Summary Class notes - Filosofie

Course
- Filosofie
- Halsema
- 2014 - 2015
- VU
- Bewegingswetenscappen
214 Flashcards & Notes
0 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Filosofie

  • 1417906800 Het begrip mensbeeld

  • Waar gaat het steeds tegelijk om bij het begrip mensbeeld?
    1. Een beeld waarbij wijzelf zijn betrokken.
    2. Om een beeld dat niet samenvalt met onze persoonlijke voorkeuren
  • Wat brengen uitspraken over de mens zoal tot uitdrukking?
    1. Uitspraken over de mens wordt gekleurd door een historische en culturele situatie.
    2. Deze uitsprkaen hebben een zeker ontwerp-karakter
    3. Kunnen geen universitaliteit voor zich opeisen.
  • Dat mensbeeld, zelfinterpretatie is betekent niet dat elke zelfinterpretatie een mensbeeld is.
  • Wanneer is het zinvol om over mensbeeld te spreken?
    Als zo'n beeld zich kenmerkt door een zekere innerlijke samehang door een zekere structuur. Wanneer er sprake is van samenhangende uitspraken over het mens-zijn.
  • Wat is van belang om communicatie mogelijk over mensbeelden mogelijk te maken?
    De mensbeelden moeten een innerlijke gerichtheid op algemeengeldigheid hebben.
  • Wat is de uiteindelijke definitie van mensbeeld volgens tamboer?
    Tijd en plaats afhankelijke, min of meer coherente, omlijnbare en op algemeengeldigheid gerichte interpretatie van wat de mens is en behoort te zijn.
  • 1417993200 The slipperiness of movement

  • Bij het trekken van conclusies moet men goed kijken naar de terminologie, ondanks dat een stoel uit lege atomen bestaat is deze nog steeds solide, dus pas op met definities.
  • Waarom is het niet mogelijk om een scherpe definitie van beweging te krijgen? Of dit in woorden te vormen
    Door de oneindige mogelijkheden zou je hier nooit heldere definitie van kunnen krijgen. Net als dat het onmogelijk is om verbaal uitleg te geven over de primaire kleuren. Maar toch weten we wat het is.
  • Welke twee vormen van beweging als het over mensen gaat worden snel verward?
    Beweging van organen, lichaamsbeweging
  • Wat toont het artikel zoal aan?
    Dat wetenschappers zonder dat ze het weten al met een beperkt idee van hun wetenschap werkt. Zoals beweging ga je er altijd van uit dat het om lichaamsbeweging gaat maar ook ademen en hartslag is beweging. Dus pas hier mee op.
  • Claims over beweging kunnen enkel in de brede zin gedaan worden, toch worden dezelfde claims betrokken in de smalle zin wat niet mag. Claims in de brede zin zeggen niks want je kan niks vergelijken. Of de bedoelde vorm van beweging is een onderdeel van de brede zin en dan zijn de grote claims niet meer toepasbaar.
  • 1418079600 Balans en perspectief

  • Wat betreft een multidisciplinaire samenwerking?
    Een samenwerking waarbij minstens twee mono-disciplines aan bod komen. Het verschil is ook kwantitatief van aard maar blijft een summatie.
  • Wat gebeurt er bij een integrale aanpak?
    Dan is de summatie van kennis niet langer als summatie herkenbaar, het niveau van theorievorming stijgt boven de som der delen uit.
  • Welke varianten komen voort uit de twee onderscheidingscriteria?
    1. Disciplinaire benadering van het menselijk bewegen in het algemeen
    2.Disciplinaire benadering van he menselijk bewegen binnen een specifieke context
    3. Integrale benadering van het menselijke bewegen in het algemeen
    4. Integrale benadering van het menselijke bewegen in een specifieke context
  • Disciplinaire benadering van het menselijk bewegen in het algemeen, wordt als fundamenteel gekarakteriseerd gezien de intersse in algemene wetmatigheden. Kan je niet snel resultaten van verwachten, die direct bijdragen aan de oplossing van de problemen.
  • Disciplinaire benadering van he menselijk bewegen binnen een specifieke context, wordt gezien als toepassingsgericht onderzoek.
  • 1418166000 Handleiding

