Summary Class notes - Anatomie

Course
- Anatomie
- Miert
- 2020 - 2021
- Thomas More Hogeschool
- Vroedvrouw
596 Flashcards & Notes
2 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1605999601 Maag/darm stelsel

  • Wat zijn voedingsstoffen?
    Energiebronnen: Koolhydraten en vetten
    Bouwstoffen: Eiwitten, mineralen en H2O
    Vitaminen
  • Wat is de bouwsteen van koolhydraten?
    Glucose
  • Wat is de bouwsteen van vetten?
    Vetzuren
  • Wat is de bouwsteen van eiwitten
    Aminozuren
  • Wat zijn lumen?
    Holte in buis
  • Noem de 3 delen van de dunne darm?
    Duodenum
    Jejunum 
    Ileum
  • De delen van de dikke darm?
    Caecum (blindedarm) + appendix
    Colon Ascendens 
    Colon Transversum
    Colon Descendens 
    Sigmoideum
    Rectum
    Anaal kanaal
  • Latijnse benaming galblaas
    Cholecyst
  • Noem de galafvoerwegen
    Ductus hepaticus
    Ductus cysticus
    Ductus Choledocus
  • Noem de twee gedeelte van de mondholte
    Palatum durum
    Palatum Molle
  • Noem het harde gedeelte van de mondholte
    Palatum dorum
  • Noem het zachte gedeelte van de mondholte
    Palatum molle
  • De voorste gehemelteboog?
    Palato glossus
  • Achterste gehemelteboog?
    Palato pharyngeus
  • Wat zit er tussen beiden gehemeltebogen in de mond?
    Amandelen
  • Latijnse woord tandbeen?
    Dentine
  • Latijnse woord tandvlees?
    Gingiva
  • Wat hoort er bij de ring van Waldeyer?
    Neus, keel en tong amandelen
  • Noem de speekselklieren
    Glandula parotis (oorspeekselklier)
    Glandula submandibularis  (onderkaak)
    Glandula sublingualis ( tong)
  • Samenstelling van speeksel
    H2O --- Oplosmiddel
    Slijm---- om te doen glijden
    amylase---- vertering van koolhydraten
  • Noem van craniaal naar caudaal delen van de farynx
    Naso Farnynx
    Oro farynx
    laryngo farynx
  • Wat is de functie van de slokdarm?
    Voortbeweging van de spijsbrok 
    Geen enzymen
  • Wat is een enzym?
    Eiwit dat de omzetting van stoffen mogelijk maakt
  • Noem de delen van de maag
    Cardia
    Fundus
    Corpus
    Antrum
    Pylorus
  • Samenstelling van maagsap
    H2O, als oplosmiddel
    Mucus, beschermt slijmvlies/doet glijden
    HCL
    Pepsinogeen
    IF
  • Noem tweede fase van maagsapsecretie en wat het doet
    Gastrische fase, de maagwand wordt uitgerekt. Cellen van het antrum geven het hormoon gasterine af. Gasterine stimuleert de cellen van de fundus tot productie van HCL
  • Noem de derde fase van maagsapsecretie en wat het doet
    Intestinale fase, voedsel gaat naar duodenum. Dan komt er secretine vrij, dit brengt de alkalische pancreassapsecretie op gang en neutraliseert de spijsbrok En GIP vermindert de secretie van HCL door de cellen van de fundus. En de pylorus blijft dicht. Deze fase is vooral remmend
  • Noem een paar factoren die de maagzuursecretie doen toenemen
    Roken
    Koffie
    Thee
    Alcohol
  • Noem de invloed van het PS zenuwstelsel op maag/darm stelsel
    Secreties nemen toe , peristaltieken nemen toe, sfincters gaan open
  • Noem de invloed van het OS zenuwstelsel op maag/darm stelsel
    Secreties verminderen, peristaltieken verminderen en sfincters  blijven dicht
  • Effect, plaats, wanneer van het hormoon gasterine?
    Plaats: cellen van het antrum
    Wanneer: uitrekken antrum
    Effect: HCL secretie neemt toe
  • Effect, plaats, wanneer van het hormoon GIP
    Plaats: cellen van het duodenum 
    Wanneer: Zure maaginhoud met vetten en glucose in het duodenum
    effect: HCL secretie vermindert en meer insuline -> afgifte door pancreas
  • Effect, plaats, wanneer van het hormoon secretine
    Plaats: cellen van duodenum 
    Wanneer: HCL in de darm
    Effect: NaHCO3, fractie van pancreassap
  • Effect, plaats, wanneer van het hormoon Cholecystokinine
    Plaats: Cellen van duodenum
    Wanneer: Vetten in de darm
    Effect: Galblaas trekt samen en enzymefractie pancreas
  • Waaruit bestaat darmwand dunne darm
    Plooien, vlokken en microvilli
  • Wat is papil van vater?
