Summary Class notes - AFPF

Course
- AFPF
- Anniek Snoek
- 2021 - 2022
- Hogeschool Utrecht (Hogeschool Utrecht, Utrecht)
- Opleiding tot Verpleegkundige
510 Flashcards & Notes
1 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - AFPF

  • 1615330800 AFPF week 1

  • Welke vier complexiteitsniveaus heeft het lichaam?
    1. Moleculen
    2. Cellen
    3. Organen
    4. Orgaan systemen
  • Wat is het milieu interieur?
    extracellulaire vloeistof wat de ionen en nutriënten bevat die cellen nodig hebben om in leven te blijven. 
  • Wat is Homeostase?
    het behouden van een bijna constante conditie van het interne milieu.
  • Wat is het negatieve feedbacksysteem? En hoe verschilt het zich van het positieve feedbacksysteem?
    Een tegenreactie op de initiërende prikkel. Bij het positieve feedbacksysteem wordt deze prikkel versterkt.
  • Beschrijf de functies van de transportsystemen in het lichaam
    1. Venen, arterie en lymfevaten transporteren nutriënten en water naar organen. 
    2. Het hart pompt het bloed via de longen naar de organen en lymfe stroomt door lymfevaten en lymfeknopen weer terug in de venen (niet de arteriën). 
    3. Voedsel wordt door gastro-intestinale systeem vervoert vanaf de mond naar rectum waar het wordt uitgescheiden. Water wordt via mond door bloed, naar organen en naar nieren (een zweetklieren) vervoerd en daar uitgescheiden. 
  • Beschrijf globaal het zenuwstelsel en het endocriene stelsel van de interne communicatie
    Het zenuwstelsel regelt samen met de hormonen de verwerking van impulsen en de reactie hierop om homeostase te behouden. Hormonen worden in hormoonklieren gemaakt en via het bloed vervoerd door het lichaam. Zenuwstelsel bestaat uit het brein, ruggenmerg en sensorische en motorische zenuwen . zenuwstelsel stuurt signalen naar hormoonklier (hypothalamus (GnRH) > hypofyse > FSH  in bloed bijvoorbeeld).  
  • Hoe absorbeert het lichaam stoffen?
    Via longen wordt zuurstof opgenomen (via alveoli/longblaasjes) in het bloed en in het verteringsstelsel worden nutriënten en water opgenomen in het bloed. 
  • Welke zeven bekende afvalstoffen kennen we die het lichaam verwijderd?
    1. CO2 
    2. H2O 
    3. ureum 
    4.Uranic acid 
    5. Afvalstoffen van medicatie 
    6. Verteerresidu via rectum 
    7. overtollige ionen
  • Welke soorten activiteiten kent het lichaam om te overleven en te beschermen?
    1. Fight of flight response (adrenaline)
    2. Bewegen
    3. Immuunsysteem met specifieke en aspecifieke afweer
    4. andere barrières zoals huid, voortplanting 
    5. Homeostase behouden
  • Noem de zes mechanismen die tot ziekte leiden = pathogenese
    1. Ontsteking (-itis)
    2. Tumoren - Maligne (-carcinoom, -lymfoom, -sarcoom) en Benigne (-oom)
    3. Afweerproblemen - bijv; auto immuunziektes (reuma)
    4. Metabole ziekte - Diabetes, hyperclolesterolemie
    5. Infarcten - blokkade vaten door bloedstolsel
    6. Genetische afwijkingen
  • Wat zijn exogene pathogenen en interne en externe effecten?
    Exogene pathogenen zijn virussen, batterijen en fungi.
    Interne effecten zijn bijv; mutaties die leiden tot kanker.
    Externe effecten zijn bijv; trauma 
  • Beschrijf wat osmose is
    Osmose is het verplaatsen van water door water. Dit water verplaatst zich tegen de diffusie graad in van de opgeloste stof, dus beweegt van een lage concentratie ionen naar een hoge concentratie.
    Als de verdeling van water gelijk is = Isotoon
    Als het water naar een hoge concentratie verplaatst = Hypertoon
    Als het water naar een lage concentratie verplaatst = hypotoon.  
  • Beschrijf wat diffusie is.
    Diffusie betreft ook ionen (K, NA, Ca) die zich verplaatsen door kinetische energie door selectieve permeabele kanalen. De ionen zullen zich van een hoge naar een lage concentratie verplaatsen. 
  • Wat is het verschil tussen intracellulaire vloeistof en extracellulaire vloeistof?
    Intracellulair is het cytoplasma in de cel. Extracellulair is de vloeistof buiten de cel.
  • Wat is de structuur van een celmembraan?
    1. Dubbelle laag fosfolipiden (hydrofiele koppen en hydrofobe staarten)
    2. Cholesterol. 
    3. Eiwitten

