meisjes in verband gebracht met angst, stress,
                depressie en een verlaagd zelfvertrouwen.
    II          Zelfdestructief gedrag, seksuele promiscuïteit en weglopen van huis zijn geassocieerd
                met depressieve stoornissen bij meisjes.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    -I en II zijn juist
    Zie reader De Relaties pag 129

    The Developmental Origins and Treatment Needs of Female Adolescents With
    Depression Ratio vrouwelijke en mannelijke adolescenten met depressie is 2:1. Dit gebeurt vanaf 14 jaar; in de kindertijd zijn de aantallen gelijk. Er is (te) weinig empirisch onderzoek verricht naar de precieze oorzaak van deze verschillen.

    Een op de vier meisjes krijgt waarschijnlijk matige tot ernstige depressie symptomen. Het begin van ernstige depressieve stoornissen (MDD = major depressive disorder) ) begint vooral bij de leeftijd tussen 13 en 19 (Birmaher ea, 1996) en de waarschijnlijkheid voor jonge vrouwen om een depressie te krijgen neemt toe met de leeftijd. De meest gangbare reden voor een adolescent om zelfmoord te plegen, is een depressie. Onder 15-24 jarigen is het doodsoorzaak nummer drie. Vrouwelijke adolescenten met MDD hebben een 12 keer meer
    kans op suïcide risico en 2 keer zo grote kans als jongens op een suïcide poging.

    Verandering in sociale milieus zouden bij meisjes extra stressvol zijn. Trigger factoren: angst, stress, depressie, verlies van eigenwaarde die gerelateerd is aan negatieve interpersoonlijke relaties met peers. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij een verandering zoals het gaan naar de middelbare school. Er is weinig onderzoek gedaan naar deze kritische fase en peer relaties.

    Er is weinig bekend over symptomen en etiologische factoren die specifiek gerelateerd zijn  aan deze populatie en vaak worden behandelingswijzen voor volwassenen op deze groep toegepast
  • Welk aspect is volgens Piaget en Kohlberg geen verklaring voor de overgang tussen de verschillende niveaus van moreel functioneren tijdens de adolescentie?

                afnemend egocentrisme
                intensief en wederkerig peercontact
                ontwikkeling van het perspectief nemen
                betere kennis van en meer ervaring met de gangbare morele regels
    Betere kennis van en meer ervaring met de gangbare morele regels.
    Zie reader Het Geweten pag 13/14
    1. Moreel denken
    Zowel Piaget als Kohlberg hadden hier een theorie over. Kohlberg’s theorie was provocatief Kohlberg: morele ontwikkeling is allereerst gebaseerd op moreel redeneren. Kohlberg veronderstelde dat het kind ook in de morele ontwikkeling een aantal stadia doorloopt.

    Sleutelconcept bij morele ontwikkeling: internalisatie. Naar het model van Piaget
    ontwikkelde hij een aantal tests om die stadia te omschrijven. Hij dacht dat de morele ontwikkeling van jonge mensen drie grote stadia kent. 
     
    level van het pre-conventioneel redeneren 
    dat is de leeftijd van 0 tot 12 jaar: laagste stadium van morele ontwikkeling.  Kinderen laten zich bij hun gedrag voornamelijk leiden door de gevolgen die hun gedrag kan opleveren. Er is geen internalisatie van morele waarden: moreel redeneren wordt gecontroleerd door externe beloningen en straf. Zo is een handeling die gestraft wordt (moreel) ‘fout’ en een handeling
    die beloond wordt (moreel) ‘goed’. Twee fasen van pre-coventioneel redeneren: 
    - heteronome moraliteit: fase van beloning en straf (fase 1) 
    Normen van buitenaf - door ouders en opvoeders opgelegd - bepalen het gedrag van het kind.

