Summary Class notes - Bestuursrecht verdiept

Course
- Bestuursrecht verdiept
- R.J.N. Schlössels
- 2019 - 2020
- Radboud Universiteit Nijmegen
- Nederlands recht
585 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Bestuursrecht verdiept

  • 1567634400 Grondslagen en systeem van het bestuursrecht

  • Hoe wordt in de memorie van toelichting bij de Awb, eerste tranche, de betrekking tussen bestuur en burger beschouwd?
    Als een rechtsbetrekking tussen naar hun aard verschillende partijen - omdat het bestuur het algemeen belang vertegenwoordigt en daarbij dienstbaar is aan de uitvoering van democratisch genomen besluiten - maar toch een rechtsbetrekking waarin beide partijen in een wederkerige relatie staan, zodat zij rekening moeten houden met de positie en de belangen van de andere partij. Voor beide partijen heeft dit gevolgen.
  • Dit wederkerige karakter van de rechtsbetrekking wordt in de Awb op verschillende plaatsen weerspiegeld. Het bestuur moet rekening houden met de wensen van de burger. Wat houdt dat onder meer in?
    Dat het naar het standpunt van de burger - in schriftelijke en vaak ook in mondelinge vorm - moet luisteren, en dat het moet motiveren waarom het eventueel anders beslist dan de burger heeft gevraagd.
  • Wat houdt het wederkerige karakter van de rechtsbetrekking voor de burger onder meer in?
    Voor de burger houdt het in dat hij het bestuur van de nodige informatie moet voorzien, dat hij tijdig zijn wensen naar voren moet brengen en dat hij geen aanspraak kan maken op besluitvorming wanneer hij zelf zijn bijdrage daaraan niet heeft geleverd.
  • Wat staat in het bestuursprocesrecht op de voorgrond?
    De individuele rechtsbescherming, wat inhoudt dat het van de houding van de belanghebbende burger afhangt of een besluit wordt aangevochten, danwel of het als geldig wordt aanvaard ook al was er misschien iets op aan te merken.
  • Hoe is het met die wederkerige rechtsbetrekking sinds de totstandkoming van de Awb gegaan?
    De conclusie is dat de wederkerige rechtsbetrekking wel een centrale notie van de wetgever is geweest, maar dat zij vaag en weinig richtinggevend is geweest, en tegenwoordig geen expliciete rol meer speel bij de Awb-wetgever. Met de opmerking dat de notie weinig richtinggevend is geweest, zal de gedachte zijn dat bij de interpretatie en toepassing van de Awb de wederkerige rechtsbetrekking niet als belang aanknopingspunt is gebruikt.

    • Dat komt mede doordat deze benadering nogal wat bestrijding heeft ondervonden. In het bestuursrecht is het besluit centraal blijven staan - ook de opbouw van de Awb getuigt daar nog van - en de gedachte van de wederkerige rechtsbetrekking laat zich daarmee volgens verschillende schrijvers niet goed verenigen.   
  • Scheltema meent dat de ontwikkeling van het bestuursrecht wordt belemmerd door de eenzijdige rechtshandeling van het bestuur zo centraal te blijven stellen. Waarom?
    Men verliest daardoor belangrijke aspecten uit het oog, waardoor een goede oplossing voor verschillende problemen in het bestuursrecht wordt bemoeilijkt.
  • Wat brengt de wederkerigheid van de rechtsbetrekking met zich?
    Dat de partijen rekening moeten houden met hetgeen de andere partij in de rechtsverhouding inbrengt. Dat geldt zowel voor de belangen van de andere partij, als voor de manier waarop zij die in de rechtsverhouding inbrengt en zij overigens in die rechtsverhouding optreedt. Standpunten die worden ingenomen, toezeggingen die worden gedaan en de zorgvuldigheid die jegens de ander wordt betracht, zijn in dat verband relevant.

    • Dit alles betekent dat er meer onderlinge betrokkenheid is bij vormgeving van de rechtsverhouding dan men kan vangen in het beschouwen van alleen het besluit als kristallisatiepunt van de gehele verhouding tussen bestuur en burger.   
    
  • Wat betekent de concentratie van de aandacht op het besluit?
    Dat het bestuursrecht zich richt op een deel van hetgeen in de relatie tussen bestuur en burger plaatsvindt. 