  • Wat is dualisme?
    Een scheiding tussen geest en lichaam
  • Wat zijn de drie denk richtingen  in het lichaam geest probleem?
    Dualisme
    Monisme
    Derde weg(alternatief dualisme en monisme)
  • Hoe kent de mens volgens plato het veranderlijke en het onveranderlijke?
    Zintuiglijke waarneming
    Denken
  • Wat is er met iedere theorievorming over het menselijk bewegen?
    Deze hangt onontkoombaar samen met een bepaalde mensbeschouwing.
  • Wat is de motortheorie?
    Een dualistische mensopvatting. Lichaam is een passief instrument wat wordt aangestuurd uit het brein
  • Wat is de actietheorie?
    Lichaam is een eenheid maar dit is geen monistisch mensbeeld, zij bewandelen de derde weg. Beweging komt voort uit een interactie tussen zenuwstelsel, spier-skeletsysteem en omgeving. Met name relatie lichaam & omgeving
  • Wat is een overeenkomst tussen het dualistische mensbeeld van Plato en Descartes?
    Lichaam is minder waard dan de ziel.
  • Wat is de mythe van de kerker der ziel?
    Dualistisch mensbeeld met negatieve lichaamswaardering, dit is niet bij elk dualistisch mensbeeld het geval.
  • Gelet op welke ethische waardering kan je dualisme onderscheiden in drie varianten?
    Lichaam lager dan ziel
    Hoger dan ziel
    Of gelijkwaardig
  • Wat is de mythe van de grot?
    De fysieke wereld is een afgeleide van de ideeenwereld.
  • Wat is het verschil tussen het veranderlijke en het onveranderlijke?
    Veranderlijke kennen wij via zintuiglijke waarneming
    Onveranderlijke enkel via denken/logisch redeneren.

    Het veranderlijke is slechts een gebrekkige afbeelding van het denken.
  • Wat is de ethische religieuze waardering van plato?
    De ziel is behoort tot andere orde van het lichaam in het zich van een hogere bestemming.
  • Welke functies heeft de ziel volgens plato? en waar bevinden zich deze?
    1. De redelijke functie ->hoofd
    2.wil ->borstkas
    3. begerende functie->onderbuik
  • Welke criterium staat bij Plato centraal?
    Ethische waardering
  • Als men let op de aard van de relatie tussen geest en lichaam welke 4 mogelijkheden zijn er dan?
    1. interactionisme-> lichaam en geest elkaar beinvloeden
    2. Parallellisme-> beiden kunnen elkaar niet beinvloeden
    3. Epifenomenalisme-> Lichaam kan geest beinvloeden maar niet omgekeerd, geest is bijverschijnsel van lichaam
    4. Hypofenomenalisme-> Geest kan lichaam beinvloeden tegenhnager epifenomenalisme
  • Welke drie onderscheidingscriteria zijn er van dualisme?
    Ethische waardering
    Aard relatie
    Ontologisch/methodologisch
  • Wat betekent ontologie? Methodisme?
    Leer van het zijn, ontologische uitspraak: als iets werkelijk het geval is.
    Methodologisch dualist dualisme enkel moet worden opgevat als een methode om de mens te benaderen of te bestuderen.
  • Wat is een belangrijk verschil tussen plato en descartes?
    Waarbij plato de ethische waardering centraal lag ligt bij descartes de ontologische vraagstelling centraal.
  • Wat doet aristoteles met leer van plato?
    Wijst dualisme van geest en stof af. Omdat er geen scheiding is tussen idee en materie.
  • Uit welke principes bestaat volgens aristoteles substantie? Hoe heet deze theorie?
    Stof principe-> materie
    Vorm principe

