Summary Class notes - Bewegingsapparaat

Course
- Bewegingsapparaat
- nvt
- 2017 - 2018
- Universiteit Maastricht
- Geneeskunde
405 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Bewegingsapparaat

  • 1490997600 Neurologie

  • Bij een Brown-Séquard syndroom zijn er drie stoornisgebieden aan te wijzen, twee ipsilateraal en een contralateraal. Welke zijn dat?
    • Ipsilateraal lokaal craniaal van laesie: hyperpathie 
    • Ipsilateraal caudaal: uitval gnostisch
    • Contralateraal caudaal: uitval vitaal 
  • Bepaal de GCS van een man die zijn ogen alleen opent bij een pijnprikkel, de armen extendeert bij een pijnprikkel en onlogisch woorden brabbelt.
    7: E2M2V3
  • Hoe definieer je volgens de GCS een comateuze patiënt?
    Iemand die de ogen niet opent (E1), geen opdrachten uitvoert (M 5 of lager) en geen woorden spreekt (V 2 of lager)
  • Hersenstamreflexen zijn met name relevant bij bewusteloze patiënten, omdat zij de integriteit van het ARAS systeem toetsen. Een daarvan is het reflexsysteem in het plaatje. Welk systeem is dit, wat is de afferente en wat is de efferente baan?
    Dit is de vestibulo-oculaire reflex (afferent: n. VIII, efferent: III, IV, VI)
  • Aan welke voorwaarde moet worden voldaan alvorens een éénzijdig corticaal letsel leidt tot bewustzijnsverlies?
    Herniatie en inklemming van de hersenstam, e.g. mesencephalon (waardoor verstoring pupilreflex)
  • Diffuse beschadiging aan de cortex (hypoglykemie, hypothermie, hypoxie, alcohol, andere intoxicaties) leidt tot bewustzijnsverlies met drie kenmerken, namelijk:
    1. Uitblijven focale uitvalsverschijnselen
    2. Symmetrische reacties op pijnprikkels
    3. Ongestoorde hersenstamreflexen (pupilreflex, corneareflex, vestibulo-oculaire reflex en hoestreflex) 
  • Er wordt een onderscheid gemaakt tussen licht, matig en ernstig schedelhersenletsel (comateus bij de laatste). Wat is de bijbehorende GCS score?
    • Licht SHL: 13-15 (& PTA max. 60 min. en bewusteloosheid max. 15 min.)
    • Matig SHL: 9-12 
    • Ernstig SHL: 1-8
  • Bij een licht schedelhersenletsel neem je niet altijd de patiënt op in het ziekenhuis voor nadere diagnostiek, want de kans op intracraniële complicaties is in het algemeen 1-4%. Wanneer doe je dit wel? Noem ten minste 3 situaties.
    • Gebruik anticoagulantia
    • Braken
    • Bewustzijnsverlies of PTA
    • Klinische tekenen schedelbasisfractuur (raccoon eyes, battle's sign, rhinorroe, otorhoe) 
    • Focale neurologische afwijkingen
  • Een aneurysma uitgaande van welk vat kan compressie van de n. oculomotorius geven?
    A. communicans posterior
  • Wat is een contra-indicatie voor t-PA na een herseninfarct? 
    Gebruik van anticoagulantia (acetylsalicylzuur maakt niet uit)
  • Wanneer doe je een carotis endarterectomie?
    Na een TIA/CVA, bij een symptomatische carotisstenose van minstens 70%, en zo snel mogelijk uitgevoerd (binnen 2 weken na eerste neurologische verschijnselen).
  • Wat is polymyalgia rheumatica?
    Spierpijn en diffuse stijfheid in nek, bekken en bovenbenen, exclusief te zien bij mensen boven 50, V:M = 2:1
  • Spieren zijn niet pijngevoelig. Hoe kun je toch pijn hebben bij polymyositis?
    Zwelling spieren en ontsteking ligamenten
  • Wat is het teken van Gowers?
    Een patiënt gebruikt de armen om de benen en romp te ondersteunen bij het overeindkomen uit een stoel/squatpositie. Oorzaak is zwakte in de proximale spieren onderste extr.
  • Wat is de meest voorkomende myopathie op middelbare leeftijd?
    Verworven, ontstekingsachtige myopathie. Waaronder: polymyositis, dermatomysotis, myositis bij bindweefselziekte (zoals RA, Sjögren, SLE). 

