Summary Class notes - Digestie

Course
- Digestie
- Hans Blok
- 2015 - 2016
- Universiteit Utrecht
- Diergeneeskunde
262 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Digestie

  • 1443045600 Stof tussentoets

  • Welke spiercontractie zorgt ervoor dat het voedsel in de pharynx komt?
    De m. mylohyoideus. 
  • Wat gebeurd er tijdens de pharyngeale fase?
    1. 0.3 seconden
    2. m. mylohoideus blijft gecontraheerd, voedsel kan niet terug
    3. het pal. molle gaat naar dorsaal plus er is contractie van de voorste keelsnoerders, ostium intrapharyngeum wordt verkleind
    4. de larynx wordt naar voor en onder getrokken: afscherming door de tongwortel
    5. aanspannen stembanden zorgt voor aansluiting trachea
    6. epiglottis buigt zich passief over opening trachea
    7. contractie keelsnoerders
  • Waardoor wordt het gladde spierweefsels in de oesophagus geïnnerveerd?
    Door de neuronen in de intramurale plexus, die gekoppeld zijn en worden aangestuurd door n. vagus. 
  • De tunica muscularis bestaat uit:
    -lamina epithelialis
    • eenlagig epitheel in de intestines
    • meerlagig plat epitheel, soms verhoornd, in cutaan
    -lamina propria
    • losmazig bindweefsel, klieren en lymfoïde cellel
    -lamina muscularis mucosa bestaat uit glad spierweefsel
  • De tunica submucosa bestaat uit:
    • bloedvaten
    • veel losmazig bindweefsel
    • lymfevaten
    • eventuele klierstructuren (klieren van Bruhner in het duodenum)
    • zenuwplexus (plexus submucosus, zowel parasympatisch als sympatisch)
  • De tunica muscularis bestaat uit:
    • binnenste circulaire laag spierweefsel
    • buitenste longitudinale laag spierweefsel
    • plexus myentericus zowel parasympatisch als sympatisch
  • Wat voor soort klieren zijn speekselklieren?
    Samengestelde tubulo-acinaire klieren met striated ducts en myoepitheliale cellen. 
  • Wat is de functie van secretine?
    Het wordt uitgescheiden door de S-cellen van het duodenum als er voedsel, maagzuur of galzouten voorbij komen. Het stimuleert de secretie van water, maagzuur, galzouten, mucus en pepsinogeen. Het inhibeert de secretie van maagzuur en de motiliteit. Het wordt gereguleerd door CCK en de nervus vagus. 
  • Wat is de functie van gastrine?
    Het wordt uitgescheiden door de G-cellen  van het antrum en duodenum. Het stimuleert maagzuur secretie. Het heeft twee equipotente vormen, G-17 en G-34. G-17 is tijdens de maaltijd in de maag, G-34 tussen maaltijden in het duodenum. Het bindt aan een CCK receptor en kan ook gestimuleerd worden door histamine op histamine receptoren van pariëtale cellen. 
  • Wat is de functie van CCK?
    Het is een hormoon uitgescheiden door endocriene I-cellen in respons op vet en eiwitten in het duodenum en jejunum. Het stimuleert galbladder emptying en de secretie van pancreas enzymen. 
  • Wat is de functie van somatostatine?
    Het wordt gemaakt door D-cellen en remt de secretie van maagzuur.
  • Wat is de functie van acetylcholine in het MDK?
    Acetylcholine werkt in op de G-cellen en op de M3 receptoren van pariëtale cellen. Hierdoor wordt gastrine geproduceerd wat bindt aan CCK receptoren op pariëtale cellen. Ook werken de gastrine en acetylcholine in op ECL-cellen.
  • Wat gebeurd er vooraf aan braken?
    1. Relaxatie van de maagspieren en de LES en het sluiten van de pylorus
    2. Contractie van de buikspieren waardoor er meer intra-abdominale druk is
    3. Ademhalen met een gesloten glottis waardoor er minder druk in de thorax en oesophagus komt.
    4. Openen van de UES
    5. Antiperistaltiek in het duodenum.
  • Wat gebeurd er in de maag distaal en proximaal?
    -proximaal in de fundus
    • opslag/ elastisch reservoir
    • transport naar het distale deel
    • receptieve en adaptieve relaxatie (tonische contracties)
    -distaal in het corpus/ antrum
    • mengen/ verkleinen
    • zeven en transport naar het duodenum
    • pacemaker initieert fasische contracties d.m.v. slow waves.
