Summary Class notes - Celbiologie

Course
- Celbiologie
- Ida
- 2014 - 2015
- rug
- biologie
234 Flashcards & Notes
0 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Celbiologie

  • 1409781600 Hoofdstuk 9

  • Alle cellen van eukaryote organismen lijken op elkaar, dit is handig, want zo kan er gemakkelijk onderzoek worden uitgevoerd worden om verschillende organismen met meestal dezelfde resultaten.
  • Basale processen werken in alle eukaryote cellen op dezelfde manier, handig voor onderzoek.
  • Vaak gebruikte model organismen zijn bakkersgist, nematode, fruitvliegjes, zandraket, cellijnen van muizen. Onderzoeken naar ingewikkelde ziektes, bijvoorbeeld kanker kan hierdoor versimpeld worden.
  • Door wie is de eerste lichtmicroscoop gemaakt>
    Door Antonie van Leeuwenhoek
  • Met de lichtmicroscoop van Antonie van Leeuwenhoek konden vergrotingen worden gemaakt van 250x. Hierdoor werden cellen zichtbaar en bacteriën en gisten werden ontdekt.
  • Weefsels hebben weinig kleur, Golgi deed onderzoek naar kleurstoffen om delen van cellen zichtbaar te maken. Hij heeft het Golgi-systeem ontdekt.
  • Weefsels kunnen niet zomaar onder een lichtmicroscoop, dit moet eerst in plakjes zodat er licht doorheen kan. Het is lastig om van sommige weefsels plakjes te maken.
  • Wie heeft heeft de fase contrast microscoop ontdekt?
    Frederik Zernike
  • Wat kan er met de superresolutie microscoop zichtbaar worden gemaakt?
    Het maakt individuele eiwit moleculen in levende cellen zichtbaar
  • microscopie is erg belangrijk in de celbiologie, door microscopen wordt het mogelijk om cellen in de celinhoud te zien.
  • Welke beperkingen heeft biologisch materiaal onder de micoscoop?
    - Het weefsel moet in plakjes worden gesneden
    - Er zit weinig kleur of structuur in de cellen
  • Door de fase contrast microscoop van Zernike kwam er meer contrast in de te onderzoeken cel.
  • Wat is fluorescentie?
    Excitatie (hogere energie toestand) door absorptie van licht. Terugval naar normaal niveau tijdens emissie van licht (= fluorescentie)
  • Bij fluorescentie worden elektronen naar een hogere baan rond de atoom gebracht (Excitatie) vaak met een bepaalde golflengte licht. Deze elektron blijft een poosje in deze positie, en verlies ondertussen een beetje energie. Vervolgens vervalt het elektron weer naar een langere energie baan, en raak daar weer de wat energie kwijt (emissie) in de vorm van fotonen. Deze fotonen hebben een ander golflengte als het licht dat voor de excitatie zorgde, het licht dat uitgezonden heeft dan ook een andere kleur.
  • De fluorescentie microscoop werkt met fluorescentie. Een lamp met wit licht schijnt op een filter die alleen licht met een bepaalde golflengte doorlaat. Het licht komt op een beam-splitting mirror die alleen licht met een bepaalde golflente reflecteert, vervolgens komt het licht op een lens en dan op het object die onderzocht moet worden. Dit object licht op een zwarte ondergrond, zodat het fluorescentielicht beter zichtbaar is. Vervolgens treed er fluorescentie op en word het licht met de lagere golflengte weer uitgestraald. Dit licht gaat weer door de spiegel, dit keer wordt het niet gereflecteerd, en gaat weer door een filter zodat er echt alleen een bepaalde kleur licht overblijft. Dit licht kun je vervolgens die door de microscoop.
  • Fluorescentie kan met verschillende kleuren licht, als alleen bepaalde delen van een cel behandeld zijn met een stof die met een bepaald soort licht fluoresceert. Kunnen er verschillende delen van een cel zichtbaar worden gemaakt met fluorescentie, die beeldjes worden vervolgens over elkaar heen gelegd, tot een beeld met verschillende kleuren. Ook kan met fluorescentie concentraties van bepaalde stoffen duidelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld veel calcium ionen is blauw en weinig is rood.