    Deze komen nooit onverbonden voor, deze theorie wordt ook wel hylemorfisme genoemd
  • Wat bedoelt aristoteles met dat vorm en stof elkaar kunnen vooronderstellen?
    Vorm kan niet zonder materie(tegenstelling tot plato)
    Materie is aangelegd op vorm, vorm maakt materie tot substantie.
  • Welke twee kenmerken heeft het vormprincipe?
    1. kracht principe-> Krachtbron die energie levert, zorgt dat materie werkelijkheid wordt. en:
    2. Doel principe-> Karakteriseert het doel, bestemming van materie.
  • Wat is het mensbeeld van aristoteles?
    Ziel=vormgevende kracht(krachtbron) en doelprincipe
    Lichaam =materiele aspect
  • Hoe ziet aristoteles het lichaam?
    Niet als causaal werkend mechanisme zoals descartes of de la mettrie maar teleologisch anti-mechanistisch.  Het oog is ontstaan omdat deze bepaalde functie had. 
  • Wat is de geest voor artistoteles? Wat voor dualisme zou er zijn?
    De geest is bespiegelend vermogen en menseigen, verwant aan het goddelijke en is onsterfelijk en eeuwig. 
  • Wat is de ziel voor aristoteles?
    Ziel kan niet gescheiden wordne van lichaam en ontstaat in de eicel.
  • Onder welke groep valt aristoteles?
    Ziet de mens als een ziel-lichaam eenheid alleen op een hele andere manier. Dus ook geen monisme, meer een soort eigen derde weg.
  • Wat was de definitie voor newton galilei en descartes:
    Beweging werdt gelijk gesteld met verandering
  • Wat staat voor het teleologische principe  dat doel en bestemming verleent aan de materie?
    Vorm-principe
  • Wat was definitie van aristoteles over beweging? Welke onderverdeling brengt hij aan?
    Beweging is iedere overgang van potentieel tot actueel zijn
    Generatio-> marmer naar beeld
    Corruptio-> beeld valt uit elkaar-> weer marmer
    Alteratio-> verandering hoedanigheid
    Augmentatio/diminutio->verandering hoeveelheid(toename/afname)
    Motus localis-> verandering van plaats
  • Wat was na mechanisering de definitie van beweging?
    Verandering van plaats, motus localis
  • Wat gebeurde er toen er aan motus localis een monopoliepositie werdt toegewezen?
    Materie was niet langer bezield maar begrepen als deelbare en kwantificeerbare uitgebreidheid.
  • Wat is een groot verschil tussen vorm-principe tussen objecten en mensen en dieren?
    Mensen en dieren is zelfbeweging de natuurlijke wijze van bewegen. Hoeven niet door externe factor in gelegenheid te worden gesteld.
  • Wat was groot verschil tussen het denken van aristoteles en newton?
    Appel valt niet door eigenschappen van de appel maar door externe kracht(zwaartekracht), appel is niet meer dan materie.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Filosofie

  • 1489705200 De draad

  • Filosofie
    'Liefde voor de wijsheid' of 'verlangen naar wijsheid': dat is de letterlijke betekenis van het woord 'filosofie'.
     
    Op haar weg naar wijsheid stelt de filosofie vragen over ware kennis, juist en rechtvaardig handelen, over de structuur van de werkelijkheid, het wezen van de mens, het leven en de schoonheid.
    Het opsporen van vooronderstellingen is een typisch filosofische activiteit. Vooronderstelling is een stelling waar je vanuit gaat, zonder eerst onderzoek te doen.

    Het opsporen van vooronderstellingen gebeurd door middel van vrije associatie. Deze vrije associatie is weer een gevolg van levensvragen stellen. En levensvragen stellen is een filosofische activiteit. 
    Ook heb je vooronderstellingen nodig om een onderwerp te onderzoeken en beweringen te ontkrachten.

    Naast de rede maakt vrije associatie ook gebruik van intuïtie. Je hebt vaak bij een bepaald woord of onderwerp al een gevoel/idee waar het over zal gaan.

    Filosofie gaat over dat je wilt nadenken over hoe er nagedacht wordt. Nagedacht werd.

    Alles draait om betekenis. Omtrent de betekenis van iets zijn we principieel onzeker. Filosofie is een gesprek over onze interpretatie van betekenis.

    Begeren van levenswijsheid.

    Filosofie komt tot stand in het proces van filosoferen. Het is een activiteit.

