Summary Class notes - Diverse oefeningen

Course
- Biochemie 2019
- BIOCHEMIE
- 2019 - 2020
- Hogeschool Rotterdam
- Lerarenopleiding 2e graad Biologie
167 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Diverse oefeningen

  • 1555365600 Biochemie Kutvak!

  • Noem de 4 klassen van macromoleculen?
    Koolhydraten
    Lipiden
    Eiwitten
    Nucleinezuren
  • Wat zijn macromoleculen?
    Macromoleculen zijn polymeren (veel structuren achter elkaar).
  • Wat zijn polymeren?
    Een polymeer is een lange keten van dezelfde type bouwstenen. Deze bouwstenen heten monomeren.
  • Wat is een condensatie reactie?
    Condensatie reactie is samengaan van twee monomeren onder afsplitsing van H2O. (condensatieractie).

    De ezymen en (eiwitten) versnellen reacties.
  • Wat zijn koolhydraten?
    Koolhydraten omvatten suikers (monosachariden en disachariden) en polymeren van suikers (polysachariden).
  • Wat is een Disacharide?
    Disacharide is gevormd na condensatie reactie van twee monosachariden.
  • Wat zijn Polysacharides?
    Polysachride zijn polymeren van suikers
    Functie: opslag en vorming van structuur
    Structuur en functie wordt bepaald door suikermonomeren en de positie van de glycoside binding.
  • Wat is zetmeel?
    Zetmeel is een opslag polysacharide in planten
    Alleen glucose eenheden
    Als granulen (korrels) in plastiden.
  • Wat is glycogeen?
    Glycogeen is een opslag polysacharide in dieren.
    Alleen bij zoogdieren en mensen wat vooral in de lever en in de spieren voorkomt.
  • Welke vorm hebben polymeren bij A glucose?
    Helix vorm = zetmeel
  • Welke vorm hebben polymeren bij B glucose?
    Rechte vorm = cellulose
  • Wat zijn lipiden?
    Geen polymeren. Zijn hydrofoob door apolaire covalente bindingen. 
    Voornaamste lipiden zijn bijvoorbeeld; vetten, fosfolipiden en sterioden.
  • Wat zijn vetten?
    Vetten zijn esters ( organische verbindingen ontstaat door reactie van een zuur met een alcohol). Vetten zijn gevormd uit twee moleculen: Glycerol en vetzuren.
  • Wat is Apoliar?
    Dat zijn moleculen zonder lading
  • Wat is de eigenschap van Lipiden met lineaire ketens?
    Van der Waals krachten
    Vaste toestand bij kamer temperatuur
    Verzadigde vetten
  • Wat is de eigenschap van Lipiden met een knik?
    Geringe verderWaalskrachten
    Vloeibare vorm bij kamertempratuur
    Voornamelijk bij plant aardige (Olijfolie en vis)
  • Wat is een fosfolipiden?
    Twee vetzuren gebonden aan Glycerol.
    De ene kant is hydrofoob en de andere kant is hydrofiel.

