Summary Class notes - anatomie

Course
- anatomie
- Kosta
- 2019 - 2020
- Rijksuniversiteit Groningen (Rijksuniversiteit Groningen, Groningen)
- Tandheelkunde
448 Flashcards & Notes
1 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - anatomie

  • 1550012400 Membranen

  • Hoe zijn membranen opgebouwd?
    Binnenkant is hydrofiel (cytosol) en buitenkant is hydrofoob
  • Leg uit hoe uit lipiden, bilagen of micellen kunnen worden gevormd. Leg ook uit wat micellen en bilagen zijn.
    De vorm van de moleculen bepaalt de ruimtelijke structuur van de cellen. 
    Micellen = Kegel
    Bilaag = Cilinder, twee staartjes met waterig volume aan de binnenkant. Deze binnenkant kan transformeren in een lipoom, dit is een vesicle in water. Op deze manier kan een medicijn getransporteerd worden in het lichaam. 
  • Wat zijn de functies van het opnemen van stoffen in de darm?
    Het leveren van energie
    Het opbouwen van nieuwe moleculen
  • Hoe kunnen moleculen door het darmepitheel heen diffunderen?
    Via speciale transport processen
  • Waar wijst de pijl in dia 8 naar? Welk soort weefsel hebben de darmen?
    Apicale celmembraan. Gestructureerd weefsel.
  • Waarom is darmepitheel vrij dik?
    Omdat het een grote rol speelt in absorptie en daardoor het contactpop. vergroot.
  • Uit welke componenten zijn de biologische membranen opgebouwd? En hoe ontstaat de knik in de staart van een fosfolipide?
    Hydrofiele kop: Choline en fosfaat
    Hydrofobe staart: Glycerol en hydrocarbone
    De knik ontstaat door een dubbele binding. 
  • Welke drie elementen bestaat membraanlipide?
    1- Fosfochliceriden --> 
    2- Cholesterol --> Gal wordt hiervan gemaakt. Soms ook hormonen.  
    3- Glycolipiden --> Een lipide met een suikermolecuul in de kop.
  • Geef twee eigenschappen van membraanlipiden.
    1- Amphipatisch karakter --> Polaire lipiden. Zelf aggregatie in water. 
    2- Het vormt een bariere waardoor compartimentalisatie kan plaatsvinden van cellen. 
  • Wat is de kleinste structuur van membranen?
    Fosfolipiden.
  • Uit welke structuren bestaan celmembranen?
    1- Lange koolstofketen
    - Gekoppeld aan eiwitten: Glycoproteïnen
    - Gekoppeld aan lipiden: Glycolipiden

    2- Eiwitten
    3- Lipiden
  • Waarom sluiten bilagen tot liposomen?
    De lipiden hebben een hydrofobe staart en keren zich van het water af waardoor er een bilaag ontstaat.
  • Geef een synoniem voor een rode bloedcel en geef ook aan hoe het membraan van deze cel is opgebouwd.
    Erythrocyt. Hij heeft een dubbele lipide laag, hierin zitten de eiwitten.
  • Wat wordt er bedoeld met het fluit mosaic model?
    Dat een celmembraan wordt gezien als een vloeibare structuur (visceus).
  • Waarom bevinden koolhydraatketens van membranen zich nooit los in het membraan?
    Omdat koolhydraten suikers zijn, waar veel OH-Groepen aan zitten. Daarom zijn ze hydrofiel en bevinden ze zich aan het opp. van het membraan.
  • Waarop bevinden zich de suikerketens uit de celmembranen?
    Op de eiwitten. Op het opp. van een membraan.
  • Hoe worden eiwitten gevormd?
    Aminozuren binden aan elkaar met petpidebindingen waardoor polypeptidektens ontstaan.
  • Welke structuur maken sommige eiwitten?
    Alfa-helix. Door waterstofbruggen.
  • Welke eigenschappen moeten de rest-groepen van de alfa-helix hebben zodat deze in de celmembraan kunnen zitten?
    Deze zijn hydrofoob.
  • Wat zijn membraantrasnporters? En welke vereiste moeten dezen membraantransporters hebben om hydrofiele structuren hierdoor heen te kunnen leiden? Voldoet een membraaneiwit aan deze vereiste?
    Moleculen in membranen die andere moleculen over de membraan heen kunnen transporteren. De binnenkant moet hydrofiel zijn, het kanaal moet groot genoeg zijn. 
