Summary Class notes - Biologische

Course
- Biologische
-
- 2015 - 2016
- Universiteit van Amsterdam
- Psychologie
229 Flashcards & Notes
11 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Biologische

  • 1459375200 College 2

  • Witte en grijze stof
    Witte stof = gemyeleerde axonen
    Grijze stof = dendrieten en soma neuronen

    MS = myeline om axonen aangetast waardoor spieren aansturen moeilijk gaat. Minder witte stof
  • DTI
    Techniek gebaseerd op MRI waarmee witte stof banen in hersenen gevisualiseerd wordt.
  • Geschiedenis
    - Cellen/neuronen werden gedacht aan elkaar te zitten in hersenen
    - Cajal vond met kleuringstechniek in cellen van deel kinderbrein van Golgi dat neuronen los van elkaar zitten. Kleuring kleurde 1 op 20 cellen, kinderbrein want cellen kleiner en dan meer kans op kleuring 1 cel apart.
  • Gedrag
    Gecoördineerde activiteit van vele neuronen
  • Neuronen + 4 onderdelen.
    Zenuwcellen voor informatieverwerking en overdracht.
    Communiceren met elkaar met elektrische en chemische signalen. 

    - Dendriet = input van signalen uit lichaam. Receptoren op dendrieten kunnen signalen (bijv. neurotransmitters) ontvangen van andere neuronen. Geleiden signalen naar cellichaam.
    - Soma/cellichaam met receptoren + belangrijk voor integreren signalen uit lichaam + dendrieten en 'beslissen' tot actiepotentiaal afgeven. Met celorganellen.
    - Axon = informatie zendend gedeelte neuron (output), geleidt actiepotentialen naar targets van neuron + transporteert stoffen. Omgeven door myeline wat signaalgeleiding sneller maakt. Neuron heeft nooit meer dan 1 axon.
    - Axon terminalia/synaptische terminalia = afgifte van stoffen als neurotransmitters bij aankomst actiepotentiaal via synaptische spleet + aanmaak van sommige van deze stoffen (neurotransmitters.
  • Functie 2x van celorganellen 4x in soma
    - Energie van neuron verzorgen
    - Aanmaak eiwitten (verantwoordelijk voor transport stoffen, communicatie (hormonen neurotransmitters), structuur cel).

    Eiwitten zijn reeksen aminozuren. DNA in celkern bevat codes voor verschillende aminozuren. Via proces worden deze codes aan elkaar gemaakt worden en uitgelezen worden en als mal gebruikt voor maken van verschillende kopieen van zelfde eiwit.

    Ribosomen (eiwitsynthese) = kopieën van eiwit maken
    Endoplasmatisch reticulum = isolatie + modificatie + transport van eiwitten
    Nucleus = bevat DNA + stuurt celprocessen aan
    Mitochondria = voorzien cel van energie door glucose om te zetten in ATP.
  • Centraal zenuwstelsel
    Hersenen + ruggenmerg
  • 3 soorten gliacellen
    - Oligodendrocyte = bouwen myeline schede om neuronen in centrale zenuwstelsel.
    - Microglia = afweer in hersenen = opruimen virussen etc.
    - Astrocyte/nurse of neuron = 1. geven helende stof af bij beschadiging, 2. insulatie = raamwerk vormen waar neuronen in 'hangen' 3. kunnen bloedvaten laten verwijden zodat voedingsstoffen bij neuronen komen, 4. synchronisatie activiteit tussen verschillende neuronen (zorgt voor communicatie tussen neuronen). Vb. neurotransmitters in synaptische spleet opnemen en afgeven op bepaalde momenten waardoor synchronisatie komt.
    Reguleren (informatie verwerking) + ondersteunen.
  • Gliacellen/neuroglia
    Ondersteunende en regulerende functies (ondersteunen neuronen, ruimen bijv. virussen op + voedingsstoffen voor neuronen regelen, etc.)
  • 2 Moderne visualisatie technieken
    - Brainbow = alle neuronen een aparte kleur geven --> laat goed zien hoe ze met elkaar verbonden zijn.
    - Clarity = 3D view van hele netwerk brein
  • Presynaptisch + postsynaptisch neuron
    Afgevend neuron en ontvangend neuron
  • Celmembraan functie 4x + 2 lagen + passief/actief proces
    - Constant intern milieu houden + Houdt schadelijk stoffen buiten cel + liggen eiwitten in die kanaaltjes vormen die open kunnen om stoffen door te laten + liggen receptoren in waren neurotransmitters zich aan kunnen hechten/ open zetten voor in/uitstroom van stoffen.
    - fosfolipiden = vetmoleculen
    Semi-doorlaatbaar = alleen heel kleine stoffen kunnen door membraan,
    - Passief proces = eiwitten vormen kanalen voor belangrijke stoffen; zuurstof, water, natrium, kalium, etc.
    - Actief proces = voor glucose/bepaalde aminozuren kost het de cel energie om ze te transporteren.
  • 3 typen neuronen gebaseerd op hoe ze informatie/target van neuron krijgen
    - Interneuronen = neuronen verbonden met andere neuronen
    - Sensorische neuronen = input uit omgeving via zintuigen
    - Motorische neuronen = input van andere neuronen en sturen spieren aan

