Summary Class notes - Diagnostiek

Course
- Diagnostiek
- rachel
- 2014 - 2015
- uu
- universiteit Utrecht
216 Flashcards & Notes
8 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Diagnostiek

  • 1421276400 Tak hoofdstuk 15

  • waar moet rekening mee worden gehouden bij het diagnosticeren van motorische beperkingen?
    - niet-lineaire dynamische karakter van ontwikkeling, waardoor het ontwikkelingstempo de ene keer sneller en de andere keer trager verloopt (scores op ontwikkelingstests zijn niet altijd stabiel)
    --> gebruik maken van meerdere metingen om met meer zekerheid te kunnen vaststellen of er bij een kind sprake is van een achterstand. 
    - er zijn grote interindividuele verschillen in ontwikkelingstempo. 
    - er zijn aanwijzingen voor etnische verschillen in het bereiken van motorische mijlpalen


    DUS: normering meetinstrumenten met grote representatieve steekproef, waarbij rekening wordt gehouden met etnische verschillen
  • Definieer een motorische ontwikkeling, motorische achterstand en motorische stoornis
    motorische ontwikkeling: leeftijd-gerelateerde veranderingen in bewegingsgedrag en de processen die daaraan ten grondslag liggen.
    motorische achterstand: later bereiken van motorische mijlpalen dan leeftijdsgenootjes
    motorische stoornis: afwijkende symptomen op bewegingsgedrag en een afwijkende ontwikkelingsvolgorde
  • er zijn 3 niveau's van motorisch functioneren, welke?
    1. lichaamsfuncties: bv. spierkracht en mobilitieit van gewrichten
    2. activiteiten: basismotorische vaardigheden zoals staan en lopen, en dagelijkse activiteiten zoals aankleden, eten, etc
    3. participatie: de deelname aan het maatschappelijk leven, zoals sporten bij een vereniging
  • Rosenbaum en collega's onderscheiden 3 fasen in de diagnostiek van motorische ontwikkelingsstoornissen, welke?
    1. screening van het motorisch functioneren in de voorschoolse periode. op basis van oudervragenlijsten
    2. vervolgdiagnostiek voor kinderen die bij de screening zijn uitgevallen. bepaling of kind daadwerkelijk een verhoogd risico heeft op ontwikkelingsstoornis
    3. verwijzing van het kind naar een specialist om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van een ontwikkelingsstoornis
  • wat is het verschil tussen inter-individual variability en intra-individual variability?
    inter: behalen van motorische mijlpalen bv. zelfstandig lopen
    intra: binnen persoon; grove en fijne motoriek
  • welke verschillende doelen zijn er voor het diagnosticeren van motorisch functioneren?
    - identificeren van achterstand/stoornis in motorische ontwikkeling --> vroegtijdige onderkenning
    - bepalen van niveau van motorisch functioneren
    - monitoren van de motorische ontwikkeling
    - evalueren van effecten interventie
    - voorspellen van het ontwikkelingsniveau op latere leeftijd
    - sterkte/zwakte analyse van het motorisch functioneren
  • welke testen kun je gebruiken voor vroegtijdige onderkenning van motorische problemen?
    - VWO: Van Wiechen Onderzoek 0-4 jaar, test bij consultatiebureau
    - ASQ: ages and stages questionnaire, vragenlijst voor ouders, over kinderen van 4 maanden tot 5 jaar. screening op 5 domeinen (fijne en grove motoriek, communicatie, probleemoplossend gedrag en persoonlijk-sociale vaardigheden)
    - GM: General Movement observatiemethode voor risicokinderen tussen 0-3 maanden
    - AIMS: Alberta Infant Motor Scale, observatiemethode voor risicokinderen tussen 0-18 maanden. 