    - individualisme, instrumenteel doel en uitwisseling: fase van lust en onlust (fase 2)  
    Nu komt er ook een persoonlijk element bij te pas. Individuen jagen hun eigen belang na maar laten anderen hetzelfde doen. Waar het kind lust aan beleeft, is goed; wat hem onlust geeft, is kwaad (zo denkt het kind in deze tweede fase) 
     
    level van het conventioneel redeneren 
    Het tweede stadium, is van ongeveer 12 tot 18 jaar. Jongeren van deze leeftijdsgroep laten zich bij hun gedrag voornamelijk leiden door wat de omgeving van hen verwacht: . Internalisatie is intermediair. Twee fasen:
    - fase van wederzijdse interpersoonlijke verwachtingen, relaties en interpersoonlijke
    conformiteit: ‘de goede jongen’en ‘het lieve meisje’(fase 3) 
    Het strikte verband tussen daad en beloning of straf wordt verbroken. Het kind wil de goedkeuring van de mensen rondom zich verwerven. 
    - fase van wet en orde: moraliteit van het sociaal systeem (fase 4)  
    Het kind komt terecht in diverse vormen van menselijk samenleven met een geheel van rechten en plichten, waaraan iedereen zich te houden heeft (school-verkeer-organisaties ...).
  • Jongeren bereiken stadium 5 (het postconventionele niveau in de theorie van Kohlberg) pas als ze rond de 20-22 jaar zijn.
                Dit is juist.
                Dit geldt alleen voor jongeren met een hoger opleidingsniveau.
                Dit geldt maar voor tien procent van de jongeren.
                Dit geldt maar voor vijftig procent van de jongeren.
    Dit geldt maar voor 10 procent van de jongeren.
    Zie reader Het Geweten pag 12

    Deze levels en fases vinden volgens volgorde plaats, ze zijn leeftijdsgerelateerd en verschillen per cultuur. Van alle menselijke vermogens heeft het geweten wel de meeste tijd nodig om te ontwikkelen. Tot 9 jaar redeneren de meeste kinderen op een preconventionele manier; gedurende de vroege adolescentie op een meer conventionele manier.

    Fase 1 en 2 verminderen wel. De meeste adolescenten zitten op fase 3, met tekenen van 2 en 4. In de vroege volwassenheid redeneert een klein aantal individuen op een postconventionele manier.

    Uit een onderzoek bleek dat fase 4 begint op 10 jarige leeftijd en fase 5 op 20 jarige leeftijd. Deze laatste fase kwam sowieso bij maar 10% van de mensen voor.
    Pas tijdens de adolescentie - of nog later - wordt de mens bekwaam om persoonlijk en zedelijk te handelen. Dit is niet los te koppelen van de sociale omgeving en de psychologische beïnvloeding. Het kind oordeelt gevoelsmatig. De puber laat zich leiden door de bestaande normen. Adolescenten zijn vaak moralisten en idealisten en zijn gemotiveerd om voor hun eigen normen en waarden uit te komen. 
  • Er zijn onderzoekers die zich hebben gericht op morele ontwikkeling en disciplineringstechnieken van ouders. Martin Hoffman (1970) gelooft dat elke vorm van disciplineren zorgt voor ‘arousal’bij adolescenten.
    Welke disciplineringstechniek zorgt volgens hem voor de minste ‘arousal’?

                love withdrawal
                power assertion
                induction
                rewarding
    Induction.
    Zie reader Het Geweten pag 25

    Contexten van morele ontwikkeling (ouderschap en school)
    -Ouderschap
    Zowel Piaget als Kohlberg geloofden dat ouders geen unieke inbreng hebben bij de
    ontwikkeling tot moreel individu. Peers zijn hierbij in de eerste plaats belangrijk.
    Ouderlijke discipline:
    - love withdrawal komt het dichtst bij de psychoanalytische visie die nadruk legt op angst voor straf en verlies van ouderlijke liefde
    -power assertion is een disciplinetechniek waarin ouders proberen controle te winnen over de adolescent of over diens bronnen: pak voor de broek, dreigen, verwijderen van privileges
    - induction is een disciplinetechniek waarin de ouders rede en uitleg geven over de
    consequenties van het gedrag van de adolescent voor andere personen
     
    Hoffman (1970): power assertion presenteert de ouders als een zwak model van zelfcontrole wat betreft hun gevoelens. Het lokt vijandigheid uit, terwijl love withdrawal angst oproept.

    Hoffmann gelooft dat ouders inductie en aanmoediging moeten gebruiken voor de morele ontwikkeling van de adolescent. Inductie laat de adolescent focussen op de gevolgen van zijn gedrag voor anderen. Inductie werkt beter bij adolescenten en oudere kinderen dan bij jongere kinderen. 
  • In het onderzoek van Kuther en Higgings-D'Alessandro (2000) wordt het risicogedrag van jongeren in relatie tot morele ontwikkeling bestudeerd.
    Welke stelling is juist in dit verband?