    • Immunologische identiteit - laten weten dat ze lichaamseigen zijn
    • Receptoren - berichten doorsturen
    • Enzymen - chemische reactie creëren 
    • Transporteiwitten.
  • Beschrijf de organellen in een cel
    1. Mitrochondria= energie huishouding van de cel, maakt ATP
    2. Glad Endoplasmatisch Reticulum (ER)= maakt lipiden en steroidhormonen en daarmee endoplasmatische blaasjes die worden afgestoten van het ER, naar het Golgi apparaat
    3. Ruw ER= bevat ribosomen en maken eiwitten van mRNA voor buiten de cel. 
    4. Celkern/Nucleolus = bevat ribosomaal RNA
    1. DNA= genetisch materiaal wat in de celkern ligt
    2. Lysosomen=  Een voorbeeld van secretoire granula. Bevatten eiwitten die grote moleculen kunnen opbreken. 
    3. cytoskelet= bestaat uit eiwitten, microtubules, die zorgen voor het skelet van de cel
    4. golgi appartatus= maakt secretaire granula van de pakketjes vanuit de ER die via exocytose de cel verlaten .
    5. centriole= zijn belangrijk voor mitose
    6. ribosomen= maken eiwitten, gebaseerd op RNA. Ze rijgen Aminozuren aan elkaar tot eiwit. 
  • Beschrijf de twee stappen van de celcyclus
    Interfase
    Interfase is voorafgaand aan mitose;

    Mitose

    Bij mitose wordt er van 1 cel 2 identieke dochtercellen gemaakt. Het is de delingsfase van een cel. Het bestaat uit 

    profase; nucleolus meer zichtbaar door aanmaak ribosomaal RNA, DNA en centriolen verdubbelen en chromatiden vormen, 

    pro-metafase; microtubules groeien uit de centriolen en de microtubules trekken de ene kant van de chromatide naar de ene kant van de cel en de andere naar de andere kant. 

    metafase; equoretial vlak waar de chromatiden zich bevinden, microtubulen groeien nog meer. 

    anafase; chromatiden worden bij centromeer uit elkaar gehaald, elk naar een andere kant van de cel. 

    telofase; microtubules duwen de twee kampen nu nog verder uit elkaar en een celkern membraan wordt gevormd van ER. Twee cellen worden gevormd. 
  • Wat zijn de verschillende tussen actief, passief en bulktransport?

    Voor actief transport is er energie nodig van ATP, de beweging is tegen de concentratiegraad in. 
    Passief transport gaat met de diffusiegraad mee. 
    Actief en passief transport gaan beide door kanalen heen op het celmembraan. Bij passief, mits vetoplosbaar, door celmembraan. 

