Summary Class notes - Duits 3e klas

Course
- Duits 3e klas
- M. Leers
- 2016 - 2017
- Graaf Huyn College (Geleen)
- Klas 3 VWO
747 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Duits 3e klas

  • 1473026400 Sterke werkwoorden 1 t/m 30

  • aanraden - hij raadde aan - hij heeft aangeraden - hij raadt aan - raad aan
    empfehlen - er empfahl - er hat empfohlen - er empfiehlt - empfiehl
  • bedriegen - hij bedroog - hij heeft bedrogen - hij bedriegt - bedrieg
    betrügen - er betrog - er hat betrogen - er betrügt - betrüg
  • 1ste vorm:
    beginnen - hij begon - hij is begonnen - hij begint - begin
    anfangen - er fing an - er hat angefangen - er fängt an - fang an
  • 2de vorm:
    beginnen - hij begon- hij is begonnen - hij begint - begin
    beginnen - er begann - er hat begonnen - er beginnt - beginn
  • beslissen - hij besliste - hij heeft beslist - hij beslist - beslis
    entscheiden - er entschied - er hat entschieden - er entscheidet - entscheide
  • bewijzen - hij bewees - hij heeft bewezen - hij bewijst - bewijs
    beweisen - er bewies - er hat bewiesen - er beweist - beweis
  • bieden - hij bood - hij heeft geboden - hij biedt - bied
    bieten - er bot - er hat geboten - er bietet - biete
  • bijten - hij beet - hij heeft gebeten - hij bijt - bijt
    beißen - er biss - er hat gebissen - er beißt - beiß
  • blijven - hij bleef - hij is gebleven - hij blijft - blijf
    bleiben - er blieb - er ist geblieben - er bleibt - bleib
  • branden - hij brandde - hij heeft gebrand - hij brandt - brand
    brennen - er brannte - er hat gebrannt - er brennt - brenn
  • breken - het brak - het is gebroken - het breekt - breek
    brechen - es brach - es ist gebrochen - es bricht - brich
  • brengen - hij bracht - hij heeft gebracht - hij brengt - breng
    bringen - er bracht - er hat gebracht - er bringt - bring
  • buigen - hij boog - hij heeft gebogen - hij buigt - buig
    biegen - er bog - er hat gebogen - er biegt - bieg
  • denken - hij dacht - hij heeft gedacht - hij denkt - denk
    denken - er dachte - er hat gedacht - er denkt - denk
  • doen - hij deed - hij heeft gedaan - hij doet - doe
    tun - er tat - er hat getan - er tut - tun
  • dragen - hij droeg - hij heeft gedragen - hij draagt - draag
    tragen - er trug - er hat getragen - er trägt - trag
  • drinken - hij dronk - hij heeft gedronken - hij drinkt - drink
    trinken - er trank - er hat getrunken - er trinkt - trink
  • dwingen - hij dwong - hij heeft gedwongen - hij dwingt - dwing
    zwingen - er zwang - er hat gezwungen - er zwingt - zwing
  • eten - hij at - hij heeft gegeten - hij eet - eet
    essen - er aß - er hat gegessen - er isst - iss
  • gaan - hij ging - hij is gegaan - hij gaat - ga
    gehen - er ging - er ist gegangen - er geht - geh
  • gebeuren - het gebeurde - het is gebeurd - het gebeurt
    geschehen - es geschah - es ist geschahen - es geschieht
  • gelden - het gold - het heeft gegolden - het geldt
    gelten - es galt - es hat gegolten - es gilt
  • geven - hij gaf - hij heeft gegeven - hij geeft - geef
    geben - er gab - er hat gegeben - er gibt - gib
  • gieten - hij goot - hij heeft gegoten - hij giet - giet
    gießen - er goss - er hat gegossen - er gießt - gieß
  • gooien - hij gooide - hij heeft gegooid - hij gooit - gooi
    werfen - er warf - er hat geworfen - er wirft - wirf
  • grijpen - hij greep - hij heeft gegrepen - hij grijpt - grijp
    greifen - er griff - er hat gegriffen - er greift - greif
  • groeien - hij groeide - hij heeft gegroeid - hij groeit - groei
    wachsen - er wuchs - er ist gewachsen - er wächst - wachs
  • hangen - hij hing - hij heeft gehangen - hij hangt - hang
    hängen - er hing - er hat gehangen - er hängt - hang
  • helpen - hij hielp - hij heeft geholpen - hij helpt - help
    helfen - er half - er hat geholfen - er hilft - hilf
  • heten - hij heette - hij heeft geheten - hij heet
    heißen - er hieß - er hat gehießen - er heißt
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

De winkel bevindt zich aan het einde van de straat.
Der Laden befindet sich am Ende der Straße.
Het postkantoor is aan het begin van de winkelstraat.
Das Postamt ist am Anfang der Einkaufsstraße.
Later wil ik naar een grote stad verhuizen.
Später möchte ich in eine Großstadt ziehen.
Links van de schouwburg bevindt zich het station.
Links vom Theater befindet sich der Bahnhof.
De stad ligt aan zee.
Die Stadt liegt am Meer.
Het zwembad ligt tegenover het winkelcentrum.
Das Schwimmbad liegt gegenüber dem Einkaufszentrum.
Bij het stoplicht moet je de straat oversteken.
An der Ampel muss man die Straße überqueren.
We wonen niet in de binnenstad maar in een nieuwbouwwijk.
Wir wohnen nicht in der Innenstadt, sondern in einem Neubauviertel.
Ik ga met de bus naar school.
Ich fahre mit dem Bus zur Schule.
Mijn woonwijk is groot en oud.
Mein Wohnviertel ist groß und alt.