         -       Wanneer jongeren het antisociale gedrag zagen als puur persoonlijke aangelegenheid, werd er een sterke relatie gevonden tussen morele redenering en gedrag.
          -      Studenten die delinquent gedrag als morele aangelegenheid zagen maar er toch bij betrokken waren, scoorden lager in postconventionele redenering.
          -      Jongeren zien hun gedrag dat andere mensen kan schaden als persoonlijke aangelegenheid.
            -    Meisjes en jongens verschillen significant van elkaar in hoe zij het antisociaal gedrag bestempelen (als persoonlijke of als morele aangelegenheid).
    Studenten die delinquent gedrag als morele aangelegenheid zagen maar er toch bij betrokken waren ,scoorden lager in postconventionele redenering.
    Zie reader Het Geweten pag60-61

    Discussie studie Kuther en Higgins-d’Alessandro
    Voor studenten die delinquente activiteit beschouwen als een morele kwestie werd het zich bezig houden met zulke activiteiten geassocieerd met lagere niveaus van postconventioneel redeneren. Als antisociaal gedrag werd beschouwd als een persoonlijke kwestie waren moreel redeneren en gedrag niet gerelateerd.
    Soortgelijke resultaten kwamen op voor middelengebruik; waar het werd gezien als een morele beslissing waren redeneren en gedrag aan elkaar verbonden maar als het middelengebruik werd gezien als een persoonlijke kwestie of als een mix van morele en persoonlijke kwesties dan waren redeneren en gedrag niet gerelateerd.
    In aanvulling: preconventioneel redeneren was een betere predictor van middengebruik als zulk gedrag werd gezien als een morele beslissing dan wanneer het werd gezien als een persoonlijke beslissing of als een mix van morele en persoonlijke kwesties.

    Wat betreft gender, klasse en domein perceptie werden geen verschillen gevonden.
    Over het algemeen zagen studenten middelengebruik, seksuele activiteit en suïcidale ideeën als persoonlijke beslissingen. Antisociaal gedrag werd echter gezien als een morele beslissing. Killen ea (1991) argumenteerde dat adolescenten kwesties die andere personen beschadigen (antisociaal gedrag) als moreel zien terwijl de kwesties die werden gezien als alleen zelfbeschadigend werden beschouwd als persoonlijke beslissingen.

    Terwijl de studenten uit de Just Community School hogere niveaus van moreel redeneren lieten zien dan de controlegroep, waren er geen groepsverschillen in deelname aan- of perceptie van riskante activiteiten.

    Misschien dat educatie en interventies gericht op de afname van riskant gedrag kan helpen om de jeugd te focussen op de implicaties die hun gedrag op anderen hebben, eerder dan alleen op persoonlijke gevaren.
    In aanvulling op het promoten van moreel redeneren is het een advies dat morele educationele interventies de nadruk leggen op de individuele connecties met sociale groepen en de maatschappij om te proberen de perceptie van riskant gedrag te veranderen van kwesties van persoonlijke aard naar kwesties van moraal.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
    I           Hoewel adolescenten een basisbegrip hebben van de morele regels voelen zij zich niet
                aangesproken om zich ernaar te gedragen.
    II          Interactie met vrienden stimuleert de ontwikkeling van het gevoel van
                zelfverantwoordelijkheid bij adolescenten.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Alleen II is juist. Zie reader Het Geweten pag. 67-68

    Karakteristieken van morele identiteit. Het gebruik van morele termen op een zelfevaluerende of zelfkritische manier komt vóór de adolescentie niet vaak voor. Aanvullend ontbreekt bij jonge kinderen vaak de motivatie en het gevoel van zelfverantwoordelijkheid om zich op een morele manier te gedragen.

    Peer interactie voedt socio-moreel begrip en de ontwikkeling van een gevoel van morele zelfverantwoordelijkheid (wederkerigheidsnorm). Aanvullend: onderzoeken van morele voorbeelden wijzen naar de belangrijkheid van de familie context in het ontwikkelen van morele identiteit.

    Tot zoverre lijkt onderzoek uit te wijzen dat personen die zeer toegewijd zijn aan morele zaken, een eenheid tussen hun zelf en morele doelen ervaren en geneigd zijn om vaker morele termen te gebruiken als ze zichzelf beschrijven dan het geval is bij andere individuen. Sommigen blijven sceptisch over de relatieve belangrijkheid van identiteit in vergelijking met andere componenten van moraliteit.