  • Voor een fluorescentie microscoop kunnen alleen gefixeerde cellen worden gebruikt
  • Als je een antigen/ eiwit wilt terug vinden kun je gebruik maken van antilichamen met een kleurtje erop. De antilichamen, van konijn, met kleurtje herkennen antilichamen die op een antigen/ eiwit zijn gaan zitten, als lichaamsvreemd en gaan hier vervolgens ook weer omheen zitten. Dit doen ze met meerder tegelijk omdat er dan meer licht vrij komt. Ook is het gemakkelijker om zomaar een antilichaam van een konijn te manipuleren met een kleurtje dan een specifiek antilichaam die op een bepaalt antigen/ eiwit reageert.
  •  Er zijn bepaalde dieren die uit zichzelf fluorescerend zijn door bepaalde eiwitten die ze in zich hebben, bijvoorbeeld de kwal. Het eiwit dat in de kwal is ontdekt heet GFP. Onderzoekers hebben het gen van dit eiwit geïsoleerd en kunnen nu aan eiwitten worden gepakt die van zichzelf niet fluoresceren., hierdoor kunnen  deze eiwitten zichtbaar worden gemaakt. Deze techniek maakt het mogelijk om in levende cellen te kijken.
  • De toepassingen van GFP:
    - Kijken wanneer en waar een gen tot expressie komt.
    - kijken waar een eiwit in de cel zich bevindt
    - Wat is de dynamiek van een eiwit of celonderdeel waarin het eiwit zich bevindt?
  • Sommige GFP eiwitten kun je met een laser aan en uit zetten, zodat je kunt zien wat er met een bepaald eiwit in de cel gebeurd in een bepaalde tijd.
  • Een confocale laser scanning microscoop werkt op de zelfde manier als een fluorescentie microscoop. Er, wordt licht op een weefsel geprojecteerd en licht door middel van fluorescentie op. Het verschil tussen deze twee microscopen is dat de cel niet in plakjes hoeft,  het laser licht kan door de cel dus je kunt de hele cel scannen en zo in 3D in beeld brengen. Nog een voordeel is dat het beeld met de confocale laser scanning microscoop veel scherper is.
  • Verschillen tussen lichtmicroscoop en electronen microscoop:
    - Lichtbron LM is zichtbaar licht, bij EM electronen bundel
    - Lezen bij LM is van glas, bij EM is het een magnetische spoel
    - Contrast wordt bij LM veroorzaakt door absorptie van licht en bij EM door een verstrooiing van elektronen
    - Het oplossend vermogen is van een LM veel kleiner 0.2 micrometer  bij EM is het 2 nm.
  • Van de interessante biologische processen in het meeste te zien met een electronen microscoop.
  • Welke nadelen kleven er aan het gebruik van een elektronen microscoop?
    - Duur
    - Tijd
    - Schadelijke chemicaliën 
  • In de elektronen microscoop worden er komen er elektronen uit een elektronenkanon, deze worden door een spoel gecentreerd, de elektronen komen vervolgens op een roostertje met plakjes van het te onderzoeken weefsel. De elektronen gaan vervolgens door het weefsel heen en raken een beetje verstrooi. Daarna gaan ze door nog twee spoelen om ze centreren op een fotografische plaat. Op de fotografische plaat staat vervolgens het beeld van de het te onderzoeken weefsel.
  • De plakjes onder een elektronen microscoop kunnen achterelkaar worden gelegd, waardoor er een 3D beeld ontstaat
  • Immunogoud labeling werkt volgens het zelfde principe als de antilichamen met een fluorescerend molecuul erop, alleen in dit geval met goud erop vast. Door goud kunnen geen elektronen, op het beeld van een elektronen microscoop komen dan ook zwarte plekken te staan waar de immunogoud deeltjes hebben gezeten.
  • Een scanning elektronen microscoop (EM) kan van heel dichtbij oppervlakten bekijken. Hierbij hoeft het materiaal niet in plakjes worden gesneden. Deze manier van microscopie wordt weinig gebruikt in de biologie.
  • Er zijn sterke electronen microscopen die krachtiger waardoor de plakjes die gemaakt worden dikker kunnen, dit is handig om bijvoorbeeld een virusdeeltje in beeld te krijgen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Celbiologie