    Diagnose ondersteund door BSE.
  • Wat zijn oorzaken voor een verworven metabole myopathie?
    Hypothyreoïdie, hyperparathyreoïdie en vitamine D-deficiëntie.
  • Typische presentatie ALS?
    Klachten en zwakte zijn asymmetrisch 
    Reflexen zijn verhoogd (UMN signs)
    Meestal distaal naar proximaal   
    Later wordt de tonus lager (LMN signs)
  • Wat is het verschil tussen een bulbaire en een pseudobulbaire dysartrie?
    1. Bulbaire dysartrie (kern of perifere neuron IX, X, XII) --> slappe spraak 
    2. Pseudobulbaire dysartrie (cortex, centrale motorische neuronen) --> robotachtige spraak 


    Andere dysartrie:
    Dronken spraak (cerebellum, zoals bij alcohol) 
    Hypokinetische spraak (Parkinson) 
  • Bij ALS zie je atrofie en fasciculaties. Zijn dit UMN of LMN symptomen?
    LMN
  • Wat is de rol van EMG bij ALS-diagnostiek? En MRI?
    Denervatie LMN 

    MRI nek kan tumoren craniocervicale overgang tonen, die symptomen kunnen geven die lijken op die van ALS.
  • Hoe lang leven mensen met ALS vanaf eerste symptomen?
    3 jaar. Diagnose na 1 jaar meestal, dus 2 jaar na diagnose leven.
  • Wat zijn de eigenschappen van de drie vormen van ataxie?

    Ataxie (a = geen, taxie = orde): verstoringen bewegingen, met name wandelgang. 
    • Cerebellair: breed gangspoor, dysartrie, dysmetrie, dysdiadochokinesie, titubatie
    • Sensorisch (verlies proprioceptie, meestal schade dorsale kolom): kan gecompenseerd worden door visuele input (ontmasker door Romberg-test). Lompe stappen met zware hielslag. 
    • Vestibulair: als acute, unilaterale vestibulaire ziekte --> prominente vertigo, misselijkheid en braken
  • Welke vormen van ataxie kan een B12-deficiëntie veroorzaken?
    Overlappend cerebellair (dysmetrie, dysdiadochokinesie) en sensorisch (lompe stappen, Romberg+)
  • Friedreich's ataxie erft autosomaal dominant over. Welk(e) syste(e)m(en) zijn hierbij aangedaan?
    Sensorisch en cerebellair, maar met name cerebellair
  • Het cerebellum bestaat uit drie delen: 
    • Vestibulocerebellum (floculonodulaire kwab) 
    • Spinocerebellum (vermis en paravermis)  
    • Cerebrocerebellum (laterale hemisferen)

    Elk van deze gebieden kan aangedaan zijn bij cerebellaire ataxie. Wat is bij elk de presentatie? 
    • Vestibulocerebellum (floculonodulaire kwab): verstoorde oogbewegingen, negatieve Romberg (want met ogen open ook al instabiel)
    • Spinocerebellum (vermis en paravermis): ook wel truncale ataxie, valt vaak, onzeker starten en stoppen, laterale deviaties 
    • Cerebrocerebellum (laterale hemisferen): voluntaire, geplande bewegingen van de extremiteiten zijn gestoord. Geeft intentietremor, macrografie, dysartrie, dysdiadochokinesie, dysmetrie (hypometrie/hypermetrie)
  • Definieer de gedissocieerde sensibiliteitsstoornis
    Bij gedissocieerde sensibiliteitsstoornis is één tractus aangedaan in het ruggenmerg, waardoor er selectief verlies is van proprioceptie, óf selectief verlies van de vitale sensibiliteit.

    Echter, in dit blok definiëren ze de gedissocieerde sensibiliteitsstoornis ook als Brown-Séquard.  
  • Welke vorm van gedissocieerde sensibiliteitsstoornis veroorzaakt een syringomyelie mogelijk?
    Bij een syringomyelie worden tweede-orde neuronen van de tractus spinothalamicus uitgeschakeld bij het overspringen naar de contralaterale zijde langs het centrale kanaal.

    Niet te verwarren met central cord syndrome, welke ontstaat door triviaal trauma (meestal extensie) bij een persoon met artrose CWK
  • Symptomen van:
    • Central cord syndrome
    • Anterior cord syndrome
    • Brown-séquard 
    • Central cord syndrome: tractus corticospinalis lateralis. Armen >> benen. Distaal >> proximaal. Ook sensibiliteitsuitval (gnostisch). 
    • Anterior cord syndrome: verlies vitale sensibiliteit en pyramidebanen 
    • Brown-séquard: verlies vitaal contralateraal onder laesie en gnostisch ipsilateraal onder laesie, en pyramidebaan ipsi
  • Hoe ontstaat een central cord syndrome meestal?
    Acute hyperextensie van de nek bij een patiënt met cervicale spondylose. Beïnvloedt vooral bovenste extr.