    De intersectie van moraliteit en adolescentie. Bij het begrijpen en uiteindelijk controleren van de invloeden die inwerken op de adolescenten kan volwassen morele karakterontwikkeling in de juiste richting geleid worden.

    Een tweede thema is dat adolescenten capaciteiten hebben die hen, wat betreft ontwikkeling, doen verschillen van kinderen. Adolescenten brengen minder tijd door met hun ouders dan kinderen. De consequentie daarvan is dat ze waarschijnlijk meer beïnvloed worden door peers dan kinderen. Andere leeftijdsgerelateerde veranderingen zijn o.a. de overgang naar grotere
    scholen, werkwereld en romantische relaties. Consequentie hiervan is dat het morele leven nieuwe uitdagingen, mogelijkheden en invloeden meebrengt.
    De variëteit in contexten en nieuwe vaardigheden maken de adolescentie een interessante periode waarin invloeden op morele ontwikkeling onderzocht kunnen worden 
  • In het hoofdstuk van Slot worden externaliserende stoornissen en crimineel gedrag besproken.
    Hoe verhoudt crimineel gedrag zich tot externaliserende stoornissen?

        -        Er moet sprake zijn van crimineel gedrag om van een externaliserende stoornis te  kunnen spreken.
            -    Crimineel gedrag is het onontkoombare gevolg van externaliserende stoornissen.
            -    Crimineel gedrag is een vorm van een externaliserende stoornis.
             -   Crimineel gedrag en externaliserende stoornissen zijn vormen van externaliserend probleemgedrag.
    Het juiste antwoord: crimineel gedrag en externaliserende stoornissen zijn vormen van externaliserende probleemgedrag.
    Zie reader Het Geweten pag 79

    Probleemgedrag en stoornissen worden vaak onderverdeeld in twee categorieën:
    internaliserend en externaliserend. De eerste gaat met innerlijke onrust gepaard en is lang niet altijd zichtbaar voor de buitenwereld. De tweede betreft conflicten met andere mensen of met de maatschappij. We onderscheiden: crimineel gedrag en externaliserende stoornissen. Deze twee vormen overlappen elkaar voor een deel, maar zijn voor een deel verschillend.  Bij zowel internaliserende als externaliserende stoornissen is er sprake van een continuüm, een glijdende schaal van normaal gedragspatroon tot een stoornis. Bij een stoornis moet er een ongebruikelijk patroon van gedragingen zijn, dat met leed gepaard gaat en een minder goed
    functioneren of een functioneren dat risico’s met zich meebrengt. 
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen over het verband tussen etniciteit en (jeugd)criminaliteit.

    I            Discriminatie in de vorm van pesten op school, is in verband gebracht met 
                 internaliserend probleemgedrag bij allochtone kinderen.
    II.          Discriminatie door politie of de autoriteiten verklaart waarom de cijfers van de
                 jeugdcriminaliteit bij allochtonen hoger zijn dan bij Nederlandse jongeren.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Alleen I is juist

    Zie reader Het Geweten pag 94

    Etniciteit: lange tijd is men terughoudend geweest bij het analyseren van de vraag hoe het komt dat criminaliteit bij jongeren uit bepaalde etnische groeperingen vaker voorkomt. Ten eerste meende men dat verbanden verdwijnen als men corrigeert voor sociaal-economische klasse. Ten tweede leefde er hoop dat het probleem vanzelf minder zou worden als de ‘tweede generatie’ beter geïntegreerd zou zijn. Het blijkt nog steeds niet eenvoudig een goed beeld te krijgen van criminaliteit onder allochtonen, laat staan dat er duidelijke verklaringen zijn. Goed onderzoek ontbreekt.

    Als het gaat om ernstige en gewelddadige criminaliteit zijn met name Antilliaanse en Marokkaanse jongeren oververtegenwoordigd. Uitschieters waren Antilliaanse meisjes van wie zo’n 39% fysiek geweld meldde: dit is 4.3 maal zoveel als hun Nederlandse seksegenoten.

