Summary Class notes - Epidemiologie

Course
- Epidemiologie
- Dewulf
- 2020 - 2021
- Ugent
- Diergeneeskunde
311 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Epidemiologie

  • 1592172000 Epi H1

  • De postulaten van Koch (vroeger):
    1) Agens aanwezig bij alle dieren die ziekte hebben.
    2) Agens komt niet voor bij dieren met een andere ziekte of bij niet-zieke dieren.
    3) Agens kan in rein cultuur geïsoleerd worden uit zieke dieren.
    4) Agens isoleren uit ziek dier, insluiten in ander dier -> dit dier dat dezelfde symptomen.
  • Postulaten van Evans:
    1) proportie dieren met ziekte in groep met RF, moet groter zijn dan in de niet blootgestelde groep.
    2) de groep dieren met ziekte moet significant meer blootgesteld zijn aan RF dan groep dieren zonder ziekte.
    3) Aantal nieuwe ziekte gevallen moet significant hoger zijn in de groep die blootgesteld is aan de RF dan de groep die niet blootgesteld is aan RF.
    4) Ziekte moet volgen na blootstelling RF, rekening houdend met de incubatietijd...
    5) Waaier aan gastheerreacties als gevolg van blootstelling aan RF.
    6) Regelmatig voorkomen van meetbare gastheerreacties (antistoffen) bij blootgestelde groep en niet bij de niet-blootgestelde.
    7) Onder experimentele omstandigheden moet de ziekte meer voorkomen bij de blootgestelde, dan de niet blootgestelde groep.
    8) Bij wegnemen van RF, daalt het aantal nieuwe gevallen.
    9) Verbetering/versterking van de reactie van de gastheer (Bv vaccinatie) op blootstelling aan RF, daling van de frequentie van de ziekte.
    10) Alle verbanden tussen ziekte en RF moeten biologisch verklaarbaar zijn.
  • 1592431200 Dierziektes

  • AVP, hoe wordt het verspreid en wat zijn de gevolgen...
    Afrikaanse varkenspest is een virus en infecteerde ENKEL VARKENS...
    GEEN VACCIN.
    Verspreiding via direct/indirect (bloed, ontlasting, speeksel, sperma, teken), kannibalisme, vectoren (teken en vliegen).
  • 3 hypothesen hoe AVP in 2018 België is binnengekomen?
    1) Via illegaal transport van reeds geïnfecteerde everzwijnen (voor de jacht).
    2) Via de militairen uit t buitenland.
    3) Via vlees van truckchauffeur uit landen waar AVP voorkomt.
  • Rinder/Runderpest:
    Een virus dat enkel evenhoevigen aantast, dus geen mensen.
    Is volledig uitgeroeid middels vaccinaties,  vanaf 2011 wereld vrijverklaard....
  • Welke ziektes zijn middels vaccins bestreden (in de EU)?
    Runderpest
    Lumpy  Skin Disease
    KVP
  • Waarom zo moeilijk een vaccin te maken voor mond-en-klauwzeer?
    Veel verschillende subtypes...
    Wilde buffel populatie is een grote risicogroep...
  • 1592604000 H1 Eco

  • Wat is de rol van de dierenarts in de maatschappij vanuit een economisch perspectief?
    1) DA zijn een middel, ingezet door de maatschappij met diverse doelen die door de maatschappij gewaardeerd worden.
    2) Helpen veehouders meer output te realiseren 
    3) Helpen dier eigenaren hun dieren gezond en gelukkig te houden.
    4) Helpen voedselveiligheid en voedselzekerheid te garanderen.
    5) Helpen dierenwelzijn te garanderen.
    6) Helpen nationale populaties te beschermen.
    7) Helpen bij het instant houden van (zeldzame) wilde dieren.