    Bulktransport is  een stof die te groot is om door het celmembraan te gaan > wordt via endocytose opgenomen > ingesloten door celmembraan > in de cel vorm zich een blaasje met de stof erin
  • Beschrijf de structuur en functie van epitheel.
    Het is een dunne beschermende laag cellen. Epitheelweefsels belijnen de oppervlakten van organen en bloedvaten door het hele lichaam, evenals de binnenste oppervlakken van de holtes in veel organen.
  • Beschrijf de structuur en functie van bindweefsel
    bevindt zich tussen andere weefsels in en houdt het bij elkaar (collageen).
  • Beschrijf de structuur en functie van slijmvliezen
    De slijmvliezen zijn de vochtige bekleding van spijsverteringskanaal, luchtwegen, urinewegen, geslachtsorganen. (weefsel; mucosa) bestaat uit epitheelcellen.
    Ze scheiden/produceren mucus(kleverig slijm). In de luchtweg houdt het deeltjes tegen zodat ze niet in de alveoli terechtkomen. 
  • Beschrijf de structuur en functie van Weivliezen
    (sereuze vliezen) = scheiden een waterig vloeistof uit. Bestaan uit een dubbele laag losmatig bindweefsel en een bekleding van eenlagige plaveiselepitheel. Het bekleedt holtes en omgeeft organen waardoor organen vrij in holtes kunnen bewegen zonder het ontstaan van schade.
  • Beschrijf de structuur en functie van epitheliale membramen
    Dit zijn bladen van epitheel en steunweefsel (bindweefsel) die dienen als bekleding voor veel interne holten en structuren. De belangrijkste zijn slijmvlies (tunica mucosa), sereuze of weivliezen (tunica serosa) en de huid.
  • Beschrijf de functie en structuur van synodale membramen
    Dit is de bekleding van gewrichtsholten en banden die anders zouden beschadigen door wrijving tegen beenderen, zoals bijvoorbeeld het polsgewricht. 
    Het zijn geen epitheliale membranen: ze bestaan uit bindweefsel en elastische vezels. 
    Synoviale membranen scheiden een heldere, kleverige, olieachtige synoviale vloeistof af die de gewrichten smeert en voedt. 
  • Beschrijf de functies van de exocriene klieren en de endocriene klieren

    Een endocriene klier scheidt zijn producten af, bijvoorbeeld hormonen, rechtstreeks in het bloed. Een exocriene klier scheidt zijn producten af, bijvoorbeeld enzymen, via kanalen in het doelweefsel.

    Pancreas heeft beide functies (insuline, glucagon en enzymen) 
  • Wat zijn de zes etiologische factoren?
    1. Trauma
      1. verwonding.
      2. hoog / laag energetisch trauma
    2. Aangeboren afwijking
      1. Genetisch (bij geboorte of mutaties)
      2. verworven aandoening
      3. Alles dat tijdens de zwangerschap of bij de geboorte gebeurt is een aangeboren afwijking
    3. Infectie
      1. Schimmels, parasieten, bacteriën, virussen
    4. Degeneratie
      1. Er gaan meer cellen dood dan worden aangemaakt
      2. Artrose, ALS, alzheimer 
    5. Iatrogeen
      1. veroorzaakt door medisch handelen
      2. bijwerkingen medicijnen, onbedoelde effecten
    6. Ideopatisch essentieel cryptogeen
      1. Oorzaak niet bekend.
      2. Kunnen wel risico factoren benoemen. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - AFPF

