Summary Class notes - Diversiteit ecologie en gedrag

Course
- Diversiteit ecologie en gedrag
- n.v.t.
- 2017 - 2018
- Rijksuniversiteit Groningen (Rijksuniversiteit Groningen, Groningen)
- Biologie
204 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Diversiteit ecologie en gedrag

  • 1510441200 boek DEG

  • Geef een korte geschiedenis van de tijdlijn waarin de ideeen van Darwin ontstaan.
    1798 Malthus, populatietheorie
    1809 Lamarck
    1812 Cuvier, fossielenbeschrijving
    1830 Lyell, Principles of geology
    1831-1836 reis van Darwin.     
    1844-Darwin, essey on descent
    1858 Wallace, hypotheses of natural selection
    1859 Darwin, Origin of species
  • Hoe is de hierarchie van de classificatie volgens Linnaeus.
    Domijn, domain
    Rijk, kingdom
    Stam, phylum
    Klasse, class   
    Orde, order
    Familie, family
    Geslacht, genus
    Soort, species

    Domain Kingdom Phylum
    Class Order
    Family Genus Species
  • Wat is het verschil en de overeenkomst tussen classificatie en phylogeny
    Classificatie is indeling ( volgens lineus ?) en phylogeny geeft de evolutionaire relaties aan.
  • Waardoor veranderd de allelfrequentie in een populatie
    Door natuurlijke selectie, gene flow en genetic drift.
  • Wat is het founder effect
    Het stichtereffect of founder effect is de invloed die de stichtende individuen hebben op de genenpool van de populatie die uit hun nakomelingen bestaat. (een bepaalde eigenschap kan overmatig of minder voorkomen dan in de oorspronkelijke als er in de founding populatie een bepaald allel vaker voorkomt dan in de populatie waar ze uitkomen.) 
  • Wat is intrasexual selection en intersexual selection.
    intrasexual is onder de sexe zelf. Dus bijvoorbeeld; mannetjes houden andere mannetjes weg.
    intersexual is partnerkeuze
  • Wat is frequentie dependent selection.
    Dat is dat de selectie veranderd onder invloed van de aanwezige frequentie van een bepaald fenotype.(Links en rechtsmondige vissen voorbeeld)
  • Wat is heterozygote advantage.
    voorbeeld; sikkelcel anemie.
  • Waarom kan natuurlijke selectie geen perfect organisme voortbrengen.
    -Het kan alleen op bestaande variaties selecteren.
    -Evolutie wordt beperkt door historische beperkingen.
    -Aanpassingen zijn vaak een compromis.
    -Toeval, natuurlijke selectie en omgeving be-invloeden elkaar.
  • Wat is de crux bij bepaling of een populatie een aparte soort is.
    Reproductive isolation. Paring leidt niet tot "viable fertile" nageslacht.
    Dit geldt natuurlijk niet voor andere alternatieve soortbepalingen zoals morfologische soortbepaling of ecologische soortbepaling.
  • Wat zijn pre en post-zygotische barrieres m.b.t. reproductie.
    Barrieres die voor conceptie al een stop zijn. Habitat, temporal, behavioral, mechanical, gametic. 
    Barrieres die na conceptie een stop zijn. Reduced hybrid viability, reduced hybrid fertility, hydrid breakdown.
  • Wat is peptidoglycan
    Dat is het materiaal (polymeer van gemodificeerde suikers die cross-linked zijn door korte polypeptiden.) dat prokaryoten als celwand hebben.
    Gram positief, buitenkant dikke laag peptidoglycan
    Gram negatief, tussen andere lagen dunnere laag peptidoglycan
  • Wat is exaptation
    het proces waarin structuren die voor de ene functie zijn ontstaan een nieuwe functie krijgen door afstammelingen met een aanpassing.
  • Beschrijf transformation, transduction en conjugation
    Transformation: stuk homoloog DNA komt cel binnen en vervangt eigen DNA.
    Transduction: door fagen ingebracht per ongeluk meegenomen uit vorige besmette cel.
    Conjugation: uitwisseling tussen 2 prokaryoten.
  • Welke manieren van conjugatie zijn er
    F+ ( met de F factor in een plasmide) geeft materiaal (plasmide) aan F- die daardoor ook F+ wordt.
    Hft ( met de F factor in chromosoom) geeft materiaal aan F- die daardoor F - blijft.
  • Wat is een R plasmid
    Een Zgn resistance plasmide. Soms met F factor en meerdere resistentiegenen.
  • Wat betekend fototroof, chemotroof, autotroof en heterotroof in relatie tot metabolisme.
    Fototroof gebruikt licht als energiebron.
    Chemotroof gebruikt chemische verbindingen als energiebron
    Autotroof kan zelf CO2 omzetten als koolstofbron
    Heterotroof heeft organische bron nodig als koolstofbron
  • Wat betekend obligaat aerobic, obligaat anaeroob, en facultatief in relatie tot metabolisme
    Obligaat aerobics: heeft O2 nodig voor cellulaire ademhaling.
    Obligaat anaeroob: kan niet tegen O2.
    Facultatief anaeroob: erbuiten O2 als aanwezig en anders een andere manier.
  • Hoe heten bacteriën die N2 uit de lucht kunnen gebruiken als stikstofbron.
    Cyanobacterieen.
  • Hoe wordt de structuur vaak genoemd waarin metabole samenwerking tussen prokaryote cellen plaatsvindt
    Biofilm
  • Wat zijn halophiles
    Dat zijn prokaryoten die leven in extreem zoute omstandigheden. (extremofiel)
  • Wat is commensalisme
    Een samenwerking waarbij de ene soort voordeel heeft en de andere geen voor of nadeel.
  • Hoe noem je een parasiet die ziekte veroorzaakt.
    Pathogeen.
  • Exotoxins en endotoxins, wat zijn dat.
    Exotoxins zijn giftige producten van bacterieen.
    Endotoxins zijn lipopolysacharide componenten van de Buiten-Membraan van Gram-negatieve bacterieen die vrijkomen als de bacterieen doodgaan.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke aanpassingen zijn er ontstaan in de kolonisatie van het land door charofyten(de groene algensoort meest verwant aan planten).
1-Afwisseling van generatie.
2-Multicellulaire afhankelijke embryo's
3-Sporen in sporangia met een wand(sporopollenin(polymeer die sporen bescherm tegen uitdroging).  
In de sporangia zitten diploide cellen (sporocyten) die meiose ondergaan en haploide spores produceren 
4-multicellulaire gametangia. (gameten in multicellulaire mannelijke en vrouwelijke gametangia
5-apical meristeem. groeipunten naar beneden en naar boven.   