    Wanneer een aantal fosfolipden elkaar vinden trekken ze naar elkaar toe. 
    De hydrofobe koppen steken naar buiten.
    De hydrofobe staarten gaan naar binnen zitten.
  • Wat zijn steroiden:
    Hebben 4 koolstofringen
    Cholestrol is een component in dierlijke celmembranen.
    Hoge cholestrolgehalte in bloed draagt bij aan een verhoogde kans op hart- en vaatziektes.
  • Wat is de functie van eiwitten?
    Katalyseren en versnellen van de chemische reactie in een cel
  • Hoe herken je een Niet Polaire groep?
    Hebben vooral veel CH-groepen
  • Hoe herken je een Polair groep?
    Hebben vooral OH- en NH-groepen
  • Uit hoeveel aminozuren kunnen polypeptiden bestaan?
    Polypeptiden kunnen uit meer dan 1000 aminozuren bestaan.
  • Wat doen de enzymen (eiwitten)?
    Enzymen versnellen de reactie
  • Leg uit wat hier gebeurt?
    Vorming door condensatie reactie ontstaat er een dehydratatie reactie waar bij samengaan van 2 monomeren onder afgesplits worden van H2O.
  • Leg uit wat hier gebeurt?
    Hydrolyse: Opsplitsen van polymeer in monomeren. H2O wordt toegevoegd. Tegenovergestelde van condensatiereactie!
  • Koolhydraten omvatten?
    Suikers -> Mono en Di-sachariden
    Polymeren van suikers -> Polysachariden
  • Wat is een Disachride?
    Disacharide is gevormd na condensatie reactie van twee monosacchariden. De binding heet glycose binding
  • Welke van de 2 vormen is een zetmeel en een cellulose
    1 afbeelding (a glucose/Helix) is een zetmeel
    Polymeren met een A glucose hebben een Helix vorm => Zetmeel. Bij zetmeel zie je de OH onderin in een rechte lijn. 
    Polymeren met een B glucose hebben een rechte vorm => Cellulose
    Bij Cellulose zie je dat de OH's om en om rechtsboven en rechtsonder zich bevind.
  • Wat zijn Lipiden NIET
    Lipiden zijn geen polymeren. Ze zijn Hydrofoob.
    Voorbeeld van Lipiden:
    • Vetten
    • Fosfolipiden
    • Sterioden.   
  • Wat zijn vetten en hoe worden vetten ook wel genoemd?
    Vetten zijn Esters en vetten worden ook wel Triglyceride genoemd.
  • Noem de 3 klasifikatie van aminozuren?
    • Niet polair
    • Polair
    • Geladen
  • Welke van de 2 groepen is Polair?
    • CH-groep
    • OH-groep 
    CH-groep
  • Welke van de 2 groepen is APolair?
    • CH-groep
    • OH-groep 
    OH-groep
  • Welke groep is geladen?
    • CH-groep
    • OH-groep
    • NH-groep 
    NH-groep
  • Noem de 4 niveaus van eiwitten structuren?
    • Primair : Sequentie van aminozuren
    • Secundair : Structuur van polypeptiden (a-helix & B-sheet) = CELLULOSE
    • Tertiare onderling : interactie van de restgroep van de aminozuren = ZETMEEL
    • Quatemair : eindstructuurdoor verschillende polypeptiden
  • Vet wordt gebruikt als vorm van energieopslag in dieren. Waarom?
    In vet kan per gram meer energie worden opgeslagen dan in glycogeen.
  • Welke stelling is NIET juist?
    • De celmembraan is non-selectief permeabel om voedingsstoffen binnen te laten.
    • De twee helften van een biologische membraan zijn niet gelijk
    • Membranen van verschillende organellen verschillen van samenstelling
    • Biologische membranen bevatten veel eiwitten.    
    De celmembraan is non-selectief permeabel om voedingsstoffen binnen te laten.
  • Het K+ kanaal ontleent zijn selectiviteit?
    1. Aan het ladinsverschil aan beide zijden van het kanaal
    2. Aan het carbonylgroep (C=O) bij het begin van het kanaal
    3. Aan een hydrofoob kanaal
    4. Aan een ring van Tyr groepen.    
    Aan het carbonylgroep (C=O) bij het begin van het kanaal
  • Wat is het verschil tussen membraanlipiden en vet?
    1. Vet heeft twee vetzuurketens, lipiden drie 
    2. Vet bevat onverzadigde vetzuren, lipiden niet
    3. Vet vinden we in membranen, lipiden niet
    4. Lipiden bevatten een grote polaire groep, vet niet  
    Lipiden bevatten een grote polaire groep, vet niet
  • Een membraan van een menselijke cel bestaat uit?
    1. Eén laag vetmoleculen met polaire groepen boven en onder
    2. Twee lagen vetmoleculen met polaire groepen boven en onder
    3. Twee lagen lipiden met polair groepen boven en onder
    4. Eén laag lipiden met polair groepen boven en onder    
    Twee lagen lipiden met polair groepen boven en onder
  • Vergelijk verzadigde en onverzadigde vetzuren. Welke stelling is NIET juist?
    1. Olijfolie bevat veel onverzadigde vetzuren.
    2. Onverzadigde vetzuren zorgen voor een lagere smelttemperatuur.
    3. Verzadigde vetzuren hebben geen dubbele bindingen
    4. Verzadigde vetzuren zijn langer dan onverzadigde vetzuren.    
    Verzadigde vetzuren zijn langer dan onverzadigde vetzuren.
  • Laterale diffusie van lipiden is snel omdat?
    1. Lipiden een polair groep hebben
    2. Lipiden hydrofoob zijn
    3. De membraan zich als vloeistof gedraagt
    4. Lipiden heel kleine moleculen zijn.    
    De membraan zich als vloeistof gedraagt
  • Het K+ kanaal is?
    1. Laat alleen Na en K ionen door
    2. Is een integraal membraaneiwit
    3. Wisselt Na ionen tegen K ionen uit
    4. Is een perifeer membraaneiwit    
    Is een integraal membraaneiwit
  • NADH voor oxidatieve fosforylatie komt o.a. uit de volgende metabole routes?
    1. Glycolyse, citroenzuurcyclys, vetzuuroxidatie
    2. Citroenzuurcyclus, vetzuuroxidatie, gluconeogenese
    3. Pyruvaatoxidatie, gluconeogenese, vetzuursynthese
    4. Pyruvaatoxidatie, glycolyse, vetzuursynthese    
    Pyruvaatoxidatie, glycolyse, vetzuursynthese
  • Elektronen komen vrij bij het katabolisme. Wat is de uiteindelijke acceptor?
    1. FAD
    2. NAD+
    3. Glucose
    4. Zuurstof    
    Zuurstof
  • De productie van de fotosynthese lichtreactie zijn?
    ATP, NADPH en zuurstof
    Fotonen en vrije elektronen
    Sucrose en zetmeel
    Zuurstof en vrije elektronen
    ATP, NADPH en zuurstof
  • Welke stelling is JUIST?
    1. Energie voor ATP synthese komt uit dydrolyse van fosfaatbindingen
    2. Energie voor ATP synthese komt uit een protonengradient over de membraan.
    3. Energie voor ATP synthese komt uit zuurstofoxidatie
    4. Energie voor ATP synthese komt uit reductie van glucose    
    Energie voor ATP synthese komt uit een protonengradient over de membraan.
  • Waar in de plantencel vinden de lichtreacties van de fotosynthese plaats?
    1. In het stroma
    2. In het cytoplasma
    3. In het lumen
    4. In de thylakoidmembraan    
    In de thylakoidmembraan
  • Zuurstof is een afvalstof van de fotosynthese
    Juist
    Onjuist
    Juist
  • Hoeveel fotonen neemt een elektronen op tijdens het transport van water naar NADPH in de licht reacties van de fotosynthese?
    • 1
    • 2
    • 3
    • 4    
    2
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.