  • Definieer Cerebrale Parese (CP)
    een houdings- of bewegingsstoornis als gevolg van een blijvende, maar niet-progressieve hersenbeschadiging die voor 1jarige leeftijd is ontstaan
  • wat zijn vroege symptomen van CP
    - vertraagde grof-motorische ontwikkeling
    - verminderde kwaliteit van bewegen
    - abnormale motorische ontwikkeling
    - verandering van spiertonus
    - abnormale reflexen
    - asymmetrie tonus/ reflexen
  • Veruit het meest gebruikte classificatiesysteem om CP te classificeren van ernst is het.......... 
    Leg dit model kort uit
    Gross Motor Function Classification System (GMFCS)
    aan de hand van 5 niveau's:
    level 1: loopt zonder belemmeringen
    level 2: loopt met beperkingen
    level 3: loopt met behulp van een loophulpmiddel
    level 4: beweegt zichzelfstandig voort met beperkingen (rolstoel, maar wel zelfbesturen)
    level 5: zelf voortbewegen is ernstig belemmerd, zelfs met gebruik van hulpmiddelen, niet zelf bedienen rolstoel
  • welk classificatiesysteem wordt gebruik om te classificeren naar type bewegingsstoornis? en leg kort uit
    SCPE:
    - spastische bewegingsstoornis (hoge tonus)
    - dyskinetische bewegingsstoornis (hoge en lage tonus)
    - atactische bewegingsstoornis (lage tonus)
  • de classificatie naar de mate waarin de ledematen zijn aangedaan, maakt onderscheid in.....
    - hemiplegie; parsen aan 1 kant van het lichaam
    - diplegie: parese van vooral de benen en in mindere mate de armen
    - tetraplegie; parese van armen en benen
  • welke 2 testen worden vooral gebruikt om het niveau van motorisch functioneren bij kinderen met CP te bepalen?
    - GMFM Gross Motor Function Measure --> motorische test 0-15 jaar 
    - PEDI Pediatric Evaluation of Disability Inventory --> vragenlijst voor ouders, meet de zelfredzaamheid van kinderen van 6 maanden tot 7.5 jaar in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten
  • Wat is de definitie van DCD?
    DCD is een coordinatieontwikkelingsstoornis die wordt gekenmerkt door get feit dat ze meer problemen hebben met het uitvoeren van dagelijkse activiteiten die bewegingscoordinatie vereisen dan op grond van hun leeftijd en intelligentie mag worden verwacht. 
  • Aan welke 4 criteria moet je voldoen om de diagnose DCD te krijgen?
    A. problemen met dagelijkse activiteiten die motorische coördinatie vereisen ( in vergelijking tot leeftijdsgenootjes)
    B. Interfereert significant met schoolse activiteiten of activiteiten in het dagelijks leven
    C. niet toe te schrijven aan een aantoonbare neurologische aandoening (bv. spasticiteit, spierdystrofie)
    D. niet toe te schrijven aan mentale retardatie
  • Vul in:
    ................. van de kinderen met DCD heeft een comorbide stoornis. Deze problemen zijn vaak........... van aard
    3/4 van de kinderen
    sociaal-emotieel
  • er zijn 2 verschillende soorten interventies voor kinderen met DCD, welke?
    - procesgerichte interventies: richten zich vooral op het verbeteren van tekorten in onderliggende processen die een rol spelen bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten
    - taakgerichte interventies: richten zich vooral op het oefenen van taakgerichte functionele bewegingen, zoals het leren vangen van een bal 
  • Welke testen kun je gebruiken voor DCD?
    - Movement Assessment Battery for Children (Movement- ABC 2) lichte motorische problemen, 3-6 jaar/ 7-10 jaar/ 11-16 jaar
    - Maastrichtse Motoriek Test identificeren motorische problemen 5-6 jaar
     