    Het stellen van een bepaald soort vragen.

    Filosofie is:

    1. Een houding of activiteit, ofwel;

    2. Een benaming voor de historische wijsgerige traditie, ofwel;

    3. Een manier van systematisch denken die zich laat omschrijven als het onderzoeken van de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de vragen die in het dagelijks leven, in de cultuur en in de wetenschappen worden gesteld; oftewel een reflectie op het denken.
  • Verhelderingsvraag
    Lees en besnuffel meerdere keren. Het is als een detective.

    De verhelderingsvraag

    Het kan gebeuren dat je de tekst niet helemaal begrijpt, ook al heb je hem zorgvuldig gelezen. Je kunt dan een goede verhelderingsvraag formuleren, zodat je die kunt inbrengen in een discussie met medestudenten of kunt voorleggen aan de docent. Een verhelderingsvraag is een vraag om uitleg of toelichting bij een specifieke (moeilijke) passage in de tekst. Dit betreft een vraag om uitleg of toelichting bij een in jouw ogen moeilijke passage in een van de teksten die op het programma staan

    Een verhelderingsvraag is niet hetzelfde als een discussievraag: een discussievraag problematiseert (een passage in) de tekst en vooronderstelt dus al een goed begrip van de tekst. De discussievraag wordt verderop in dit document behandeld.
  • Filosofie onderdelen
    Logica
    Epistemologie, kenleer
    Rationalisme
    Empirisme of sensualisme
    Idealisme
    Wetenschapsleer
    Wijsgerige antropologie
    Ethiek
    Esthetiek
    Metafysica en ontologie (zijnsleer)
    Sociale en politieke wijsbegeerte
    De geschiedenis van de filosofie en cultuurfilosofie.
  • Mythe
    Gr. mythos. Wordt beschouwd als een 'voorfilosofische' of 'voorwetenschappelijke' manier van denken, waarin het denken zichzelf nog niet in haar reflecties betrekt. De benaming heeft zowel betrekking op deze voorfilosofische manier van denken, als op verhalen over goden en de oorsprong van de wereld, als op een manier van denken waarvan de resultaten eerder in een verhaal dan in een betoog worden uitgedrukt.
  • Antropomorfisme
    Als menselijke eigenschappen en waardeoordelen worden toegeschreven aan niet-menselijke wezens. De ongenaakbare Mount Everest.

    Gr. anthropos, mens + morphè, vorm. ‘Naar de mens gevormd’. Het toeschrijven van menselijke opvattingen, hartstochten of eigenschappen aan niet-menselijke wezens, waardoor deze naar menselijke maatstaven gedacht of voorgesteld worden. In ruimere zin: het hanteren van een terminologie die impliciet verwijst naar de menselijke ervaring.
  • Metafoor
    Metaforen ontstaan uit de mentale behoefte nieuwe inzichten te benoemen vanuit een overeenkomst met het reeds bekende.

    Met zo'n diploma gaan alle deuren voor je open.
  • Presocraten
    Femke: Ook: natuurfilosofen of presocratici. Verzamelnaam voor de eerste Griekse filosofen (ca. 600-400 v. Chr.) die in plaats van een religieus-mythologisch naar een rationele verklaring van natuurverschijnselen zochten; o.a. Thales, Anaximander, Anaximenes, Heraclites. Het gaat om filosofen die voor Socrates leefden of die buiten zijn invloedssfeer bleven.
  • Klassieke oudheid
    Scorates: in iedereen is al alle kennis, via vragenstellen haal je dat naar boven
    Plato: je ziel is in de ideeënwereld geweest, middels gesprek haal je dat boven
    Aristoteles: je talenten ontwikkel je door mensen die het goed doen te imiteren
  • Scepticisme
    Femke: Gr. skeptomai, aandachtig rondzien, zorgvuldig onderzoeken. Scepticisme is een houding in de filosofie die stelt dat de mens zich van elke instemming of oordeel moet onthouden, aangezien voor elke positie zowel voor- als tegenargumenten kunnen worden aangevoerd. In de oudheid o.a. vertegenwoordigd door de sofisten, Arcesilaus (ca. 250 v. Chr.) en Carneades (ca. 150 v. Chr.). Een andere belangrijke sceptische auteur is Sextus Empiricus (tweede eeuw na Christus). Het scepticisme als stroming wordt ook Phyrrhonisme genoemd, naar Pyrrho (360-270).
  • Idealisme
    Idealisme is een benaming voor een aantal filosofische stromingen die met elkaar gemeen hebben dat ze alles tot een geestelijk beginsel willen herleiden. Het komt er dus op neer dat aan de uiterlijke objecten geen zelfstandigheid wordt toegeschreven, terwijl alleen wat in de geest is - de ideeën en grondbegrippen - werkelijkheidswaarde heeft. 
    Het ideaal, oftewel het idee heeft voorrang.