    • Een besluit is het eindresultaat van op elkaar betrokken handelingen van beide kanten. Informatie, overleg, aanvragen en toezeggingen kunnen daar onderdeel van vormen. 
    • In het bestuursrecht is al dat handelen van beide kanten alleen maar relevant voor zover het invloed heeft op het besluit dat genomen moet worden. 
    • Een inlichting of een toezegging van een bestuursorgaan is relevant voor zover dat consequenties moet hebben voor het te nemen besluit. 
    • Een standpunt van de burger is relevant voor zover daar bij het nemen van een besluit rekening mee moet worden gehouden. 
    • Het bestuur doet en moet veel meer doen dan besluiten nemen.   
  • Mag de burger van het bestuur meer verwachten dan het nemen van goede besluiten?
    Ja.
  • Welk bestuurshandelen geeft aanleiding tot veel klachten en frustratie bij de burger?
    • Onvoldoende voorlichting en informatie;
    • het niet serieus nemen van de inbreng van de burger;
    • het trage, bureaucratische en weinig op service gerichte handelen van de overheid. 
  • In het denken over de vernieuwing van de overheidsorganisatie is het een tijd in de mode geweest om de burger als klacht van de overheid aan te duiden. Waarom is daartegen verzet gekomen?
    Omdat de burger niet gewoon een klant is die met zijn wensen naar de overheid komt, en naar een ander gaat wanneer die wensen niet gehonoreerd worden. De burger is met de overheid verbonden, maar de overheid is ook zijn overheid, die er mede is om zijn belang te dienen.
  • Toch wordt het belang van communicatie met de burger door het begrip 'klant' wel beter aangegeven dan in het denkmodel waarmee wij in het bestuursrecht werken. Licht toe.
    Dat dienstverlening aan de burger een wezenlijk onderdeel van het overheidswerk is, blijft nu gemakkelijk achter de horizon: wanneer het besluit maar juist is, is het goed. Daardoor heeft het bestuursrecht nog weinig bijgedragen aan het denken over een betere service aan de burger. 

    • Interessant is bijvoorbeeld dat op grond van de Dienstenrichtlijn uit Brussel de verplichting voor de overheid ontstaat om één loket in te richten via welk loket alle informatie over benodigde vergunningen en dergelijke te verkrijgen zal zijn.   
  • Indien men meent dat de sterke kant van het bestuursrecht is dat het de burger zo goed beschermt tegen de overheid, dan komt men hier bedrogen uit. Het privaatrecht heeft dan meer in zijn mars. Leg uit.
    In het privaatrecht speelt de wederkerige rechtsbetrekking een grote rol, en wordt al het handelen daarin bij de beoordeling betrokken. Het privaatrecht kent dan ook verplichtingen tot informatie en serviceverlening die soms behoorlijk verstrekkend kunnen zijn. Men denke aan de informatie die banken aan hun klanten moeten verschaffen, of die verkopers van goederen over de samenstelling of het gebruik moeten geven. Om nog maar te zwijgen van de specifieke verplichtingen die voor allerlei ondernemingen (banken, verzekeraars en vele andere) gelden.
  • Door vooral de aandacht te richten op het besluit, blijft de bijdrage van de burger aan het functioneren van de rechtsbetrekking tussen bestuur en burger grotendeels buiten beeld. Terwijl juist ook zijn inbreng van groot belang kan zijn. Voor een deel krijgt het optreden van de burger plaats in de rechtsbetrekking via de band het besluit. Leg uit.
    Indien de burger onvoldoende of onjuiste informatie verschaft, kan zijn aanvraag worden afgewezen of kan het op die onjuiste gegevens berustende besluit worden ingetrokken. Maar in andere gevallen maakt het voor het te nemen besluit niet uit hoe de burger inhoud heeft gegeven aan zijn relatie met het bestuur. Zo bestaat er wel een vertrouwensbeginsel voor de overheid, maar het omgekeerde kennen wij niet.
  • Wat maakt de Wet Bibob mogelijk?
    Die maakt het mogelijk om vergunningen te weigeren aan bedrijven waarvan aannemelijk is geworden dat zij in verband met criminele activiteiten kunnen worden gebracht. Daarvoor is wel een ingewikkelde en zware procedure nodig en moeten zaken aannemelijk worden gemaakt die veelal heel moeilijk hard gemaakt kunnen worden.
  • Welke beginselen zouden een tegenhanger kunnen vormen van de beginselen van behoorlijk bestuur?
    Beginselen van behoorlijk burgerschap. Naast het vertrouwensbeginsel valt hier aan verschillende andere beginselen te denken. Zorgvuldigheid jegens het algemene belang dat de overheid behartigt, mag van de burger worden verlangd. Daarom zal een bedrijf, dat iedere leemte in de voorschriften van een milieuvergunning gebruikt om daarvan - ten koste van het milieubelang - te profiteren, anders behandeld kunnen worden dan een bedrijf dat zich zelf inspant om milieuverontreiniging te voorkomen.
  • Wat draagt het gelijkheidsbeginsel de overheid op?
    Het gelijkheidsbeginsel draagt de overheid op iedereen gelijk te behandelen. 