    Ja, want hij heeft waterstofbruggen/ ladingsverdelingen. Maar hij is wel te smal. 
  • Hoe wordt een membraantransporter gevormd?
    Door meerdere membraan-eiwitten te organiseren in een cirkel. De binnenkant is hydrofiel Doordat de zijketens alternerend hydrofiel/ hydrofoob zijn.
  • Wat zijn integraal eiwitten?
    Eiwitten die direct interactie aangaan met de membranen. Contact tussen de eiwit en lipide.
  • Wat zijn perifere eiwitten?
    Eiwitten die indirect contact maken met de lipiden van de membraan.
  • Op welke manieren kunnen integraal eiwitten in een membraan zitten?
    - met een of meerdere alfa-helixen in membraan (transmembraan)
    - met een beta-sheet in membraan (= alternatief transmembraan)
    - met een lipide-anker of alfa-helix aan membraan (lipide is wel deel van membraan)

    Hydrofobe interactie. VB. Transporteiwitten
  • Wat is een perifeer eiwit en hoe kan deze gebonden zijn aan het membraan?
    Een eiwit dat niet direct verbonden is met het membraan, maar via integraal eiwitten in contact staat. --> Electrostatische interactie. VB. Cytoskelet eiwitten (actine). Geen covalente bindingen maar vaak ion-binding of waterstofbrug.
  • Wat is membraanvloeibaarheid?
    De laterale beweeglijkheid van lipiden en eiwitten in de membraan.
  • Hoe vaak vindt membraanvloeibaarheid plaats?
    1 dag
  • Wie zorgen ervoor dat membraanvloeibaarheid vaker kan plaatsvinden dan 1x? En waarom is dit belangrijk?
    De enzymen flipases. Dit is belangrijk voor herstel van cellen, en !!!!!!
  • Welke bewegingen maken cellen heel veel?
    Laterale bewegingen, flexions en rotaties.
  • Is een membraan met of zonder knikjes meer vloeibaar?
    met knikje, omdat ze minder dicht tegen elkaar aan liggen en dus meer ruimte hebben en meer lateraal kunnen bewegen. Dat is het uitwisselen van twee moleculen.
  • Waarom verlaagt cholesterol de vloeibaarheid van membranen?
    Omdat cholesterol tussen de fosfolipiden gaat zitten en de ruimte dus vult en dus minder makkelijk laterale bewegingen kunnen plaatsvinden van de hydrofobe staarten van de fosfolipiden.
  • Waarom verhogen korte vetzuren de vloeibaarheid van membranen.
    Als je korte vetzuren hebt is er veel minder hydrofobe matching waardoor de fosfolipiden meer kunnen bewegen.
  • Waar is membraanvloeibaarheid goed voor?
    Zodat bepaalde processen in stand kunnen worden gehouden. dit is goed voor bijvoorbeeld transport van moleculen, en voor het openen voor poorten door signaal-transductie moleculen naar de target-moleculen.
  • Welke restricties zijn er nodig voor laterale beweeglijkheid en wrm zijn deze er?
    Omdat bv, hemidesmosomen op hun plek moeten blijven zitten (basale kant). Membraandomeinen en membraanrestrixties.
  • Geef een voorbeeld van een apicaal eiwit die niet naar basaal membraan mag reizen.
    Bv bij transporteren van suiker die specifiek op het darmepitheel zitten. Kan mbv light junctions.
  • Hoe kan verder nog voorkomen worden dat membraanvloeibaarheid plaatsvindt? Geef de specifieke kenmerk.
    Door lipide rafts. Deze bevatten veel glycolipiden, cholesterol en bepaalde eiwitten die verankerd zijn via een structuurtje in de membraan. Specifieke kenmerk: Lage vloeibaarheid. Het zijn kleine structuurtjes op de membraan. Goede omgeving voor signaaltransductie
  • Geef de 5 functies van lipide rafts
    1- Endocytotische opname plekken op de membraan. 
    2- Binnenkomen van pathogenen in de cel. 
    3- Dynamische signaling platforms. 
    4- Membraan omgevingen waarin eiwit functie modulatie kan plaatsvinden. 
    5- Celadhesie en mobiliteit. 
  • Wat is transcellulaire transport?
    Tussen de cellen door transport.
  • Wat zijn de functies van cel juncties?
    Tegengaan van paracellulaire transport. 