    Verschillende dierenartsen hebben verschillende functies...
  • Enkele overheidsinstellingen waar DA werken zijn:
    FAVV (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen)

    FAGG (Federaal Agentschap voor de Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten)
  • Voornaamste rol van een DA op een veehouderij?
    Adviezen geven, preventieve geneeskunde en curatieve geneeskunde, economische impact van ziekte inschatten, verbetermogelijkheden omschrijven.
  • 1593208800 Examenvragen

  • Welke beweringen is/zijn juist? Een arbovirus infectie...
    Heeft een epidemisch verloop dat sterk wordt beïnvloed door seizoensgebonden vectoractiviteit


    Zal, in afwezigheid van interventies, na epidemische fase overgaan in een endemische fase
  • Welke van de volgende uitspraken is/zijn juist?

    A) Observationeel epidemiologisch onderzoek heeft als doel oorzakelijke verbanden tussen RF en ziekte aan te tonen.
    B) Bij een endemische situatie is de frequentie van voorkomen van een ziekte steeds laag.
    C) Als er op een bedrijf 55 melkkoeien op 1 bepaald ogenblik bij 5 dieren AS tegen paraTBC worden vastgesteld, dan is de incidentie voor paraTBC 5.
    D) De prevalentie in een populatie dieren neemt af naarmate er meer zieke dieren uitwijken.
    D
  • Uit een experimentele studie met het BVD virus bij kalveren blijkt dat de basis reproductie ratio voor BVD = 0,3. Dit wil zeggen dat:
    Een uitbraak met dit virus na verloop van tijd zal doodlopen, omdat de R0<1

    1 BVD geïnfecteerd kalf gemiddeld 0,3 andere dieren zal infecteren in een totaal gevoelige populatie.
  • Welke van de onderstaande beweringen is/zijn juist?

    A) De incidentie dichtheid kan waarden aannemen die negatief zijn.
    B) De incidentie dichtheid kan berekend worden adhv de gegevens die verzameld worden tijdens een gevallen-controle onderzoek.
    C) Voor het berekenen van de CI moet u minimaal ober de volgende gegevens beschikken: het aantal nieuwe gevallen dat optreedt tijdens de observatieperiode, de samenstelling van de populatie aan het begin van de observatieperiode, de studieduur.
    D) De CI wordt normaal gezien kleiner als de observatieperiode wordt ingekort.
    D
  • In een populatie van 1000 varkens is de Ps van een bepaalde aandoening  40%. We weten dat er echter 30 vals positieve en 20 vals negatieve diagnoses waren, Wat is de SP van de gebruikte test?
    95,1%
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn correct? De PVW....

    A) Geef de kans aan dat een positief resultaat overeenkomt met een ziek dier.
    B) Wordt berekend als het totaal aantal positieve test resultaten gedeeld door het totaal aantal zieke dieren.
    C) Is onafhankelijk van de Se en de Sp
    D) Geen enkele van bovenstaande antw is juist.
    A
  • Voor de diagnose van Bovine TBC zijn er verschillende diagnostische testen nodig. Het in parallel gebruiken van deze testen zal....

    A) De Sp doen toenemen 
    B) de Se doen afnemen
    C) De NVW doen toenemen 
    D) de PVW doen toenemen 
    C
  • Welke van onderstaande stellingen is/zijn correct?

    A) Selectiebias is vaak een gevolg van de random selectie van de dieren bij een dwarsdoorsnede onderzoek.
    B) Waarnemersbias kan deels voorkomen worden door de onderzoeker in het ongewisse te laten (=Blinding) over de selectie van bedrijven (gevallen en controles).
    C) Herinneringsbias is een typisch fenomeen voor prospectief cohort onderzoek.
    D) Confounding is een vorm van bias waarvoor gecorrigeerd kan worden eens je de oorsprong van de Confounding kent en kan meten.
    D
  • Welke van de volgende uitspraken is/zijn correct?