  • 1601762400 AFPF Les 1

  • Waaruit bestaat het plasmamembraan
    Bestaat uit 2 lagen fosfolipiden, dit is een vettige stof en zorgt er voor een waterafstotend membraan. Er steken eiwitten door het membraan heen die zorgen voor immunologische identiteit, receptoren, enzymen (versnellen chemische reactie), Transporteiwitten
  • Organellen -> Celkern
    Hier ligt het chemische materiaal opgeslagen in de vorm van DNA.
    Binnenin de kern bevind zich de nucleolus deze is betrokken bij de synthese (productie) en samenstelling van de elementen van het plasmamembraan
  • Organellen -> Mitochondriën
    Energiefabrieken van de cel, is voornamelijk betrokken bij aerobe respiratie, het proces waardoor de chemische energie in de cel beschikbaar wordt.
  • Organellen -> Ribosomen
    Maken eiwitten. Een kopie van het DNA -> RNA gebruiken ze als recept/mal om losse aminozuren in paren van 3 (codon) aan elkaar te knopen. Als ze vrij on in kleine clusters op het cytoplasma voorkomen zijn de eiwitten bestemd voor binnen de cel. Komen ze op het kenmembraan of het ruw ER voor -> eiwitten voor buiten de cel.
  • Organellen -> ER
    Glad ER-> Maakt lipiden, zoals fosfolipiden voor het plasmamembraan. En steroïdhormonen, zoals testosteron en cortisol.
    Ruw ER -> Stuurt eiwitten die bestemd zijn voor buiten de cel door naar het golgi.
  • Organellen -> Golgi
    Verpakt verkregen eiwitten in blaasjes -> secretoire Granula. Zet deze in de voorraadkast en wanneer deze nodig zijn smelten ze samen met het celmembraan en komt de inhoud vrij buiten de cel.
  • Organellen -> Lysosomen
    Is een voorbeeld van een secretoire granula. Waarin eiwitten zitten die grote moleculen kunnen opbreken. Je ziet ze veel in de afweercellen, zodat de eiwitten de bacteriën kunnen kapotmaken.
  • Organellen -> Cytoskelet
    Is een netwerk van kleine vezels die zorgen voor, de vorm van de cel (microfilamenten), het bewegen van de cel, het bewegen van de organellen binnen de cel.
  • Milieu interieur/extracellulaire vloeistof
    Het milieu interieur voorziet de cel van eten-> glucose, drinken -> water en zuurstof. In ruil daarvoor helpt de cel met het constant houden van het milieu interieur.
  • Intracellulaire vloeistof
    Vloeistof binnen de cel. De samenstelling wordt geregeld door de cel zelf. Door bijv. Passief en actief transport
  • Homeostase
    Streven naar intern evenwicht, waarbij het milieu interieur en stabiele samenstelling heeft. Falen van homeostase zal leiden tot een giftige omgeving van de cellen, ziekte en als het niet veranderd tot de dood
  • Negatieve feedback
    Elke variatie dir buiten de normale grenzen valt wordt automatisch gecorrigeerd. Het wekt een tegenovergestelde reactie op. De 3 componenten die nodig zijn, detector -> pikt de prikkels op bijv. Gespecialiseerde zenuwen, Controle centrum -> interpreteren prikkel, Effector -> De uitvoerende partij, verhelpt het probleem
  • Positieve feedback
    Versterkt een prikkel. Dus als een waarde te hoog is zal deze nog hoger worden. Dit systeem is relatief zeldzaam en wordt alleen gebruikt bij processen die snel voltooid moeten worden, zoals bloedstolling, bevalling en spijsvertering
  • Opname stoffen
    Zuurstof, via de inademing. Water + Zout via de opname in de darm. Bouwstoffen + energie via de opname in de darmen.
  • Uitscheiding stoffen
    CO2, via de uitademing. Energie via de warmte, groei en beweging. Bouwstoffen via de lever als feces of via de nieren als urine. Zout uitscheiding, via de nieren/urine of huid/zweten. Metabolisme
  • Transportsystemen -> Bloed
    Plasma -> Transportvoedingsstoffen, hormonen en belangrijk bij homeostase van bij tempratuur.
    Erytrocyten -> Rode bloedcellen, transport zuurstof en CO2.
    Leukocyten -> Witte bloedcellen, Belangrijk bij het afweersysteem.
    Trombocyten -> Bloedplaatjes,  bloedstolling
  • Transportsystemen -> Cardiovasculiar
    Bestaat uit een netwerk van bloedvaten en het hart.
    Arteriën -> Slagaders, Vervoeren bloed vanuit het hart.
    Venen -> Aders, Vervoeren bloed naar het hart.
    Capillairen -> Haarvaatjes, Verbinden arteriën en venen. Uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefsels.
  • Transportsystemen -> Lymfoïde systeem
    Bestaat uit lymfevaten. Lymfe is weefselvloeistof dat ook materiaal bevat dat is afgevoerd van weefselruimten, zoals plasma, eiwitten, bacteriën en cel-afval. Zorgt voor de productie en rijping van lymfocyten de witte bloedcellen die betrokken zijn  bij het immuunsysteem.
  • Interne communicatie -> Zenuwstelsel
    Centrale zenuwstelsel bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Deze scheiden hormonen uit die behoren tot het perifere zenuwstelsel. Het perifere zenuwstelsel bestaat uit Sensorische -> Geven input aan hersen en ruggenmerg. De input komt vanuit de (somatische) zintuigen en het interne milieu.