    Functie bepaalt structuur neuron
  • Multipolair vs. unipolaire neuronen
    - Meer dan 1 dendriet en 1 axon uit cellichaam, belangrijk voor integreren informatie. Interneuronen en motorische neuronen zijn multipolair.
    - 1 axon uit cellichaam geen dendrieten maar sensorische voetjes in bijv. huid, sensorische neuron
  • Schwann cel
    bouwen myeline schede om neuronen in perifere zenuwstelsel
    Wikkelt zich om axon.
    1 schwann cel vormt klein stukje van myeline van 1 axon in tegenstelling tot oligodendrocyte die meerdere axonen met myeline kunnen bekleden
  • Bloed-hersen barriere + oorzaak
    'Muur' tussen bloedvaten in de hersenen en hersenen zelf
    Afhankelijk van endotheel cellen die wanden vormen. In hersenen heel nauw verbonden waardoor er weinig doorkan.
    Selectief permeabel= passief en actief transport van bepaalde stoffen, maar niet alle stoffen. 

    In hersenen kunnen meeste neuronen niet vervangen worden bij sterfte. Dus bloed hersen barriere is beveiliging tegen virussen/infecties, etc.
  • Neuraal metabolisme = stofwisseling
    Glucose als brandstof
    Veel zuurstof in hersenen nodig voor glucose verbranding
    Glucose kan gesynthetiseerd worden door lever uit van alles
    Vitamine B1 nodig voor glucose gebruik. Niet genoeg = neuronale sterfte.
  • Neuronale communicatie elektrochemisch computertje
    Chemisch signaal = neurotransmitter, leidt tot elektrisch signaal = actiepotentiaal, leidt tot afgifte chemisch signaal = neurotransmitter.
  • Ionen 4 soorten
    Negatief/positief geladen moleculen
    In vloeistof verloopt elektrische stroom door ionen.
    Na = natrium (sodium)
    Cl = chloor
    K = kalium (potassium)
    A = oplosbare eiwitten
  • Rustpotentiaal + behouden elektrische gradiënt
    Na+ en K+ zowel binnen als buiten cel
    Meer Na+ buiten dan binnen cel.
    Meer K+ binnen dan buiten cel
    Binnenkant cel relatief negatiever geladen dan buitenkant cel door negatief geladen eiwitten binnen cel.
    Verschil in elektrische lading tussen binnen- en buitenkant cel is +/- -70mV

    Kalium en chloor kunnen door poorten. Na+ poorten zijn gesloten. 
    Natrium kalium pomp (actief transport) sturen 3 natrium uit en 2 kalium cel in  
    --> constant spanningsverschil.
  • Rustpotentiaal nut
    Rustpotentiaal kost energie, bereidt neuron voor op snelle respons.
    Analogie = gespannen boog
    Prikkelingen van neuron (hechting neurotransmitter bijv.) --> natrium kanalen gaan open = sterke potentiaal verandering (elektrische spanning), sterk genoeg = actiepotentiaal.
  • Ionen ondervinden 2 krachten
    - Elektrische gradiënt = membraan potentiaal, zorgt dat binnenkant cel negatiever. positief geladen ionen (= natrium + kalium) willen dus cel in bij rust, want aangetrokken door negatief.
    - Concentratie/chemische gradiënt = verschil in concentratie ion binnen vs. buitenkant cel.
    Som van 2 krachten of ion cel in/uit wil. Kalium wil dus cel uit en Natrium cel in tijdens rustpotentiaal.

    K+ wil netto iets meer cel uit dan erin. Want concentratie gradiënt iets sterker.
    Wanneer K+ veel naar buiten dan zal binnenkant negatief worden en wordt K+ terug geroepen door elektrische gradiënt.
    Balans gradiënten = rustpotentiaal
  • Graduele potentialen vs. actiepotentialen
    Verandering elektrische spanning dendrieten en cellichaam = graduele potentialen (gradueel want amplitude/sterkte potentiaal verandering evenredig met prikkelsterkte). EEG meet dit.
    Verandering elektrische spanning langs axonen = actiepotentialen
  • Amplitude(sterkte) potentiaal
    Gelijk aan prikkel amplitude(sterkte).
    Sterkte neemt af wanneer prikkel zich verspreid in neuron 