    Frequentste oorzaak myelumschade
  • Symptomen anterior cord syndrome?
    Verlies motoriek en vitaal onder laesie. Belangrijkste vorm van infarct ruggenmerg (ASA).
  • Welke arterie sluit zich af bij het syndroom van Wallenberg, en wat is het gevolg?
    A. vertebralis, waardoor afsluiting PICA, waardoor schade dorsolaterale zijde medulla.

    Begint vaak met
    • Ipsilaterale Horner met hemi-anhidrose, gevoelsstoornis gezicht, cerebellaire hemiataxie (naast ataxie van extremiteiten door cerebrocerebellaire schade, ook vertigo en nystagmus door aandoening floculonodulaire kwab)   
    • Contralaterale vitale sensibiliteitsstoornis
  • Er is hersenstamuitval. Leidt dit tot ipsi of contralateraal uitval extremiteitenmotoriek en hersenzenuw?
    Hersenzenuw: ipsi 
    Motorisch extremiteiten: contra
  • Noem 4 klinisch-diagnostische criteria voor myositis. Welk extra criterium is er voor dermatomyositis?
    1. Proximale spierzwakte
    2. Spierbiopt met bewijs myositis 
    3. Verhoogd CK 
    4. EMG-bevestiging 
    • Extra (dermatomyositis): typische huiduitslag of calcinose


    Als alles aanwezig: zeker (dermato)myositis. 
    Als 2 aanwezig: mogelijk (dermato)myositis.
  • Voor Duchenne is een klassiek beeld aan te wijzen. Geef voor dit beeld:
    • Geslachtsverdeling
    • Leeftijd van aanzet
    • Eerste spieren die zijn aangedaan
    • Leeftijd waarop ze niet meer kunnen lopen 
    • Typische labwaarden
    • Typische comorbiditeit 
    • Typisch klinisch teken:
    • Geslachtsverdeling: jongens (X-gebonden)
    • Leeftijd van aanzet: 4 jaar
    • Eerste spieren die zijn aangedaan: proximale bovenbeenspieren (later armen) 
    • Leeftijd waarop ze niet meer kunnen lopen: 12 jaar
    • Typische labwaarden: verhoogd CK
    • Typische comorbiditeit: scoliose
    • Typisch klinisch teken: Gower
  • Beschrijf van myotone dystrofie: 
    • Twee vormen (DM1, DM2) 
    • Van DM1: aanzetsleeftijd mogelijkheden
    • Typische symptomen hoofd-halsgebied (noem er 5) 
    • Typische klinische test
    • Typische EMG bevindingen
    • Twee vormen (DM1, DM2): DM1 komt vaker voor en heeft een ernstige congenitale vorm, en een juveniele en volwassen vorm
    • Van DM1: aanzetsleeftijd mogelijkheden: symptomen kunnen ontstaan van kinderleeftijd tot volwassenheid. 
    • Typische symptomen hoofd-halsgebied (noem er 5): frontaal kaal, ptose oogleden, katarakt, drooping mouth, SCM atrofie 
    • Typische klinische test: percussie myotone reactie thenar 
    • Typische EMG bevindingen: spontane myotone ontlading bij naaldinsertie 
  • Polyneuropathie:
    • Typische klinische presentatie 
    • Pathofysiologische subclassificatie (3 soorten) 
    • Typische symptomen: positief en negatief
    • Specifieke testen die positief kunnen zijn 
    • Trofische veranderingen 
    • Typisch patroon van motorische uitval, en uitzonderingen daarop 
    Polyneuropathie:
    • Typische klinische presentatie:  distaal, symmetrisch sensomotorisch verlies (S. Sensorisch verlies volgens kous en handschoendsitributie. Voet > hand. 
    • Pathofysiologische subclassificatie (3 soorten): Walleriaanse degeneratie (schade axon, myeline wordt globules maar basaal membraan intact, zodat axon kan doorgroeien); segmentale demyelinisatie (verspreide demyelinisatie met behoud axon, dus vooral Schwann cel aangedaan); distale axonale degeneratie (slechte prognose, axon sterft van distaal naar proximaal, met secundair verlies gehele myelineschede)
    • Voorbeeld van acute, chronische en erfelijke polyneuropathie: acuut: GBS; chronisch: vitamine B12 deficiëntie, diabetisch; erfelijk: ziekte van Charcot-Marie-Tooth, ook wel HMSN
    • Typische symptomen: positief en negatief: 
      Negatief: sensatieverlies (lopen op wol) 
      Positief: paresthesieën, dysesthesie (aanraak is pijnlijk), hyperalgesie (lagere pijngrens), elektriciteitspijn (pathogonomisch voor tabes dorsalis), motorsymptomen (fasciculaties, kramp, zwakte)
    • Specifieke testen die positief kunnen zijn: Romberg (als sensorische ataxie), areflexie
    • Trofische veranderingen: koude, blauwe extr, cutaan haarverlies, broze nagels 
    • Typisch patroon van motorische uitval, en uitzonderingen daarop: distaal naar proximaal. M.u.v. GBS (demyeliniserende neuropathie), waar eerst proximaal is aangedaan. 
  • Wat is het verschil tussen Erb-Duchenne paralyse en Klumpke paralyse?
    Erb-Duchenne paralyse: eerste letters alfabet, dus bovenste plexuslaesie (C5/C6). Hiervan leid je de symptomen af. 