    Zit in het duodenum, en is uitmonding van ductus choledocus en ductus pancreaticus. Heuveltje waar de afvoerbuizen van pancreas en gal samen op uitkomen
  • Wat is sfincter van Oddi?
    Kringspier die de ductus pancreaticus afsluit
  • Wat zijn de functies van de dunne darm
    Peristaltiek, vertering , opname voedingstoffen , water en ionen
  • Hoe heet de overgang van dunne darm naar dikke darm?
    Klep van Bauhin
  • Noem de functies van de dikke darm
    1 terugresorptie van water
    2 de absorptie van belangrijke vitaminen 
    3 opslag ontlasting
  • Noem de sfincters van het rectum
    1. Inwendige onwillekeurige sfincter
    2. Uitwendig willekeurige sfincter
  • Hoe heet uitrekken rectum?
    Defaecatie reflex
  •  Beschrijf de weg van B12
    Voeding Vit B12 in vlees - mondholte- pharynx- maag vitB12 gebonden aan IF naar duodenum- naar jenunum - naar ileum - thv ileum: resorptie vitB12 in bloed- vena porta gaat naar lever- naar beenmerg, daar wordt vitB12 gebruikt voor de aanmaak van RBC
  • Buikholte
    Abdomen
  • Buikvlies
    Peritoneum
  • Gespecialiseerde epitheelcellen die klierproduct vormen
    Kliercellen
  • Klieren met verzamelbuisjes die hun product aan het oppervlak afgeven
    Exocriene klieren
  • Eenlagige cilindrische cellen van de dunne darm
    Enterocyten
  • Biochemische reactie waarbij afbraak van stoffen gebeurt
    Katabolisme
  • Bindweefsel dat structuren met elkaar verbind
    Ligament
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - anatomie

  • 1550012400 Membranen

  • Hoe zijn membranen opgebouwd?
    Binnenkant is hydrofiel (cytosol) en buitenkant is hydrofoob
  • Leg uit hoe uit lipiden, bilagen of micellen kunnen worden gevormd. Leg ook uit wat micellen en bilagen zijn.
    De vorm van de moleculen bepaalt de ruimtelijke structuur van de cellen. 
    Micellen = Kegel
    Bilaag = Cilinder, twee staartjes met waterig volume aan de binnenkant. Deze binnenkant kan transformeren in een lipoom, dit is een vesicle in water. Op deze manier kan een medicijn getransporteerd worden in het lichaam. 
  • Wat zijn de functies van het opnemen van stoffen in de darm?
    Het leveren van energie
    Het opbouwen van nieuwe moleculen
  • Hoe kunnen moleculen door het darmepitheel heen diffunderen?
    Via speciale transport processen
  • Waar wijst de pijl in dia 8 naar? Welk soort weefsel hebben de darmen?
    Apicale celmembraan. Gestructureerd weefsel.
  • Waarom is darmepitheel vrij dik?
    Omdat het een grote rol speelt in absorptie en daardoor het contactpop. vergroot.
  • Uit welke componenten zijn de biologische membranen opgebouwd? En hoe ontstaat de knik in de staart van een fosfolipide?
    Hydrofiele kop: Choline en fosfaat
    Hydrofobe staart: Glycerol en hydrocarbone
    De knik ontstaat door een dubbele binding. 
  • Welke drie elementen bestaat membraanlipide?
    1- Fosfochliceriden --> 
    2- Cholesterol --> Gal wordt hiervan gemaakt. Soms ook hormonen.  
    3- Glycolipiden --> Een lipide met een suikermolecuul in de kop.
  • Geef twee eigenschappen van membraanlipiden.
    1- Amphipatisch karakter --> Polaire lipiden. Zelf aggregatie in water. 
    2- Het vormt een bariere waardoor compartimentalisatie kan plaatsvinden van cellen. 
  • Wat is de kleinste structuur van membranen?
    Fosfolipiden.
  • Uit welke structuren bestaan celmembranen?
    1- Lange koolstofketen
    - Gekoppeld aan eiwitten: Glycoproteïnen
    - Gekoppeld aan lipiden: Glycolipiden

    2- Eiwitten
    3- Lipiden
  • Waarom sluiten bilagen tot liposomen?
    De lipiden hebben een hydrofobe staart en keren zich van het water af waardoor er een bilaag ontstaat.
