Summary Class notes - Celbiologie en Weefselleer

Course
- Celbiologie en Weefselleer
- Van den Broeck
- 2018 - 2019
- Rijks Universiteit Gent
- Diergeneeskunde
245 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Celbiologie en Weefselleer

  • 1566338400 Celbio

  • Wat zijn polysomen?
    een goepje van actieve ribosomen
  • Wat zijn lysosomen?
    ontstaan uit het GC en bevatten enzymes om stoffen tot op basis niveau af te breken
  • Functie van het cytoskelet?
    Steun en stevigheid
  • Wat zijn celinclusies
    Zijn niet levensnoodzakelijke membraanomgeven structuren
  • Noem 5 soorten celinclusies op:
    Secretie granules
    Secretie vesikels 
    Endosomen
    Pigmentkorrels
    Glycogeen en vet (enkel deze stoffen kunnen in een cel opgeslagen worden)
  • De functie van micro-tubuli
    Geven de plaats aan de organellen en bepalen zo dus de polariteit van de cel
  • Organellen die enkel EM te zien zijn:
    GER
    Ribosomen
    Polysomen
    Micro-tubuli
    Microfilamenten
  • Waarom is de toename in grootte van een cel beperkt?
    1) Een cel moet een goede relatie met zijn omgeving behouden voor voeding en afgifte.
    2) Tussen kern en metaboliserende celinhoud bestaat er een verhouding kern/plasma dat een limiet heeft.
  • De fysiologische eigenschappen van een cel:
    Prikkelbaarheid
    Geleidbaarheid
    Contractiliteit
    Absorptie
    Secretie (uitscheiden, van nieuwe, geproduceerde stoffen)
    Excretie (uitscheiden van afvalproducten)
    Respiratie (O2 opname)
    Groei
    Reproductie
  • Waaruit zijn weefsels opgebouwd?
    Cellen
    Intracellulaire substantie (Fibreuze subst. --> collageen en amorfe subst (koolhydraten en polysacchariden))
    Vocht
  • Samenstelling van een cel:
    Eiwitten/Proteinen --> bouwsteen (Structuur eiwit; DNA) en belangrijk bij de metabolisatie
    Suikers/Koolhydraten --> Energiebron, glycoproteinen, glycolipiden
    Vetten/Lipiden --> Lipoproteinen, glycolipiden, energie
  • Wat is een unit membrane?
    De tri-lamellaire laag om alle cellen en celorganellen en celinclusies
  • Lipide-globulair proteine model van de celmembraan:
    Statisch: In het trilammelaire celmembraan zitten er transmembranaire eiwitten of effectief door de celmembraan heen trekken.
  • Wat is het E-vlak en wat is het P-vlak? En waar komen deze voor?
    E-vlak: binnenvlak van het buitenlammel
    P-vlak: buitenvlak van het binnenlammel 

    Komen dus voor t.h.v decelmembraan
  • Vloeibaar Lipide-globulair proteine model van de celmembraan:
    Niet statisch: de membraan lipiden zijn bij lichaamstempratuur vloeibaar, wat het dus mogelijk maakt dat de globulaire eiwitten kunnen bewegen
  • Functie van de transmembranaire eiwitten:
    structuureiwit
    Linkereiwit
    kanaal/pomp
    enzm
    Receptor
  • De celmantel, geef een synoniem
    Cell-Coat/ Glycocalynx:
    Bijkomendlaagje van glycoproteinen aan de buitenkant van de celmembraan/plasmalemma, geproduceerd door de celorganellen (dus door de cel zelf)
  • Hoe kan je de celmantel aantonen?
    PAS kleuring --> Periodic Acid Schiff)
  • Functie van de celmembraan/Plasmalemma
    Compartimentatie
    Selectieve barriere --> Semipermeabiliteit
    Interacties met omgeving en andere cellen
    Versteviging/Steun
  • Celmembraan differentiaties i.v.m contact met andere cellen:
    Macula Adherens (desmosoom)
    Fascia Adherens
    Zonula Adherens
    Zonula Occludens
    Macula Occludens
    Nexus/Gapjunction
  • Interdigitationes
    Celmembranen versmolten met elkaar middels haken
  • Wat is een synaps? En geef de functie.
    Is een vorm van cel-cel contact en zorgt voor de prikkeloverdracht middels chemischestoffen (neurotransmitters) of zonder.
  • Oppervlakte toenname van cellen i.v.m resorptie/secretie:
    Microvilli 
    Steriocillien
    Basale Instulpingen
    Intercellulaire kanalen/Apicale instuilingen