    Klumpke's: later in alfabe,t dus onderste plexuslaesie (C7-T1). Hiervan leid je de symptomen af. Klauwhand mogelijk.
  • Hoe voer je de Adson test uit bij TOS?
    Abductie-exorotatie aangedane arm leidt tot verlies radialispols
  • Hoe verklaar je een ulnaire klauw bij ulnaris mononeuropathie?
    De lumbricalen 3 en 4 kunnen niet meer zorgen voor flexie in MCP en extensie in IP, waardoor je dus extensie krijgt in MCP4-5 (non-oppositie extensor digitorum) en flexie in IP4-5.
  • Dermatoom van: 
    • Niveau tepels
    • Duim 
    • Straal 2/3
    • Straal 4/5
    • Umbilicus 
    • Ventrolateraal arm
    • Ventromediaal arm  
    • Teen 1-3
    • Teen 4-5, laterale malleolus
    • Niveau tepels: T4
    • Duim: C6
    • Straal 2/3: C7
    • Straal 4/5: C8
    • Umbilicus: T10
    • Ventrolateraal arm: C5
    • Ventromediaal arm : T1
    • Teen 1-3: L5
    • Teen 4-5: S1
  • Als een MS-patiënt internucleaire oftalmoplegie heeft, waardoor de linker MLF niet meer goed werkt, bij welke beweging ziet die dan dubbel?
    Linker MLF-laesie betekent dat rechter abducenskern de linkeroculomotorius niet meer rectus medialis kan laten aantrekken (oogadductie) bij het kijken naar rechts. Kijken naar rechts geeft dus diplopie.
  • Wat zijn de belangrijkste symptomen van Parkinson?
    • Hypokinesie
    • Rigiditeit
    • Rusttremor 

    Ten minste 2/3, waarbij hypokinesie en rigiditeit zeer belangrijk
  • Beroerte statistieken:
    • Aantal ziekenhuisopnames beroerte per jaar
    • % infarct, hersenbloeding, SAB 
    • Aandeel mensen die invalide raken door beroerte 
    • Aandeel mensen die ADL-beperkingen houden door beroerte 
    • Aandeel mensen die de beroerte niet overleven
    • % sterfte na 1 maand, % sterfte na 1 jaar  
    • Wat geeft grotere kans op overlijden: bloeding of infarct?  
    • Aantal ziekenhuisopnames beroerte per jaar: 30.000
    • % infarct, hersenbloeding, SAB: resp. 80, 15 en 5 
    • Aandeel mensen die invalide raken door beroerte: 1/3  
    • Aandeel mensen die ADL-beperkingen houden door beroerte: 70%, waarvan 40% licht en 20% zeer ernstig 
    • Aandeel mensen die de beroerte niet overleven: 1/5
    • % sterfte na 1 maand = 10%. Na 1 jaar = 25%. 
    • Wat geeft grotere kans op overlijden: bloeding of infarct?  bloeding 2x hogere kans 
  • Na hoeveel tijd is een infarct zichtbaar op CT?
    Na 24 uur.
  • Hoeveel % van herseninfarctpatiënten wordt in NL met IVT behandeld?
    20%
  • t-PA is effectief en veilig tot 4,5 uur na ontstaan klachten. Hoe zit dat met IAT? Zijn er andere voorwaarden voor toepassing IAT?
    Tot zes uur. Andere voorwaarde is occlusie groot bloedvat (e.g. ACM) aangetoond met CTA.
  • Noem drie absolute contraindicaties voor i.v. trombolytica
    Stollingsstoornis, incl. orale anticoagulantia (INR > 1,7) 
    Hersenbloeding in VG
    Recente operatie