    A) Bij de berekening van de toewijsbare proportie voor de populatie wordt het aantal blootgestelde in rekening genomen.
    B) Als het relatief risico ven een bepaalde RF laag is, dan is steeds de toewijsbare proportie laag.
    C) Hoe lager het relatief risico van een bepaalde RF, hoe hoger de toewijsbare proportie van de blootgestelden.
    D) De toewijsbare proportie voor de populatie is steeds kleiner of gelijk aan de toewijsbare proportie voor de blootgestelden.
    A en D
  • In een cross-sectionele studie werd de invloed van een aantal factoren op het risico voor uitscheiding van Salmonella enterica bij varkens bestudeerd. Het resultaat gaf een OR van 2,28 (CI: 1,22-4,26) voor het gebruik van gepelleteerd voeder. Welke van de onderstaande interpretaties van dit resultaat is/zijn correct?

    A) Gepelleteerd voeder resulteert in een significante reductie van het risico op Salmonella.
    B) Er is geen significante relatie tussen  het gebruik van gepelleteerd voeder en Salmonella op het bedrijf.
    C) De odds voor een bedrijf om Salmonella pos te zijn is de helft kleiner voor bedrijven die geen gepelleteerd voeder gebruiken in vergelijking met bedrijven die wel gepelleteerd voeder gebruiken.
    D) Deze resultaten tonen een significant causaal verband tussen het gebruik van gepelleteerd voeder en het voorkomen van Salmonella.
    C
  • Welke van de volgende uitspraken is/zijn juist?

    A) Bij dwarsdoorsnede studies gebeurt de selectie van de dieren.bedrijven onafhankelijk van de RF of ziektestatus.
    B) Bij experimenteel onderzoek wordt de RF willekeurig (ad random) toebedeeld aan dieren of bedrijven, terwijl dit bij een cohort studie niet het geval is.
    C) Bij een experimenteel onderzoek wordt het effect slechts 1 RF onderzocht, terwijl bij een dwarsdoorsnede studie steeds meerdere RF onderzocht worden.
    D) Bij monitoring worden specifieke gegevens verzameld in het kader van bestrijdingsprogramma’s, de detectie van een pos geval zal concrete actie tot gevolg hebben.
    A en B
  • Naar aanleiding van een recente PED (Porciene Endemische Diaree) dreiging bij varkens werd een verhoogde actieve surveillance geïnstalleerd. Dit wil zeggen dat.... (selecteer het/de correcte antwoord(en).

    A) Alle dierenartsen een mail hebben ontvangen waarin de klinische symptomen van PED worden herhaald en de dierenartsen worden opgeroepen om alle verdachte gevallen meteen te melden aan de bevoegde overheid.
    B) Een verhoogd aantal stalen wordt genomen bij varkens welke worden getest op de aanwezigheid van PED.
    C) Op risicobedrijven (bv bedrijven met import) er een verhoogd aantal stalen wordt genomen.
    D) Op basis van de mortaliteitsdata, verzameld door renac, wordt er opgevolgd of er een stijging is in een mortaliteit in de varkenspopulatie.
    B en C
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn correct?

    A) De externe validiteit van een studie geeft aan in welke mate de resultaten van een onderzoek een goede weerspiegeling is van de realiteit binnen de onderzoekspopulatie zijn.
    B) Confounding is een random fout in de data die resulteert in foutieve interpretatie van het effect van een bepaalde RF.
    C) Eens de Confounding geïdentificeerd is kan het effect ervan worden gecorrigeerd na de studie adhv multivariable data-analyse.
    D) een goede klinische veldstudie is gecontroleerd, gerandomiseerd en geblindeerd.
    C en D
  • Welke van de onderstaande stellingen is juist?

    A) Postulaten van Evans kunnen zowel toegepast worden op infectieuze als op metabolisme ziekten.
    B) Postulaten van Evans zijn een belangrijke overeenkomt met de criteria van causaliteit.
    C) De postulaten van Koch zijn van toepassing bij multifactoriele ziekten.
    D) Adhv de postulaten van Evans kan een causaal verband tussen RF en ziekte bewezen worden.
    A en B
  • Op een melkveehouderij met 500 koeien is de incidentie dichtheid van Mastitis 0,06 per jaar/procent. Een koe die geïnfecteerd geraakt heeft gedurende drie maanden mastitis. Wat is de meest waarschijnlijke prevalentie wanneer je op een willekeurig moment gaat bemonsteren?
    6%/4 = 1,5%
  • De cumulatieve incidentie van een ziekte zal toenemen wanneer:

    A) Het een ziekte betreft van korte duur
    B) De dieren pas na lange tijd sterven ten gevolge van de ziekte.
    C) Tijdens de observatieperiode vele gezonde dieren worden gekocht.
    D) Ziekte zich snel verspreidt. 
    D
  • Stel dat in een recent onderzoek de prevalentie van een ziekte bij paarden 40% is bij paarden die ouder dan 4 jaar zijn. Wanneer je een paard van 8 jaar aangeboden krijgt kan op basis van de voorgaande studie gesteld worden dat...
    Het paard 40% kans heeft om last te hebben van deze ziekte
  • Uit een experimentele studie voor BVD bij 10 kalveren is de R0=3. Heruit kan besloten worden dat:

    A) Een BVD kalf gemiddeld 3 andere dieren zal infecteren 
    B) Het BVD een snel spreidend virus is.
    C) Een uitbraak van dit virus met de tijd zal doodlopen omdat de R0 groter is dan 1.
    D) Gedurende de loop van dit experiment 3 van de 10 contact dieren geïnfecteerd raken.
    A
  • De ware prevalentie van een ziekt is 25%. De Se is 65% en de Sp is 100%. Hoe groot is de Ps?
    <25%
  • In een populatie van 1000 varkens is de Ps van mycoplasma 40%. WE weten dat er 30 vals pos en 20 vals neg diagnoses gebeuren. Wat is de Sp?
    95,1%
  • Welke van de onderstaande stellingen is correct?

    A) De PVW van een test geeft de kans dat een pos testresultaat overeenkomt met een werkelijk ziek dier.
    B) De PVW is onafhankelijk van de Se en Sp
    C) De PVW stijgt naarmate de prevalentie toeneemt.
    D) De PVW wordt berekend door het totaal aantal pos testresultaten de delen door het totaal aantal zieke dieren.
    A en C
  • Welke van de onderstaande stellingen is correct? BIAS:

    A) Heeft een beperkte invloed op accuraatheid van de resultaten.
    B) komt meer voor bij experimentele veldstudies dan bij observationele studies.
    C) Kan voorkomen door een voldoende grote steekproef te nemen.
    D) Is een maat voor de systematische fouten in het resultaat.
    D
  • Welke van onderstaande stellingen is/zijn correct? 

    A) Systematische review geeft je een kwalitatieve samenvatting van de beschikbare lectuur over een bepaald onderwerp.
    B) een systematische review geeft een kwantitatieve samenvatting.
    C) Meta-Analyse is een verspelend model om het effect van behandeling te voorspellen adhv vergelijkbare litteratuur.
    D) De resultaten van een meta-analyse hebben een sterke bewijskracht voor het effect van de behandeling.
    A en D
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn juist?

    A) De precisie van een test beantwoorde de vraag: ‘Als je de meting herhaalt, kom je dan op hetzelfde resultaat uit?’
    B) Een ziekte die steeds fataal afloopt maar slechts zeer zeldzaam is in voorkomen, is een ziekte met een hoge mortaliteit.
    C) De cumulatieve incidentie houdt rekening met d dynamiek van de populatie gedurende de studie.
    D) De mortaliteit geeft de hoeveelheid sterfte weer binnen een groep dieren binnen een bepaalde periode.
    A en D
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn juist? 