    Screening:
    - Groninger Motoriek Observatie (GMO)
    - DCD-Q, vragenlijst voor ouders
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Diagnostiek

  • 1535925600 Probleem 1

  • Wat is de prevalentie van een VB en psychopathologie?
    Psychopathologie komt bij 14-80% van de mensen met VB voor
    3-4x vaker emotionele-, gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen bij VB
  • kinderen en jeugdigen met VB hebben in vergelijking met leeftijdgenoten een verhoogd risico op het ontwikkelen van psychopathologie, hoe kan dit komen?
    Volgens organische modellen kan dit komen door fysiologische, biochemische en genetische factoren
  • Welke extra stoornissen worden vaak gezien bij een lichte VB?
    Depressie, angst en antisociaal --> naar anderen gekeerd
  • Welke extra stoornissen worden vaak gezien bij een ernstig/matige VB?
    Psychotisch, ASS --> in zichzelf gekeerd
  • Wat zijn belangrijke voorspellers van psychiatrische stoornissen?
    voorafgaande emotionele en gedragsproblemen
  • Welke risicofactoren zijn specifiek voor mensen met een VB voor het ontwikkelen van psychopathologie?
    Sterk gebrek dagelijkse sociale activiteiten
    Probleemgedragingen (in zichzelf gekeerd, autistiform gedrag)
  • Welke resultaten kwamen naar voren uit het onderzoek van Goodman? Welke het verband onderzocht tussen kindstoornissen en IQ > 70
    - Laag IQ = meer externaliserend problematiek --> sterker naarmate de leeftijd toeneemt
    - Zwakke associatie tussen een hoger IQ en emotionele problemen
    - Niet SES gerelateerd
    - IQ van vrouwen was lager, maar meer gedragsproblemen bij mannen
  • Plomin deed onderzoek naar gedragsproblemen en verbale/non-verbale cognitieve capaciteiten en beperkingen (kids 2,3 en 4 jaar). Wat waren de resultaten?
    - Bescheiden associatie tussen gedragsproblemen en cognitieve ontwikkeling = groter voor non-verbaal
    - Verband wordt sterker met de leeftijd, vooral bij jongens
    - zowel genetische als gedeelde factoren leggen de verbanden tussen gedragsproblemen en cognitieve ontwikkeling
  • Emerson deed onderzoek naar de relatie tussen cognitie en psychopathologie bij kinderen van 2/3 jaar. Welke resultaten kwamen hier naar voren?
    - Hogere waarden emotionele en gedragsproblemen bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand
    - Hoe lager de cognitieve vermogens, hoe hoger de waarschijnlijkheid op gedragsproblemen
  • Variabelen die steeds terugkeren als risicofactor zijn:
    - Eerdere psychopathologie kind
    - Lichamelijke aandoening
    - School/leerproblemen --> vooral ext. gedrag
    - Stressvolle levensgebeurtenissen
    - Geslacht --> geen eenduidigheid over in de literatuur wat meer voorkomt bij welke geslacht
    - Ouderlijke psychopathologie
    - Vaderlijke delinquentie
    - Disfunctioneren gezin
    - Eenouderschap of scheiding
    - Lage SES --> verklaard niet alles
    - Genetische factoren --> kunnen sterker zijn voor extreme factoren
  • Wat is de betekenis van auto-agressief gedrag bij hoog en laag ontwikkelingsniveau?
    Hoog --> existentiële problematiek (pijn, angst, frustratie)
    Laag --> zeer hoge opwinding en dissociatie
  • Bij dieronderzoek worden 2 vormen van agressie onderscheiden, welke?
    1. Predatoragressie (roofdier) --> arousel laag en motoriek onder controle
    2. Affectieve agressie (fight/flight) --> arousal hoog, motoriek niet onder controle
  • In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen 5 vormen agressie, welke?
    1. Affectief
    2. Doelgericht
    3. Gemengde agressie
    4. Impulsief
    5. Novelty Seeking
  • Wat is affectieve agressie?
    Een impulsieve reactie op een prikkel (bedreiging, provocatie of frustratie) 
    iemand heeft een hoog arousel en heeft motoriek niet onder controle