    Tegengaan van laterale diffusie van eiwitten. 
    Vormen van stevig netwerk van celnetwerk. 
  • Wat is het laatste stapje in het apostolisch proces?
    Fagocytose door macrofagen.
  • Wat is PS?
    Fosfolipide die een belangrijke rol speelt in apoptose.
  • Welke rol speelt PS in fagocytose?
    PS is het 'eat-me' signaal op een membraan. Deze bevindt zich in een normale niet-apoptotische cel aan de binnenkant. Een flipase zorgt ervoor dat deze zich aan de binnenkant bevindt in een vitale cel. Wanneer een cel dood moet zorgen de flipases ervoor dat dePS aan de buitenkant terecht komt.
  • Waarom bevinden glycolipiden zich aan de buitenkant van de cel?
    Omdat bijna alle herkenningsprocessen via receptoren lopen met suiker-groepen. Hierdoor wordt het ligand herkend.
  • Trekken suikerlagen op de membranen veel water aan? Wat is het nut hiervan?
    Ja omdat ze hydrofiel zijn door de OH-groepen. Hierdoor wordt het een soort gel-achtige laag op de membraan. Het nut hiervan is dat bijvoorbeeld rode bloedcellen makkelijker door een bloedvat heen glijden.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1509922800 Anatomie

  • organellen
    structuren die zich in een cel bevinden met een geelachtig vocht
  • celkern
    de celkern is het grootste organel van de cel, de celkern stuurt alle stofwisselingsactiviteiten in de cel aan.
  • kernplasma
    de celkern is een bolletje met een waterig inhoud dat waterige inhoud is de kernplasma
  • kernmembraan
    de kernplasma is omgegeven door een vlies dat noem je de kernmembraan
  • kern porien
    de vele openingen aan de kernmembraan
  • chromosoom
    bestaat uit eiwitten waaromheen een heel lang molecuul gewikkeld
  • dna
    dat molecuul is het kernzuur en dat is de dna
  • kernlichaampjes
    meerdere kleine structuren die zich bevinden in de celkern
  • ribosomen
    zijn kleine bolletjes die ofwel los rondzweven in het celplasma ofwel vast zitten aan een organel, het endoplasmatisch reticulum
  • endoplasmatisch reticulum
    letterlijk netwerk in het plasma het is een systeem van holten, blaasjes en buisjes
  • golgicomplex
    bestaat uit een stapeltje platte blaasjes, die stoffen worden vervoerd door kleine blaasjes, die het golgicomplex afvoeren
  • mitochondrien
    ze zijn vrij groot langwerpig en hebben een gladde buitenmembraan en een sterke binnengeplooide binnenmembraan
  • lysosomen
    zijn kleine blaasjes ze bevatten enzymen die betrokken zijn bij de afbraak en het opruimen van stoffen in de cel
  • centrosoom
    elke cel heeft een centrosoom zo een centrosoom bestaat uit 2 indentieke cilindervormige structuren en dat zijn de centriolen
  • celmembraan
    is de buitenste grenslaag van een cel
  • receptoreiwit
    een membraan met zo een antennefunctie
  • membraan porien
    eiwitmoleculen die aan de weerskanten van de celmembraan uitsteken, ze vormen afsluitbare kanaaltjes dat zijn de membraan porien
  • glycocalix
    een complex van moleculen
  • stofwisseling (metabolisme)
    een verzamelnaam voor alle scheikundige reacties die in levende cellen plaatsvinden
  • stofwisselingsreacties in 2 soorten
    opbouwreacties
    afbraakreacties
  • opbouwreacties (anabole reacties)
    zijn omzettingen waarbij kleinere moleculen samengevoegd worden tot grotere
  • assimilatie
    maken van bouwstoffen ander woord is opbouwstofwisseling
  • afbraakreacties (katabole reacties)
    bij deze reacties komt energie vrij, die dan weer gebruikt kan worden voor de assimilatie of voor de energie vragende processen zoals beweging en warmteproductie
  • dissimilatie
    sprake van afbraak van stoffen, ander woord is afbraakstofwisseling
  • verbranding
    is een chemische reactie waarbij brandstof (energie rijke stof) reageert met zuurstof
  • anaerobe dissimilatie
    de cel die overschakelt op afbraak van energierijke stoffen zonder dat daar zuurstof bij word gebruikt
  • nadelen anaerobe dissimilatie
    de energieopbrengst van anaerobe dissimilatie is veel lager dan bij aerobe verbranding
    er zijn meer afvalstoffen zoals bijvoorbeeld melkzuur