  • Geef een synoniem voor een rode bloedcel en geef ook aan hoe het membraan van deze cel is opgebouwd.
    Erythrocyt. Hij heeft een dubbele lipide laag, hierin zitten de eiwitten.
  • Wat wordt er bedoeld met het fluit mosaic model?
    Dat een celmembraan wordt gezien als een vloeibare structuur (visceus).
  • Waarom bevinden koolhydraatketens van membranen zich nooit los in het membraan?
    Omdat koolhydraten suikers zijn, waar veel OH-Groepen aan zitten. Daarom zijn ze hydrofiel en bevinden ze zich aan het opp. van het membraan.
  • Waarop bevinden zich de suikerketens uit de celmembranen?
    Op de eiwitten. Op het opp. van een membraan.
  • Hoe worden eiwitten gevormd?
    Aminozuren binden aan elkaar met petpidebindingen waardoor polypeptidektens ontstaan.
  • Welke structuur maken sommige eiwitten?
    Alfa-helix. Door waterstofbruggen.
  • Welke eigenschappen moeten de rest-groepen van de alfa-helix hebben zodat deze in de celmembraan kunnen zitten?
    Deze zijn hydrofoob.
  • Wat zijn membraantrasnporters? En welke vereiste moeten dezen membraantransporters hebben om hydrofiele structuren hierdoor heen te kunnen leiden? Voldoet een membraaneiwit aan deze vereiste?
    Moleculen in membranen die andere moleculen over de membraan heen kunnen transporteren. De binnenkant moet hydrofiel zijn, het kanaal moet groot genoeg zijn. 
    Ja, want hij heeft waterstofbruggen/ ladingsverdelingen. Maar hij is wel te smal. 
  • Hoe wordt een membraantransporter gevormd?
    Door meerdere membraan-eiwitten te organiseren in een cirkel. De binnenkant is hydrofiel Doordat de zijketens alternerend hydrofiel/ hydrofoob zijn.
  • Wat zijn integraal eiwitten?
    Eiwitten die direct interactie aangaan met de membranen. Contact tussen de eiwit en lipide.
  • Wat zijn perifere eiwitten?
    Eiwitten die indirect contact maken met de lipiden van de membraan.
  • Op welke manieren kunnen integraal eiwitten in een membraan zitten?
    - met een of meerdere alfa-helixen in membraan (transmembraan)
    - met een beta-sheet in membraan (= alternatief transmembraan)
    - met een lipide-anker of alfa-helix aan membraan (lipide is wel deel van membraan)

    Hydrofobe interactie. VB. Transporteiwitten
  • Wat is een perifeer eiwit en hoe kan deze gebonden zijn aan het membraan?
    Een eiwit dat niet direct verbonden is met het membraan, maar via integraal eiwitten in contact staat. --> Electrostatische interactie. VB. Cytoskelet eiwitten (actine). Geen covalente bindingen maar vaak ion-binding of waterstofbrug.
  • Wat is membraanvloeibaarheid?
    De laterale beweeglijkheid van lipiden en eiwitten in de membraan.
  • Hoe vaak vindt membraanvloeibaarheid plaats?
    1 dag
  • Wie zorgen ervoor dat membraanvloeibaarheid vaker kan plaatsvinden dan 1x? En waarom is dit belangrijk?
    De enzymen flipases. Dit is belangrijk voor herstel van cellen, en !!!!!!
  • Welke bewegingen maken cellen heel veel?
    Laterale bewegingen, flexions en rotaties.
  • Is een membraan met of zonder knikjes meer vloeibaar?
    met knikje, omdat ze minder dicht tegen elkaar aan liggen en dus meer ruimte hebben en meer lateraal kunnen bewegen. Dat is het uitwisselen van twee moleculen.
  • Waarom verlaagt cholesterol de vloeibaarheid van membranen?
    Omdat cholesterol tussen de fosfolipiden gaat zitten en de ruimte dus vult en dus minder makkelijk laterale bewegingen kunnen plaatsvinden van de hydrofobe staarten van de fosfolipiden.
  • Waarom verhogen korte vetzuren de vloeibaarheid van membranen.
    Als je korte vetzuren hebt is er veel minder hydrofobe matching waardoor de fosfolipiden meer kunnen bewegen.
  • Waar is membraanvloeibaarheid goed voor?
    Zodat bepaalde processen in stand kunnen worden gehouden. dit is goed voor bijvoorbeeld transport van moleculen, en voor het openen voor poorten door signaal-transductie moleculen naar de target-moleculen.