    Vaak minder verbaal IQ en psychiatrische behandeling
    Vaak bij zwaar en licht VB
  • Wat is doelgerichte agressie?
    Gecontroleerd, vaak aangeleerd en bekrachtigd met een doel
    Laag arousel en motoriek onder controle
    Vaak bij matig en licht VB
  • Wat is gemengde agressie?
    Zowel affectieve als doelgerichte agressie
  • Impulsieve agressie?
    Impulscontroleproblemen, komen vaak voor bij zware VB
  • Novelty seeking
    Hypo arousel, continu op zoek naar spanning (regulatiestoornis)
  • Crocker deed onderzoek nar de associatie tussen verschillende soorten agressief gedrag en de verschillende soorten fysieke/mentale gezondheidsproblemen. Wat wordt in dit artikel gezegd over de associatie tussen fysieke agressie en het niveau van VB?
    De kans om fysiek agressief te zijn is 1.93 hoger bij matige VB dan lichte VB
  • Welke vorm van agressie komt volgens Crocker vaker voor bij lichte VB en is ook de meest voorkomende vorm van agressie?
    Verbale agressie
  • Waarmee is eigendomsagressie geassocieerd volgens Crocker?
    met de ernst van de mentale gezondheidsproblemen
  • Welke vorm van agressie komt vaker voor bij spraakstoornis?
    fysieke agressie door frustratie
  • Welke vorm van agressie komt vaker voor bij angststoornis?
    seksuele agressie
  • Wat versterkt de fysieke agressie?
    een verstandelijke beperking
  • Sovner en Lowry (2001) hebben een schema ontwikkeld van affect- en stemmingsregulatie bij aandoeningen van de hersenen die voor agressief gedrag bepalend kunnen zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 4 basale affectieve toestanden, welke?
    1. Irritatie
    2. hyperarousel
    3. Excitatie
    4. Woede
  • Wat is hyperarousel?
    een psychische spanning of alertheid die de persoon klaarmaakt voor een actie
  • Wat is Excitatie?
    Een toestand van opwinding, waarbij de persoon zoekt naar stimulerende activiteiten
  • Wat is de uitlokking en vorm van agressie op het niveau van homeostase (0-6 maand)?
    - Uitgelokt door --> boosheid en woede door zeer basale prikkels (honger, pijn, overprikkeling)
    - Uiting: tegen zichzelf en diffuus
  • Wat is de uitlokking en vorm van agressie op het niveau van hechting (6-18maand)?
    door: frustratie
    gericht tegen hechtingsfiguur of zichzelf en is diffuus
  • Wat is de uitlokking en vorm van agressie op het niveau van zelf-ander differentiatie (18-36 maanden)?
    reactie op boosheid en angst
    impulsief van aard
    gericht tegen anderen
    niet gecontroleerd
  • Wat is de uitlokking en vorm van agressie op het niveau van ego vorming (3-7 jaar)?
    Reactie op boosheid en angst of aangeleerd om doel te bereiken
    impulsief en gecontroleerd
    Gericht op objecten of mensen
  • Wat is de uitlokking en vorm van agressie op het niveau van realiteitsvorming (7-12 jaar)?
    boosheid, angst of doelgericht
    verbaal en meestal gecontroleerd
    gericht op mensen of objecten
  • Impulsiviteit
    aanleg om snel, ongepland te reageren op interne of externe prikkels, ongeacht de negatieve gevolgen hiervan.
  • Impulscontrolestoornis
    psychische stoornis
    Ontlading van agressief gedrag of gedrag door sublimatie van agressie ontstaat bij mensen met een normale cognitie
  • Wat is er te zeggen over impulsiviteit bij mensen met een licht of matige VB?
    vergelijkbare impulsieve ontladingen als bij algemene populatie
    Stadia van ontlading zijn niet altijd even herkenbaar
  • Wat is er te zeggen over impulsiviteit bij mensen met een ernstige VB?
    impulsieve agressieve ontladingen
    Geen gesublimeerde vormen van impulsieve agressie en verschillende stadia van ontlading
  • Impulscontrole is normaal gezien afhankelijk van de leeftijd, bij mensen met VB is het afhankelijk van het ontwikkelingsniveau
  • Scheringa onderzocht de associatie tussen opvoedingsgedrag en de O-K relatie tussen families met kinderen met/zonder externaliserend problemen en MBID. Welke resultaten kwamen naar voren op het gebied van opvoedingsgedrag?
    Ouders van kinderen met externaliserend problemen toonden:
    - minder betrokkenheid en monitoren
    - meer fysieke bestraffing en positieve discipline