  • adenosinedifosfaat (ADP)
    de stof die energie kan opladen
  • adenisinetrifosfaat (ATP) (TRI)
    een derde laag die word gebonden aan de (ADP) adenosinedifosfaat)
  • biokatalysatoren
    versnellingen van scheikundige reacties
  • eigenschappen van enzymen
    enzymen zijn altijd eiwitten

    enzymen worden door de cel zelf gemaakt, afhankelijk van de reacties die in de cel moet plaatsvinden
    enzymen zijn reactiespecifiek, dat wil zeggen dat voor elk soort reactie een eigen enzym bestaat
    enzymen zijn tempratuurspecfiek, dat wil zeggen dat een enzym het best werkt bij een bepaalde temperatuur
    enzymen zijn zuurgraadspecefiek, dat wil zeggen dat ze het best werken bij een bepaalde zuurgraad
    veel enzymen hebben een bepaalde stof nodig die meehelpt de reactie goed te laten verlopen
    enzymen worden meestal genoemd naar de stof die ze splitsen of naar de reactie die ze beinvloeden
  • dekweefsel (epitheel)
    bestaat uit cellen die heel dicht tegen elkaar aan liggen en daardoor een aaneengesloten laag vormen
  • de gemeenschappelijke eigenschappen van de dekweefsel is
    er is een tussencelstof
    de cellen liggen in aaneengesloten rijnen dicht tegen elkaar aan.
    tussen dekweefselcellen zitten geen bloedvaten dat is een voordeel want dan onstaat er bij beschadiging geen bloeding
    aan een kant is het oppervlak van het dekweefsel blootgesteld aan de omgeving je noemt dit de vrije kant, de omgeving kan de huid zijn of de organen zoals de darmholte
    aan de andere kant zit de dekweefsel vast aan een dunne elastische laag dat is de basaalmembraan
    dekweefselcellen slijten snel af en worden continu vervangen
    dekweefsel houd ook levenslang het vermogen om te delen
  • dekweefsel hebben 3 verschillende functies
    bescherming
    afscheiding van stoffen
    transport
  • eenlagig dekweefsel word in 4 typen ingedeeld
    plaveiselepitheel
    kubisch epitheel
    cilindrisch epitheel
    trilhaarepitheel
  • eenlagigplaveiselepitheel
    bestaat uit relatief platte cellen met een grote oppervlak vergelijkbaar met stoeptegels, het word ook plaatepitheel genoemd
  • kubisch epitheel
    zijn blokvormig ze zijn even hoog als breed, de specifieke functie is afscheiding van stoffen
  • cilindrisch epitheel
    heeft langwerpige, kokervormige cellen de functies zijn transport en afscheiding van stoffen
  • trilhaarepitheel
    bestaat uit hoge slanke cellen die aan de vrije kant bedekt zijn met trilharen deze kunnen met een krachtige slag in een richting worden bewogen en dan vrij langzaam hun oorspronkelijke positie weer innemen.
  • 3 typen meerlagig dekweefsel
    verhoorend plaveiselepitheel
    niet verhoorend plaveiselepitheel
    overgangepitheel
  • verhoorend plaveiselepitheel
    de dieper gelegen cellen ervan zijn kubisch de onderste laag ervan vermeerderen zich continu door de celdeling
  • niet verhoorend plaveiselepitheel
    heeft dezelfde opbouw als verhoorend maar er treed geen verhoring op de belangerijkste functie is bescherming tegen beschadigingen van buitenaf
  • overgangsepitheel
    bestaat uit enkele lagen kubischse vormige cellen die van vorm kunnen veranderen zonder dat ze beschadigen
  • waar bestaat klierweefsel uit
    uit epitheelcellen die alleen maar een secretiefunctie hebben
  • waar halen klieren hun bouwstoffen uit
    uit toevoerende bloedvaten
  • steunweefsel
    is een verzamelnaam voor weefsels die een verbindende, steunende of verzorgende functie hebben
  • matrix
    cellen die zijn omgegeven door een tussencelstof, het bestaat uit een heldere geleiachtige subsantie met daarin veel weefsels
  • bindweefsel
    bevat losliggende bindweefselcellen, ingebed in de matrix
  • 3 typen weefsels
    collagene vezels
    elastische vezels
    reticulaire vezels
  • collagene vezels
    dit zijn lange onvertakte niet rekbare vezels, ze bestaan uit het eiwit collageen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1486422000 Topografie lichaam

  • Ventraal (voorzijde) is tegenovergesteld aan...