  • Welke restricties zijn er nodig voor laterale beweeglijkheid en wrm zijn deze er?
    Omdat bv, hemidesmosomen op hun plek moeten blijven zitten (basale kant). Membraandomeinen en membraanrestrixties.
  • Geef een voorbeeld van een apicaal eiwit die niet naar basaal membraan mag reizen.
    Bv bij transporteren van suiker die specifiek op het darmepitheel zitten. Kan mbv light junctions.
  • Hoe kan verder nog voorkomen worden dat membraanvloeibaarheid plaatsvindt? Geef de specifieke kenmerk.
    Door lipide rafts. Deze bevatten veel glycolipiden, cholesterol en bepaalde eiwitten die verankerd zijn via een structuurtje in de membraan. Specifieke kenmerk: Lage vloeibaarheid. Het zijn kleine structuurtjes op de membraan. Goede omgeving voor signaaltransductie
  • Geef de 5 functies van lipide rafts
    1- Endocytotische opname plekken op de membraan. 
    2- Binnenkomen van pathogenen in de cel. 
    3- Dynamische signaling platforms. 
    4- Membraan omgevingen waarin eiwit functie modulatie kan plaatsvinden. 
    5- Celadhesie en mobiliteit. 
  • Wat is transcellulaire transport?
    Tussen de cellen door transport.
  • Wat zijn de functies van cel juncties?
    Tegengaan van paracellulaire transport. 
    Tegengaan van laterale diffusie van eiwitten. 
    Vormen van stevig netwerk van celnetwerk. 
  • Wat is het laatste stapje in het apostolisch proces?
    Fagocytose door macrofagen.
  • Wat is PS?
    Fosfolipide die een belangrijke rol speelt in apoptose.
  • Welke rol speelt PS in fagocytose?
    PS is het 'eat-me' signaal op een membraan. Deze bevindt zich in een normale niet-apoptotische cel aan de binnenkant. Een flipase zorgt ervoor dat deze zich aan de binnenkant bevindt in een vitale cel. Wanneer een cel dood moet zorgen de flipases ervoor dat dePS aan de buitenkant terecht komt.
  • Waarom bevinden glycolipiden zich aan de buitenkant van de cel?
    Omdat bijna alle herkenningsprocessen via receptoren lopen met suiker-groepen. Hierdoor wordt het ligand herkend.
  • Trekken suikerlagen op de membranen veel water aan? Wat is het nut hiervan?
    Ja omdat ze hydrofiel zijn door de OH-groepen. Hierdoor wordt het een soort gel-achtige laag op de membraan. Het nut hiervan is dat bijvoorbeeld rode bloedcellen makkelijker door een bloedvat heen glijden.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1509922800 Anatomie

  • organellen
    structuren die zich in een cel bevinden met een geelachtig vocht
  • celkern
    de celkern is het grootste organel van de cel, de celkern stuurt alle stofwisselingsactiviteiten in de cel aan.
  • kernplasma
    de celkern is een bolletje met een waterig inhoud dat waterige inhoud is de kernplasma
  • kernmembraan
    de kernplasma is omgegeven door een vlies dat noem je de kernmembraan
  • kern porien
    de vele openingen aan de kernmembraan
  • chromosoom
    bestaat uit eiwitten waaromheen een heel lang molecuul gewikkeld
  • dna
    dat molecuul is het kernzuur en dat is de dna
  • kernlichaampjes
    meerdere kleine structuren die zich bevinden in de celkern
  • ribosomen
    zijn kleine bolletjes die ofwel los rondzweven in het celplasma ofwel vast zitten aan een organel, het endoplasmatisch reticulum
  • endoplasmatisch reticulum
    letterlijk netwerk in het plasma het is een systeem van holten, blaasjes en buisjes
  • golgicomplex
    bestaat uit een stapeltje platte blaasjes, die stoffen worden vervoerd door kleine blaasjes, die het golgicomplex afvoeren
  • mitochondrien
    ze zijn vrij groot langwerpig en hebben een gladde buitenmembraan en een sterke binnengeplooide binnenmembraan
  • lysosomen
    zijn kleine blaasjes ze bevatten enzymen die betrokken zijn bij de afbraak en het opruimen van stoffen in de cel
  • centrosoom
    elke cel heeft een centrosoom zo een centrosoom bestaat uit 2 indentieke cilindervormige structuren en dat zijn de centriolen
  • celmembraan
    is de buitenste grenslaag van een cel
  • receptoreiwit