  • Welke vier fases heb je tijdens de ructus?
    1. Separatiefase, het microbieel gevormde gas komt uit de structuurlaag vrij.
    2. Transportfase, vrij gas wat bovenin zit wordt richting de slokdarm afgevoerd door de B-wave.
    3. Oesophageale fase, antiperistaltische golf over de slokdarm, daarna peristaltische golf om de slokdarm weer schoon te maken
    4. Laryngotracheale fase, gas gaat eerst naar de longen en verdwijnt met de expiratie
  • Welke zenuw reguleert de voormaag motiliteit?
    De nervus vagus, dus ook de A en de B wave. 
  • Wat zijn promethazine en chloorcyclizine?
    Anti-emitica, H1-receptor antagonisten. Je gebruikt ze bij reisziekte in honden. 
  • Wat is substance P?
    Een agonist van de NK-1 receptor in het braakcentrum. Als antagonist hiervoor heb je maropitant. 
  • Wat is loperamide?
    Je gebruikt m om de passagesnelheid te verlagen want het heeft een hoge affiniteit voor OP3 receptoren in de darmwand. Hij remt acetylcholine. 
  • Wat is betanechol?
    Een directe parasympathicamimetica en een agonist van de muscarine receptor agonist. Het stimuleeert de motiliteit maar kan zorgen voor heftige darmcontracties. Heeft veel andere bijwerkingen zoals speekselen, bradycardie en hypotensie. 
  • Wat is neostigmine en fysostigmine?
    Een acetylcholine esterase remmer, werkt hetzelfde als een muscarine agonist. 
  • Wat is cisapride en metoclopramide?
    Farmaca met een agonistische werking op 5-HT4 receptoren  en antagonistische werking op 5-HT3 receptoren. Dit resulteert in een versterking van de cholinerge prikkeloverdracht naar de gladde spiercellen en daarom een prokinetisch effect. Je geeft het bij verstoorde maaglediging of verminderde motiliteit van de dunne darm. 
  • Wat is omeprazol?
    Een farmacon wat de H+/K+ ATPase in pariëtale cellen remt, waardoor het transport van H+ionen uit de cel naar het lumen van de maag vrijwel onmogelijk wordt. 
  • Wat zijn cimetidine en ranitidine?
    Histamine H2 receptor antagonisten, waardoor het geen cAMP gevormd kan worden en de ATPase pomp niet aangaat waardoor de secretie van maagzuur geremd wordt. 
  • Wat is sucralfaat?
    Bij een lage pH vormt het een visceuze gel over de laesies, het buffert ook het maagzuur en vormt tevens complexen met mucus in de maag. Hierdoor wordt de mucus minder makkelijk afgebroken. 
  • Wat is brotizolam?
    Een eetlust bevorderderaar. Het heeft een centrale agonistische werking op GABA receptoren. 
  • Wat is sulfazalazine?
    Wordt niet goed opgenomen in MDK en komt daarin in hoge concentraties aan in de dikke darm. Hier splitst het door bacteriële enzymen in sulfapyridine en salicylaat. Het heeft een anti-inflammatoire werking. 
  • Welke medicijnen stimuleren de eetlust?
    Brotizolam, diazepam en oxazepam. 
  • Wat geef je aan een hond met obesitas?
    Dirlotapide en mitratapide, die microsomal triglyceride transfer protein remmen waardoor er minder vet wordt afgegeven door enterocyten aan het bloed. 
  • Wat is somatostotine?
    Het remt de maagzuursecretie in het maagdarmkanaal en het wordt gemaakt door D-cellen. Die maken het onder invloed van gastrine, H+ en secretine. 
  • Hoe is de stimulatie van de pariëtale cel?
    • endocrien door gastrine
    • paracrien door histamine
    • neurocrien door acetylcholine van de nervus vagus
    Er vindt synergie plaats tussen gastrine en histamine. 
  • Hoe wordt de pancreas gereguleerd?
    -Neuraal
    • parasympaticus: n. vagus
    • sympatisch: n. splanchnicus
    -Endocrien
    • secretine stimuleert de ductuscellen
    • CCK stimuleert de acineuze cellen en zorgt ervoor dat de sfincter van Oddi opent.
  • Hoe reguleert secretine de ductuscel?
    Als het bindt aan de receptor zorgt het voor een toename aan cAMP, wat ervoor zorgt dat er meer Cl- de cel binnenstroomt. Hierdoor stroomt er meer bicarbonaat naar buiten. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - digestie