    • Bij de invulling ervan wordt weinig aandacht besteed aan de differentiatie die voort kan vloeien uit de invulling die door de burger aan de rechtsverhouding wordt gegeven.
    • Door in het bestuursrecht de aandacht vooral op het besluit van het bestuursorgaan te richten, kan het gelijkheidsbeginsel moeilijk verschil maken aan de hand van de handelwijze van de burger ten opzichte van de overheid.    
  • Waardoor kan het gelijkheidsbeginsel in het bestuursrecht moeilijk verschil maken?
    Door in het bestuursrecht de aandacht vooral op het besluit van het bestuursorgaan te richten, kan het gelijkheidsbeginsel moeilijk verschil maken aan de hand van de handelwijze van de burger ten opzichte van de overheid.

    • Aan de ene kant is het gerechtvaardigd dat de overheid niet te snel bepaalde burgers mag bevoordelen of benadelen op grond van hun gedrag ten opzichte van de overheid of de verantwoordelijkheid die zij zelf voor het algemeen belang nemen. 
    • Aan de andere kant leidt het tot verkeerde incentives en tot frustraties wanneer de burger die zijn verplichtingen als vergunninghouder of als belastingbetaler steeds niet is nagekomen, dezelfde behandeling moet krijgen als de burger die zich naar letter er geest aan zijn verplichtingen houdt.   
  • Waarom is de taakverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter een grote hinderpaal voor meer aandacht voor het wederkerige karakter van de rechtsverhouding?
    Doordat het besluit zo centraal is komen te staan, is de rechtsbescherming bij de bestuursrechter geheel gericht op de rechtmatigheid van besluiten. Hetgeen verder in de rechtsverhouding geschied, blijft buiten beschouwing.