    een membraan met zo een antennefunctie
  • membraan porien
    eiwitmoleculen die aan de weerskanten van de celmembraan uitsteken, ze vormen afsluitbare kanaaltjes dat zijn de membraan porien
  • glycocalix
    een complex van moleculen
  • stofwisseling (metabolisme)
    een verzamelnaam voor alle scheikundige reacties die in levende cellen plaatsvinden
  • stofwisselingsreacties in 2 soorten
    opbouwreacties
    afbraakreacties
  • opbouwreacties (anabole reacties)
    zijn omzettingen waarbij kleinere moleculen samengevoegd worden tot grotere
  • assimilatie
    maken van bouwstoffen ander woord is opbouwstofwisseling
  • afbraakreacties (katabole reacties)
    bij deze reacties komt energie vrij, die dan weer gebruikt kan worden voor de assimilatie of voor de energie vragende processen zoals beweging en warmteproductie
  • dissimilatie
    sprake van afbraak van stoffen, ander woord is afbraakstofwisseling
  • verbranding
    is een chemische reactie waarbij brandstof (energie rijke stof) reageert met zuurstof
  • anaerobe dissimilatie
    de cel die overschakelt op afbraak van energierijke stoffen zonder dat daar zuurstof bij word gebruikt
  • nadelen anaerobe dissimilatie
    de energieopbrengst van anaerobe dissimilatie is veel lager dan bij aerobe verbranding
    er zijn meer afvalstoffen zoals bijvoorbeeld melkzuur
  • adenosinedifosfaat (ADP)
    de stof die energie kan opladen
  • adenisinetrifosfaat (ATP) (TRI)
    een derde laag die word gebonden aan de (ADP) adenosinedifosfaat)
  • biokatalysatoren
    versnellingen van scheikundige reacties
  • eigenschappen van enzymen
    enzymen zijn altijd eiwitten

    enzymen worden door de cel zelf gemaakt, afhankelijk van de reacties die in de cel moet plaatsvinden
    enzymen zijn reactiespecifiek, dat wil zeggen dat voor elk soort reactie een eigen enzym bestaat
    enzymen zijn tempratuurspecfiek, dat wil zeggen dat een enzym het best werkt bij een bepaalde temperatuur
    enzymen zijn zuurgraadspecefiek, dat wil zeggen dat ze het best werken bij een bepaalde zuurgraad
    veel enzymen hebben een bepaalde stof nodig die meehelpt de reactie goed te laten verlopen
    enzymen worden meestal genoemd naar de stof die ze splitsen of naar de reactie die ze beinvloeden
  • dekweefsel (epitheel)
    bestaat uit cellen die heel dicht tegen elkaar aan liggen en daardoor een aaneengesloten laag vormen
  • de gemeenschappelijke eigenschappen van de dekweefsel is
    er is een tussencelstof
    de cellen liggen in aaneengesloten rijnen dicht tegen elkaar aan.
    tussen dekweefselcellen zitten geen bloedvaten dat is een voordeel want dan onstaat er bij beschadiging geen bloeding
    aan een kant is het oppervlak van het dekweefsel blootgesteld aan de omgeving je noemt dit de vrije kant, de omgeving kan de huid zijn of de organen zoals de darmholte
    aan de andere kant zit de dekweefsel vast aan een dunne elastische laag dat is de basaalmembraan
    dekweefselcellen slijten snel af en worden continu vervangen
    dekweefsel houd ook levenslang het vermogen om te delen
  • dekweefsel hebben 3 verschillende functies
    bescherming
    afscheiding van stoffen
    transport
  • eenlagig dekweefsel word in 4 typen ingedeeld
    plaveiselepitheel
    kubisch epitheel
    cilindrisch epitheel
    trilhaarepitheel
  • eenlagigplaveiselepitheel
    bestaat uit relatief platte cellen met een grote oppervlak vergelijkbaar met stoeptegels, het word ook plaatepitheel genoemd
  • kubisch epitheel
    zijn blokvormig ze zijn even hoog als breed, de specifieke functie is afscheiding van stoffen
  • cilindrisch epitheel
    heeft langwerpige, kokervormige cellen de functies zijn transport en afscheiding van stoffen
  • trilhaarepitheel
    bestaat uit hoge slanke cellen die aan de vrije kant bedekt zijn met trilharen deze kunnen met een krachtige slag in een richting worden bewogen en dan vrij langzaam hun oorspronkelijke positie weer innemen.