  • 1409522400 Hoorcollege 2

  • Benoem de grens van de mondholte (ectoderm) en de keelholte (endoderm)
    oropharyngeale membraan
  • Het stromodeum stulpt naar binnen toe naar de oropharyneale membraan en vormt de mondholte

  • Benoem de onderdelen van de cavum oris (mondholte) 
    Palatum durum (rugae palatinae)
    Palatum molle
    Arcus palatoglossus
    Lip / wang
    Vestibulum oris; buccaal en labiaal
    Cavum oris proprium
  • Benoem de begrenzing van de mondholte 
    palatum durum --> begrenzing mondholte en neusholte
    wangen--> begrenzing zijkant
    arcus palatoglossus--> grens mondholte en keelholte
  • Tand heelkundige classificatie 
    op basis van vorm en functie kan je het soort gebit onderverdelen in twee soorten: Homodont, waarbij de gebitselementen gelijk zijn van vorm en heterodont, waarbij gebitselementen verschillend van vorm en functie zijn
  • Benoem de indeling binnen een heterodont gebit 
    Heterodont gebit:
    Snijtanden: I (dentes incisivi) Hoektanden: C (d. canini) Valse kiezen: P(d. premolares) Ware kiezen: M (d. molares)
  • Tandheelkundige classificatie

    Op basis van tandwisselingen kunnen we het soort gebit ook onderverdelen:

    Monophyodont: geen voorgaande of opvolgende dentitie

    Diphyodont: twee tandenwisselingen: melkgebit en blijvend gebit

    Polyphyodont: meerdere tandenwisselingen, gebitselementen worden gedurende het hele leven vervangen