    A) In een gevallen-controle studie worden er soms verschillende bedrijven genomen per geval.
    B) Een gevallen-controle studie is niet geschikt voor het bestuderen van zeldzaam voorkomende ziekten.
    C) In een cohortstudie kunnen de odds ratio en het relatief risico naast elkaar berekend worden en zal de uitkomst dezelfde zijn.
    D) Om als confoundingfactor te kunnen doorgaan moet de factor een tussenstap zijn tussen de RF en het ontstaan van de ziekte.
    A
  • Een Klinische veldstudie wordt gekenmerkt door het feit dat:

    A) De externe validiteit meestal laag is
    B) Men zelf het tijdstip van ingevette en infectiedosis bepaalt
    C) De onderzoeker niet intervenieert. Hij observeert enkel wat er zicht afspeelt binnen de groep.
    D) Er steeds minimaal 1 controlegroep moet ingesloten zijn naast 1 of meerder behandelingsgroepen.
    D
  • Stel dat naar aanleiding van een nieuw resistentie gen een onderzoek wordt gedaan bij paarden in België en Nederland. Uit dit onderzoek blijkt dat dit resistentie gen in 45 meststalen in België wordt teruggevonden en 90 meststalen in Nederland. Wat kan me n hieruit besluiten?
    Helemaal niets.
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn correct? Oen Health is:

    A) Het basisconcept waarbij de gezondheid van dier, mens en omgeving als 1 geheel wordt beschouwt.
    B) Houdt rekening met het feit dat vele infectieziektes bij de mens uit originele afkomst zijn van de dieren.
    C) Is het concept waarbij zowel het welzijn als de gezondheid als de productiecapaciteit van de dieren als geheel wordt beschouwt.
    D) Wordt voornamelijk gepropageerd door EFSA.
    A en B
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn correct? Afrikaanse varkenspest:

    A) Komt momenteel voor in Nederland en Duitsland
    B) Is een zoonose
    C) Is een virale ziekte waarvoor er geen vaccin is.
    D) Wordt in Europa voornamelijk verspreidt via everzwijnen.
    C en D
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn correct? In het BE leger:

    A) Zijn dierenartsen verantwoordelijk voor de controle van voeding van de militairen.
    B) Zijn dierenartsen enkel verantwoordelijk voor de paarden
    C) Zijn geen dierenartsen actief
    D) Gaan dierenartsen nooit mee op internationale missies.
    A
  • AMCRA is:
    Kenniscentrum voor Antibioticumgebruik en resistentie bij dieren.
  • Welke van de onderstaande stellingen is/zijn correct?

    A) Micro-economie bestudeert het effect van de keuzes die individuen en ondernemingen maken.
    B) In de economie worden producten gedefinieerd als de som van alle goederen en diensten.
    C) Macro-economie bestudeert lange termijn effecten van keuzes op bedrijfsniveau.
    D) In de economie gaan we ervan uit dat individuele en maatschappelijk belang tegenstrijdig is.
    A en B
  • Zoonoses zijn:

    A) Ziekte die overdraagbaar zijn van dier op mens
    B) zijn een manier waarop het welzijn van de mens geschaafd worden als gevolg van voorkomen bij ziekte bij dieren.
    C) Zijn steeds epidemische ziektes 
    D) Hebben meestal slechts een beperkte economsiche impact.
    A en B
  • Welke van onderstaande uitspraken is/zijn correct?

    A) De economische impact van ziekten zijn voornamelijk te meten op dierniveau en minder op populatie niveau 
    B) De economische gevolgen van sub-klinische ziekten zijn vaak groter dan die van klinische infecties.
    C) De economische gevolgen Van ziekte op bedrijfsniveau zijn onder andere gevolg van de vermindering van mogelijk afzetmarkt.
    D) De economische impact van infectie ziekten zijn meestal groter dan die van metabolisme stoornissen.
    B en C
  •  Veronderstel dat een nieuwe influenza opduikt en dit ernstige problemen veroorzaak in de kalkoenensector. Om deze problemen tegen te gaan wordt overwogen om de kalkoenen te vaccineren. Er wordt gevraagd om na te gaan of een dergelijke vaccinatiecampagne economisch rendabel zou zijn (rekeninghoudende met alle mogelijke gevolgen van vacccinatie voor zowel dierengezondheid als mogelijke consumentengedrag). Welk van de onderstaande methode zou u hiervoor gebruiken.