  • 3 typen meerlagig dekweefsel
    verhoorend plaveiselepitheel
    niet verhoorend plaveiselepitheel
    overgangepitheel
  • verhoorend plaveiselepitheel
    de dieper gelegen cellen ervan zijn kubisch de onderste laag ervan vermeerderen zich continu door de celdeling
  • niet verhoorend plaveiselepitheel
    heeft dezelfde opbouw als verhoorend maar er treed geen verhoring op de belangerijkste functie is bescherming tegen beschadigingen van buitenaf
  • overgangsepitheel
    bestaat uit enkele lagen kubischse vormige cellen die van vorm kunnen veranderen zonder dat ze beschadigen
  • waar bestaat klierweefsel uit
    uit epitheelcellen die alleen maar een secretiefunctie hebben
  • waar halen klieren hun bouwstoffen uit
    uit toevoerende bloedvaten
  • steunweefsel
    is een verzamelnaam voor weefsels die een verbindende, steunende of verzorgende functie hebben
  • matrix
    cellen die zijn omgegeven door een tussencelstof, het bestaat uit een heldere geleiachtige subsantie met daarin veel weefsels
  • bindweefsel
    bevat losliggende bindweefselcellen, ingebed in de matrix
  • 3 typen weefsels
    collagene vezels
    elastische vezels
    reticulaire vezels
  • collagene vezels
    dit zijn lange onvertakte niet rekbare vezels, ze bestaan uit het eiwit collageen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1486422000 Topografie lichaam

  • Ventraal (voorzijde) is tegenovergesteld aan...
    Dorsaal (achterzijde)
  • Proximaal (dichter naar het centrum toe) is tegenovergesteld aan...
    Distaal (verder van het centrum af)
  • Flexie (buigen) is tegenovergesteld aan..
    Extensie (strekken)
  • Anteflexie (beweging voorwaarts)is tegenovergesteld aan...
    Retroflexie (beweging achterwaarts)
  • Craniaal (op de romp aan de kant van het hoofd) is tegenovergesteld aan...
    Caudaal (op de romp aan de kant van het staartbeen)
  • Centraal (in het midden) is tegenovergesteld aan...
    Perifeer (aan de uiteinden)
  • Inversie (beweging voetzool vanuit anatomische houding naar binnen) is tegenovergesteld aan..
    Eversie (beweging naar de zijkant vanuit anatomische houding)
  • Exorotatie (beweging naar buiten vanuit anatomische houding)is tegenovergesteld aan..
    Endorotatie (beweging naar binnen vanuit anatomische houding)
  • Abbductie (naar buiten draaien vanuit anatomische houding) is tegenovergesteld aan...
    Adductie (naar binnen draaien vanuit anatomische houding)
  • Pronatie (handpalm wordt naar achteren gedraaid vanuit anatomische houding)is tegenovergesteld aan...
    Suppinatie (handpalmen worden naar voren gedraaid vanuit anatomische houding)
  • Dorsaalflexie (naar boven bewegen vanuit anatomische houding) is tegenovergesteld aan...
    Plantairflexie (het neerwaarts bewegen vanuit anatomische houding)
  • 1487026800 Botten lichaam

  • Vertebrae cervicales
    halswervels
  • Vertebrae thoracales
    Borstwervels
  • Vertebrae lumbales
    Lendewervels
  • Vertebrae sacrales 
    Heiligbeenwervels
  • Vertebrae coccygeae
    Staartbeenwervels
  • Axis
    Draaier
  • Os sacrum
    Heiligbeen
  • Os coccygis
    Staartbeen
  • Costae
    Ribben
  • Sternum
    Borstbeen
  • Manubrium
    handvat
  • Corpus
    Lichaam
  • Processus xiphoideus
    Zwaardvormig aanhangsel
  • Scapula
    Schouderblad
  • Clavicula
    Sleutelbeen
  • Humerus
    opperarmbeen
  • Ulna
    Ellepijp
  • Radius
    Spaakbeen
  • Carpalia
    Handwortelbeentjes
  • Metacarpalia
    Middenhandsbeentjes
  • Phalanges
    Vingerkootjes
  • Pelvis
    Bekken
  • Os pubis
    Schaambeen
  • Os ilieum
    Darmbeen
  • Os ischium
    Zitbeen
  • Os coxae
    heupbeen
  • Femur
    Dijbeen
  • Collum femoris
    Dijbeenhals
  • Patella
    Knieschijf
  • Tibia
    Scheenbeen
  • Fibula
    Kuitbeen
  • Tarsalia
    Voetwortelbeentjes
  • Metatarsalia
    Middenvoetsbeentjes
  • Talus
    Sprongbeen
  • Calcaneus
    Hielbeen
  • Phalanges
    Teenkootjes