    Femke: Aanduiding voor een filosofie die aan het ideaal of de Idee (voorrang toekent boven de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. In ethische zin gaat het om de houding die idealen als norm hanteert om de feitelijkheid te bekritiseren (tegenover pragmatisme). In kentheoretische zin gaat het om de filosofieën die aan de idee (aan het denken) het primaat boven het zijn toekennen (tegenover realisme). Soms noemt men de Ideeënleer van Plato idealistisch, maar dat is minder gebruikelijk in het Nederlandse taalgebied. Het idealisme kent verschillende varianten zoals het transcendentale idealisme van Kant, het absolute idealisme van Hegel en het Duits idealisme. Ook Fichte gaat uit van een idealisme: bij hem is het idealisme een filosofie van de vrijheid. Het heeft de moed in het denken tot het uiterste te gaan, i.t.t. het dogmatisme.
  • Idee
    Femke: Gr. Eidos, zichtbare vorm. Vooral bekend door de Ideeënleer van Plato. Bij Augustinus worden de Ideeën opgevat als de onveranderlijke en eeuwige normen en vormen van de werkelijkheid in Gods geest. Aanvulling deelentamen II: In de moderne filosofie staat de term 'idee' voor een bewustzijnsinhoud/ gedachte; heldere en welonderscheiden ideeën zijn volgens Descartes niet uit de ervaring gewonnen of door de verbeeldingskracht gevormd, maar aangeboren. John Locke ontkent het bestaan van aangeboren ideeën en houdt vol dat de geest zijn ideeën via zintuiglijke waarneming en reflectie verwerft. Volgens David Hume worden Ideeën (gedachten of fantasiebeelden) gevormd uit impressies. Hume onderscheid enkelvoudige ideeën, die rechtstreeks teruggaan op impressies, en complexe ideeën, die door een operatie van de geest gevormd worden uit enkelvoudige ideeën. Kant gebruikt de term 'Ideeën' voor de onvoorwaardelijke regulatieve principes, waarin de veelheid van de menselijke kennis tot eenheid komt.
  • Ideeënleer
    Femke: De door Plato geformuleerde leer dat de essenties van de concrete zijnden werkelijk bestaan in een eeuwige en onveranderlijke, transcendente wereld. Deze transcendente wereld is niet alleen de grondslag voor de concreet waarneembare werkelijkheid, maar ook de grondslag voor de kennis daarvan. Door aanschouwing van de ideeën ontstaat kennis, terwijl door zintuiglijke waarneming slechts mening (zie: doxa) wordt voortgebracht.
  • De logica
    De logica is de leer van het correcte redeneren, en het maken van geldige gevolgtrekkingen. In de logica gaat het niet om de inhoud of de waarheid van een redenering, maar enkel om de geldigheid. Daarom noemen we de logica ‘formeel’ en ‘a priori’, dat wil zeggen niet op de ervaring gebaseerd. 
  • Epistologie
    Een volgend onderdeel van de Filosofie dat we kunnen noemen, is de epistemologie, ofwel de kenleer. Daarin komt de vraag aan de orde wat het wil zeggen iets te kennen. Wat is kennis eigenlijk? Wat zijn de mogelijkheden en grenzen van kennis? Een belangrijke vraag in de epistemologie is ook die naar de bron of de oorsprong van onze kennis – waarop is onze kennis gebaseerd?
  • Rationalisme versus empirisme
    Het rationalisme, dat beweert dat onze kennis uiteindelijk teruggaat op het denken; en anderzijds het empirisme of sensualisme, dat beweert dat onze kennis uiteindelijk teruggaat op de ervaringsgegevens die we via onze zintuigen opdoen. Tussen die twee uiterste standpunten hebben zich tal van middenposities gevormd, waarin wordt beweerd dat én het denken én de ervaringsgegevens een rol spelen.
  • Realisme versus idealisme
    Enerzijds is er het realisme, dat beweert dat de werkelijkheid onafhankelijk van ons bestaat en dat we in onze kennis moeten proberen die werkelijkheid zo getrouw mogelijk weer te geven. En anderzijds is er het idealisme, dat beweert dat de menselijke geest een actieve rol speelt bij het kennen van de werkelijkheid, en die werkelijkheid mede opbouwt. Het idealisme kent, met andere woorden, een actievere rol toe aan de menselijke geest dan het realisme, waarin de menselijke geest als het ware functioneert als een spiegel.
  • Plato zegt dat de zintuigelijk waarneembare wereld inderdaad veranderend en dus onbetrouwbaar is, waardoor wij hierover geen blijvende kennis kunnen hebben. Leg uit.
    Het gaat hier over Plato's ideeënleer. Beter gezegd: de Platonistische ideeënleer. Plato kennen wij door middel van een aantal dialogen dat hij geschreven heeft, maar hij is binnen deze dialogen niet altijd consistent in zijn leer. De interpretatie van zijn ideeën die wel consistent is noemen wij het Platonisme. Maar dat even terzijde.