    Rapporteerde:
    - minder gevoel van ouderlijke competentie
    - minder acceptatie en closeness met het kind
  • Wat kwam in het artikel van Scheuringa (ext. gedrag en MBID) naar voren op het gebied van ouder-kind relatie?
    Ouder kind relatie werd als belangrijkste factor gevonden, dit verklaarde de verschillen in opvoedingsgedrag
  • Welke ouderlijke reacties spelen een rol bij externaliserend gedrag? (scheuringa)
    Acceptatie
    ernst
    verbinding
    competentie
  • Wat doet een orthopedagoog om erachter te komen wat het probleem is?
    1. een uitvoerige ontwikkelingsanamnese en een somatisch/ neurologisch onderzoek
    2. Psychiatrisch/ psychologisch onderzoek
    3. bij 1 en 2 geen verklaring --> observaties en gedragsanalyse
  • Waaruit bestaat het integratieve beeld?
    1. Formulering van verschillende biologische, somatische, psychiatrische en ontwikkelingsaspecten
    2. ontstaansmechanisme en dynamiek van het probleemgedrag
    3. Diagnostische formulering van het probleemgedrag
    4. Behandeling
  • Wat zegt Flynn in zijn artikel over het IQ?
    IQ testen meten vaardigheden die gelinkt zijn aan intelligentie, maar het weerspiegelt niet iemands ware intelligentei
  • Ponsoen noemde meerdere kanttekeningen van IQ:
    • IQ speelt nogal eens een doorslaggevende rol in de besluitvorming omtrent indicatiestelling en zorgtoewijzing --> overschaduwt andere aspecten
    • IQ is onveranderbaar klopt niet
    • Verschil verbaal/performaal dan is het totale IQ niet meer van waarde
    • Vraagtekens bij stabiliteit IQ, is niet stabiel voor VB
    • Teveel IQ-testen meten alleen maar intelligentie
    • Kinderen met VB zijn ondervertegenwoordigd in de normgroep
    • Minste samenhang subtest schoolprestaties in performaal, verbaal zijn meer gecorreleerd met schoolprestaties
  • Wat is de conclusie van Ponsioen wat betreft de waarde van de IQ score?
    • voorzichtiger omgaan met IQ scores
    • Aangepaste afname en scoring van de WISC bij LVG-jongeren
    • Dimensioneel, verklarend en handelingsgericht kijken --> MDO!!
    • Kijk niet alleen naar de cijfers
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Diagnostiek

  • 1522533600 Hoofdstuk 9. Hoe valt het gezinsfunctioneren te diagnosticeren?

  • Genogram
    -Bij het verzamelen van informatie over het gezinsfunctioneren wordt vaak een genogram gebruikt als ordeningsprincipe.

    -Dit is een notatiesysteem, waarmee een familiestamboom gemaakt kan worden.
  • Child Abuse Risk Evaluation Nederland (CARE-NL)
    -Is ontwikkeld voor het beoordelen van het risico op kindermishandeling. 

    -De lijst moet worden ingevuld door professionals die in hun functie een inschatting kunnen maken van het risico van kindermishandeling. De CARE-NL bestaat uit vier schalen:

    *Ouderlijke factoren: individuele kenmerken van de ouder die samenhangen met het risico van mishandeling. 

    *Ouder-kind factoren: opvoedaspecten. 

    *Kindfactoren: individuele eigenschappen van het kind, die het kind kwetsbaar maken voor kindermishandeling. 

    *Gezinsfactoren: kenmerken die gerelateerd zijn aan de omgeving waarin het gezin zich bevindt.
  • Gezinsklimaatschaal (GKS-II)
    -Is gericht op het onderzoeken van de beleving van gezinsleden van het gezinsklimaat. De lijst kan worden ingevuld door kinderen vanaf 10 jaar en volwassenen. De GKS-II omvat zeven schalen:

    *Cohesie: de betrokkenheid van gezinsleden op elkaar. 
    *Expressiviteit: mogelijkheid om in het gezin gevoelens en meningen openlijk en direct te uiten. 
    *Conflict: het uiten van boosheid en agressie binnen het gezin.
    *Organisatie: de regels, taken en plichten zoals die binnen het gezin gehanteerd worden. 
    *Controle: de controlerende functie van de gezinsleden ten opzichte van elkaar. 
    *Normen: de mening van de gezinsleden met betrekking tot normen en waarden.
    *De sociale oriëntatie: de betrokkenheid van de gezinsleden op de sociale omgeving. 

    -Daarnaast kunnen er twee samengestelde scores worden berekend:

    *Gezinsrelatie-index: bestaat uit de schalen cohesie, expressie en conflict.
    *Gezinsstructuur-index: bestaat uit de schalen, organisatie en controle.
  • Gezinsvragenlijst (GVL)
    -Richt zich op het bepalen van de kwaliteit van de gezins- en opvoedomstandigheden van een gezin met kinderen van 4-12 jaar. De vragenlijst wordt door ouders ingevuld.
  • Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid - Jeugdzorg (LIRIK-JZ)
    -Betreft een korte checklist om vermoedens van kindermishandeling of anderszins onveilige opvoedsituatie te onderkennen en het risico op kindermishandeling in de nabije toekomst in te schatten. 

    -De LIRIK-JZ beoordeelt dus de huidige veiligheidssituatie en maakt een inschatting van de toekomstige risico's. 