    Bij Nederlanders is er wel een verband tussen sociaal-economische klasse en criminaliteit, terwijl dat bij allochtonen niet aantoonbaar is. Discriminatie is ook wel genoemd als  verklaring. De politie en de autoriteiten in het vervolg van de justitiële keten zouden veel eerder in actie komen als het om allochtone jongeren gaat. Hiertegen pleiten de uitkomsten van zelfrapportageonderzoek, waarin allochtonen jongeren te kennen geven meer bij delicten betrokken te zijn dan Nederlandse jongeren.

    Discrimineren, in de vorm van pesten op school, wordt overigens wel in verband gebracht met internaliserend probleemgedrag bij allochtone jongeren.
     
    Twee verklaringen zijn plausibel op basis van Nederlands onderzoek:
    - criminaliteit als onderdeel van een probleemcluster
    Verschillende onderzoeken tonen aan dat criminaliteit bij allochtonen niet een op zichzelf staand verschijnsel is, maar deel uitmaakt van een cluster aan problemen.
    - criminaliteit als gevolg van gezinsfunctioneren
    Marokkaanse kinderen en jongeren brengen meer tijd door met leeftijdgenoten dan met volwassenen. Sommige Marokkaanse ouders zenden een dubbele boodschap uit naar hun kinderen als het gaat om het belang van integratie in Nederland.
    Angenent (1997) beschrijft hoe allochtonen jongeren die op essentiële punten met hun ouders van mening verschillen, vervreemd raken van het gezin. Zij gaan het vooral buiten het gezin zoeken. Angenent signaleert ook het verschijnsel van de ‘spijtoptanten’: allochtone jongeren die aanvankelijk hun best doen zich niet van autochtone jongeren te onderscheiden, terwijl ze later kiezen voor hun eigen cultuur.
  • In relatie tot Conduct Disorder (CD) wordt in het artikel van Frick (2001) een onderscheid gemaakt tussen kinderen met ‘childhood-onset’en kinderen met ‘adolescent-onset’.

    Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.

    I           Kinderen met een ‘adolescent-onset’CD laten een grotere motivatie zien voor sociale  relaties dan kinderen met een ‘childhood-onset' CD.
    II          Gezinsproblematiek is minder vaak te zien bij kinderen met een ‘adolescent-onset’dan bij kinderen met een ‘childhood-onset’ CD.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    I en II zijn juist

    -kinderen met een ‘childhood-onset patroon’beginnen ernstig antisociaal gedrag te tonen vóór de adolescentie, vertonen verschillende aanhoudende psychosociale kwetsbaarheden, en lopen een hoog risico om een ernstig patroon van gewelddadig en antisociaal gedrag in de volwassenheid te vertonen. -kinderen met een ‘adolescent-onset patroon’neigen naar een meer abrupt begin van ernstige gedragsstoornissen. Ze hebben ook minder disfunctionele familieachtergronden, hebben minder waarschijnlijk cognitieve beschadigingen en tonen betere volwassen aanpassing dan de childhood-onset kinderen. 


      Moffit stelde dat kinderen in de childhood-onset groep CD ontwikkelen door een transactioneel proces gaan. Dit disfunctioneel proces leidt tot aanhoudende kwetsbaarheden die een negatieve invloed hebben op de psychosociale aanpassing gedurende hun leven. 


    Lage gedragsmatige inhibitie is psychologisch gekarakteriseerd door een onderreageren in het autonome zenuwstelsel en gedragsmatig door lage angstgevoelens. Dit is consistent met onderzoek dat toont dat jongeren met CD die hoog scoren op ongevoeligheid en niet-emotionele kenmerken (= callous en unemotional) een voorkeur vertonen voor ‘thrill- and adventure-seeking activities’, minder vatbaar voor straf zijn dan voor cues van beloning en ze zijn over het algemeen minder reactief naar bepaalde negatieve emotionele stimuli. Bijvoorbeeld het kan een risico voor het kind vormen dat het een aantal vroege precursors voor empathische bezorgdheid mist, dat emotionele arousal inhoudt, welke opgewekt wordt door het ongeluk en ongemak van anderen. 
  • Welke campagne voor verkeersveiligheid appelleert het meest aan het morele denken bij jongeren?
               
    ‘Kies een Bob en ‘t is feest’: afbeelding van de ‘BOB’die letterlijk en figuurlijk op handen gedragen wordt.

               
    ‘Snelle jongens, mij niet gezien’: afbeelding van adolescent meisje die ‘snelle jongens’duidelijk afwijst.

               
    ‘Geef voorrang aan het leven’: afbeelding van een zebrapad met rouwkransen.