    Vaak is het nuttig - en soms noodzakelijk - om filosofen en hun ideeën in de relevante context te bestuderen. Bij deze zin over Plato zijn nog twee andere filosofen van belang. Heraclitus & Parmenides. Heel kort gezegd claimt Heraclitus dat alles in de kosmos in constante verandering is en dingen altijd bestaan als een spanning tussen twee tegenovergestelde begrippen. Parmenides stelt echter dat alles vaststaat, omdat "het is of het niet is". (Op basis van deze twee zinnen is het onmogelijk de twee te begrijpen. Dit is dan ook eerder een karakter schets. Zie de laatste alinea voor meer duidelijkheid.)

    De ideeënleer van Plato kan worden gezien als een synthese tussen de twee en daarmee komen we bij de zin die je opstuurde. Plato zegt dat de zintuigelijk waarneembare wereld inderdaad veranderend en dus onbetrouwbaar is, waardoor wij hierover geen blijvende kennis kunnen hebben. Toch kunnen we kunnen we dergelijke kennis hebben, omdat er naast de waarneembare, veranderende wereld een vaste, ideale wereld bestaat: de ideeënwereld. Deze wordt hier transcendent genoemd omdat hij de waarneembare wereld overstijgt. Deze twee werelden staan echter niet los van elkaar: De dingen in de waarneembare kun je zien beschouwen als slappe aftreksels, minder perfecte kopieën, van de perfecte concepten uit de ideeënwereld. Hierdoor werkt ook die rationele orde van de ideeënwereld door in de waarneembare wereld.

    Plato: twee ‘domeinen’
    De wereld van de Ideeën
    • onveranderlijk, eeuwig, werkelijk & waar
    • Volmaakte “oerbeelden”
    De wereld van de (natuurlijke, waarneembare) objecten
    • veranderlijk, vergankelijk, onwaar
    • onvolmaakte afbeeldingen van de Ideeën

    Deelhebbing
    • De relatie tussen beide domeinen wordt aangeduid met de term ‘deelhebbing’ (methexis): de natuurlijke objecten in de wereld van de waarneming hebben deel aan de Ideeën.
    • De Idee van het Goede is de hoogste en heeft een status aparte: het is een ijkpunt aan gene zijnde van het zijn.

    Consequenties
    • Kennis is herinnering.
    • Onsterfelijkheid van de ziel.
    • Dualisme (van ziel en lichaam).
  • Kort over Socrates
    1. Socrates wil duidelijk maken dat de filosoof om tot kennis te komen van de werkelijkheid moet vertrouwen op het denken, op de ziel, en niet op het lichaam en de zintuiglijke waarneming.