    • Onjuiste inlichtingen of niet nagekomen toezeggingen door het bestuur, of uitvoeringshandelingen die niet zelf weer uit besluiten bestaan, behoren niet tot de rechtsmacht van de bestuursrechter, en moeten dus door de burgerlijke rechter beoordeeld worden.
    • Toezeggingen door de wederpartij van de overheid, bijvoorbeeld over het gebruik dat van een vergunning wordt gemaakt, of over de schade aan derden die de vergunninghouder voor zijn rekening zal nemen, kunnen door de overheid niet bij de bestuursrechter worden afgedwongen.
    • Zijn er afspraken in de vorm van echte overeenkomsten gemaakt, bijvoorbeeld om een te subsidiëren activiteit daadwerkelijk uit te voeren, dan moet de nakoming bij de burgerlijke rechter worden gevraagd.  
    • De rechtsbetrekking wordt voor de competentie van de rechter gesplitst in twee delen: het besluit dat door de bestuursrechter beoordeeld wordt, en de gehele rest die tot de competentie van de burgerlijke rechter komt. 
  • De Hoge Raad heeft het bestuursrechtelijke leerstuk van de formele rechtskracht aangegrepen als middel om de taakverdeling met de bestuursrechter vorm te geven. Wat is de lijn geworden?
    De lijn is geworden dat besluiten die door de bestuursrechter op hun rechtmatigheid beoordeeld kunnen worden, niet zelfstandig door de burgerlijke rechter aan diezelfde beoordeling onderworpen worden. Tussen wat bestuursrechtelijk onrechtmatig is en wat civielrechtelijk onrechtmatig is, bestaat daardoor geen verschil. Het is bovendien de bestuursrechter die moet uitmaken of een besluit rechtmatig is of niet.
  • Wat is de oorspronkelijke inhoud van het leerstuk van de formele rechtskracht?
    Het gegeven dat een besluit na verloop van een korte termijn voor bezwaar of beroep rechtens onaantastbaar wordt. Dat heeft niets met de taakverdeling met de burgerlijke rechter te maken, maar id een gevolg van de regeling binnen het bestuursrecht.
  • Wat is de reden voor de korte termijnen voor beroep en bezwaar?
    De noodzaak tot het snel krijgen van rechtszekerheid.
  • Waarom ziet Scheltema dat de wederkerige rechtsverhouding in het bestuursrecht niet sterk leeft als een belemmering voor een goede verdere ontwikkeling van het bestuursrecht?
    • Omdat in de verhouding tussen bestuur en burger veel meer gebeurt - en ook veel meer moet gebeuren - dan het nemen van besluiten. Door dat andere allemaal buiten beschouwing te laten, ontsnapt een steeds belangrijker wordend deel van de rechtsverhouding tussen bestuur en burger aan de greep van het bestuursrecht. 
    • De concentratie op het besluit is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de rechtsbescherming. Maar voor die rechtsbescherming zou het veel beter zijn wanneer de gehele rechtsbetrekking in het bestuursrecht aan de orde zou komen. Dan kan het dienend zijn van de overheid in haar relatie tot de burger veel beter tot zijn recht komen. 
  • Aan de overheid wordt traditioneel een dienende functie toegeschreven. Een breed gedragen opvatting is dat deze functie...?
    Een fundament vormt van de rechtsstaat. Bestaat de dienende overheid nog of heeft deze plaatsgemaakt voor een 'moderne' dienstverlenende overheid?
  • Bestaat de dienende overheid nog? Waarom is er alle reden om deze vraag aan de orde te stellen?
    De tijdgeest vraagt erom. De verhouding tussen overheid en burger is de afgelopen dertig jaar ingrijpend gewijzigd. Een groot aantal maatschappelijke- en technologische ontwikkelingen heeft hiertoe bijgedragen. Burgers zijn, onder invloed van processen van individualisering, mondialisering, de opkomst van de informatietechnologie en een gewijzigde visie op 'gezag', veel mondiger geworden. De overheid kan haar handelen niet langer exclusief legitimeren door op de wet te wijzen.
  • Ook is de overheid zich steeds nadrukkelijker gaan manifesteren als een bedrijfsmatige overheid. Haar dienende functie is verworden tot een ...?
    Dienstverlenende functie. 

    • De integrerende publiekrechtelijke functie, zich niet richt naar vrije marktprincipes, staat onder druk.   
  • Wat stond in het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende IV over de dienende overheid?
    Een dienende overheid is een overheid die burgers centraal stelt. Minder regels en bureaucratische lasten en een heldere handhaving zijn daarbij nodig, evenals een hoge kwaliteit van publieke voorzieningen.
  • Wat stond in het regeerakkoord van het Kabinet-Rutte over de dienende overheid?
    Er wordt gestreefd naar een krachtige, kleine, dienstverlenende overheid. 

    • Maar hiermee is men er niet. Wie een dienende overheid op één lijn stelt met een dienstverlenende overheid miskent de kern van het eerste concept.   
  • Onder de Awb won sinds het begin van de jaren negentig de idee aan kracht dat de overheid naast anderen een speler is in het maatschappelijk krachtenveld. Leg uit.
    Volgens sommigen vertegenwoordigt de overheid in dit veld ook eigen belangen. Dit brengt met zich dat zij een strategie kan ontwikkelen, niet alle kaarten ten opzichte van haar 'tegenspelers' op tafel behoeft te leggen en zich met publieke middelen kan voorzien van niet-openbare adviezen. Zo bezien is er sprake van een emancipatie van de overheid ten opzichte van de burger. 