    Dorsaal (achterzijde)
  • Proximaal (dichter naar het centrum toe) is tegenovergesteld aan...
    Distaal (verder van het centrum af)
  • Flexie (buigen) is tegenovergesteld aan..
    Extensie (strekken)
  • Anteflexie (beweging voorwaarts)is tegenovergesteld aan...
    Retroflexie (beweging achterwaarts)
  • Craniaal (op de romp aan de kant van het hoofd) is tegenovergesteld aan...
    Caudaal (op de romp aan de kant van het staartbeen)
  • Centraal (in het midden) is tegenovergesteld aan...
    Perifeer (aan de uiteinden)
  • Inversie (beweging voetzool vanuit anatomische houding naar binnen) is tegenovergesteld aan..
    Eversie (beweging naar de zijkant vanuit anatomische houding)
  • Exorotatie (beweging naar buiten vanuit anatomische houding)is tegenovergesteld aan..
    Endorotatie (beweging naar binnen vanuit anatomische houding)
  • Abbductie (naar buiten draaien vanuit anatomische houding) is tegenovergesteld aan...
    Adductie (naar binnen draaien vanuit anatomische houding)
  • Pronatie (handpalm wordt naar achteren gedraaid vanuit anatomische houding)is tegenovergesteld aan...
    Suppinatie (handpalmen worden naar voren gedraaid vanuit anatomische houding)
  • Dorsaalflexie (naar boven bewegen vanuit anatomische houding) is tegenovergesteld aan...
    Plantairflexie (het neerwaarts bewegen vanuit anatomische houding)
  • 1487026800 Botten lichaam

  • Vertebrae cervicales
    halswervels
  • Vertebrae thoracales
    Borstwervels
  • Vertebrae lumbales
    Lendewervels
  • Vertebrae sacrales 
    Heiligbeenwervels
  • Vertebrae coccygeae
    Staartbeenwervels
  • Axis
    Draaier
  • Os sacrum
    Heiligbeen
  • Os coccygis
    Staartbeen
  • Costae
    Ribben
  • Sternum
    Borstbeen
  • Manubrium
    handvat
  • Corpus
    Lichaam
  • Processus xiphoideus
    Zwaardvormig aanhangsel
  • Scapula
    Schouderblad
  • Clavicula
    Sleutelbeen
  • Humerus
    opperarmbeen
  • Ulna
    Ellepijp
  • Radius
    Spaakbeen
  • Carpalia
    Handwortelbeentjes
  • Metacarpalia
    Middenhandsbeentjes
  • Phalanges
    Vingerkootjes
  • Pelvis
    Bekken
  • Os pubis
    Schaambeen
  • Os ilieum
    Darmbeen
  • Os ischium
    Zitbeen
  • Os coxae
    heupbeen
  • Femur
    Dijbeen
  • Collum femoris
    Dijbeenhals
  • Patella
    Knieschijf
  • Tibia
    Scheenbeen
  • Fibula
    Kuitbeen
  • Tarsalia
    Voetwortelbeentjes
  • Metatarsalia
    Middenvoetsbeentjes
  • Talus
    Sprongbeen
  • Calcaneus
    Hielbeen
  • Phalanges
    Teenkootjes
  • Cranium
    Schedel
  • Os frontale
    Voorhoofdsbeen
  • Os parietale
    Wandbeen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1484607600 Hoofdstuk 18 Voedingstoffen

  • Voedingsstoffen
    voedingsstoffen zijn stoffen die het lichaam gebruikt als brandstoffen, als bouwstoffen of als hulpstoffen ter ondersteuning van de stofwisseling
  • de zes voedingsstoffen die het menselijk lichaam gebruikt
    1. suikers
    2. vetten
    3. eiwitten
    4. mineralen
    5. vitaminen
    6. water
  • suikers
    brandstoffen, bouwstoffen
  • vetten
    bouwstoffen, brandstoffen, isolatie, oplosmiddel voor bepaalde vitaminen
  • eiwitten
    bouwstoffen, hulpstoffen, in noodgevallen: brandstoffen
  • mineralen
    bouwstoffen en hulpstoffen
  • vitaminen
    hulpstoffen
  • water
    oplosmiddel, transportmedium, warmtebuffer, steunstof, vulmiddel
  • Indeling van suikers
    - enkelvoudige suikers
    - tweevoudige suikers