    2. Socrates stelt dat de zintuigen – zoals het gehoor en het gezichtsvermogen – niet nauwkeurig en betrouwbaar zijn. Daarom kunnen ze niet tot (zekere) kennis leiden. Daarnaast argumenteert hij dat de ‘dingen in het algemeen’, zoals het rechtvaardige, het goede en het schone, niet met de zintuigen, maar door het denken worden gevat.
    3. Een wijsgeer bekommert zich niet om zijn lichaam, heel zijn zorg is op de ziel gericht
    De massa heeft hoge waardering voor de sensaties die via het lichaam komen, maar wijsgeren hebben daar die waardering niet voor
    Gezicht en gehoor zijn onbetrouwbaar
    De ziel vindt het juiste antwoord in het denken
    De ziel functioneert het meest optimaal als niet door lichamelijke waarnemingen wordt afgeleidt
    Er bestaat zo iets als het alleen maar rechtvaardige en het alleen maar schone

    3. Voorbeelden van vooronderstellingen zijn:
    a. dat lichaam en ziel twee verschillende dingen zijn;
    b. dat gevoelens zoals ‘genot’ en ‘smart’ tot het lichaam behoren en niet tot de ziel;
    c. dat de werkelijkheid te kennen betekent ‘de dingen in het algemeen’ te kennen, of, met andere woorden: dat de ‘dingen in het algemeen’ de werkelijkheid vormen.
  • Predicaat
    Femke: Lat. praedicatum, dat wat uitgezegd wordt. Het predicaat is in de klassieke logica datgene wat in een categorisch oordeel van het subject wordt gezegd. Bijvoorbeeld in 'Socrates is sterfelijk' is 'is sterfelijk' het predicaat.
  • De Ideeënleer
    De Ideeënleer is het bekendste onderdeel van de filosofie van de Griekse wijsgeer Plato, en behelst de aanname dat er eeuwige, slechts met het verstand waarneembare Ideeën bestaan. Deze Ideeën vervullen een functie in Plato's metafysica/ontologie, kennistheorie en ethiek.

    Het woord Idee in deze context is direct afkomstig van het Griekse woord idea, dat 'gestalte', 'aanblik' betekent, en bij Plato maar weinig met het Nederlandse woord idee te maken heeft. Al is het woord 'Ideeënleer' dus misleidend, de term is ingeburgerd. Dit komt omdat latere platonisten de Ideeën interpreteerden als zijnde aanwezig in een goddelijke geest. Via die weg kon het Griekse idea in de moderne westerse talen de betekenis krijgen van 'opvatting in iemands geest', 'idee'.