  • Cranium
    Schedel
  • Os frontale
    Voorhoofdsbeen
  • Os parietale
    Wandbeen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Anatomie

  • 1484607600 Hoofdstuk 18 Voedingstoffen

  • Voedingsstoffen
    voedingsstoffen zijn stoffen die het lichaam gebruikt als brandstoffen, als bouwstoffen of als hulpstoffen ter ondersteuning van de stofwisseling
  • de zes voedingsstoffen die het menselijk lichaam gebruikt
    1. suikers
    2. vetten
    3. eiwitten
    4. mineralen
    5. vitaminen
    6. water
  • suikers
    brandstoffen, bouwstoffen
  • vetten
    bouwstoffen, brandstoffen, isolatie, oplosmiddel voor bepaalde vitaminen
  • eiwitten
    bouwstoffen, hulpstoffen, in noodgevallen: brandstoffen
  • mineralen
    bouwstoffen en hulpstoffen
  • vitaminen
    hulpstoffen
  • water
    oplosmiddel, transportmedium, warmtebuffer, steunstof, vulmiddel
  • Indeling van suikers
    - enkelvoudige suikers
    - tweevoudige suikers
    - meervoudige suikers
  • enkelvoudige suikers
    enkelvoudige suikers (monosachariden) zijn de kleinste suiker die er zijn
  • drie belangrijke enkelvoudige suikers zijn
    1. glucose ofwel druivensuiker
    2. fructose ofwel  vruchtensuiker
    3. galactose
  • tweevoudige suikers
    tweevoudige suikers (disachariden) zijn opgebouwd uit twee aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
  • de meest voorkomende tweevoudige suikers
    - maltose ofwel moutsuiker, opgebouwd uit glucose + glucose
    - lactose ofwel melksuiker, opgebouwd uit glucose + galactose
    - sacharose ofwel bietsuiker, opgebouwd uit glucose + fructose
  • Meervoudige suikers
    Meervoudige suikers (polysachariden) bestaan uit veel to heer erg veel aan elkaar gekoppelde enkelvoudige suikers.
  • belangrijke meervoudige suikers
    1. zetmeel
    2. cellulose
    3. glycogeen
  • op welke manieren wordt zetmeel bewerkt
    1. koken
    2. mechanisch verkleinen (kauwen)
    3.chemisch afbraak (spijsverteringsenzymen)
  • in welke twee stappen gebeurt de chemisch zetmeelafbraak
    Elke stap vereist een ander enzym.
    Het enzym amylose knipt de 'zetmeelketting' in stukjes van tweevoudige suikers. dat zijn maltosemoleculen. Vervolgens is het enzym maltase actief. Maltase splitst de maltosemoleculen verder op in glucose 
  • wat verteerd het enzym Lactase
    Lactase splitst lactose in glucose en galactose
  • wat verteerd het enzym sacharase
    sacharase splitst sacharose in glucose en fructose
  • wat is een ander woord voor vetten
    Lipiden
  • wat zijn de belangrijkste functie van vetten
    - vetten vormen een belangrijke bouwstof voor alle cellen
    - vet heeft een hoge energetische waarde van 39 kJ per gram ofwel 9.300 calorieën per gram
    - vet is ook een belangrijke brandstof
    - als je teveel vetten eet, wordt het overschot opgeslagen
    - vet dient ook als isolatiemateriaal
    - vetafzettingen dienen bij bepaalde organen als stootkussen
    - vetten zijn onmisbaar bij het vervoer van bepaalde vitaminen A, D, E en K
  • vetten worden opgedeeld in drie groepen verdeeld
    • triglyceriden
    • fosfolipiden
    • steroïden
  • waar bestaat een triglyceridemolecuul uit?
    een triglyceridemolecuul bestaat uit één molecuul glycerol en drie vetzuurmoleculen.
  • Fosfolipiden
    fosfolipiden zijn vetten waarbij aan het glycerol behalve de vetzuren ook een fosfaatmolecuul vastzit. 
    Celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden
  • Steroïden
    Steroïden zijn grote vetten die in hun ruimtelijke structuur afwijken van de andere vetten
  • Cholesterol
    deze stof vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen
  • hoe worden vetten afgebroken?
    vetten worden in het darmkanaal helemaal afgebroken tot de moleculen waaruit ze zijn oopgebouwd, dus tot glycerol en vetzuren. voor de afbraak is maar één type enzym nodig. Dat is lipase
  • wat doet lipase
    lipase splitst vetten in vetzuren en glycerol.