  • Bijzondere vormen van oppervlakte toename van de celmembraan
    Crusta
    T- Tubuli
    Caveolae
    Myelineschede
  • Tijdelijke membraanmodificaties i.v.m opname en afgifte
    Endocytose --> opname via vesikelvorming t.h.v de celmembraan.
    2 vormen: Fagocytose (niet constant, selectief) en pinocytose (constant en niet selectief) 

    Exocytose --> afgifte dmv intacellulaire vesikels (secretie vesikels/granules) die versmelten met de celmembraan
  • Vershil tussen secretie granules en secretie vesikels:
     Vesikels: constante secretie
     Granules: niet constante secretie (moeten eerste geactiveerd worden)
  • Hoe kunen cellen voortbewegen?
    Psuedopodien --> stompe cytoplasmatische uitstulpingen: bij diapedese (wondheleing)
    Flagellen, Cillien --> blijvende structuren die celleb laten bewegen; vooruit duwen
    Undulerende membraan --> cytoplasmaplooi; zorgt ENKEL maar voor beweging in een vloeibaar milieu, komt dus niet voor bij cellen in een organisme!!
  • De kernenveloppe
    Een dubbelmembraan met een inzendige ruimte (perinucleaire ruimte) en onderbrekingen (kernporien)
  • Functie van een kernporie en waaruit zijn deze opgebouwd?
    Functie: transport van stoffen in en uit de kern.

    Opgebouwd uit Nucleoporines: eiwitten die het kernporie complex vormen:

    Zuil eiwitten (vormen de buis)
    Luminale eiwitten (verankeren de zuileiwitten met kernmembraan)
    Ring eiwitten (verankeren de zuileiwitten onderling)
    Angulaire/Diafragmatische eiwitten (vormen een diafragma)
    Fibrillaire eiwitten (trechtervormig in de kern)
  • Lamina Fibrosa Nuclei
    Vezelig laagje aan de binnenkant van de kernmembraan --> een rooster van laminines (eiwitten van het cytoskelet --> intermediaire filamenten)
  • Functie van de lamina Fibros Nuclei
    Ankerplaats voor de chromatinedraden en geeft steun aan de kernenveloppe
  • Is de Lamina Fibrosa Nuclei LM te zien?
    Nee, wel het marginale chromatine die hieraan verankert zijn!
  • Wat is er in de kern LM te zien?
    Chromatine (Euchromatine --> actief, niet te zien / Hetrochromatine --> inactie, wel te zien)
    Nucleolus (donkere massa; zeer sterk uitgesproken bij eiwitproducerende cellen
  • Waaruit is het chromatine materiaal opgebouwd?
    Uit DNA --> Nucleine zuur:
    Suikers
    Stikstofbase
    Fosfaatgroep
  • Verschillende soorten Hetrochromatine
    Marginaal chromatine (verankerd in het laminine netwerk --> LFN)
    Structurele Hetrochromatine ( zal altijd hetrochrom. blijven, dus inactief)
    Facultative Hetrochromatine (kan euchromatine worden en dus actief worden en kan dan worden afgelezen)
  • ssDNA
    Single stranded DNA --> codeert van 5' - 3'
    Nadeel: zeer instabiel
    Oplosing: dubbelstrengig DNA
  • dsDNA
    Dubble stranded DNA --> middels H-bruggen tussen de base (ontstaan van basenparen)
  • Wat is een gen?
    Aaneenschakeling van codons (3 basen die coderen voor een volledig/del van een eiwit.
  • Wat is een temlate?
    De NIET coderende streng van het dsDNA loopt dus van 3' - 5'
  • Wat zijn histonen?
    Zijn eiwitten --> octameren bestaande uit 4 subunits die elk 2 keer voorkomen.
    Zien eruit als kleine cilindertjes waar omheen het dsDNA zal gaan spiraliseren --> ontstaan van een parelsnoer (11 nm dik), deze gaat ook spiraliseren tot een telefoonsnoer (van 30nm dik) en dit is LM te zien als het Euchromatine (?) in de nucleus.
    Histonen komen dus voor in het nucleoplasma (in de kern dus).
  • Wat is een Barr-Lichaampje?
    Een dense massa van hetrochromatine; enkel bij vrouwelijke individuen, altijd aanwezig in de kern, maar codeert WEL voor eiwitten, zal echte NOOIT Euchromatine worden --> 1 X-chromossoom dat zeer gecondenseerd is.
  • Wat gebeurd er tijdens de interfase?
    G0 fase
    G1 fase
    S fase
    G2 fase