    Motorisch -> Sturen signalen van de hersenen door. Dit kan zowel willekeurig als onwillekeurig zijn.
  • Interne communicatie -> Endocriene stelsel/hormoonsteslel
    Een endocriene cel in een endocriene klier maakt hormonen aan. Deze gaan via het bloed naar de doelcel in het doelorgaan. Deze doelcel heeft een specifieke receptor voor het ontvangen van het bericht en wordt aangezet tot een bepaalde actie.
    De belangrijke structuren zijn -> Hypothalamus -> Detectie problemen, Hypofyse -> Regulatie van problemen,  Doelorgaan -> Uitvoering en effect.
  • Passief transport -> Diffusie
    Opgeloste stoffen verplaatsen zich van een hoge naar een lage concentratie met de concentratiegradiënt mee. Bijv. De uitwisseling van gas in de longen.
  • Passief transport -> Osmose
    Is een proces op basis van diffusie. waarin stoffen zijn opgelost, door een zogenaamd halfdoorlatend membraan (een semipermeabele wand) stroomt, dat wel doordringbaar is voor bijv. H2O, O2 en CO2, maar niet voor suiker zout en eiwitten. Als een stof isotoon is, dan is de concentratie aan beide zijde gelijk, bij hypertoon is de concentratie buiten de cel groter en krimpt de cel en bij hypotoon is dit juist andersom.
  • Actief transport -> Kost ATP -> Natrium Kalium pomp
    Transportkanalen in het plasmamembraan fungeren als een soort deur, waardoor stoffen de cel in en uit kunnen. Bij iedere deurbeweging wordt ATP verbruikt. Een goed voorbeeld hiervan is de natrium kalium pomp. De Concentratie natrium binnen de cel is groter als daarbuiten, en de concentratie kalium is buiten de cel groter als daarbinnen. Daarom wordt er continue natrium naar buiten gepompt en kalium naar binnen.
  • Actief transport -> kost ATP -> Bulktransport
    Cellen van het transportsysteem kome een lichaamsvreemde stof tegen die te groot is om door de transportkanalen te gaan. Deze kunnen ze opeten (fagocyteren) de bacterie wordt onschadelijk gemaakt.
  • Beschermen en overleven -> Externe invloeden
    De huid vormt een barrière tegen invasie, microben, chemicaliën en uitdroging.
  • Beschermen en overleven -> Weerstand tegen infectie
    Aspecifiek -> De huid en Mucus houden microben en ander vreemd materiaal vast. Antimicrobiële stoffen -> zoutzuur in maagsap.
    Specifiek -> immuniteit, zowel verworven, Macrofagen en het complementsysteem dat in het bloed aanwezig is. Niet verworven antilichamen T-cellen en B-cellen.
  • Beschermen en overleven -> Bewegen en Behoud van de soort
    Bewegen is essentieel voor de lichaamsactiviteiten. Ook beschermende bewegingen, zoals reflexen vallen hieronder.
    Behoud van de soort is van essentieel belang om uitsterven te voorkomen.
  • Mechanisme die vaak tot ziekte leiden
    Genetische afwijkingen, infectie, chemicaliën en degeneratie (overmatig gebruik of ouderdom).
  • Pathogenese
    Het ziekteproces. Kan worden beïnvloed door ontsteking, tumor, metabole ziekte infarct en genetische afwijkingen.
  • Etiologie
    Oorzaak van ziekte. Infectie, trauma, degeneratie, aangeboren afwijkingen, iatrogeen (Veroorzaakt door een medische handeling), ideopatisch (essentieel cryptogeen, oorzaak niet bekend).
  • Celcyclus -> Interfase
    G1 en G0 -> Cel groeit in maat/volume. Als niet de gehele cyclus wordt afgerond gaat de cel de rustfase in ofwel de G0 fase.
    S-fase -> Synthese van DNA. Chromosomen vermenigvuldigen en vormen 2 identieke DNA kopieën.
    G2 -> Cel groeit en bereid zich voor op celdeling.
  • Celcyclus -> Mitose
    Pro-fase -> Gerepliceerde chromatine worden strak gewikkeld.
    Meta-fase -> De chromosomen gaan parallel liggen op de evenaar van het spoelfiguur. Vastgehecht aan hun centromeer.
    Ana-fase -> De centromeren splitsen.
    Telo-fase -> Spoelfiguur verdwijnt.
  • Epitheelweefsel -> enkellagig
    Enkele laag cellen. Meestal bekleedt het oppervlakken voor absorptie en secretie. Plaveiselepitheel -> Enkele laag tegen elkaar liggende platte tegels. Maat diffusie mogelijk. Kubisch epitheel -> actief betrokken bij secretie, absorptie en/of excretie. Cilinder epitheel -> absorptie voedingsstoffen, verplaatsing ova, opname zuurstof.
  • Epitheelweefsel -> Meerlagig
    Meerdere lagen van verschillende cellen. Belangrijkste functies, beschermen onderliggende structuren tegen mechanische schade. Meerlagig plaveiselepitheel -> Enkele lagen cellen. Verhoornend -> droge oppervlakken, haren, huid en nagels. Niet verhoornend -> ogen, mond, keel, slokdarm, vagina
  • Bindweefsel
    Bevat 3 componenten in wisselende verhoudingen. Cellen, vezels en intracellulaire substantie (matrix). Belangrijkste functies binding, bescherming, transport en isolatie.
  • Bindweefsel -> Losmazig