    - meervoudige suikers
  • enkelvoudige suikers
    enkelvoudige suikers (monosachariden) zijn de kleinste suiker die er zijn
  • drie belangrijke enkelvoudige suikers zijn
    1. glucose ofwel druivensuiker
    2. fructose ofwel  vruchtensuiker
    3. galactose
  • tweevoudige suikers
    tweevoudige suikers (disachariden) zijn opgebouwd uit twee aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
  • de meest voorkomende tweevoudige suikers
    - maltose ofwel moutsuiker, opgebouwd uit glucose + glucose
    - lactose ofwel melksuiker, opgebouwd uit glucose + galactose
    - sacharose ofwel bietsuiker, opgebouwd uit glucose + fructose
  • Meervoudige suikers
    Meervoudige suikers (polysachariden) bestaan uit veel to heer erg veel aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
  • belangrijke meervoudige suikers
    1. zetmeel
    2. cellulose
    3. glycogeen
  • op welke manieren wordt zetmeel bewerkt
    1. koken
    2. mechanisch verkleinen (kauwen)
    3.chemisch afbraak (spijsverteringsenzymen)
  • in welke twee stappen gebeurt de chemisch zetmeelafbraak
    Elke stap vereist een ander enzym.
    Het enzym amylose knipt de 'zetmeelketting' in stukjes van tweevoudige suikers. dat zijn maltosemoleculen. Vervolgens is het enzym maltase actief. Maltase splitst de maltosemoleculen verder op in glucose 
  • wat verteerd het enzym Lactase
    Lactase splitst lactose in glucose en galactose
  • wat verteerd het enzym sacharase
    sacharase splitst sacharose in glucose en fructose
  • wat is een ander woord voor vetten
    Lipiden
  • wat zijn de belangrijkste functie van vetten
    - vetten vormen een belangrijke bouwstof voor alle cellen
    - vet heeft een hoge energetische waarde van 39 kJ per gram ofwel 9.300 calorieën per gram
    - vet is ook een belangrijke brandstof
    - als je teveel vetten eet, wordt het overschot opgeslagen
    - vet dient ook als isolatiemateriaal
    - vetafzettingen dienen bij bepaalde organen als stootkussen
    - vetten zijn onmisbaar bij het vervoer van bepaalde vitaminen A, D, E en K
  • vetten worden opgedeeld in drie groepen verdeeld
    • triglyceriden
    • fosfolipiden
    • steroïden
  • waar bestaat een triglyceridemolecuul uit?
    een triglyceridemolecuul bestaat uit één molecuul glycerol en drie vetzuurmoleculen.
  • Fosfolipiden
    fosfolipiden zijn vetten waarbij aan het glycerol behalve de vetzuren ook een fosfaatmolecuul vastzit. 
    Celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden
  • Steroïden
    Steroïden zijn grote vetten die in hun ruimtelijke structuur afwijken van de andere vetten
  • Cholesterol
    deze stof vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen
  • hoe worden vetten afgebroken?
    vetten worden in het darmkanaal helemaal afgebroken tot de moleculen waaruit ze zijn oopgebouwd, dus tot glycerol en vetzuren. voor de afbraak is maar één type enzym nodig. Dat is lipase
  • wat doet lipase
    lipase splitst vetten in vetzuren en glycerol.
  • wat is de rol van eiwitten
    eiwitten (proteïnen) spelen een onmisbare rol bij alle activiteiten en functies van het lichaam
  • wat zijn de functies van eiwitten
    • Het geven van structuur
    • versnellen van schmische omzettingen
    • transport
    • infomatie doorgeven
    • spierwerking
    • bescherming
    • energiebron
  • wat zijn eiwitten
    eiwitten zijn ketens van aan elkaar gekoppelde aminozuren.