    • Maar strookt deze ontwikkeling met de gedachte dat de overheid exclusief in het leven is geroepen om het algemeen belang te dienen? 
    • Geslotenheid, het buitensluiten van belangen en de gedachte dat de overheid eigen belangen zou vertegenwoordigen verdragen zich slecht met dit uitgangspunt.   
  • Ook de rol van de burger is veranderd. Naast het concept van de dienende overheid is de idee van de dienende burger gesteld. Leg uit.
    De 'moderne' burger zou in een wederkerige relatie staan tot zijn overheid. Met het oog hierop is hij aan bepaalde (ongeschreven) burgerplichten onderworpen. Aan dit gedachtegoed ligt volgens Schlössels een negatief burgerbeeld ten grondslag. Er is blijkbaar alle reden voor de overheid om de burger te wantrouwen.
  • Nog een stap verder gaat de gedachte van 'burgerdifferentiatie'. Leg uit.
    Afhankelijk van de mate waarin een burger zich coöperatief opstelt ten opzichte van de overheid, zou die overheid meer welwillend ten opzichte van de burger moeten zijn. Een selectief dienende overheid dus.
  • Wat veronderstelt een dienende overheid ten aanzien van gestelde regels?
    Een diende overheid veronderstelt dat die overheid controleert of eenmaal gestelde regels worden nageleefd. Zo nodig moet zij deze regels handhaven. Burgers verwachten dit ook. Zonder controle geen vertrouwen. Schnabel stelt: De overheid die niet niet controleert, is een onbetrouwbare overheid die het vertrouwen van de burger niet verdient.
  • Het principe van de dienende overheid richt zich niet alleen tot het bestuur, maar ook tot andere overheidsorganen zoals de rechter. Wat stelde Damen daarover?
    In een democratische rechtsstaat is het bestuur er voor de burger, en de burger niet voor het bestuur. Het gaat erom dat de burger recht wordt gedaan, dat wil zeggen dat hij zoveel mogelijk krijgt waar hij recht op heeft, en zo weinig mogelijk nodeloos wordt lastig gevallen. De rechter heeft bij deze bezorging van het recht eveneens een dienende rol. De rechter moet de burger zoveel mogelijk tot zijn recht laten komen.
  • De bijdrage van Scheltema aan de bundel De rechtsstaat herdacht beschrijft vier beginselen die de grondslag vormen van het bouwwerk van de rechtsstaat. Welke?
    Het betreft:
    • het rechtszekerheidsbeginsel
    • het gelijkheidsbeginsel
    • het democratiebeginsel
    • het beginsel van de dienende overheid

    Als we nu uitgaan van de juistheid van de analyse van Scheltema dan staat vast:
    • dat de idee van de 'dienende overheid' de status heeft van een fundamenteel rechtsbeginsel
    • dat dit beginsel niet kan worden ontkend of gerelativeerd zonder ook de idee van de rechtsstaat als zodanig te ontkennen of te relativeren. 