    -Bij het in kaart brengen van de huidige situatie worden verschillende soorten aanwijzingen onderzocht:

    *Informatie over ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige.

    *Informatie over het handelen van de ouders in de omgang met de jeugdige. 

    *Signalen van de jeugdige. 

    *Risicofactoren bij ouders, de jeugdige, het gezin en /of de omgeving.
  • Gezinssysteemtest (GEST)
    -Meet relatiestructuren in het gezin (cohesie en hiërarchie) en is bedoeld voor kinderen vanaf 6 jaar en volwassenen. 

    -Het gezinslid moet met poppetjes een typerende ideale gezinssituatie en een relevante conflictsituatie op een spelbord uitbeelden. 

    -Vergelijkingen tussen de gezinsleden geven informatie over waarnemingsverschillen, stabiliteit, flexibiliteit en generatiegrenzen.
  • Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI)
    -Meet in hoeverre een ouder de opvoeding van een kind al stressvol, moeilijk en (te) zwaar ervaart.

    -De lijst kan worden ingevuld door ouders over kinderen van 7 tot 12 jaar.   

    -De NOSI bestaat uit een ouderdomein met 7 schalen (competentie, rolrestrictie, hechting, depressie, gezondheid, sociale isolatie en huwelijkrelatie).

    -Een een kinderdomein met 6 schalen (aanpassing, stemming, afleidbaarheid, veeleisendheid, positieve bekrachtiging en acceptatie).
  • Nijmeegse Vragenlijst Opvoedingssituatie (NVOS)
    -Brengt in kaart in welke mate ouders de opvoedsituatie met een kind als belastend ervaren, wat zij daarvoor als oorzaken zien en wat voor hulp zij verwachten. 

    -De lijst kan worden ingevuld door ouders over kinderen tot 14 jaar. 

    -De NVOS bestaat uit vier onderdelen, met ieder een aantal subschalen:

    *Subjectieve gezinsbelasting: acceptatie, aankunnen, problemen hebben, situatie anders willen, kind is een belasting, er alleen voor staan, plezier hebben, goede omgang. 

    *Beoordeling van de opvoedsituatie.

    *Attributies met betrekking tot de opvoedsituatie: inspanning zelf en partner, aandeel partner, moeilijkheidsgraad en toeval/lot. 

    *Hulpverwachting: mate van tevredenheid, wil tot verandering, wil tot hulp, interne hulpverwachting, externe hulpverwachting en perspectief.
  • Opvoedingsbelasting Vragenlijst (OBVL)
    -Richt zich op het vaststellen van de mate van opvoedingsbelasting bij ouders. De lijst kan ingevuld worden door ouders van kinderen tot 18 jaar. De OBVL bestaat uit vijf schalen:

    * Problemen in de opvoeder-kind relatie

    *Problemen met opvoeden

    *Depressieve stemmingen

    *Rolbeperkingen

    *Gezondheidsklachten
  • Ouder-kindinteractie Vragenlijst-Revised (OKIV-R)
    -Beoogd te onderzoeken hoe de ouder de opvoedrelatie met het kind beoordeelt en andersom.

    -De lijst kan worden ingevuld door kinderen van 8-18 jaar en hun ouders. De lijst bestaat uit twee schalen:

    *Conflicthantering: kwaliteit in het voorkomen en oplossen van conflicten. 

    *Acceptatie: warmte, troost, bescherming en trots.
  • Taxatielijst voor ouderfunctioneren (TVO)
    -Geeft inzicht in de kwaliteit van het ouderfunctioneren en wordt ingevuld door hulpverleners over ouders van kinderen van 4-14 jaar.
  • Vragenlijst Gezinsproblemen (VGP)
    -Geeft inzicht in de visie van ouders  op eventuele problemen in het gezin en omvat negen schalen: steun en communicatie, opvoeding, vijandigheid, uitvoering van taken, betrokkenheid, geborgenheid, partnerrelatie en problemen met kinderen.
  • Vragenlijst Meegemaakte Gebeurtenissen (VMG)
    -Meet hoeveel en welke ingrijpende, stressvolle gebeurtenissen een kind heeft meegemaakt. 

