Summary Class notes - Chemie

Course
- Chemie
- Edwin
- 2017 - 2018
- Windesheim (Windesheim locatie Zwolle, Zwolle)
- Lerarenopleiding 2e graad Gezondheidszorg en Welzijn
271 Flashcards & Notes
4 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Chemie

  • 1484262000 Hoofdstuk 1 Stoffen

  • Wat is scheikunde
    Tak van de wetenschap die zich bezig houdt met stoffen.
  • Wanneer is er spraken van een chemische reactie. Geef een voorbeeld.
    Bij een chemische reactie vindt er blijvende stofveranderingen plaats. Voorbeeld verbranden van suiker dit wordt karamel.
  • Noem de 4 verschijningsvormen van stoffen en welke aanduiding hoort hierbij.
    1. Vast (s=solid), 2. vloebaar (l=liquid), 3. Gas (g=gas) 4. opgelost in water (aq=aqua)
  • Noem de 6 fasen-overgangen.
    1. Smelten = Vast naar Vloeibaar
    2. Stollen = Vloeibaar naar Vast 
    3. Verdampen = Vloeibaar naar Gas
    4. Condenseren = Gas naar Vloeibaar
    5. Sublimeren/vervluchtigen = Vast naar Gas
    6. Sublimeren / Rijpen = Gas naar Vast
  • Noem de 8 stofeigenschappen die een stof kan hebben:
    1. Smeltpunt
    2. kookpunt
    3. Smaak
    4. Geur
    5. Kleur
    6. Dichtheid
    7. Brandbaarheid
    8. Geleidbaarheid door elektriciteit
  • Er zijn 6 veronderstellingen over moleculen. Noem veronderstelling 1.
    Elke stof heeft zijn eigen moleculen.
  • Wat verklaart veronderstelling 1, Elke stof heeft zijn eigen moleculen?
    Deze veronderstelling verklaart het verschil tussen zuivere stoffen en mengsels.
  • Wanneer noem je een stof zuiver en waar herken je een zuivere stof aan.
    Zuivere stoffen bestaan uit één soort moleculen. Je kunt een zuivere stof herkennen aan zijn smelt- of kookpunt.
  • Wat versta je onder een smeltpunt en een kookpunt. Geef een voorbeeld.
    Dat de stof op één punt kook of smelt. Bijvoorbeeld water smelt bij 0 graden en kookt bij 100 graden.
  • Wanneer noem je een stof een mengsel en waar herken je mengsels aan.
    Mengsels bestaan meerdere soorten moleculen. Je herkent mengsels aan hun smelt- en kooktraject.
  • Wat versta je onder een smelt- en kooktraject. Geef een voorbeeld.
    Bij een smelt- of kooktraject is er geen één punt maar start de stof met koken of smelten en tijdens dit proces veranderd de temperatuur. Bijvoorbeeld Alcohol start met koken op 80 graden en kookt door tot 100 graden. Dit noem je een traject.
  • Er zijn 6 veronderstellingen over moleculen. Noem veronderstelling 2 en verklaar je antwoord.
    Er zit ruimte tussen moleculen. Als je een stof oplost in water dan neemt het volume niet toe, dit geeft aan dat er ruimte tussen de moleculen zitten.
  • Er zijn 6 veronderstellingen over moleculen. Noem veronderstelling 3 en verklaar je antwoord.
    Moleculen bewegen. Als je in de hoek van de kamer spuit met een deospray, dan ruik je dit vrij snel door de hele ruimte. De stoffen van de spray diffunderen door de ruimte heen.
  • Er zijn 6 veronderstellingen over moleculen. Noem veronderstelling 4 en leg dit uit.
    Moleculen bewegen in verschillende fasen.
    1. In een vaste stof trillen moleculen op één plaats.
    2. In een vloeistof trillen de moleculen harder en bewegen ze door elkaar heen.
    3. Bij een gas trillen de moleculen zo hard dat ze gaan vliegen.
  • Er zijn 6 veronderstellingen over moleculen. Noem veronderstelling 5.
    Moleculen trekken elkaar aan.
  • Moleculen trekken elkaar aan. Hoe heet deze kracht.
    vanderwaalskracht.
  • De vanderwaalskracht kent twee soorten aantrekkingskrachten. Noem deze 2 krachten en leg ze uit.
    Cohesie: is de aantrekkingskracht tussen moleculen van dezelfde stof.
    Adhesie: is de aantrekkingskracht tussen moleculen van verschillende stoffen.
  • Er zijn 6 veronderstellingen over moleculen. Noem veronderstelling 6.
    Moleculen zijn opgebouwd uit atomen.
  • Hoe noem je ontleedbare stoffen.
    Verbindingen.
  • Hoe noem je niet ontleedbare stoffen.
    Elementen.
  • Het woord element kan kan 2 dingen betekenen. Noem deze 2 betekenissen en noem een voorbeeld.
    Meestal betekent element een niet ontleedbare stof, maar soms betekent het een atoomsoort. Voorbeeld element zuurstof kan over atoomsoort O gaan of over de gas zuurstof O2.
  • Noem de 7 niet ontleedbare stoffen. Noem ze bij naam en bij afkorting.
    Br-I-N-Cl-H-O-F.
    Br2 = Broom
    I = Jood
    N2 = Stikstof
    Cl2 = Chloor
    H2 = Waterstof
    O2 = Zuurstof
    F2 = Fluor
  • Noem de 6 verschillende scheidingsmethoden.
    1. Filtreren
    2. Bezinken
    3. Indampen
    4. Extraheren
    5. Destilleren
    6. Adsorberen.
  • Welke scheidingsmethode gebruikt bij een niet opgelost vaste stof in een vloeistof? en waar berust dit op. En hoe noem je wat je overhoudt.
    Scheidingsmethode is filtreren. Dit berust op verschil in deeltjesgrootte en wat je over houdt noem je filtraat.
  • Welke scheidingsmethode gebruik je bij het scheiden van een vaste stof van een vloeistof. Waar berust dit op en hoe noem je wat je overhoudt.
    De scheidingsmethode is bezinken. Dit berust op het verschil in dichtheid en wat je overhoudt noem je bezinking.
  • Welke scheidingsmethode gebruik je bij het scheiden van een opgeloste vaste stof uit een vloeistof. Wat gebeurt er met de vloeistof, waar berust dit op en hoe noem je wat je overhoudt.
    De scheidingsmethode is indampen en berust op het verschil in kookpunt. Het kookpunt van de vloeistof ligt lager dan de vaste stof. De vloeistof verdampt en de vaste stof is wat je over houdt en noem je residu.
  • Welke scheidingsmethode gebruik je voor het scheiden van de ene stof die oplost in water en de andere niet. Waar berust dit op.
    De scheidingsmethode is extraheren en berust op het verschil in oplosbaarheid.
  • Welke scheidingsmethode gebruik je voor scheiden van een vaste stof uit een vloeistof (vloeistof blijft bewaart) of voor het scheiden van twee vloeistoffen. Waar berust dit op?
    De scheidingsmethode heet destilleren en berust op het verschil in kookpunt waarbij de vloeistof met het laagste kookpunt na het scheiden destillaat heet en de vloeistof met het hoogste kookpunt na het scheiden residu heet.
  • Welke scheidingsmethode gebruik je bij het scheiden van een vaste stof en een vloeistof of een vloeistof en een vloeistof.
    De scheidingsmethode heet adsorberen en berust op verschil in aanhechting.
  • Wat betekent residu, filtraat, suspensie en emulsie.
    1. residu de stof die achter blijft na het scheiden.
    2. Filtraat de stof die door het filter kan.
    3. Suspensie een troebel mengsels van een vaste stof in een vloeistof. De stoffen vermengen wel maar lossen niet op.
    4. Emulsie een troebel mengsel van twee vloeistoffen die niet in elkaar oplossen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Chemie