  • hoe heet de koppeling tussen twee amionzuren
    peptidebingding
  • eiwitten worden indedeel op basis van het aantal aminozuren waaruit ze bestaan. Er zijn drie groepen noem deze
    1. Dipeptiden, bestaande uit twee aminozuren 
    2. kleine polypeptiden, kleine eiwitten met minder dan 100 aminozuren
    3. grote polopeptiden, gewoonlijk eiwitten genoemd; ze bevatten 100 tot 10.000 aminozuren
  • hoe worden aminozuren gemoend die je lichaam zelf kan aanmaken
    niet-essentiële aminozuren
  • hoe worden aminozuren genoemd die je lichaam uit het voedsel moet halen
    essentiële aminozuren
  • hoe worden de enzymen gemoed die eiwitten afbreken
    proteasen
  • voorbeelden van proteasen zijn:
    • pepsine
    • trypsine
    • dipeptidase
  • wat zijn mineralen
    mineralen zijn zouten en de sporenelementen
  • wat zijn anorganisch stoffen
    deze stoffen komen van oorsprong uit de niet-levende natuur. ze kunnen niet door een organisme gemaakt worden.
  • wat zijn organische stoffen
    dit zijn stoffen die in het lichaam van levende organismen gemaakt worden
  • wat zijn belangrijke zouten voor het lichaam
    • NaCl = Natriumchloride
    • K = Kalium
    • Ca = Calcium
    • Mg = Magnesium
    • Fe = Ijzer
  • wat zijn sporenelementen en geef hier voorbeelden bij
    dit zijn chemische element, die in veel kleiner hoeveelheden nodig zijn dan zouten.
    voorbeelden hiervan zijn:
    • Koper
    • Aluminium
    • Zink
    • Chroom
    • Mangaan
    • Fluor
    • Jodium
  • wat zijn de functies van water
    • je lichaam bestaat voor ongeveer driekwart uit water
    • water is een belangrijke bouwstof
    • water is een oplosmiddel
    • als transportmiddel
    • als warmtebuffer
  • vitaminen
    vitaminen zijn compleze organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de celstofwisseling. het lichaam kan vitaminen niet zelf aan maken met uitzondering van vitamine D en vitamine K
  • op grond van hun oplosbaarheid worden vitaminen in teww groepen onderscheiden welke groepen zijn dit
    - de in vet oplosbare vitaminen 
    - de in water oplosbare vitamine
  • welke vitaminen kunnen in alleen in vet oplossen
    vitaminen A, D, E en K
  • welke vitaminen kunnen in alleen water oplossen
    vitaminen B, C
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1461189600 College 1: Algemene oncologie

  • Wat is differentiatie
    De ontwikkeling tot speciaal type lichaamcel.
  • Wat is metaplasie
    Abnomale differentatie. omvorming van bepaald type volwassen weefselcel in ander volwassen type op plaatsen waar dat type normaal niet voorkomt.
    Dit is reversibel.
  • Wat zijn de kenmerken van metaplasie?
    - Het is een reactie op een chronische niet fysiologische prikkel.
    - De reactie is reversibel. (omkeerbaar)
  • Wat is neoplasie?
    Nieuwvorming van een nieuw gezwel.
    Dit proces in onomkeerbaar.
  • Wat is dysplasie?
    Abnormale differentiatie en rijping.
    Dit proces is deels reversibel, en mogelijk een voorstadium van kanker.
  • Wat is het basale membraan?
    Het dun vezelig laagje wat de afscheiding is tussen het epitheel en de onderliggende laag.
  • Wat is een carcinoma in stu?
    Kankercellen die blijven zitten op 1 plek, maar het basale membraan is nog intact.
    (Een vroeg stadium van kanker)
  • Wat is een invasief carcinoom?
    De cellen kunnen in de vaten groeien, het carcinoom is de onderliggende weefsel laag binnengedrongen.
    - Uitzaaiing in een heel vroeg stadium van kanker.
  • de fase van metastasering
  • Hoe groeit een benigne tumor?
    Langzaam en expansief.
  • Hoe groeit een maligne tumor?
    Snel en infiltrerende en destructief.
  • Is er sprake van metastasevorming bij beinigne tumoren?
    Nee.
  • Is er spake van metastasevorming bij maligne tumoren?
    Ja
  • Hoe ziet het microscopische beeld er uit van een benigne tumor?
    - Rustig
    - Het aantal celdelingen valt naar verhouding mee, de mitosen zien er 'normaal' uit en het oorspronkelijke weefsel is herkenbaar.
  • Wat zijn de kenmerken van een benigne tumor?
    - Glad oppervlak met een fibrotische capsule.
    - Gecomprimeerde omringende weefsels.