    Receptoren op soma sterkere invoed op of het neuron reageert op informatie met actiepotentiaal want informatie sterft minder makkelijk uit doordat het dichterbij axon ligt dan dendrieten.
  • 1. Depolarisatie en 2. hyperpolarisatie/inhibitie
    Chemische prikkel/neurotransmitter hecht zich aan receptor op dendriet/soma --> membraan doorlaatbaarheid verandert
    1. Na+ kanalen open --> binnenkant cel/membraan potentiaal minder negatief.
    2. K+ kanalen open --> binnenkant cel/membraan potentiaal meer negatief
    Zijn graduele potentialen die zich passief (positief wordt aangetrokken door negatief) langs celmembraan verspreiden.
    Graduele potentialen =  verandering in negatieve lading van rustpotentiaal/membraan potentiaal
  • Actiepotentiaal
    Graduele potentialen samen veranderen membraan potentiaal en leiden tot netto signaal verandering. Die zich verspreiden ook richting voet van axon = axonheuvel
    Daar zitten receptoren die niet reageren op neurotransmitters maar op verandering in elektrische lading.
    Receptoren gaan bij genoeg verandering open staan. --> sterke signaalverandering = actiepotentiaal langs axon.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Cortex delen
youtopia
Zenuwstelsel
  • Centraal (hersenen + ruggenmerg)
  • Perifeer
Somatisch (vrijwillig)
Autonoom (onvrijwillig)
Sympatisch (aanzetten tot actie)
Parasympatisch (tot rust brengen)
Ruggenmerg zenuw vertakkingen:
  • Dorsaal = tast/pijn met ganglion (= zenuwknoop) buiten ruggenmerg
  • Ventraal = motoriek met motorneuron in ruggenmerg
Limbisch systeem
groep structuren die tussen hersenstam en hersenschors in ring ligt.
Vooral voor motivatie en angst
  • Amygdala (emoties, angst)
  • Hippocampus (geheugen, ruimtelijke oriëntatie, cortisol kan schade toe brengen)
  • Hypothalamus (honger, dorst, temperatuur, ritme, seks, slaap, motivatie, geeft informatie door aan hyposfyse voor hormonene)
  • Cingulate gyrus (verwerken emotionele prikkels)
  • Olfactory bulb (geur)
Thalamus
schakelbord brein.
  • mediale geniculate nucleus = horen
  • laterale geniculate nucleus = zienworden doorgegeven via geniculate nucleussen naar cortex.
Hersenkwabben:
  • Occipitaal (zien)
dorsale stroom = ‘waar’ naar parietaal kwab
ventrale stroom = ‘wat’ naar temporaal kwab
  • Frontaal (aansturen bewegingen/ psychische functies zoals plannen, sociaal gedrag, taal, geheugen)
Broca’s area = productie taal
Motor cortex
  • Temporaal (herkennen, geheugen, visuele waarneming, taal)
Amygdala (emoties, angst)
Hippocampus (geheugen, ruimtelijke oriëntatie, cortisol kan schade brengen aan hippocampus)
Wernicke’s area (begrip taal)
  • Parietaal (ruimtelijk inzicht, aandacht, lezen, rekenen) ontvangt zintuigelijke informatie van thalamus.
Cerebellum:
dronken/drugs als schade
  • Neo (plannen, hogere functies, tijd) buitenkant cerebellum
  • Spino (integratie info horen/ zien, controle ledematen) binnenkant cerebellum
  • Vestibullo (balans, timing)
Basale ganglia:
(vrijwillige beweging, keus, plannen)
  • Putamen  (zijkant/lateraal)              samen 
  • Caudate nucleus                              striatum
  • Globus pallidus (binnenkant/mediaal)
  • Nucleus accumbens (verlangen, motivatie, passie)
  • Substantia nigra (beloning), geeft dopamine aan striatum
Hersenstam:
  • Medulla (ademhaling, hartslag)
  • Pons (verlamming slaap, connectie)
Daarin reticulaire formatie naar thalamus (schakelstation met mediale en laterale geniculate nucleus = horen en zien. Doorgeefpunt van colliculussen naar cortex). Ascending axonbundels naar cerebrale cortex, descending naar ruggenmerg.
Daarop inferior en superior colliculus (schakelstation horen en zien)
  • Midbrain
- Central nervous system (CNS)- peripheral nervous system (PNS) - somatic nerous system - autonomic nervous system
- zenuwenen in de hersenen en ruggengraat
- zenuwen in de rest van het lichaam
- de axonen die van zintuigelijke organen naar het CNS zenden en van het CNS naar spieren zenden
- controleren het hart, darmen en andere organen gedeeltelijk in het CNS en gedeeltelijk langs de ruggengraat