               
    ‘Je eerste voorruit vergeet je nooit’: afbeelding van een tegen een raam aangedrukt gelaat.

    Het juiste antwoord:
    Geef voorrang aan het leven : afbeelding van een zebrapad met rouwkransen.
    Zie digitaal werkboek 5.1.3 vr 8 Er wordt stilgestaan bij de impact die ze hebben op anderen.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen over afhankelijkheid van drugs.

    I           Psychische afhankelijkheid houdt in dat het lichaam protesteert wanneer met gebruik
                van een middel wordt gestopt (ontwenningsverschijnselen).
    II          De ‘stepping stone’-theorie beweert dat gebruik van cannabis leidt tot gebruik van
                harddrugs doordat het lichaam door het gebruik van cannabis meer en zwaardere drugs
                nodig gaat hebben.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    Alleen II is juist.
    Zie digitaal werkboek 6.1.1. Vr 2
    Nieuwsgierigheid en de zoektocht naar een eigen identiteit kunnen voor adolescenten redenen zijn om met drugs te beginnen. Opgroeiende adolescenten moeten nieuwsgierig zijn om zich te kunnen ontwikkelen. Ze willen spannende dingen doen en van alles meemaken en ontdekken. Adolescenten zetten zich hierbij vaak af tegen hun ouders. Dat helpt ze om hun eigen identiteit te vinden. Een keertje experimenteren met blowen hoeft vaak niet te betekenen dat de persoon dit vaker zal gaan doen. Het is wel belangrijk dat ouders weten wat de motivatie van de adolescent is om met cannabis te experimenteren.
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen over automutilatie (zelfbeschadiging).
    I           automutilerend gedrag kan gezien worden als een vorm van communicatie waarbij
                impliciet om hulp gevraagd wordt.
    II          De daad van zelfverwonding biedt tijdelijke opluchting.

                I en II zijn juist.
                Alleen I is juist.
                Alleen II is juist.
                I en II zijn onjuist.
    I en II zijn juist
  • Match de naam van onderstaande personen met één van de beschrijvingen. 1         Documenteerde culturele vertekening in intelligentietesten voor adolescenten 
    2         De jeugd is opvliegend en tegendraads, ze tiranniseren hun opvoeders en leermeesters     
    3        Bestudeerde adolescenten in de Samoa-cultuur              
    4         De vader van de wetenschappelijke studie van adolescenten.
    1 =  Sanchez. 
    2 =  Aristotels
    3 =  Mead
    4 = Hall

    Zie pagina 28 
  • Wat is de puberteit?
    Dat is een periode van snelle fysieke volwassenwording met hormonale veranderingen en lichamelijke ontwikkelingen die plaatsvindt aan het begin van de adolescentieperiode. 
  • Welke stelling is correct?

    De duur van de adolescentieperiode verschilt nogal per cultuur.
    Uit onderzoek is gebleken dat in traditionele culturen de periode vanaf het begin van de puberteit tot volwassenheid .....
    ·twee tot vier jaar duurt en dat jongens eerder het eindstadium van de adolescentie bereiken dan meisjes.
    ·twee tot vier jaar duurt en dat meisjes eerder het eindstadium van de adolescentie bereiken dan jongens.
    ·vijf tot zeven jaar duurt en dat meisjes eerder het eindstadium van de adolescentie bereiken dan jongens.
    ·vijf tot zeven jaar duurt en dat jongens eerder het eindstadium van de adolescentie bereiken dan meisjes.
    2. twee tot vier jaar duurt en dat meisjes eerder het eindstadium van de adolescentie bereiken dan jongens.
  • Jongeren zappen, chatten en blowen zich suf. 