    -De vragenlijst omvat twee schalen: positieve gebeurtenissen en negatieve gebeurtenissen.
  • Verkorte Schaal voor Ouderlijk Gedrag (VSOG)
    -Brengt het handelen van ouders richting een bepaald kind in kaart. 

    -De vragenlijst wordt ingevuld door ouders van kinderen van 4-18 jaar. 

    -De VSOG bestaat uit vijf schalen: positief ouderlijk gedrag, regels, straffen, hard straffen en belonen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Diagnostiek

  • 1426546800 Hoofdstuk 7 Probleemdefiniëring- vertalen naar psychologische termen

  • Dilemma
    een keuze moeten maken uit twee even goede of even slechte opties
  • Probleem
    iets wat vraagt om een oplossing
  • Stoornis
    een afwijkend gedragspatroon dat aanzienlijk lijden veroorzaakt, de kans op ernstig letsel, de dood of vrijheidsverlies aanzienlijk verhoogt
  • Prevalentie
    de aanwezigheid van een stoornis, ziekte of eigenschap op een bepaald moment, meestal uitgedrukt als een percentage van de gehele bevolking
  • Symptoom
    een uiting, uitingsvorm of kenmerk. Een verschijnsel waaraan iets kan worden herkend
  • Syndroom
    een verzameling van symptomen die samen opgaan, met elkaar samenhangen
  • Ziekte
    een toestand waarin de (geestelijke) gezondheid is verstoord
  • DSM criteria voor een depressieve periode
    vijf of meer van de volgende 9 symptomen zijn binnen dezelfde periode van twee weken aanwezig geweest en wijzen op een verandering van het eerdere functioneren. Ten minste één van de symptomen is ofwel 1. depressieve stemming. ofwel 2. verlies van interesse of plezier. 
    1. depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen ofwel observatie door anderen. NB. Kan bij kinderen of adolescenten ook .prikkelbare stemming zijn.
    2. Duidelijke vermindering van interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag.
    3. Duidelijke gewichtsvermindering zonder dat dieet gehouden wordt, of gewichtstoename, of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust. NB Bij kinderen moet gedacht worden aan het niet bereiken van de te verwachten gewichtstoename.
    4, Insomnia of hypersomnia, bijna elke dag
    5. Psychomotorische agitatie of remming, bijna elke dag
    6. Moeheid of verlies van energie, bijna elke dag
    7. Gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens, bijna elke dag.
    8, Verminderd vermogen tot nadenken of concentratie of besluiteloosheid, bijna elke dag
    9. Terugkerende gedachtes aan de dood, terugkerende suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen zijn gemaakt, of een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen
  • comorbiteit
    het tegelijk lijden aan twee of meer stoornissen
  • differentiële diagnostiek
    het vergelijken van twee of meer stoornissen die een aantal probleemgedragingen gemeen hebben
  • subklinisch
    probleemgedragingen die niet voldoen aan de criteria voor een stoornis
  • ruwe score
    de daadwerkelijke score op een schaal of vragenlijst
  • standaardscore
    de vergelijking van de ruwe score ten opzichte van een normgroep
  • 1426633200 Hoofdstuk 8 Verklaren: oorzaak, gevolg en vicieuze cirkels