    'Het gaat bij de werkzaamheden van de overheid nooit om een doel op zichzelf, maar om het zo goed mogelijk bevorderen van het belang van de leden van de samenleving. Daarop moeten alle overheidsactiviteiten zijn gericht; handelingen die niet tot dat doel kunnen bijdragen moeten achterwege blijven.' 
  • In welke concrete eizen vertaalt Scheltema het beginsel van de dienende overheid?
    1. ten eerste bepaalt de overheidsorganisatie niet zelf haar doelstellingen. Zij is volledig onderworpen aan het democratiebeginsel; het betreft hier eigenlijk het complement van het gegeven dat de overheid geen eigen belangen heeft. Het gaat steeds om de 'collectieve' belangen van de burgers. Kenbare en controleerbare democratische processen zijn een voorwaarde om deze belangen te formuleren;
    2. het overheidshandelen moet vervolgens in ieder geval zijn gericht op het garanderen van een menswaardig bestaat voor iedere burger;
    3. ook zal de overheid steeds moeten aantonen dat zij de belangen van burgers behartigt door zorgvuldig te handelen, te motiveren en evenredig te handelen;
    4. de overheid moet haar werkzaamheden tenslotte doelmatig en doeltreffend inrichten. Juist omdat de overheid niet een 'eigen belang' heeft, maar het collectieve en individuele belangen van burgers moet dienen, behoort zij op de meest efficiënte manier op te treden. 
  • De dienende functie van de overheid komt ook alleen goed tot haar recht als ...?
    Zowel bestuur als rechter bereid zijn om blijvend rekening te houden met de positie van de burger.
  • Wat is een van de meest wezenlijke uitgangspunten voor een dienende overheid?
    • Dat een dienende overheid slechts die belangen behartigt die op basis van de wet of in ieder geval ingevolge een voldoende democratische machtiging aan haar zijn opgedragen (specialiteitsbeginsel). 
    • Ook mag van een dienende overheid worden verwacht dat zij zich altijd aan het recht houdt. 
  • Het rechtmatigheidsideaal staat ook anderszins onder druk. Zo is er de ogenschijnlijk sympathieke opvatting van de Nationale ombudsman dat onrechtmatig handelen niet per definitie onbehoorlijk hoeft te zijn. Waarom is deze opvatting volgens Schlössels onjuist en risicovol?
    Deze opvatting voedt de gedachte dat het respecteren van het recht een behoorlijkheidswaarde is die in voorkomende gevallen inwisselbaar is voor een andere. Het levend houden van de idee van de rechtsstaat wordt moeilijk als een abstracte, wat diffuse notie van behoorlijkheid de ultieme maatstaf wordt.
  • De wetgever is steeds eerder en gemakkelijker bereid om nieuwe, ruime bestuursbevoegdheden in het leven te roepen. De grenzen van al die nieuwe bevoegdheden zijn vaak in mist gehuld. En de rechter laat het bovendien niet na om bevoegdheden ruim uit te leggen. Een berucht voorbeeld is de Foeh Yong Hai-uitspraak. Leg uit.
    In casu trok de burgemeester van Rotterdam de exploitatievergunning van een Chinees restaurant in voor de duur van drie maanden omdat er bij herhaling was vastgesteld dat in de keuken werk werd verricht door personen die niet beschikten over een geldige verblijfsvergunning, respectievelijk over een tewerkstellingsvergunning. De intrekking werd door de burgemeester - kort gezegd - onder meer gefundeerd op de openbare orde. In beroep werd de bevoegdheid van de burgemeester indringend ter discussie gesteld. Was er geen sprake van misbruik van bevoegdheid door op basis van een APV-bevoegdheid uitbuiting van illegale werknemers te bestrijden? Op basis van enige wonderlijke overwegingen kreeg de burgemeester steun van de ABRvS. De handelwijze van de burgemeester zou toelaatbaar zijn omdat op hem de algemene verplichting zou rusten zorg te dragen voor een gezonde en goed functionerende horeca, waarin geen plaats is voor exploitanten die herhaaldelijk een wettelijk voorschrift overtreden. De kritiek op deze bevoegdheidverruimende rechtspraak was niet van de lucht. Kortmann sprak terecht over de mishandeling van drie aspecten van de rechtsstaat: de motiveringsplicht, het legaliteits- en specialiteitsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir.
  • Naast het uitgangspunt van rechtmatig handelen vereist de dienende functie van de overheid dat zij voortdurend probeert om de aan haar opgedragen taken op een zo doelmatige wijze te verwezenlijken. Wat wil dat zeggen?
    Dat wil zeggen met een zo effectief mogelijke inzet van de beschikbare publieke middelen, zonder verkwisting en op basis van voortdurende verantwoording.
  • De overheid dient dus de gemeenschap wanneer zij de aan haar opgedragen doelstellingen effectief realiseert. Hierop mag en moet de overheid worden aangesproken. Het effectief realiseren van doelstellingen mag echter niet worden ontkoppeld van de eisen van rechtmatigheid. Aan welke twee componenten ontleent de idee van een dienende overheid juist haar kracht?
    Rechtmatigheid en doelmatigheid.
  • Noem vier vuistregels voor een dienende overheid.
    • Fair play
    • Neem de burger serieus
    • Lever maatwerk
    • Benader het probleem van de burger integraal
  • Licht het gebod van fair play toe aan de hand van het voorbeeld in Wijdemeren.