  • 1538431200 Celbiologie 1

  • Wat zijn benodigde eigenschappen voor het celmembraan?
    • aflsuitend
    • selectief permeabel (dynamisch)
    • functioneren in een waterige omgeving
    • rekbaar/vormbaar
  • Wat voor functies hebben membranen?
    • afscheiding cel-omgeving: kleine moleculen, ionen, grote moleculen
    • afscheiding organellen
    • genereren/controleren van gradiënten
    • generen/controleren van potentialen
    • matrix voor eiwitten
  • Zet de 4 categorieën van stoffen op volgorde van waar het membraan het meest permeabel voor is tot het minst.
    1. hydrofobe moleculen (O2, CO2, N2, benzeen)
    2. kleine ongeladen polaire moleculen (H20, ureum, glycerol)
    3. grote ongeladen polaire moleculen (glucose, sucrose)
    4. ionen (dus niet permeabel hiervoor)
  • Membranen zijn zelfhelend: Energetisch het meest voordelig is een structuur waar het apolaire deel van de lipiden helemaal niet in aanraking komtmet het water.
  • Geef 5 mogelijke kopgroepen voor fosfolipiden.
    • serine
    • ethanolamine
    • choline
    • glycerol
    • inositol

    De kopgroepen verschillen in polariteit en lading
  • Er zit dus variatie in de kopgroepen van fosfolipiden. Waarin nog meer?
    De vetzuurketens, en dan wat betreft de lengte en de mate van verzadiging.

  • Verzadigde vetzuren zijn meer geordend in de membraan, en leiden tot een minder vloeibare mebraan.
    Langere vetzuurketens hebben meer interactie met elkaar, en leiden tot een minder vloeibare membraan.


    Onverzadigde vetzuren hebben meer ‘kinks’, daardoor is er meer laterale diffusie, en kunnen meer kleine (ongeladen) moleculen doordringen in de dubbellaag. 

  • Cholesterol lost op in membranen, en zorgt voor een grotere lokale rigiditeit, en een verminderde permeabiliteit. Cholesterol heeft geen invloed op de laterale diffusie. 
  • Wat is HDL?
    • high density lipoprotein
    • een HDL blaasje neemt cholesterol op uit het bloed
    • het blaasje omgeeft het cholesterol met een fosfolipidemonolaag --> wateroplosbaar
    • HDL's worden in de lever opgenomen en de cholesterol wordt gedegradeerd 

  • Integrale versus perifere membraaneiwitten:
    Integrale membraan eiwitten zijn niet los te maken zonder de lipid bilayer van de membraan zelf aan te tasten
  • Er zijn verschillende manieren van membraanassociatie voor eiwitten:

    transmembraan --> alfa helix of beta barrel
    perifeer --> eiwit-eiwit interactie of zwavelbruggen
    extracellulair lipide anker --> GPI anker
    intracellulair lipide anker --> prenylering
  • Welke aminozuren zijn ongeladen polair?
    • asparagine
    • glutamine
    • serine
    • threonine
    • tyrosine

  • Bacteriorhodopsin genereert een proton-gradient door H+ van binnen naar buiten te pompen mbv lichtenergie. De gradient wordt vervolgens gebruikt om ATP te genereren. 


    Voor hydrofiele/geladen interacties zijn specifieke aminozuur-residuen of hulpgroepen nodig, in dit geval retinal, Asp en Glu.

  • β-barrel transmembraan eiwitten hebben een hydrofiel interieur. Eventuele selectiviteit wordt veroorzaakt door polypeptide lussen die de ingang kunnen versperren. 

  • Een hydropathy plot laat potentiële transmembraan alfa-helices zien. Twee voorwaarden: een lengte van 20-25 aminozuren, en het overschrijden van een drempelwaarde. 
  • Op welke 2 manieren vindt intracellulaire hechting via een lipide anker plaats? (cytosol)
    • eiwit wordt verankerd aan membraan via een verzuurketen: amidebinding tussen N-terminus en fatty acid
    • eiwit verankerd aan membraan via een prenylgroep: thioether binding tussen cysteine en prenylgroep
  • Welk type lipide-anker wordt gebruikt voor verankering aan de buitenkant van het membraan? Hoe komt dit tot stand?
    Het GPI-anker. (glycosylphospatidylinositol)
    Dit GPI zit al in het membraan. Het eiwit dat verankerd moet worden gaat door membraan heen en blijft met C-terminuskant achter in membraan. Het C-terminale deel wordt losgekoppeld en het eiwit wordt gebonden aan het GPI.