    A) Bij voorkeur kosten-batenanaylse 
    B) Bij voorkeur beslissingsboomanalyse 
    C) Bij voorkeur partiële budgettering 
    D) De economische efficiëntie van de nieuwe strategie moet steeds vergelijken met de reeds bestaande non-vaccinatiestrategie.
    A en D

  • Welk van de onderstaade stellingen zijn correct?

    A) Dierenartsen hebben een zuiver geneeskundig objectief en mogen hun beslissingen/adviezen niet laten beïnvloeden door de economische overweging
    B) Dierenartsen werken in opdracht van de klanten en moeten dus steeds het belang van de klant laten primeren boven dat van het dier en de maatschappij
    C) Een dierenarts is verantwoordelijk voor zijn beslissing en zijn adviezen ten aanzien van de klant en draagt bij gevolg de voor en nadelen van de gevolgen van deze beslissing
    D) Dierenartsen vervullen heel uiteenlopende functies en moeten bij gevolg voldoen aan de uiteenlopende verwachtingen van klanten.
    D

  • Welk van de onderstaande stellingen zijn correct?

    A) In de economie worden drie productiefactoren gedeffinieerd: Arbeid, kapitaal en grondstoffen
    B) Worden opbrengsten gedeffinieerd als het financieel deel dat is oplevert

    C) Is de opportunniteitskost het hoogst gewaardeerde alternatief dat je bereidt bent om op te geven om iets anders te krijgen
    D) Worden keuzes steeds gemaakt op basis van gemiddelde kost en gemiddelde opbrengst
    C

  •  Welk van de onderstaande stellingen zijn correct?


    A) Een multifactoriële ziekten zijn ziekten die door meerdere infectieuze agentia samen worden veroorzaakt
    B) In de moderne landbouwdiergeneeskunde neemt het belang van preventieve geneeskunde toe en curatieve geneeskunde af
    C) Bij het berekenen van de economische effecten van dierziekten is het belangrijker te kijken naar de output dan naar de input
    D) Het is van belang steeds een duidelijk onderscheid te maken tussen dierengezondheid en dierenproductie daar in deze twee losstaande zaken zijn
    A

  • Welk van de onderstaande uitspraken over melk zijn correct?


    A) De prijs van melk betaald aan de veehouder is zeer stabiel doorheen de tijd
    B) Past zich jaarlijks aan aan de indexschommeling
    C) Is afhankelijk van het vet- en eiwitgehalte in de melk
    D) Staat momenteel op een historisch dieptepunt
    C

  • Welk van onderstaande uitspraken zijn correct?