    Zorgt voor spankracht en elasticiteit. Verbindt en ondersteunt weefsel, zoals onder de huid, tussen de spieren, in het spijsverteringskanaal, ondersteuning voor secretoire cellen en klieren en ondersteuning bloedvaten en zenuwen
  • Bindweefsel -> Vetweefsel
    Bestaat uit vetcellen (adipocyten) met grote vet vacuolen in een matrix van losmazig weefsel. Wit/univacuolair -> 20/25 % uit van het lichaamsgewicht. Bruin -> zorgt bij baby's voor warmte
  • Bindweefsel -> reticulair bindweefsel
    Bevat reticulaire cellen en witte bloedcellen. Komt voor in de lymfeklieren en alle organen van het lymfoïde systeem.
  • Bindweefsel -> Vast bindweefsel
    Bevat meer vezels en minder cellen dan losmazig bindweefsel. Fibreus liggen in rijen tussen de vezelbundels van beenderen, organen en spierschede. Beschermd en verbind deze. Elastisch -> Is in staat tot rek en veerkracht. Komt voor in bloedvaten, luchtpijp en longen.
  • Bindweefsel -> kraakbeen
    Is steviger dan de andere. Hyalien geeft flexibiliteit, steun en een glad bewegingsoppervlak voor gewrichten. Fibreus is een sterk, licht, flexibel steunweefsel dat voorkomt als stootkussen tussen de wervellichamen en gewrichtsvlakken. Elastisch is flexibel en bied steun en vormbehoud van bijv. Oorschelp, strottenhoofd.
  • Bindweefsel -> beenweefsel
    Liggen in een matrix van collageenvezels die versterkt is met anorganische zouten, calcium en fosfaat. Deze zorgt voor de stvigheid en rigiditeit.
  • Spierweefsel
    Kan zich samentrekken en ontspannen. Maakt beweging mogelijk. Glad -> komt voor in holle organen. Skelet -> vormt de spieren die de beenderen bewegen. Hartspierweefsel -> komt voor in de hartwand.
  • Epitheliale membraan
    Dit zijn bladen van epitheel en steun/bindweefsel die dienen als bekleding van veel interne holten en structuren. Slijmvliezen(tunica mucosa) -> Vochtige bekleding van het spijsverteringkanaal, lucht/urine wegen en geslachtsorganen. Beschermd tegen uitdroging en mechanische/chemische schade. Weivliezen/sereuze vliezen -> Scheiden een waterige stof af en zorgen ervoor dat organen vrij unnen bewegen.
  • Synoviale membraan
    Is de bekleding van gewrichtsholten en banden die anders zouden beschadigen door wrijving.
  • Exocriene klieren
    De klieren die hun product uitscheidt aan het epitheeloppervlak van een hol orgaan.
  • Endocriene klieren/hormonale klieren
    Scheiden hun product direct uit in het bloed en de lymfe. Hebben gewoonlijk geen klierbuis en scheiden hormonen uit.
  • Inhoud borstholte
    Trachea, bronchiën, longen, hart, aorta, vena cava superior/inferior, oesphagus (slokdarm), lymfevaten/klieren, belangrijke zenuwen.
  • Inhoud buikholte
    Maag, dunne darm, groot deel dikke darm, lever, galblaas, galwegen, pancreas (alvleesklier), milt, nieren en bijnieren, bloedvaten, lymfevaten/klieren en zenuwen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is oxyhemoglobine en waar zit het in?
Als oxyhemoglobine (98.5%). Dit is een zeer chemische verbinding met hemoglobine. Oxyhemoglobine is instabiel en onder bepaalde omstandigheden ontbindt het snel, waardoor zuurstof vrijkomt. Factoren die de ontbinding versnellen zijn onder andere lage zuurstofconcentratie, lagee pH en verhoogde temperatuur. 
Het wordt opgelost 
Wat is de interne respiratie?
Dit is de gasuitwisseling door diffucies tussen bloed in de haarvaten en de lichaamscellen. Er vindt geen gasuitwisseling plaats in de slagaders die bloed vanuit het hart naar de weefsels voeren, omdat hun wanden te dik zijn. De PO2 van bloed dat aankomt bij heet weefsel is ontdaan van CO2 een verzadigd met O2 tijdens de passage door de longen, en heeft daarom een hogere PO2 en een lagere PCO2 dan de weefsels. Dit veroorzaakt concentratiegradienten tussen capillair bloed en de weefsels, en aldus vindt gasuitwisseling plaats. O2 diffundeert vanuit de bloedbaan via de capillaire wand naar de weefsels. CO2 diffundeert vanuit de cellen naar de extracellulaire vloeistof, en vervolgens via de bloedbaan naar het veneuze uiteinde van het haarvat. 
Wat is de externe respiratie?
Dit is de uitwisseling van gassen door diffusie over de alveolaire capillaire membraan, tussen de alveoli en het bloed in de longcapillairen. 
Zuurstofarm bloed wordt in de longen aangevoerd door de pulmonaire arterie vanuit alle lichaamsweefsels en heeft een hoog CO2- en een laag O2 gehalte. Koolstofdioxide diffundeert langs zijn concentratiegradiënt vanuit zuurstofarm bloed naar de alveoli totdat evenwicht met alveolaire lucht is bereikt. Via hetzelfde proces diffundeert zuurstof uit de alveoli naar het bloed. De trage bloedstroom in de haarvaten geeft de gaswuitwisseling alle tijd. Wanneer het bloed de alveolaire haarvaten verlaat, zijn de concentraties CO2 en O2 in evenwicht met die in de alveolaire lucht. 
Wat zijn de voornaamste luchtwegvolumes en capaciteiten?