    - Klein tot groot, soms zeer groot.
    - Een traag tempo van groei.
    - Zelden dodelijk, behalve in het centrale zenuwstelsel, zelfs indien onbehandeld.
  • Hoe groeien benigne tumoren?
    Alleen lokaal en kan zich niet verspreiden door invasie of metastate
  • Wat is een carcinoma in situ?
    Kankercellen die blijven zitten op 1 plek, maar het basale membraan is nog intact.
    (Een vroeg stadium van kanker)
  • Hoe ziet het microscopische beeld er van een maligne tumor uit?
    - Onrustig, cellen en celkernen hebben wisselende grootte.
    - Groot aantal deel abnormale mitosen.
    - Oorspronkelijk weefsel is meestal moeilijk herkenbaar.
  • Wat zijn de kenmerken van maligne tumoren?
    - Onregelmatig oppervlak zonder inkapseling.
    - Destructie van omringende weefsels.
    - Klein tot groot.
    - Snel tempo van groeien.
    - Meestal dodelijk indien onbehandeld.
  • Op welke manier kan een benigne tumor levensbedreigend worden?
    Door symptomen, verdrukken van hersenen of het dichtdrukken van bloedvaten.
  • Hoe eindigd de naam van een goedaardig tumor in het epitheel dekweefsel?
    - oom,
  • Hoe eindigt de naam van een kwaadaardige tumor in het epitheel dekweefsel?
    - carcinoom.
  • Hoe eindigt de naam van een goedaardige tumor in het steunweefsel, tussenweefsel, en de weke delen?
    -oom.
  • Hoe eindigt de naam van een kwaadaardige tumor in het steunweefsel, tussenweefsel en de weke delen?
    - sarcoom.
  • Naamgeving tumoren
  • Wat zijn etiologische factoren die kanker veroorzaken?
    Mutaties in het DNA.
  • Wat zijn exogene oorzaken die kanker veroorzaken?
    1. Chemische stoffen.
    2. Fysische oorzaken.
    3. Biologische oorzaken.
  • Wat zijn endogene oorzaken die kanker veroorzaken?
    1. Genetische factoren.
    BRCA1-gen en BRCA2-gen vormen borstkanker.
  • Wat gebeurt er als de schade in de cel niet meer te herstellen is?
    De cel wordt suïcidaal om het lichaam te beschermen tegen fouten.
  • Wat is een oncogen?
    Een gen dat mede kanker kan veroorzaken, een overactief gen.
  • Wat is een protho-oncogen?
    Een normaal gen dat betrokken is bij bep. celfuncties.
  • Wat is een tumor suppressor gen?
    Een anti-oncogen,
    Een mormaal gen wat betrokken is bij het voorkomen van tumorvorming.
  • Wat zijn factoren die kanker beïnvloed?
    Hormonale functies en immunologische factoren.
  • Wat zijn premaligne afwijkingen?
    Afwijkingen met een hoge risico op het ontstaan van maligniteit.
  • Wat is een anaplastisch carcinoom?
    Als er geen gelijkenis meer is met normaal weefsel (dedifferentiatie)
  • Wat bepaald mede de prognose van de tumor?
    De differentiatiegraad
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke cellen vormen de wand van vloeistof-ruimtes in het CZS?
Ependymale cellen
In wat voor een type klier wordt speeksel gemaakt?
Tubilo-alveolair
Geef de definitie van metaplasie
Wanneer het ene weefsel verandert in het andere weefsel
Geef de deifitnie van hypertrofie
Wanneer de massa juist heel erg toeneemt
Geef de definitie van dysplasie
Abnormale groei van epitheel
Geef de definitie van atrofie
Weefsel- of orgaanmassa verlies
Waar ligt de ventrale zijde van de tong?
Aan de onderkant van de tong.
Wanneer neemt de diameter van de odontoblast uitlopers af?
Naarmate het Verder van de pulp af ligt.
Welke drie functies hebben dentine-kanaaltjes?
1- Uitscheiden van dentine
2- Regulatie van mineralisatie van dentine
3- Bevat zenuwen
Waarom is het glazuur vlakbij dentine-pulpa grens afwijkend ten opzichte van het erboven liggende dentine?
Omdat ze dan nog niet gemineraliseerd zijn. Na uitscheiding van troop-collageen moeten deze moleculen zich eerst tot fibrillen gaan vormen.