    Biochemisch is de interfase zeer reactief --> vooral de S fase, maar is niet microscopisch waar te nemen.

    G1 fase: RO's (orgin of replication) --> de plaats waar de DNA replicatie zal starten.
    S fase: synthese; DNA replicatie (van 3' -5'), daarna duplicatie.
    G2 fase: de twee nieuwe DNA strengen worden middels kinetochoor eiwitten bij elkaar gehouden.
  • Wat zijn telomeren?
    De uiteinde van de DNA strengen
    Deze dupliceren niet!!
    oplossing: telomerase --> enzym dat de teleomeren steeds verlengt.
  • In welke cellen zijn telomerase zeer actief?
    In stam- en tumorcellen --> delen veelvuldig.
  • Wat zijn ribosomen? En wat is hun functie?
    Membraan omgeven structuren in een cel opgebouwd uit eiwitten en RNA (rRNA)
    Enkel EM te zien.
    Bestaan uit 2 subunits:
    Subunit 1: Groot (3 rRNA strengen; 120, 160, 4700 basen en ongeveer 49 soorten eiwitten)
    Subunit 2: Klein (1 rRNA streng; 1900 base en ongeveer 33 soorten eiwitten)

    Functie: eiwit synthese --> transcriptie (overschrijven van DNA --> mRNA) en translatie (vertalen van de genetische codes).
  • Polyribosomen/ Polysomen?
    Groepje van ribosomen die aan eiwitsynthese doen, die dus actief zijn.
  • Proteasomen?
    Breken de intercytoplasmatische eiwitten af wanneer deze oud en/of versleten zijn.

    Holle cilinder van eiwitten met aan de binnenkant proteases (enzymes), dat de eiwitten gaat afbreken.
    Hoe? --> door ubicetine; Hoe ouder en versleten een eiwit, hoe meer ubicetine er aan zal gaan binden; Hoe langer de ubicetine-staart --> hoe eerder herkent door de opeing van de proteasomen --> grijpen ze vast en komt in de cilinder terecht --> proteases breken het af tot op AZ niveau.
  • Het Endoplasmatische Reticulum:
    2 soorten: Glad en Ruw.

    Ruw: bevat ribosomen die aan eiwitsynthese doen --> eiwitten komen het RER binnen via H20 oplosbaar eiwit, vormt een kanaaltje.
    Stel eiwit ook vetoplosbaar: niet volledig transport doorheen de membraan van het RER --> ontstaan van transmembranaire eiwitten; COOH-intracellulair (buiten het RER) en NH2-extracellulair (in het RER).  

    Glad: Heeft geen ribosomen --> Plaats waar de membraan wordt aangemaakt, en herstel ervan.
    Basis bouwsteen van steroide cholesterol.
    Stapeling van ionen bv in de spiercellen: stapeling van Ca in het sacroplasmatisch reticulum.
    Ontgiftiging in het GER opslag van ontgiftigende enzymes.
  • Het Golgi-Complex
    In het RER --> eiwit productie --> worden middels transport vesikels (via COP 2 eiwitten) naar de cis-zijden van het GC getransporteerd.
    In de cysterne van het GC --> glycosylering van de eiwitten --> worden van de ene naar de andere cysterne getranspordeerd middels vesikels en de COP 1 eiwitten.