  • Van rode bloedcellen (zonder organellen) kunnen heel gemakkelijk membranen of vesicles worden gemaakt. De binnen en buitenkant van de blaasjes kunnen apart bestudeerd worden. Middels right-side out en inside-out vesicles. 

  • Drie belangrijke eiwitten in rode bloedcellen, spectrin, glycophorin en band 3, zijn elk op een
    andere manier met de membraan geassocieerd. Leg uit. 
    • spectrin is een perifeer membraaneiwit
    • band 3 is een transmembraaneiwit. staarten van tetrameren worden door ankyrin en band 3 aan het membraan verankerd
    • glycophorin overspant de membraan met 1 enkele transmembraan-alfa-helix

  • 60% van de massa van geisoleerde eiwitten bestaat uit suikerresiduen

  • Laterale diffusie kan worden beperkt ...
    In epitheliumcellen zijn veel eiwitten beperkt tot de basale, en andere tot de apicale kant van het epitheel. Tight junctions (membranen van 2 cellen komen samen) vormen een barriere voor laterale diffusie. .
  • Op welke 4 manieren wordt de laterale mobiliteit van transmembraaneiwitten beperkt?
    • eiwitten gaan bij elkaar zitten (bacteriorhodopsin)
    • eiwitten binden als groep aan cytoskelet
    • eiwitten binden aan extracellulair macromolecuul
    • interacties tussen extracelllaire eiwitten van 2 cellen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Celbiologie

  • 1504648800 college06092017-algemeen en microscopie

  • Wat is celbiologie. Wat bestudeerd het, en welke aspecten daarvan bestudeerd het
    De biologie die cellen, hun fysiologische eigenschappen, structuur, de organellen die ze bevatten, interactie met hun omgeving, levenscyclus, deling, dood en cel-functie bestudeert. Dit op microscopisch en moleculair nivo. 
    of
    -Structuur, functie en gedrag van cellen.
    -Beschrijven van onderdelen en processen in de cel, hoe, waar, wanneer.
  • Wat zijn kenmerken en grootte van de eukaryote cel.
    Genetische informatie in de kern.
    Organellen
    Cytoskelet
    de grootte is meer dan 3 micrometer (0,000003 M)
  • Waaruit bestaat cytoplasma
    cytosol en organellen (in de eukaryotische cel)
  • Wat zijn de belangrijkste macromoleculen in cellen
    -Nucleinezuren(DNA, RNA erf. materiaal, info voor eiwitsynthese, opgebouwd uit nucreotiden)
    -Eiwitten(structurele componenten, enzymen, receptoren, opgebouwd uit aminozuren)
    -Lipiden(bouwstenen van de membranen)
  • Waaruit bestaan membranen en wat doen ze.
    Ze bestaan uit voornamelijk lipiden(dubbele laag lipiden) en eiwitten(in verschillende vormen en op verschillende manieren in en door het membraan) en ze omsluiten cellen en organellen.
  • Waaruit bestaat een fosfolipide
    choline, fosfaat,glycerol, 2 vetzuren
  • Welke ordegrootte hebben de holle sferen die zich worden als je lipiden mengt met water.
    25 nm, groter kan ook
  • Wat is "the fluid mozaic model"
    Model van het membraan waarin de membraan vloeibaar is en beweegbaar.
  • Wat zijn model-organismen
    Organismen waarin de te onderzoeken delen/eigenschappen overeenkomen met de delen/eigenschappen van het model-organisme.
    Je gebruikt de meest eenvoudige die voldoet.  Voor alle eukaryoten zijn de basale processen hetzelfde.
  • Wat zijn de eigenschappen van gist.
    -Het heeft een celwand maar geen fotosynthese.
    -Eencellige schimmel.
    -zeer eenvoudig organisme.
    -klein genoom
    -snelle groei.
    -sexuele en a-sexuele reproductie
    -veel experimentele mogelijkheden (bijv recombinant DNA)
    -veel informatie beschikbaar over gist
  • Waarvoor kreeg Yoshinori Ohsumi de nobelprijs in 2016
    Autophagy in gist. Wordt in verband gebracht met; diabetes, parkinson, kanker.
  • Welke soorten worden vaak gebruikt als modelorganisme
    Gist, draadworm (caenorhabditis elegans), muis
  • Wat zijn de eigenschappen van Caenorhabditis elegans (draadworm)
    < 1 mm lang
    959 cellen volwassen dier
    volledige genoom bekend
    19099 genen
    Belangrijk in biomedisch onderzoek !
  • tot welke grootte kan je iets zien met een lichtmicroscoop ?
    200 nm (0,000000200 m) (nog net ribosomen zien)
  • omschrijf de verschillende microscopen (technieken)
    -lichtmicroscoop, licht door specimen heen.