    Het college van Wijdemeren kwam in aanvaring met genoemd verbod toen het weloverwogen, maar geheel ten onrechte een sloopvergunning voor een boerderij weigerde. De reden voor deze handelwijze was gelegen in het feit dat het gemeentebestuur de boerderij al gemeentelijk monument wilde aanwijzen. De procedure tot aanwijzing werd echter (pas) gestart op het tijdstip waarop de sloopvergunning werd geweigerd. De ABRvS oordeelde dat de aanwijzing als gemeentelijk monument op grond van het beginsel van 'fair play' niet aan de belanghebbende mocht worden tegengeworpen.
  • Van een dienende overheid mag worden verwacht dat zij de problematiek waarmee een burger zich tot haar wendt integraal benadert. Wat wil dat zeggen?
    De overheid moet op basis van haar bevoegdheden en onder respectering van de grenzen van die bevoegdheden ernaar streven het probleem van een burger zo volledig mogelijk op te lossen. Integrale probleemoplossing vergt veel van een bestuurlijke organisatie: verder kijken dan specifieke verantwoordelijkheden, goede en tijdige uitwisseling van informatie, actieve probleemanalyse en het tegengaan van bureaucratische versnippering.
  • De overheid  is geen organisatie die gebaseerd is op de economische principes van de vrije markt. Zij kan dit naar haar aard ook niet zijn. Leg uit.
    De overheid is democratisch georganiseerd, heeft geen winstdoelstelling en mag geen particuliere belangen nastreven. Zij mag en moet slechts democratisch geformuleerde doelstellingen realiseren.
  • Gelet op het beginsel van de dienende overheid is het vooral relevant de effecten van de digitalisering op de verhouding overheid-burger nauwkeurig in kaart te brengen. Op dit punt is interessant onderzoek gaan. Prins benoemt concreet een viertal veranderingen in de relatie overheid-burger. Welke?
    • steeds sturender naar de burger toe optreedt
    • argwanender ten opzichte van de burger optreedt (denk bijvoorbeeld aan het intensiever controleren van gegevens en informatiekoppeling)
    • voor de burger en diens beleving steeds meer afstand neemt
    • en de gedaante aanneemt van een systeem in plaats van een organisatie met herkenbare en kenbare mensen
  • Waarvoor heeft heeft het geautomatiseerd nemen van beslissingen onder meer gevolgen?
    Voor het leveren van maatwerk en de motivering van besluiten. Het kan zelfs het structureel handelen in strijd met de wet in de hand werken. Hierdoor kan uiteindelijk het vertrouwen in de overheid (verder) afnemen.
  • Waarmee gaat verzelfstandiging van delen van de publieke taak vaak samen?
    Met verlies aan publieke controle en de verzwakking van democratische verantwoordingsprocessen.
  • Bestaat er nog een dienende overheid?
    In Nederland leeft het beginsel van een dienende overheid, maar er zijn niet te onderschatten ontwikkelingen die aan dit fundamentele principe afbreuk (kunnen) doen.
  • Wat benadrukt cultuurrechtelijk denken?
    Cultuurrechtelijk denken benadrukt het belang van rechtszekerheid, consistentie en integriteit van ieder rechtssysteem. Dit sluit vernieuwing in de regel niet uit.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Zelfstandige bestuursorganen kunnen, naar het motief voor hun instelling, worden verdeeld in drie typen. Welke?
  • het eerste type betreft zbo's met een bevoegdheid die zich naar haar aard niet of niet goed leent voor uitoefening onder volledige politieke verantwoordelijkheid. 
  • het tweede type beoogt een scheiding te brengen tussen beleid (onder politieke verantwoordelijkheid) en uitvoering (door het zbo). 
  • het derde type heeft als motief participatie van burgers of maatschappelijke organisaties. 
Waartoe zijn de taken en bevoegdheden van zbo's gelimiteerd?
Hun taken en bevoegdheden zijn gelimiteerd tot de onderwerpen waartoe zij uitdrukkelijk zijn ingesteld (gesloten huishouding).
Behoren zbo's regelgevende bevoegdheid te bezitten.
In beginsel behoren zbo's geen regelgevende bevoegdheid te bezitten.
Is voor de instellen van zbo's de medewerking nodig van het betrokken algemeen vertegenwoordigende orgaan?
Ja. Van het betrokken algemeen vertegenwoordigende orgaan worden immers de controlerende bevoegdheden beperkt.
Wat hebben zbo's als belangrijkste kenmerk?
Dat zij niet onder volledige politieke verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Daarmee vormen zij dus onderdelen van het openbaar bestuur waarop geen volledige controle door algemeen vertegenwoordigende organen bestaat. Om die reden behoeft gebruik van zbo's afzonderlijke motivering.
Zijn zelfstandige bestuursorganen lichamen of organen van functionele decentralisatie?
Nee. Zelfstandige bestuursorganen zijn geen lichamen of organen van functionele decentralisatie. Zij hebben weliswaar evenals de functionele openbare lichamen een gesloten huishouding, maar het begrip functionele decentralisatie zou constitutioneelrechtelijk moeten worden gereserveerd voor lichamen, gevormd door een gemeenschap van personen met een eigen publiekrechtelijke taken- en bevoegdheidssfeer en met een bestuur, op de samenstelling en taakuitoefening waarvan deze personen invloed kunnen uitoefenen. Openbare lichamen met een gesloten huishouding worden ook wel als lichamen van functionele decentralisatie aangeduid.
Wanneer is een bestuursorgaan zelfstandig?
Een bestuursorgaan is zelfstandig als het politiek verantwoordelijk orgaan (bij de centrale overheid de minister, bij gemeenten het college of de burgemeester, bij provincies gs of de commissaris) niet de bevoegdheid heeft aanwijzingen in individuele gevallen aan het bestuursorgaan te geven. 