    Verder klinische CI: coma, epileptyische aanval, extreme hypertensie
  • Na de acute behandeling van een herseninfarct/bloeding, is het nodig om complicaties te voorkomen. Geef vijf voorbeelden van complicaties.
    • Decubitus
    • Koorts/infecties
    • Verslikken
    • Pneumonie
    • Ontregelde glucose 
    • Trombosebeen
    • Blaasretentie en UWI 
    • Ondervoeding
  • Wat zijn de voordelen van een stroke unit? Wanneer verwijs je? Geef de ARR en RRR
    Stroke unit verwijzen zodra verdenking beroerte. Voordelen:
    • Betere, snellere diagnostiek
    • Snellere revalidatie
    • Adequaat voorkomen complicaties
     ARR 6%, RRR 30%.
  • Noem de drie belangrijkste oorzaken van een herseninfarct
    • Atherosclerose (large vessel disease): 25% 
    • Cardiale embolie: 25%
    • Small vessel disease: 25% 


    Cryptogeen: 20% 
    Rest (dissectie, vasculitis, stollingsstoornissen): 5% 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn de drie symptomen (harmonie vestibulaire) van vestibulaire neuritis en labyrintitis? En wat is het belangrijkste verschil tussen vestibulaire neuritis en labyrinthitis?
Symptomen:
  • Contralaterale nystagmus (snelle fase naar andere kant) - i.e. langzame fase naar aangedane labyrint. Je contralaterale kant is actiever, dus hersenstam denkt je beweegt je hoofd naar contralateraal. 
  • Valneiging ipsilateraal
  • Vinger-neusproef tendens naar ipsilateraal

Belangrijkste verschil: bij labyrinthitis is er sprake van gehoorverlies, niet bij vestibulaire neuritis.
Wat is de plaats van chondroitine/glucosamine in de behandeling van gonartrose?
Kan helpen, maar als geen verbetering, staak behandeling na 6 maanden
Patiënt klaagt over pijn en zwelling t.h.v. tabatiere anatomique (rad: EPB, uln: EPL). Asdrukpijn duim. Eerder vandaag gevallen en klap opgevangen met hand. Oorzaak? Behandeling?
Oorzaak: scaphoïdfractuur 

Conservatief als niet gedisloceerd (gips 6-12 weken)

Operatief als gedisloceerd op scapholunair bandletsel, met repositie en schroeffixatie
Wanneer overlijden de meeste mensen na polytrauma:Binnen sec-minBinnen min-urenNa dagen-weken
Binnen sec-min (50%) Binnen min-uren (30%)
Na dagen-weken (20%)
Op welke niveaus liggen de twee inteumescentiae vertebralis?
Intumescentia cervicalis: C4-C7
Intumescentia lumbalis: T10-T12
Dak en bodem kanaal Guyon?
Dak: volair carpaal ligament
Bodem: TCL/flexor retinaculum
Wat loopt er allemaal door de carpale tunnel?
n. medianus, FCR, FPL, FDS, FDP
Benoem de 4 mediale osteofibreuze kanalen van de enkel
Rood: tibialis anterior 
Groen: FDL
Blauw: FHL
Geel: achillespees
Ook in de enkel zijn er osteofibreuze kanalen, namelijk 9. Dit is een lateraal aanzicht van de enkel. Benoem de 5 laterale osteofibreuze kanalen.
Blauw: peroneus longus
Geel: peroneus brevis
Rood: extensor digitorum longus
Paars: extensor hallucis longus
Groen: tibialis anterior
Aan de dorsale zijde van de pols zijn er 6 osteofibreuze kanalen. Elk osteofibreuze kanaal bevat pezen van een of meerdere spieren. Van radiaal naar ulnair (compartiment 1 t/m 6) bevatten de kanalen resp. 2, 2, 1, 2, 1 en 1 pezen (221211). Welke pezen lopen door elk compartiment?
Compartiment 1: APL, EPB
Compartiment 2: ECRL, ECRB
Compartiment 3: EPL
Compartiment 4: ED, EI (extensor indicis)
Compartiment 5: EDM 
Compartiment 6: ECU