Verder ook cuticula(waslaagje), stomatoa(porieen), symbiose met schimmels.
Wat is de amerikaanse en de europesche school t.a.v. gedrag.
Amerikaans. (Skinner) Alles is gevolg van associatie-leren.
Europees. Genetisch geprogrammeerd leren.
Rode algen, wat kun je er over vertellen.
Onderdeel van Archaeplastida. Kleur door phycoerythrin, een rood fotosynthetisch pigment.(ze hebben ook chlorophyl). Kunnen zeer diep leven, 260 mtr diep. Ze hebben geen gameten met flagellen.
Waarom delen we de Porifera (sponzen) niet in bij de animalia.
Ze hebben geen weefsels in de zin van onomkeerbaar. We delen ze in als de parazoa(para-zoa betekent naast-dieren)
Waar zit de koolstof en hoe komt het daar.
Veel in de lucht als CO2. Meeste is opgelost in de oceanen. Planten hebben ook veel vastgelegd in hun organisch materiaal.
Er ligt veel vast als CaCO3 in secondairy rock.
Er zit veel in dood organisch materiaal.
Er komt veel in de atmosfeer door verbranding fossiele brandstoffen.
Welke theorie is er over de evolutie van angiospermen.
Dat er co-evolutie is geweest met bestuivers (o.a. insecten) en zaadverspreiders. Dat er competitieve exclusie was met gymnospermen. Dat is een ecologisch principe dat stelt dat twee soorten niet naast elkaar kunnen bestaan als zij in volledige concurrentie zijn.
Wat is het verschil tussen gymnospermen en angiospermen
Gymnospermen zijn naaktzadigen en angiospermen hebben zaden in vruchten.
Wat zijn de voordelen van zaden omdat ze grotere, complexere, multi-cellulaire structuren zijn.
Meer opslag.
Meer weerstand tegen extreme omstandigheden.
Speciale structuren voor verspreiding.
Welke soorten signalen zijn geschikt in welke situaties
Dagactief, korte afstand; visuele signalen
Nachtactief; geluiden
-grote afstand/bos: lage tonen
-korte afstand/geen obstakels: hoge tonen
Slecht zicht; electrische of geur signalen
Langdurig/grote afstand; feromonen
Zeer korte afstand; tactiel
Wat zijn enkele aspecten van gedragsmechanismen
-Motivatie
perceptie afhankelijke motivatie. (In broedstemming, voorkeur groen ei)
-Het brein
-Biologische klok
-Hormonen en gedrag