  • 1480201200 mengsels

  • wat is een homogeen mengsel?
    een mengsel die je niet meer van elkaar kan scheiden
  • wat is een heterogeen mengsel?
    een mengsel dat niet overal dezelfde samenstelling heeft
  • heterogeen- vaste stof+ vaste stof
    grof mengsel
  • heterogeen- vaste stof+ vloeistof
    insluitsel
  • heterogeen- vaste stof+ gas
    insluitsel
  • heterogeen- vloeistof+ vaste stof
    suspentie
  • heterogeen- vloeistof+ vloeistof
    emulsie
  • heterogeen- vloeistof+ gas
    schuim
  • heterogeen- gas+ vaste stof
    rook
  • heterogeen- gas+ vloeistof
    nevel
  • homogeen mengsel is altijd?
    oplossing
  • vast -> vloeibaar
    smelten
  • vloeibaar -> vast
    stollen
  • vast -> gas
    desublimeren
  • gas -> vast
    sublimeren
  • vloeibaar -> gas
    verdampen
  • gas -> vloeibaar
    condenseren
  • de deeltjes in een mengsel noemt men...
    componenten
  • 1480287600 Elementen enkelvoudige stoffen

  • aluminium
    Al
  • Al
    aluminium
  • argon
    Ar
  • Ar
    argon
  • barium
    Ba
  • Ba
    barium
  • beryllium
    Be
  • Be
    beryllium
  • boor
    B
  • B
    boor
  • broom
    Br
  • Br
    broom
  • calcium
    Ca
  • Ca
    calcium
  • chloor
    Cl
  • Cl
    chloor
  • cobalt
    Co
  • Co
    cobalt
  • fluor
    F
  • F
    fluor
  • fosfor
    P
  • P
    fosfor
  • goud
    Au
  • Au
    goud
  • helium
    He
  • He
    helium
  • ijzer
    Fe
  • Fe
    ijzer
  • jood
    I
  • I
    jood
  • kalium
    K
  • K
    kalium
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke atoomsoorten kunnen 4 atoombindingen aangaan.
C = koolstof heeft geen ion 
Si = Silicium heeft geen ion
Welke atoomsoorten kunnen 3 atoombindingen aangaan.
N = Stikstof heeft geen ion
P = fosfor heeft geen ion
Welke atoomsoorten kunnen 2 atoombindingen aangaan.
O2- = Zuurstof
S2- = Sulfaat /zwavel
Welke atoomsoorten kunnen 1 atoombinding maken.
H+ =  waterstof
F- = Fluor
Cl- = Chloor
Br- = Broom
I- = Jood
Wat is de molecuulformule van Aceton.
CHCOCH
Wat is de molecuulformule van Ammoniak.
NH
Wat is de molecuulformule van Alcohol.
CHCHOH
Trans-enkelvoudig onverzadigde vetzuren zijn....
Harde plantaardige vetzuren
 cis-enkelvoudig onverzadigde vetzuren zijn...
plantaardige oliën.
Wat kun je zeggen als vetzuren in vetten onverzadigd zijn.
des te lager is het smeltpunt en des te meer is de lipide vloeibaar.