  • wat is de rol van eiwitten
    eiwitten (proteïnen) spelen een onmisbare rol bij alle activiteiten en functies van het lichaam
  • wat zijn de functies van eiwitten
    • Het geven van structuur
    • versnellen van schmische omzettingen
    • transport
    • infomatie doorgeven
    • spierwerking
    • bescherming
    • energiebron
  • wat zijn eiwitten
    eiwitten zijn ketens van aan elkaar gekoppelde aminozuren.
  • hoe heet de koppeling tussen twee amionzuren
    peptidebingding
  • eiwitten worden indedeel op basis van het aantal aminozuren waaruit ze bestaan. Er zijn drie groepen noem deze
    1. Dipeptiden, bestaande uit twee aminozuren 
    2. kleine polypeptiden, kleine eiwitten met minder dan 100 aminozuren
    3. grote polopeptiden, gewoonlijk eiwitten genoemd; ze bevatten 100 tot 10.000 aminozuren
  • hoe worden aminozuren gemoend die je lichaam zelf kan aanmaken
    niet-essentiële aminozuren
  • hoe worden aminozuren genoemd die je lichaam uit het voedsel moet halen
    essentiële aminozuren
  • hoe worden de enzymen gemoed die eiwitten afbreken
    proteasen
  • voorbeelden van proteasen zijn:
    • pepsine
    • trypsine
    • dipeptidase
  • wat zijn mineralen
    mineralen zijn zouten en de sporenelementen
  • wat zijn anorganisch stoffen
    deze stoffen komen van oorsprong uit de niet-levende natuur. ze kunnen niet door een organisme gemaakt worden.
  • wat zijn organische stoffen
    dit zijn stoffen die in het lichaam van levende organismen gemaakt worden
  • wat zijn belangrijke zouten voor het lichaam
    • NaCl = Natriumchloride
    • K = Kalium
    • Ca = Calcium
    • Mg = Magnesium
    • Fe = Ijzer
  • wat zijn sporenelementen en geef hier voorbeelden bij
    dit zijn chemische element, die in veel kleiner hoeveelheden nodig zijn dan zouten.
    voorbeelden hiervan zijn:
    • Koper
    • Aluminium
    • Zink
    • Chroom
    • Mangaan
    • Fluor
    • Jodium
  • wat zijn de functies van water
    • je lichaam bestaat voor ongeveer driekwart uit water
    • water is een belangrijke bouwstof
    • water is een oplosmiddel
    • als transportmiddel
    • als warmtebuffer
  • vitaminen
    vitaminen zijn compleze organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de celstofwisseling. het lichaam kan vitaminen niet zelf aan maken met uitzondering van vitamine D en vitamine K
  • op grond van hun oplosbaarheid worden vitaminen in teww groepen onderscheiden welke groepen zijn dit
    - de in vet oplosbare vitaminen 
    - de in water oplosbare vitamine
  • welke vitaminen kunnen in alleen in vet oplossen
    vitaminen A, D, E en K
  • welke vitaminen kunnen in alleen water oplossen
    vitaminen B, C
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarom zijn de kraakbeenringen aan de achterkant van de trachea open?
Zodat grote voedselbrokken door de oesophagus kunnen en de trachea hierbij mee kan vervormen
Noem de zuur -base stoornis die kan ontstaan bij hoge koorts
Hoge koorts = metabole acidose --> zweten, dehydratie en shock  --> minder zuurstof naar cel --> anaeroob metabolisme
Hypovolemie  --> minder nierdoorbloeding -->minder zuurexcretie in de tweede TC in de nefron. 
En ook : meer glucoseverbruik om hogere temp te bereiken --> minder voorraad glucose --> minder glucose in cel = Keto acidose
Bij aerobics proberen ze op een manier te sporten zodat je steeds voldoende zuurstof behoudt, welk belang heeft dit?
Voorkomen van vorming van melkzuur door tekort aan zuurstof in de cel
Hoe vaak kan vertrekkend vanuit een vet, bestaande uit 6c de krebcylcus ingaan
3x
Hoe vaak kan je vertrekkend uit een hexose de krebcyclus doorlopen?
2 x
Uit welke stap van het glucosemetabolisme halen we de meeste energiewinst.
De derde stap : terminale oxidatie keten
Hoeveel elektronen zitten er over het algemeen op de laatste schil
8 elektronen op de laatste schil
Wat is het het massagetal
Aantal protonen + aantal neutronen
Wanneer we RBC in een hypotone oplossing brengen zullen ze zwellen en treedt er hemolyse op. Fout of juist?
Juist, RBC zullen zwellen, en barsten --> treedt hemolyse op
Osmose
Osmotisch actief is water aantrekken