  • correlatie
    twee variabelen hangen samen
  • positieve correlatie
    twee variabelen hangen op zo'n manier samen dat een verhoging bij de ene variabele samenhangt met een verhoging bij de andere en omgekeerd.
  • negatieve correlatie
    twee variabelen hangen op zo'n manier samen dat een verhoging bij de ene variabele samenhangt met een verlaging bij de andere
  • correlatiecoëfficient
    een cijfer tussen de -1 en +1 dat aangeeft hoe sterk twee variabelen samenhangen. Hoe verder weg van 0, hoe sterker de samenhang. Ook genoemd Pearson's product-moment correlation coëfficient. of Pearson's r.
  • significantie
    een verschil is pas significant als aangetoond kan worden dat het niet puur aan het toeval te wijten is. In de sociale wetenschappen is niets 100% zeker en wordt genoegen genomen met 'een redelijke kans dat het verschil niet aan het toeval te wijten is'.
  • steekproef
    een groep onderzoeksobjecten ( lees: personen of cliënten) die worden onderzocht. Deze groep bevat niet alle onderzoeksobjecten, maar een selectie daaruit
  • self-efficacy
    het geloof in je eigen kunnen
  • self-serving bias
    de neiging om informatie zó te interpreteren dat het voor de persoon zelf het beste uitkomt
  • cognitieve dissonantie
    een interne wrijving tussen twee gedachten, zoals een bepaalde overtuiging en gedrag dat wordt uitgevoerd maar niet (helemaal) rijmt met die overtuiging
  • bekrachtiging
    een principe uit de gedragsleer dat zoveel betekent als een consequentie die ervoor zorgt dat bepaald gedrag in frequentie toe of afneemt
  • vicieuze cirkel
    een opeenvolging van oorzaak en gevolg waarin het gevolg steeds een nieuwe oorzaak wordt totdat er een cirkel ontstaat, waardoor gevolgen elkaar aanjagen en daardoor in ernst toenemen
  • operante conditionering
    een leerproces waarin gedrag dat positief wordt bekrachtigd in frequentie toeneemt en dat  wat negatief wordt bekrachtigd afneemt.
  • extrinsieke beloning
    de beloning komt van buitenaf: de omgeving beloont het gedrag
  • intrinsieke beloning
    het gedrag wordt van binnenuit beloond: iemand doet iets omdat hij er plezier aan beleeft
  • afweermechanisme
    oorspronkelijk in de psychoanalyse gebruikt met de betekenis: alle manieren waarop mensen pijnlijke feiten voor zichzelf verbergen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

wat is het verschil tussen inventarisatie en classificatie?
inventarisatie: het onderbrengen van probleemgedrag in een bepaald patroon
classificatie: toekennen stoornis
welke eisen zijn belangrijk binnen de probleemanalyse?
- eis van relevantie
- eis van volledigheid
- eis van optimaal bereik
- eis van de ontwikkelingsdimensie
- eis van objectiviteit
- eis van interne consistentie
- eis van goed te onderscheiden categorieën 
wat zijn interne en externe disfunctionele gedragingen?
interne: gevoelens
externe: observeerbare gedragingen
op welke 2 manieren kan emotieregulatie worden opgevat?
- de rol van emoties bij het reguleren van sociale interacties; bv. meehuilen met andere baby
- reguleren van de emoties zelf; strategieën om de eigen emotionele toestand te identificeren, begrijpen en in balans te brengen met doelen die worden nagestreefd
de morele ontwikkeling van kinderen is door Kohlberg ingedeeld in 3 stadia. leg uit. Met welk instrument kun je dit meten?
stadium 1 is het pre-conventionele stadium; hierin beoordelen kinderen hun gedrag aan de hand van de mate waarin ze hiervoor straf of beloning krijgen
stadium 2: conventionele stadium: hierin moet je je houden aan de wettelijke geboden en verboden (basisschoolleeftijd)
stadium 3: post-conventionele stadium: in staat zijn om persoonlijk geaccepteerde morele principes te handhaven ook als anderen het hier niet mee eens zijn (ong rond 16 jaar)

instrument: Socio-moreel-interview SMI
wat is mind-mindedness ?
de neiging om mentale toestanden aan anderen toe te schrijven in het dagelijks leven, er wordt een voorstelling gemaakt van andermans gedachten en gevoelens
onderzoek naar emoties wordt meestal gedaan op 3 aspecten:A. lichamelijk, fysiek en cognitiefB. expressie, begrip en emotieregulatieC. cognitief, emotieregulatie en gedrag
B
wat valt er allemaal onder emotie?
- gevoelens
fysiologische, motivationele, cognitieve, expressieve en gedragsmatige componenten
hoe werkt  het sociale informatieverwerkingsmodel?
1. encodering; situatie wordt waargenomen
2. representatie; er wordt betekenis aan de situatie verleend
3. emoties; afhankelijk van de vermeende impact op de belangen van een persoon ontstaan gevoelens
4. responsgeneratie; die emoties kunnen potentiele reacties activeren
5. emotieregulatie; die potentiele reacties hoeven niet per definitie te worden uitgevoerd
6. responsselectie; er wordt een selectie gemaakt om daadwerkelijk te reageren.

als een van de stappen afwijkend verloopt, ontstaat er sociaal probleemgedrag.
wat houdt ToM ook weer in?
Theory of Mind houdt in dat personen een basaal inlevingsvermogen in anderen hebben, zo kun je gedrag van anderen verklaren op basis van gedachten die je denkt dat de ander heeft