  • Teugvolume (TV). Dit is de hoeveelheid lucht die in en uit de longen stroomt tijdens iedere ademhalingscyclus (ongeveer 500ml in rust). 
  • Inspiratoir reservevolume (IRV). Dit is de extra hoeveelheid lucht die tijdens maximale inspiratie door de longen geinhaleerd kan worden bovenop het normale TV. 
  • Inspiratoire longcapaciteit (IC). Dit is de hoeveelheid lucht die met maximale inspanning ingeademd kan worden. Het bestaat uit het TV (500ml) plus het inspiratoire reservevolume. 


  • Functionele residuale capaciteit (FRC). Dit is de hoeveelheid lucht die aan het einde van rustige expiratie achterblijft in de luchtwegen en de alveoli en voorkomt dat de alveoli bij expiratie dichtklappen.
  • Expiratoir reservevolume (ERV). Dit is de grootste hoeveelheid lucht die uit de longen gedreven kan worden tijdens maximale expiratie. 
  • Residuaal volume (RV). Dit is de hoeveelheid lucht die in de longen achterblijft na gedwongen expiratie. 
  • Vitale longcapaciteit (VC). Dit is de maximale hoeveelheid lucht die in en uit de longen kan stromen: VC=Ademvolum + IRV + ERV. 
  • Totale longcapaciteit (TC). Dit is de maximale hoeveelheidd lucht die de longen kunnen bevatten. De TC vertegenwoordigt het totaal van de vitale longcapaciteit en het residuaal volume. Bij een volwassene van gemiddelde grootte is dit volume gewoonlijk ca. 6 liter. 


