Summary Class notes - BMC

Course
- BMC
- A. Fischer
- 2019 - 2020
- Wageningen University (Wageningen University, Wageningen)
- Bedrijfs- en Consumentenwetenschappen
142 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - BMC

  • 1567375200 colleges week 1



  • Historische mijlpalen in geschiedenis van consumptie: (hint: 12-16, 17, 18, 19, 20 en 21e eeuw)
    1910-1920: Vraag is groter dan aanbod -> production concept -> distribution efficiency. 

    1930-1950: Basic consumer needs satisfied -> selling concept -> selling and promotion effort (PUSH).


    1960-today: Abundant supply (competition between suppliers), more purchasing power, critical and demanding consumers -> marketing concept. 
    Market focus/consumer orientation: Which market segments can be distinguished? Etc. (PULL)
    Pull strategy: people want something than you make the product. 
  • Welke waarden kunnen producten hebben?
    Ruilwaarde (€)
    Gebruikswaarde
    Signaal of symbolische waarde
  • Marx: warenfetisjisme?
    Spullen raken los van hun gebruikswaarde en hoe en door wie ze gemaakt zijn.
  • De twee belangrijke stellingen uit 'Das Kapital' van Marx zijn:
    Mensen worden productie-eenheden. Door massaproductie verdwijnt plezier in werk.

    Werk is goed, vrije tijd is slecht. Geluk wordt ontleend aan materieel bezit.
  • Utiliteits-theorie van Daniel Bernouille?
    Gebruikt in economie, ook om consumentengedrag te verklaren, vooral als het gaat om gokgedrag te voorspellen.
  • Adam Smith - the wealth of nations
    Boek dat wordt gezien als het eerste werk over de moderne economie.
    Division of labor, wages and foreign markets waren de drie belangrijkste factoren.

  • Conspicuous (opvallende) consumptie
    Geld uitgeven aan luxe producten en diensten om

    publiekelijk je economische of sociale status aan te
    geven of te verkrijgen (Veblen, 1899)
    Hangt samen met materialisme
  • Conspicious consumptie als middel om raciale stereotypen te ontstijgen.
    Afro - Amerikaanse en Spaanse Amerikanen besteden groter deel inkomen aan opvallende kleding, juwelen en auto’s vergeleken met blanke Amerikanen met vergelijkbare inkomens. 
    ▪ Verschillen niet door smaakverschillen, of door wens om 
    te laten zien dat ze het zich kunnen veroorloven. 
    ▪ Reden 
    ● Stereotype van laag inkomen en minder succesvol -> 
    grote behoefte om aan die stereotypering te ontsnappen.
    ● Dus minder uitgaven aan minder zichtbare zaken als 
    educatie, gezondheidszorg en sparen.
  • Elite nu:
    inconspicuous consumptie
    ▪ Luxe verwatert: Zelfs massa kan zich luxe permitteren 
    van ooit high-end merken als Dior (parfum, zonnebril) 
    ▪ Onopvallend -> maar niet voor iedereen. 
    ▪ Kleinere sociale groepen zien het wel.
  • Bekijk Slide 55 over de groepen van consumenten volgens Dagevos.
  • Wat kan je vertellen over de postmoderne consument?
    Indeling in set van typen werkt niet meer

    Consumentengedrag is gefragmenteerd
    Co-creatie van waarde
  • Welke soorten bedrijven zijn er? (die rechtspersoon zijn)
    • Eenmanszaak
    • Vennootschap onder firma (VOF)
    • Maatschap
    • Commanditaire ('stille') Vennootschap
    • Zijn als persoon niet aan te spreken voor schulden bij faillissement etc. Dus deze bedrijven nemen meer risico's
  • Welke soorten bedrijven zijn er? (die geen rechtspersoon zijn)
    • Besloten Vennootschap (BV)
    • Naamloze Vennootschap (NV) - verkoopt aandelen op naam
    • Coöperatie
    • Vereniging
    • Stichting
  • Wat is 'management'?
    Het proces waardoor dingen gedaan worden op een effectieve en efficiënte manier, met en door mensen
  • Wat doen managers, waar verschillen ze en welke skills zijn belangrijk?
    taken: Plannen, organiseren, leiden en controleren
    verschillen: niveau's, profit/non-profit, bedrijfsgrootte, cultuur/wetgeving en persoonlijk(Heid)
    Skills: sociale skills, conceptuele skills (abstraheren & integreren, extrapoleren), technische skills, politieke skills
  • Waarom zijn goede managers schaars?
    Promotie praktijk bij bedrijven – goede professionals zijn niet per se goede managers