    A) In de Westere landen wordt meer dan 80% van vleesproductie via grootwarenhuizen verkocht
    B) De relatie tussen producent en consument is voor de meeste landbouwproducten constant
    C) Voor varkensvlees bedraagt de producentenprijs ongeveer 50% van de consumentenprijs
    D) Op wereldniveau wordt de komende jaren een grote overproductie van landbouwproducten voorspeld
    A
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welke van onderstaande uitspraken is (zijn) correct? Bij partiële budgettering…:A. is het resultaat enkel positief als de bijkomende inkomsten de bijkomende kosten en verloren inkomsten overstijgt.B. wordt rekening gehouden met het tijdsverschil tussen uitgaven en inkomsten en de waarde vermindering van geld in de tijd.C. wordt enkel rekening gehouden met de vaste kosten, variabele kosten worden niet in rekening gebracht.D. worden voornamelijk ziektemanagementmethoden op bedrijfsniveau geëvalueerd. 
D
Welke van onderstaande uitspraken is (zijn) correct?A. Risico-analyse wordt enkel gebruikt voor het inschatten van het risico op introductie van exotische ziekten via de handel van levende dieren.B. Voor het uitvoeren van risico-analyses werden richtlijnen opgesteld door internationale organisaties (OIE en WHO).C. Bij de risicocommunicatie moet rekening gehouden worden met het feit dat risicoperceptie vaak subjectief is.D. Bij een kwantitatieve risico-analyse kan men de uitkomst met zekerheid voorspellen. 
B en C
Welke van onderstaande uitspraken is (zijn) correct? Endemische ziekten…:A. zijn economisch enkel belangrijk vanuit het standpunt van de individuele veehouder.B. zijn nadelig voor de consument omdat de prijzen stijgen als gevolg van een gestegen productiekost.C. zijn economisch veel belangrijker dan epidemische ziekten.D. zijn ziekten met een beperkte variatie in de frequentie van voorkomen. 
B en D
Welke van onderstaande stellingen is (zijn) correct?A. De economische overwegingen die een dierenarts moet maken zijn onafhankelijk van het type dieren (gezelschapsdieren versus landbouwhuisdieren) die hij moet behandelen.B. Bij het berekenen van de economische impact van dierziekten is het van belang te kijken naar zowel de input (kwaliteit en kwantiteit) als de output (kwaliteit en kwantiteit).C. De rol van dieren in de samenleving is niet erg veel veranderd door de jaren heen.D. Een dierenarts kan worden aanzien als een middel die door de maatschappij wordt ingezet om een rol te vervullen die door de maatschappij belangrijk wordt geacht. 
B en D
Welke van onderstaande stellingen is (zijn) correct? Bij de bestrijding van epidemische ziekten…:A. zijn de kosten sterk afhankelijk van de mate waarin de getroffen sector export-afhankelijk is.B. zijn de directe en indirecte kosten enkel hoog indien er geen vaccinatie mogelijk is.C. zijn de directe kosten steeds aanzienlijk hoger dan de indirecte kosten.D. worden alle indirecte kosten vergoed door de overheid. 
A
Welke van onderstaande uitspraken is (zijn) correct? Mond en Klauwzeer…:A. is een belangrijke zoönose.B. heeft in 2001 in het Verenigd Koninkrijk geresulteerd in een epidemie waarbij 30 miljoen dieren werden vernietigd.C. zal in 2019 volledig uitgeroeid zijn in de wereld.D. komt nog steeds voor in verschillend regio’s in de wereld.
D
Welke van onderstaande uitspraken is correct?A. De varkensprijs wordt uitgedrukt in € per kg geslacht gewicht.B. De varkensprijs wordt wekelijks bepaald door het ministerie van economische zaken in functie van de vraag en het aanbod.C. De varkensprijs was in 2017 relatief hoog en dan eind 2017 terug te dalen en begin 2018 weer een klein beetje te stijgen.D. De gemiddelde vleesvarkensprijs situeerde zich de afgelopen maanden tussen de €0.7 en €0.8 per kg geslacht gewicht. 
C
Welke van onderstaande stellingen is (zijn) correct?A. Een verbetering van het dierenwelzijn zal steeds een verlaging van de productiviteit inhouden.B. Aangezien dierenwelzijn niet kan vertaald worden in objectieve cijfers (geld) kan er geen rekening mee gehouden worden in de economie.C. Het objectiveren van dierenwelzijn is heel moeilijk in de huidige stand van de wetenschap daarom wordt vaak gesproken over het “waarneembaar” welzijn.D. Geen van bovenstaande uitspraken is juist. 
C
Welke van onderstaande uitspraken is (zijn) correct?A. Bij endemische ziekten wint de consument door een algemene daling van de prijzen.B. Om de inkomsten op een landbouwbedrijf te verhogen is het eerder van belang om de omzet te verhogen dan de marge te verhogen.C. Om de economische gevolgen van ziekten te berekenen moet eveneens rekening gehouden worden met de kost van de preventieve maatregelen.D. Productiviteit en marge staan los van elkaar. 
C
Welke van onderstaande stellingen is (zijn) correct?A. De prijs voor varkensvlees (betaald aan de veehouder) neemt de afgelopen jaren systematisch af.B. De prijs voor braadkippen schommelt de laatste jaren rond de €0,6-€0,7 per kg levend gewicht.C. De prijs van de grondstoffen voor diervoeders heeft een grote invloed op de rendabiliteit van een varkens- of braadkippenbedrijf.D. De prijs voor varkensvlees wordt in grote mate bepaald door een beperkt aantal aankopers van grootwarenhuizen. 
C en D