    -fase contrast microscoop, maakt gebruik van faseverschil van licht dat door specimen heen gaat om contrast te maken.

    -fluoriscentie-microscoop, 1 golflengte licht door specimen heen en emissiegolflengte licht wordt uitgezonden. (Specimen fluoriscent maken)

    -confocale laser scanning microscoop (CLSM), is fluoriscentiemicroscopie waarbij laserlicht op een scannende manier op het specimen wordt gericht. Hoge resolutie en 3D beelden.
  • Wat is GFP en bij welke techniek gebruikt men dit.
    Green fluorescent protein.
    Na een dna deel dat codeert voor een bepaald eiwit wordt het DNA deel dat codeert voor GFP geplakt en dat zorgt ervoor dat het betreffende eiwit een GFP eiwit meedraagt. Zo kan je dus in de levende cel kijken !
  • 1504735200 college07092017-microscopie en eiwittransport

  • wat is een elektronenmicroscoop en hoe werkt die.
    Een microscoop die i.p.v. licht een bundel elektronen gebruikt die door een magnetische spoel wordt gefocussed. Het contrast ontstaat door de verstrooiing van de elektronen. Maakt zichtbaar tot 0,05 nm (voor biologisch materiaal in de praktijk tot 1 nm). Het specimen ligt op een koperen gaasje met koolstofof plastic film met een grootte van 3 mm
  • Wat zijn de nadelen van een beeld van de electronenmicroscoop.
    Je moet het specimen behandelen met metaalionen.
    Je ziet eigenlijk de metaalionen en niet het materiaal zelf.
    Je ziet een heel dun plakje ( vertekend het beeld van de werkelijkheid)
    Het specimen is hartstikke dood.
  • Wat zijn sorteringssignalen m.b.t. eiwittransport
    Dat is het signaal dat ervoor zorgt dat een eiwit naar de juiste plaats in de cel wordt getransporteerd. Deze "adressering"bestaat uit een reeks aminozuren in het eiwit. Dit kan zijn aan het begin, eind of midden.
  • beschrijf het kernmembraan.
    het is een dubbel membraan ( dus 2 bilagen). Het heeft een uitstulping in de vorm van de kern (ER-lumen) en er zijn kernporien in het dubbele membraan.
  • Beschrijf een kernporie.(nuclear pore)
    De grootte is ongeveer 0,1 micrometer (100 nm)
    Het bestaat uit een buitenlaag van scaffold nucleoporinsdie tegen het dubbele membraan ligt . Daarbinnen zit een laag channel nucleoporins. Hierbinnen zit een soort wanordelijke borstel van channel nucleoporins.
    Aan de buitenkant zitten lange "draden" de "cytosolic fibrils"
    Aan de binnenkant zit een soort net , de "nuclear basket".
  • Wat weet je van eiwittransport door een kernporie
    Het is import en export.
    Bijvoorbeeld mRNA moet uit de kern.
    het is een actief transport en kost energie.
    Het eiwit wordt opgevouwen getransporteerd door een "nuclear import receptor" waar het precies in past (eiwit-specifiek).
  • Wat weet je van het importsignaal voor de kern (nuclear localization signal).
    Zit op verschillende plaatsen in het eiwit.
    Is een groep positieve ladingen aan de buitenkant van het eiwit.
  • Omschrijf de import in de kern en de specifieke mechanismen t.a.v. de energie en het binden en lossen van het eiwit.
    -De receptor bindt de cargo (opgevouwen eiwit).
    -Het receptor-cargo complet wordt geimporteerd.
    -In de kern bindt Ran-GTP aan de receptor waardoor de cargo dissocieert en in de kern zit. 
    -De receptor met Ran-GTP wordt geexporteerd.
    -Buiten de kern in het cytosol wordt de Ran-GTP gehydrolyseerd en wordt Ran-GDP en de nuclear import receptor laat los.
    Dan gaat de Ran-GDP weer de kern in en is er uitwisseling van GDP en GTP (kleine moleculen kunnen diffunderen door de membraan) waardoor Ran-GTP ontstaat in de kern.
  • Welke enzymen zijn betrokken bij GTP en GDP bij import van een eiwit in de kern.
    In het cytoplasma is Ran-GAP (cytosolisch GTPase activation protein) wat een fosfaatgroep van de Ran-GTP haalt zodat Ran-GDP ontstaat. In de kern is Ran-GEF(Guanine nucleotide exchange factor) wat Ran-GDP verwisseld voor Ran-GTP.).
    Dus;
    -de aan de Ran gebonden GTP wordt omgezet in GDP door Ran-GAP. 
    -de aan de Ran gebonden GDP wordt verwisseld voor GTP door Ran-GEF.
  • Wat weet je over het aantal transportroutes van eiwitten naar mitochondrien en plastiden.
    Er zijn zeer veel "routes"  omdat er diverse membranen en tussen ruimtes zijn in mitochondrien en plastiden.
  • Wat weet je over eiwit-import naar de mitochondriele matrix
    -De mitochondriele matrix is het binnenste van het mitochondrium.