     Het jongerenonderzoek 2005 laat een heel ander beeld zien van de hedendaagse adolescent. Welke conclusie werd getrokken in dit rapport?
    ·Hedendaagse jongeren zijn maatschappelijk niet betrokken omdat ze tegendraads zijn.
    ·Hedendaagse jongeren zijn wel maatschappelijk betrokken maar uiten dit op andere wijze.
    ·Hedendaagse jongeren leiden aan een soort maatschappelijke apathie.
    ·Hedendaagse jongeren zijn wel maatschappelijk betrokken en uiten dit op traditionele wijze.
    Hedendaagse jongeren zijn wel maatschappelijk betrokken maar uiten dit op andere wijze.
  • Orden de onderstaande informatiebronnen met betrekking tot seksualiteit naar belangrijkheid (met 1 als minst belangrijk tot 4 als meest belangrijk) zoals gerapporteerd in de factsheet 'Feiten en cijfers: jongeren en seksualiteit'. ·internet      
    ·peers 
    ·huisarts   
    ·moeder    
    1 = peers (minst belangrijk)
    2 = moeder
    3 = huisarts
    4 = internet (meest belangrijk)
  • Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen. De seksuele carrière van jongeren verloopt stapsgewijs en is leeftijdsgebonden.
    I              Jongens beginnen vroeger dan meisjes aan hun seksuele traject.
    II            Meisjes doorlopen hun seksuele traject sneller dan jongens.

    Beide zijn juist  
  • Zijn de stellingen juist?

    I Het onderscheid tussen problemen die echt uit de adolescentie voortkomen noemen we ‘adolescence-limited’-antisocialen)

    II problemen die hun wortels hebben in de periode vóór de adolescentie noemen we ‘life-course-persistent’-antisocialen
    Beide stellingen zijn juist
  • Sinds de jaren zestig kreeg de rol van de ‘pubertal hormones’ veel aandacht in onderzoek naar gedrag en emoties van adolescenten.
     
    Geef aan welke stelling juist is (conform het artikel van Dahl, 2004).
     
           -     Hormonale wijzigingen tijdens puberteit zijn alleen bij jongens in verband gebracht met gedragsproblemen.

           -     Hormonale wijzigingen lijken niet de evidente oorzaak te zijn van de gedragsproblemen en emotionele onstabiliteit bij de adolescenten.

             -   Tachtig procent van jongeren met de hoogste bloedspiegels van ‘pubertal hormones’  vertoont gedragsproblemen.

         -       De snelle groei van pubers wordt niet beïnvloed door de wijziging in de hormonale spiegels.
    Hormonale wijzigingen lijken niet de evidente oorzaak te zijn van de gedragsproblemen en emotionele onstabiliteit bij de adolescenten.
  • Hoe noemen we de invloedrijke metafoor van G.S. Hall om adolescenten te kunnen begrijpen in de jaren ’60 en ’70?
    - period of storm and stress 
  • Wat is GEEN hoofdbevinding van het onderzoek ‘The Millennial Family: teenagers’ attitudes to parenting’ uitgevoerd door the National Family and Parenting Institute?  
    ·75 procent van de jongeren gaf aan dat, als ze hun ouders nodig hebben, deze er voor hen zijn.
    ·56 procent van de jongeren gaf aan gemakkelijk te kunnen communiceren met hun ouders.
    ·De jongeren en hun ouders hadden dezelfde mening over het opvoeden van kinderen tot gelukkige kinderen.
    ·Jongens beoordeelden hun relatie met de ouders minder positief dan meisjes.
    - ·De jongeren en hun ouders hadden dezelfde mening over het opvoeden van kinderen tot gelukkige kinderen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

wat is scaffolding?
Scaffolding verwijst naar de manier waarop de volwassene het leren van het kind via gerichte vragen en positieve interacties begeleidt.
Hoe zien de vijf Tannerstadia eruit bij jongens (genitale ontwikkeling) ?
Als volgt:

G1Preadolescent; testes, scrotum en penis hebben ongeveer dezelfde grootte en proportie als bij kinderen.

G2De scrotum en testes zijn vergroot en er is een verandering opgetreden in de textuur van de scrotale huid. De scrotale huid is enigszins roder geworden.

G3De penis is gegroeid, eerst in de lengte, later ook enigszins in de breedte. Ook het scrotum en de testes zijn verder gegroeid.

G4De penis is verder gegroeid in lengte en breedte en de glans ontwikkelt zich. Ook scrotum en testes zijn verder gegroeid. De scrotale huid is nog donkerder geworden.

G5De genitalia zijn adult qua vorm en grootte. Er treedt geen verdere groei meer op na dit stadium.
Hoe gaat de Tannerschaal bij meisjes (borstvorming)?
Er zijn vijf stadia:
 B1Preadolescent; enkel de papilla (tepel) van de borst is geëleveerd. Geen klierweefsel aanwezig.

B2Borstknop ontstaat. Het klierweefsel wordt voelbaar. De areola (tepelhof) vergroot.