  • Alveolaire ventilatie. Dit is de hoeveelheid lucht die per minuut in en uit de alveoli stroomt. Het staat gelijk aan het teugvolume min de anatomsiche dode ruimte, vermenigvuldigd met de ademsnelheid. 
  • Anatomische dode ruimte. De longen en de luchtwegen zijn nooit helemaal leeg, en aangezien gsauitwisseling alleen plaatsvindt via de wanden van de ductuli alveolares en de alveoli, wordt de overgebleven capaciteit van de luchtwegen anatomische dode ruimte en is ongeveer 150ml. 
Wat is de luchtwegweerstand?
De mate van ademinspanning die nodig is om de longen te vullen. Als de luchtwegweerstand toeneemt, is er meer ademinspanning nodig om de longen te vullen. 
Wat is de elasticiteit van de longen?
Dit is het vermogen van de long om na elke ademhaling weer zijn oorspronkelijke vorm aan te nemen. 
Wat is compliantie van de longen?
Dit is de uitzetbaarheid van de longen, dat wil zeggen de inspanning die nodig is om de alveoli op te blazen - rekbaarheid.
Waarom is expiratie passief?
Het expiratieproces is passief, omdat er geen energie voor nodig is. In rust duurt expiratie ongeveer drie seconden, en na expiratie volgt een pauze voor de volgende cyclus begint. 
Wat gebeurt er bij expiratie?

  • Ontspanning van de externe tussenribspieren en het diafragma resulteert in een neerwaarste en inwaartse beweging van de ribbenkast en het elastisch terugveren van de longen. 
  • Terwijl dit gebeurt, stijgt de druk in de longen een wordt de lucht uit de luchtwegen geduwd. Na de expiratie bevatten de longen nog wat lucht en worden de intacte pleura beschermd tegen inklappen. 
Waarom is inspiratie actief?
Het inspiratieproces is actief, omdat er energie nodig is om spieren aan te spannen. De negatieve druk die in de borstholte ontstaat, ondersteunt de veneuze terugvloed naar het hart en heet de respiratoire pomp. In rust duurt inspiratie ongeveer twee seconden.