  • Beschrijf de twee manieren van tandwisselen
    Verticaal--> meest bekend, ware element duwt van boven/beneden uit de melktand eruit en de wortel resorbeert en laat los. Het ware element komt op die plek naar boven
    Horizontaal--> Olifant wisselen horizontaal. Er komt een nieuw element van achteren aan en het voorste element wordt verwijderd
  • welke manier van tandwisselen wordt hier afgebeeld?
    horizontaal, van een olifant
  • Beschrijf de onderverdeling van de verticale tandwisseling
    elodont --> doorgroeiend. Diersoorten waarbij de tanden hun hele leven doorgroeien. Geen sluiting en wortelvorming
    anelodont --> niet doorgroeiend. Diersoorten waarbij er maar in bepaalde tijd een gloeiing plaatsvind. Hier vind een uiteindelijke kroon aan de bovenkant en een wortel aan de onderkant. Deze wortel sluit zich en vormt een punt als de tand klaar is met groeien. 
  • Op basis van lengteverhouding tussen de kroon en wortel kunnen we het soort gebit ook onderverdelen. Benoem deze onderdelen en beschrijf hoe ze van elkaar verschillen. 
    Hypsodont: lange anatomische kroon, relatief korte wortel (paard) Relatief lange kroon. Relatief korte wortel. Wijd wortelkanaal Groeien lange periode.
    Brachyodont: volwassen tanden en kiezen hebben wortels die langer zijn dan de anatomische kroon (hond)
    Relatief korte kroon. Relatief lange wortel. Nauw wortelkanaal. Groeien korte periode.
  • We onderscheiden een klinische en een anatomische kroon. Een klinische kroon is alles wat boven het tandvlees steekt en een anatomische kroon is alles wat met emaille (glazuur) bedekt wordt.
  • Benoem de onderdelen van een brachyodonte tand
    1: glazuur 2: dentine 3: cement 4: pulpa 5: paradontale ligamenten 6: alveolus (tandkas)
  • Benoem de onderdelen van een hypsodonte tand
    1. Linguale zijde
    2. Kroongroeve gevuld met cement (invidubulum)
    3. Glazuur
    4. Dentine
    5. Cement
    6. wortelkanaal
  • Geef de eigenschappen van het glazuur van de tand 
    Hard, email, wit
    96% anorganische kalkzouten,
    T.h.v. tandvlees verdikt, om voedsel tegen te houden
    Niet geïnnerveerd of gevasculariseerd (als je een gaatje hebt hierin voel je er niks van)
  • Geef de eigenschappen van de dentine van de tand
    Tandbeen, gelig van kleur,
    Aanwezig in wortel en kroon
    70% anorganisch materiaal,
    Bevat kleine kanaaltjes met zenuwuiteinden en bloedvaatjes vanuit de pulpa.
    Dentine is uiterst gevoelig
    zit om pulpaholte heen
  • Geef de eigenschappen van het cement van de tand
    Bekleedt de wortel, lijkt op bot,
    50% anorganisch materiaal, dus zachter dan glazuur.
  • Geef de eigenschappen van de pulpa (wortelkanaal) van de tand
    Eindigend in apex
    Odontoblasten, fibroblasten, collagene vezels, bloedvaatjes, lymfevaatjes, zenuwweefsel
    Gedurende hele leven afzetting van secundaire dentine
  • Gebit van een paard
    Het paard heeft lange wortels waarbij de anatomische kronen verder door groeien. Hoewel het gebit anelodont is, groeien de anatomische kronen toch door. Paarden malen hun eten door hun kiesoppervlakten over elkaar heen te schuiven. zo krijg je enorm veel slijtage. Dan krijg je een riggelvorming en de kronen worden kleiner. Vanuit de wortel wordt dat een tijdje lang aangevuld, totdat het wortelkanaal gaat sluiten. Dan schuift de kies uit de tandkas. Bij hele oude paarden kunnen er spontaan gebitselementen uitvallen, omdat ze op zijn. 
  • Bij sommige paarden wordt een zwart sterretje op de tand gezien. Waardoor wordt dit veroorzaakt?
    Hieronder zit de pulpa die secundaire cement afscheid. Dit cement is gevoelig voor kleurstoffen en is daarom ook zwart. De pulpa is door het afslijten te ver naar boven gekomen. 
  • Beschrijf de bouw van een hypsodont element 
    • Kroon in eerste instantie omgeven door glazuur
    • Glazuur dringt occlusievlak in
    • Gevormde holte is het infundibulum
    • Infundibulum is gevuld met cement
    • Door afslijting en wisselende hardheid van materialen ontstaan richels op het occlusievlak
  • Geef een aantal eigenschappen van de 4 kiesvormen