    Uit de laatste cysterne van het GC --> trans-zijde --> ontstaan van secretie granules en secretie vesikels --> transport van eiwitten en eiwit secretie en vorming van lysosomen.
  • Charperines?
    Zijn begeleidende eiwitten --> indien eiwitten niet goed zijn --> door de charperines herkent en terug getransporteerd via de COP 1 en COP 2 eiwitten --> worden in het RER gerepareerd of niet en blijven daar dan gewoon opgeslagen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Oorsprong van de bloedvorming:
Oerstamcel --> pluripotente stamcel --> 2 multipotente stamcellen --> myeloïde reeks (alle andere bloedcellen) en de lymfoïde reeks (de lymfocyten).
Hematopoiesis = bloedvorming, waar gebeurd het?
Pre-nataal: in de dooierzak, lever, milt, beenmerg (rood --> later geel), thymus, lymfeknopen, GALT (?).

Volwassen individuen: beenmerg (rood) in de platte beenderen.
2 soorten van afweer:
Aspecifieke afweer: 
1) Neutrofielen
2) Eosinofielen
3) Monocyten/Macrofagen

Specifieke afweer:
1) Monocyten
2) Lymfocyten
3) Eosinofielen
Wat is nog een functie van de bloedplaatjes?
Het produceren van groeifactoren --> stimuleert bdw cellen om nieuw bdw aan te maken (ook pericyten --> nieuwe endotheel/gladde spiercellen)
Gaan zich ook hechten op afgestorven weefseldelen: smakelijk maken voor de macrofagen (--> herkenning en opname).
Wat houdt de klontretractie in?
Gebeurd bij wondheling --> contraheren van de rode bloedcellen, al het voch wordt eruit geperst, kleiner worden van het stolsel.
Hoe vindt de bloedstolling plaats?
Dmv de cell-coat schuiven zij over het endotheel van de bloedvaten --> merken zij een onderbreking op (voele de BM of al zelfs onderliggend bdw) --> gaan op de onderbreking vasthechten --> de canaliculi en tubuli gaan versmelten met elkaar --> alfa-granules gaan versmelten met de kanaaltjes --> stollingsfactoren vrijgesteld --> fibrinogeen --> fibrine (voorlopige bdw vezels) --> netwerk van vezels waarin de bloedcellen gevangen worden --> bloedstolsel
Wat zijn trombocyten en wat is hun functie?
Trombocyten zijn bloedplaatjes:

Celgrafmenten en gaan de bloedbaan nooit verlaten!!
Zijn biconvexe schijfjes, ondersteund door een ringvormige microtubuli. 
Bevat een open canaliculair systeem (OCS)
Bevat een dens tubulair systeen (DTS)
Veel granules....

Functie: stoppen van de bloeding (stollen) en herstel.
Wat zijn lymfocyten en wat is hun functie?
Zijn witte bloedcellen die behoren tot de agranulocyten, hebben dus geen granules.
Functie: specifieke afweer
Wat zijn monocyten en wat is hun functie?
Zijn witte bloedcellen die behoren tot de agranulocyten, dus hebben geen granules.
10% van alle witte bloedcellen.
Zijn in de bloedbaan inactief --> gaat bloedbaan verlaten en nestelen in de weefsels --> worden geactiveerd --> psuedopodia vroming --> macrofaag.
Doen aan groeifactor secretie --> wondheling
Fagocyteren van celdebris --> wondheling
Kunnen versmelten tot 1 grote macrofaag --> reuzecel.
Presentatie van antigeen aan T-lymfocyten --> immuunresponse.
Wat zijn basofielen en wat is hun functie?
Zijn de minst voorkomende granulocyten.
Zijn groter dan eosinofielen, dus veel groter dan neutrofielen.
De kern heeft 2 lobben
Bevatten secundaire granules met ontstekingsmediatoren --> bij vrijstelling: inwerken op de bloedvaatjes:
- openstaan
- zwelling
- warmte
- roodheid
- pijn 
Gaat nooit fagocyteren
bevat receptoren voor IgE --> hierdoor vrijgeven van ontstekingsmediatoren.