Een rechtssubject is zelfstandig ten opzichte van een ander rechtssubject naar de mate waarin laatstgenoemde juridische mogelijkheden ontbeert om het gedrag van eerstgenoemde te bepalen. Zelfstandigheid is daarmee het spiegelbeeld van ondergeschiktheid: deze is aanwezig naarmate die mogelijkheden wel bestaan.
Dit openbaar gezag berust dan dus niet op een bevoegdheidstoedeling bij of krachtens de wet, maar op de relatie tussen overheid en stichting zoals die in de statuten van de stichting is neergelegd. Aan welke criteria moet volgens de jurisprudentie van de CRvB zijn voldaan?
  • de overheid heeft een overwegende invloed op de samenstelling van het bestuur en de benoeming van de bestuursleden;
  • de overheid heeft een belangrijke invloed op de financiën van de rechtspersoon;
  • de overheid speelt een rol ten aanzien van het personeelsbeleid, en
  • een aantal besluiten van (het bestuur van) de rechtspersoon behoeft goedkeuring door of namens de overheid.


Het criterium van de overwegende overheidsinvloed op privaatrechtelijke rechtspersonen heeft wat betreft de uitleg van art. 1:1 dus uitsluitend betrekking op het ambtenarenrecht, en kan niet worden doorgetrokken naar andere bestuursrechtelijke rechtsbetrekkingen. 
Als een stichting onder overwegende overheidsinvloed staat en haar werknemers mitsdien ambtenaren zijn, is het bestuur van de stichting jegens die ambtenaren met openbaar gezag bekleed, en daarmee een b-orgaan. Van groot belang is, dat deze benadering uitsluitend betekenis heeft in de context van het ambtenarenrecht; de bestuursrechter heeft tot dusverre geweigerd het criterium van de overwegende overheidsinvloed door te trekken naar andere bestuursrechtelijke rechtsbetrekking. Wat is de achtergrond van deze jurisprudentie?
Achtergrond van de jurisprudentie van de CRvB is, dat het (met name bij gemeenten) nogal eens voorkomt dat een overheidsdienst wordt verzelfstandigd in de vorm van een stichting. Om te voorkomen dat de werknemers door deze constructie hun ambtenarenstatus zouden verliezen, heeft de rechter art. 1 Ambtenarenrecht zo uitgelegd dat als de overheid nog overwegende invloed op het beheer van de stichting houdt, de werknemers van die stichting ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet. Gevolg daarvan is, dat het bestuur van de stichting met openbaar gezag is bekleed - namelijk waar het betreft de ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding en mitsdien een bestuursorgaan (b-orgaan) is.
Wat verklaart art. 1 lid 1 Ambtenarenwet?
Art. 1 lid 1 Ambtenarenwet verklaart tot ambtenaar in de zin van die wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Tot de openbare dienst behoren alle diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd (art. 1 lid 2). Ingevolge de jurisprudentie van de CRvB behoren stichtingen en verenigingen tot de openbare dienst wanneer rechtens sprake is van overwegende overheidsinvloed op het beheer; naamloze en besloten vennootschappen worden niet als zodanig aangemerkt.