B3Verdere vergroting van de borst en areola (tepelhof), zonder scheiding van hun contouren.

B4Projectie van de areola en papilla (tepel en tepelhof) tot vorming van een tweede elevatie boven op de borst.

B5Volwassen stadium; enkel projectie van de papilla (tepel) door de retractie van de areola (tepelhof) die weer in een gelijk vlak met de borstcontour komt te liggen.
Automutilatie kan als overtreding van een maatschappelijke norm gezien worden. Automutilerende adolescenten kunnen bewust deze maatschappelijke norm overtreden (ze weten dat hun gedrag bij anderen intense gevoelens van afschuw, machteloosheid en dergelijke oproept). Geef aan welke type discrepantie volgens de self discrepancy theory (SDT) een motiverende werking kan hebben op een adolescent die zijn/haar gedrag baseert op gevoelens van haat tegenover anderen ('resentment').             actual/own versus ideal/own            actual/own versus actual/other            actual/own versus ought/other            actual/own versus ought/own 
- actual/own versus ought/other
Er zijn meerdere receptoren in hersenen waar anandamide en THC (uit softdrugs) zich aan kunnen binden. Deze zijn op specifieke plekken in de hersenen aanwezig en verklaren enkele typische effecten van cannabis. Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen. I           Binding van THC aan de cannabinoïde receptoren in de hippocampus verstoort de geheugenfunctie.II          THC wekt hongergevoelens op door zich aan de cannabinoïde receptoren van het cerebellum te binden.
I is juist.

II:  hongergevoelens worden in de hypothalamus opgewekt.
Marco is met een stel vrienden op stap. Als ze langs een homocafé lopen worden wat grove grappen over homo’s gemaakt en er worden dingen geroepen als ‘twee kerels, dat vind ik zooo smerig’. Als de jongens later op de avond, met een slok op, weer langs het café lopen, komt er net een jongen naar buiten. Wanneer hij hun kant op kijkt, roept Marco ‘Kijk voor je vieze flikker, ik ben niet van die kant’ en begint vervolgens op de jongen in te slaan. Op het moment dat er andere mensen uit het café komen, rent de vriendengroep snel weg. Is hier een sprake van een ‘hate crime’?             Ja, want Marco's daad valt onder zware criminaliteit waarbij hij iemand persoonlijk aanvalt            Nee, want er kan niet gezegd worden dat Marco alle homoseksuele mensen haat.            Ja, want Marco heeft een hekel aan de homoseksuele jongen omdat hij zijn kant op keek.            Ja, want Marco heeft een hekel aan homoseksuele jongens en slaat een willekeurig lid van deze groep in elkaar.
-  Ja, want Marco heeft een hekel aan homoseksuele jongens en slaat een willekeurig lid van deze groep in elkaar.
Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen. I           Een van de kritiekpunten op het morele ontwikkelingsmodel van Kohlberg betreft een te  brede definitie van moraliteit waarbij moraliteit en conventie verward worden.II          De DIT, een meetinstrument gebaseerd op Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling  (Defining Issues Test) is niet geschikt voor jongeren jonger dan twaalf jaar
Beide stellingen zijn juist
Welk model stelt dat alle activiteiten waarin delinquente jongeren worden samengebracht, zoals groepstherapie, het risico kennen dat de jongeren van elkaar leren om meer en ernstiger delinquent gedrag te tonen?             het slechte-vriendenmodel            het ‘deviancy training’-model            het sociale interactiemodel            het individuele-kenmerkenmodel 
-     het ‘deviancy training’-model: 
Het probleem van de deviancy training;In iedere situatie waarin jongeren met probleemgedrag bij elkaar worden gebracht, is er een verhoogd risico op toename van dat problematische gedrag bij alle jongeren in die groep. Dat geldt voor leefgroepen, klassen, sport, vrijetijdsbesteding, bootcamps, en wat al niet.
Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen. I           Een jongere is relatief gezien vaker als dader betrokken bij een seksueel delict dan bij een niet-seksueel delict.II          In vergelijking tot ‘gewone’ jeugdige delinquenten komen jonge zedendelinquenten vaker uit gezinnen met een voor het buitenwereld zichtbare problematiek.
Alleen I is juist
Welke factor behoort volgens het model van morele identiteitsformatie tot de centrale elementen van de morele identiteit?             Personality            Social structure            Opportunity            Moral feelings
- opportunity