    Bedrijfsinterne zichtbaarheid van wat managers doen (bedrijven kunnen moeilijk zien wat managers binnen andere bedrijven doen) – markt voor managers werkt niet goed 

    Context afhankelijk presteren door managers – beperkte overstapmogelijkheden (je kan niet intens van manager in service verlening naar manager in technisch bedrijf)
  • Hoe te managen, de theorieën van Taylor en Gilbreth.
    Taylor:

    ● Taken meten, efficiëntie bijhouden

    ● selecteer juiste persoon voor baan, train hen op wetenschappelijke
    wijze om iets precies zoals voorgeschreven te doen (specialisatie)
    ● Management & operationeel scheiden!
    ● Loon moet prikkelen (extrinsieke motivatie) – bijv. ‘stukloon’

    Gilbreth:

    ● Meet bewegingen 
    ● Experimenteer met tools / gereedschap
  • Hoe te managen, de algemenere theorieën van Fayol en Weber.
    Fayol's 14 principes:

    ● Specialisatie; autoriteit; eenheid van leiding (medewerker volgt orders); één richting voor bedrijf (bedrijfsbelang boven persoonlijk); fair & prikkelend loon (stabiliteit); centralisatie; initiatief
    ●Vb: “One WUR”

    Weber - Bureaucratie:

    Division of labor (specialisation; taken opsplitsen; formele regels)
    ● Authority hierarchy (chain of command; uniforme toepassing regels)
    ●Formal selection (technical qualifications; manager als aparte rol [≠eigenaar])
  • Wat zijn kwantitatieve benaderingen voor management?
    Benadering met getallen.

    Statistieken, optimalisatiemodellen, informatiemodellen, computer simulaties
    Bijv: Total Quality Management – continue verbetering, reageer op
    klantenwensen, accuraat meten
  • Welke 'approaches' zijn er van management zijn er?
    1. Classical approaches (Taylor, Fayol en Weber)
    2. Behavorial approaches (Hawthorne studies)
    3. Quantitative approach (TQM)
    4. Contemporary approaches (systems approach, contingency approach)
  • Wat zijn de Hawthorne studies?
    Studie uitgevoerd in de late jaren 20 en begin jaren 30, naar het effect van veranderingen in de werkomgeving op productiviteit van medewerkers. Dit zorgde ervoor dat er meer nadruk kwam te liggen op de menselijke factor bij het functioneren van het bedrijf en het bereiken van doelen.
  • Efficiency
    Doing things right, or getting the most output from the least amount of inputs.
  • Effectiveness
    Doing the right things, or completing activities so that organizational goals are attained.
  • Welke lagen managers zijn er?
    Team leaders:
    individuals who are responsible for managing and facilitating the activities of a work team.

    First-line managers:
    Supervisors responsible for directing the day-to-day activities of nonmanagerial employees.

    Middle managers:
    Individuals who are typically responsible for translating goals set by top managers into specific details that lower-level managers will see get done.

    Top managers:
    Individuals who are responsible for making decisions about the direction of the organization and establishing policies that affect all organizational members.   
  • What are the principles of management?
    Foyel's fundamental or universal principles of management practice.
  • Organizational behavior (OB)
    The field of study that researches the actions of people at work.
  • Quantitative approach
    The use of quantitative techniques to improve decision making.
  • Contingency approach (or situational approach)
    An approach that says that individual organizations, employees, and situations are different and require different ways of managing.
  • Welke consumer types zijn er?
    • Chooser
    • Communicator
    • Explorer
    • Identity-seeker
    • Hedonist/artist
    • Victim
    • Rebel
    • Activist
    • Citizen

    (Tabel 1.2 consumer behaviour)
  • The four types of the consumers  (Dagevos)
  • Critiques of motivational research:
    1. Motivational research could not be a cure-all for all marketing problems.
    2. Taking diagnostic tools from clinical psychiatry and applying them to consumer behaviour was not wholly valid.
    3. Motivational research relied too heavily on the person making the interpretation with few standardized or validating testing procedures.
    4. The findings of motivational researchers had not been subjected to objective confirmation by conventional methods before they were applied to business situations.
  • Wat zijn 3 karakteristieken van een organisatie?
    1. Doel
    2. Mensen (om doel te bereiken)
    3. Structuur
  • Hoe zijn mensen binnen een organisatie verdeeld?




    1. Nonmanagerial employees ->no responsibility for overseeing the work of others
    2. Managers ->direct the activities of other people in the organization
  • Welke soorten managers zijn er? (titels)
    1. Top managers > responsible for making decisions about the direction of the organization and establishing policies that affect all organizational members.