    -De signaalsequentie is een amfipatische alpha-helix( Alfa-helix met 2 verschillende kanten. 1 positieve en 1 hydrofobe kant.)
    -Er is import door Outer Membrane en Inner Membrane tegelijk.
    -Precursor in ontvouwen conformatie naar binnen. 
    -In het cytoplasma zijn chaperonnes, maar in het mitochondrium "hechten" chaperonnes zich aan het eiwit bij binnenkomst zodat het niet terug kan en steeds verder naar binnen wordt "getrokken". -Dit binden van de chaperonnes is energetisch voordelig maar het weer los gaan kost energie.
    Het "signaaldeel" wordt eraf geknipt als het eiwit binnen in het mitochondrium is.
    Het TOM-complex(translocase outer membrane) en TIM23-complex spelen een rol bij de import.
    Een membraan-potentiaal over de binnenmembraan(negatief binnenkant  binnenmembraan en positief buitenkant binnenmembraan) en ATP in het cytosol en de matrix zijn nodig voor de import.
  • Wat zijn karakteristieken van eiwit-import naar het thylakoid lumen
    Het signaal is bipartite.(bestaat uit 2 delen)
    Zit aan N-terminus
    Stroma; amfipatische alfa-helix
  • Wat zijn karakteristieken van import van eiwitten in de chloroplast.
    Via contactsites van OM en IM, waar TOC en TIC complex dicht bij elkaar zijn.
    Precursor in ontvouwen toestand.
  • Geef een overzicht (plaatje) van het eiwittransport in de cel. Geef aan de wijze van transport ( 3 manieren) en of het import en of export is en waarheen het transport is.
    Zie plaatje. De transportmethoden zijn;
    -gated transport (door relatief grote kernporie)
    -transmembrane transport(door eiwittranslocators in een membraan) 
    -vesicular transport(in blaasje)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe heet de kant van het Golgi-apparaat dat niet aan de kant van het ER zit?
Trans-Golgi
Hoe heet de kant van het Golgi-apparaat dat aan de kant van het ER zit?
cis-golgi
Wat wordt bedoelt met een amfipathische alpha-helix?
Een alpha helix met een kant hydrofoob en de ander kant hydrofiel
Noem 6 organellen in schimmels/gisten
-Kern
-Endoplasmatisch reticulum
-Golgi apparaat
-Vacuole
-Peroxisoom
-Mitochondrion
Noem 7 organellen in planten:
-Kern
-Endoplasmatisch reticulum
-Golgi apparaat
-Vacuole (soort lysosoom)
-Peroxisoom
-Mitochondrion
-Chloroplast
Noem 6 organellen in dieren:
-Kern
-Endoplasmatisch reticulum (ER)
-Golgi apparaat
-Lysosoom
-Perocisoom
-Mitochondrion
Wat is een elektrochemische gradiënt?
Dat er aan de ene kant van het membraan meer ionen zijn met een plus of min lading dan aan de andere kant.
Noem 3 verschillende soorten eiwitten.
-Enzymen (katalyseren)
-Receptoren
-Structurele eiwitten (opbouw)
Welke nadelen kleven er aan het gebruik van een elektronen microscoop?
- Duur
- Tijd
- Schadelijke chemicaliën 
Noem 3 signaal molecullen voor de G-eiwit gekoppelde receptoren
-Hormonen
-Smaak- en geurstoffen
-Licht