     Secodont:
    – 1 verlengde knobbel
    – Schaargebit, knipkiezen
    – Hond, kat
    Bunodont:
    – Meerdere knobbels
    – Knobbelkiezen pletten
    – Varken, mens
    Selenodont:
    – Glazuurrichels
    ½-maanvormig 
    – Maalgebit
    – Herkauwer
    Lophodont:
    – Glazuurrichels (grillig)
    – Maalgebit
    – Paard
  • Beschrijf de vorming van de tand
    • Proliferatie van mondslijmvlies epitheel (ectoderm): vorming van hoefijzervormige verdikking,
    • Verdikking groeit het onderliggende mesoderm in en vormt tandlijst,
    • Hierin vormen zich de tandknoppen (met ectodermaal en mesodermaal component),
    • Tandknoppen stulpen in: tandklokjes, die het glazuur van de tand gaan vormen (ectodermaal), 
    • Binnenin het tandklokje verdikt het kaakmesenchym zich tot tandpapil waaruit zich dentine en pulpa gaan vormen (mesodermaal), 
    • Tandklokje en tandpapil samen zijn tandkiem. 
    • Door glazuurformatie verschuiven de ameloblastennaar de periferie, uiteindelijk atrofie, geen glazuurvorming meer,
    • Odontoblasten trekken zich terug naar de tandpapil en laten kanaaltjes achter. Odontoblasten blijven gedurende het hele leven dentine vormen,
    • Ondertussen ontstaat ook tandkiem voor de permanente tand uit lamina dentalis en verdwijnt de verbinding tussen het emailorgaan en het oppervlak,
    • De ontwikkeling van de tandwortel begint bij de aanstaande doorbraak en zet zich voort totdat de tand in een rij staat met de omgevende elementen.
  • Wat is het verschil tussen het kaakgewricht van een herbivoor en dat van een carnivoor?
    Bij de carnivoren ligt het kaakgewricht ter hoogte zit (in het verlengde)van de kiezenrij, om een knipbeweging te krijgen. o
    Bij een herbivoor zit het kaakgewircht veel hoger, om een maalbeweging te krijgen.
  • Een kaakgewricht past eigenlijk niet opelkaar, daarom is er een schijfje in gemaakt genaamd: 
    Articulatio temporomandibularis. 
  • Waarvoor is de articulatio temporomandibularis?
    Dit is een discus die ervoor zorgt dat er twee bewegingen plaats kunnen vinden. Tussen de onderkaak en discus kan er gescharnierd (knipbeweging) worden. Tussen de bovenkaak en de disscus kan er geschoven worden. 
  • Welke spieren zijn het grootst bij de herbivoor en welke het grootst bij de carnivoor?
    Carnivoor--> M. temporatlis
    Herbivoor--> M.meseter
  • Wat zijn de functies van speekselklieren?
    • Vochtig houden v.d. mond/ bescherming mondmucosa
    • Vormen van een voedselbolus
    • Glad en nat maken van voedsel voor het slikproces 
    • Vertering (gering)
    • Oplosmiddel voor smaakstoffen/ voedselselectie
  • Benoem de speekselklieren en benoem bij welk dier ze voor komen
     Glandula parotis
    • Gl. mandibularis
    • Gl. sublingualis (mono- en polystomatica)
    • Gl. buccalis (paard, varken en herkauwers)
    • Gl. zygomatica (hond, kat) 
    • Gl. molares (kat) 
  • Welke aandoening wordt hier gezien?
    een speekselcyste
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Van waar naar waar loopt de B-wave?
Van caudaal naar craniaal.
Van waar naar waar loopt de A-wave?
Van craniaal naar caudaal?
Wat is microbiële stikstofbinding?
  • De novo synthese van aminozuren uit koolhydraat en NH4+
  • Bacteriële urease genereert NH4+ uit ureum
  • Gastheer levert ureum via speeksel aan de pens en via het bloed aan het caecum en het colon
Wat wordt er gedaan met de vetzuren tijdens fermentatie?
Butyraat -> vetzuren synthese
Propionaat -> glucose synthese
Acetaat -> vetzuren synthese
Waarom fermenteren bacteriën niet door tot glucose?
Omdat ze geen zuurstof hebben om de ademhalingsketen mee te doen en omdat ze hun NAD+ niet kwijt kunnen. 
De maagklierbuizen?
Liggen in de lamina propria, zijn recht en niet vertakt en bevatten cellen. 
Hoe zitten de speekselklieren?
  • De glandula parotis is sereus
  • De glandula mandibularis is gemengd
  • De glandula sublingualis is muceus.
Wat innerveren de plexus submucosus en plexus myentericus?
Parasympatische en sympatische innervatie van klieren in de tunica submucosa en glad spierweefsel in de tunica muscularis. 
Wat is het verschil in epitheel in oesophagus herbivoor en carnivoor?
Het epitheel van de tunica mucosa is bij de herkauwer gekeratiniseerd.
Waartoe leidt aantasting van het epitheel van het colon?
Een verdikking van het slijmvlies door hyperplasie van het crypte-epitheel of tot een slijmvliesverdunning als gevolg van atrofie van de crypten.