    - Vice president, chief operating officer
    2. Middle managers > responsible for translating goals set by top managers into specific details that lower-level managers will see get done.
    - Agency head, project leader, unit chief, store manager
    3. First-line managers > responsible for directing the day-to-day activities of nonmanagerial employees.
    - Shift managers, office managers
    4. Team leaders > responsible for managing and facilitating activities of a work team.
  • Wat is het verschil tussen efficiency en effectiveness?
    Efficiency= doing things right and getting the most output from the least amount of inputs 


    Effectiveness= doing the right things, or completing activities so that organizational goals are attained
  • Wat is scientific management?
    the use of scientific methods to define the one best way for a job to be done
  • Hoe ziet de 4-function approach eruit als het gaat om wat managers doen?
    POLC



    • Planning= define goals, establishing strategy, developing plans to coordinate activities
    • Organizing= determining what needs to be done, how and who
    • Leading= directing and coordinating the work activities
    • Controlling= monitoring activities to ensure that they are accomplished as planned
  • Wat en welke managerial roles zijn er volgens Mintzberg?
    Managerial roles= specific categories of managerial behaviour


    • Interpersonal roles = involving people and other duties (plichten) that are ceremonial and symbolic in nature
    • Decisional roles= making decisions or choices
    • Informational roles= involving collecting, reveiving, and disseminating (verspreiden)
      information
  • Welke skills en competenties zijn belangrijk voor een manager?




    • Conceptual skills= analyze and diagnose complex situations
    • Interpersonal skills= work with, understand, mentor and motivate others (individueel en
      groep)
    • Technical skills= job-specific knowledge and techniques needed to perform work tasks
    • Political skills= build a power base and establish the right connections
  • Wat is een small business en welke invloed heeft zo'n bedrijf op de markt?
    Small business is an independent business <500 employees that doesnt necessarily engage in any new or innovative practices and has relatively little impact on its industry.
  • Waarom is het van belang om management te bestuderen, wat kan je als 'baas' doen voor een ander?




    • Inspire you proffesionally and personally
    • Energizing you and your collegeague to do things together what you couldnt do alone
    • Feedback and coaching and guidance with problems
    • Change your life


  • What factors are reshaping and redefining management?
    1. Social media



    Way to connect with customers, manage human resources and tap into their innovation and talent. Social media needs to be managed to be beneficial.

    2. Sustainability= a companys ability to achieve its business goals and increase long-term shareholder value by integrating economic, environmental, and social oppurtunities into its business strategies
    1. Communicating openly with stakeholders and understanding their requirements
    2. Factoring economic, environmental and social aspects into how they pursue their business
      goals

    3. Employee engagement= when employees are connected to, satisfied wit hand enthusiastic about their jobs
  • Early management, welke fasen van management waren er voor 1900?

    POLC is hier de norm3000-2500 >Egyptian piramides


    1400 >Warships
    1776 >Adam Smith Wealth of Nations  division of labor (specialisatie)
    1780-mid-1800s >Industrial revolution= meest belangrijke gebeurtenis voor management voor 20e eeuw >geboorte corporation
    1. Organizational aspects that became a part of the way work was done
    2. Management necessary component ot ensure the success of the enterprise
  • Benoem de klassieke benaderingen van het management?
    1911 >Frederich W. Taylor Principles of scientific management




    1916-1947 >Henri Fayol and Max Weber – general administrative theory (what managers do and what constitutes good management practice)
    Fayols 14 principles of management
  • benoem de veranderingen in de behavioral approach.

    focus on actions of workersLate 1700s-early 1900s >arbeidspyschologie


    1924-mid-1930s >Hawthorne studies (inzichten in individueel en groepsgedrag), meest belangrijkste contributie voor management. Groepsdruk heeft invloed op productie. Mensen gedragen zich anders als ze worden geobserveerd.
    1930s-1950s >satisfied worker is a productive worker
    1960s- today >orginizational behavior (OB) >studying this
  • Wat is de quantitative approach en welke mijlpalen kan je benoemen?




    focus on statistics, optimalization models, information models etc. provided tools to make their jobs easier

    1940s >World war 2. After this applied to businesses.


    1950s >Japan, Total quality management (TQM). Continual improvement an responding to customer needs and expectations.
  • Wat is de Contemporary approach en welke mijlpalen kan je benoemen?
    1960s >systems approach= views an organization as a system, which is a set of interrelated and interdependent parts arranged in a manner that produces a unified whole
    Open systems= systems that dynamically interact with their environment.

    1960> contingency approach (situational approach)= individual organizations, employees and situations are different and require different ways of managing.

    1980s-present >most dramatic changes in information technology, affected managers job. Everyone is connected.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.