    Plato gebruikt ook het woord eidos (vorm) voor zijn Ideeën; in het Engels spreekt men dan ook wel van de Theory of Forms, om zo de misleidende relatie met het woord 'idee' te vermijden.
  • Ousia
    Femke: Gr. on + einai (zijn) bezit, wezen, het zijnde gezien als wat er werkelijk is. Ousia staat bij Plato voor de Idee en ook voor het wezen, want wezen en Idee ‘zijn’ bij uitstek, onafhankelijk van de mens. Plato spreekt ook over de gemeenschappelijke ousia en dan bedoelt hij het zijn dat aan alle zijnden gemeenschappelijk is. Aristoteles onderscheidt de substantie van de accidenten en noemt de substantie ousia, omdat die alleen op zichzelf is. Hij onderscheidt, binnen de substantie, de vorm van de stof en dan noemt hij vorm ousia, want alleen de vorm bepaalt wat het zijnde wezenlijk is.
  • Substantia
    Femke Lat. Substantia, sub: onder + stare: staan. Zie ook ousia. In het dagelijks spraakgebruik staat substantie vaak voor materie of spul. Aristoteles verstaat onder substantie iets dat op zichzelf kan bestaan, dat dus geen drager nodig heeft, en dat – mits het een stoffelijke substantie is – is samengesteld uit materie en vorm. Hij gebruikt substantie echter ook om de soortelijke bepaling aan te duiden, dat wat een ding maakt tot wat het is. Substantie duidt dan de vorm aan. Bij Aristoteles is dus zowel deze individuele mens een substantie, als datgene wat ieder mens tot mens maakt. Substantie staat tegenover accident: het bijkomstige, dat niet op zichzelf kan bestaan. Aanvulling deeltentamen II: Bij Descartes impliceert de notie 'substantie' een (relatieve) zijnsonafhankelijkheid. Hij onderscheidt drie substanties: God, die volkomen op zichzelf staat, maar ook de denkende en uitgebreide substantie. Bij Descartes staat substantie tegenover attribuut.
  • Zijnden / zijn
    Zijnden: dat wat is, de werkelijkheden die zijn; in principe alles waaraan ‘zijn’ of ‘bestaan’ kan worden toegeschreven (bijv. mensen, personages in een verhaal, voorstellingen, gebeurtenissen, wiskundige bewijzen, de democratie, pijn, etc.). Zijn is de act of de activiteit van het bestaan, het werkelijk of werkzaam zijn. De verhouding tussen de zijnden en het zijn is een van de kernproblemen van de metafysica.
  • Het goede leven volgens Plato, een willekeurig overzicht
    1. denk meer na, ga niet mee met populaire meningen (doxa)
    - ken jezelf, laat je niet meespelen met gevoelens
    - voer een socratische discussie

    2. laat je geliefde je veranderen. 
    - echte liefde is bewondering
    - samen een beter mens worden

    3. schoonheid
    - mooie dingen leren ons hoe we het goede leven moeten leiden
    - in die dingen ontdekken we kwaliteiten die we aan ons leven willen toevoegen: vriendelijkheid, harmonie, kracht, genereusiteit
    - lelijkheid laat zien wat er niet goed is

    4. hervorm de samenleving
    - hij dacht utopisch
    - Sparta was militair succesvol. Plato wilde mensen die zich vervuld voelen
    - rijken of sporthelden als voorbeeld?
    - guardians, service, modity
    - democratie is voor filosofen, mensen die goed na kunnen denken
  • Plato lijnen spel, zie ook evernote
    Bevat meer waarheid - Bevat minder waarheid
    Kenbare werkelijkheid - Zichtbare werkelijkheid

    Het goede als het - De zon, zichtbare dingen
    hoogste ideaal Beelden, schaduwen

    Ideeën en vormen als
    het domein van het
    zijn

    Toestanden van de - Geloof, vermoedens
    ziel:
    verstand en rede.


    Duidelijker - Onduidelijker

  • Mimèsis
    Gr. nabootsing, imitatie, navolging. Het begrip is ontleend aan Plato. In zijn metafysica is mimesis de verbinding tussen de ideeënwereld en de zintuiglijk-waarneembare wereld. Die laatste is een nabootsing van de eerste. De mate van gelijkenis met de Ideeën bepaalt in hoeverre iets waar of onwaar, goed of slecht is. Mimesis heeft bij Plato ook een negatieve connotatie, van wat niet echt, waar of goed is. Hij past deze pejoratieve betekenis ook toe op kunst: als afbeelding van de werkelijkheid, die op zich al een afbeelding van de Ideeën is, is het kunstwerk een derderangsweergave die het zicht op de ware werkelijkheid van de Ideeën belemmert. Bij Aristoteles krijgt mimesis een positieve betekenis. Door mimesis kunnen essenties en algemene waarheden worden overgebracht.
  • Hupokeimenon
    Femke: Gr. eronder liggen; ten grondslag liggen. Term van Aristoteles: in logisch of grammaticale zin het 'subject', in ontologische zin het 'substraat'. Brons of hout is bijvoorbeeld het hupokeimenon van het beeld dat ervan wordt gevormd.
  • Kort Aristoteles
    Aristoteles was een leerling van Plato en zijn filosofie heeft zich duidelijk onder de invloed van het platonisme ontwikkeld. Soms neemt Aristoteles elementen van Plato’s denken over. Zo deelt hij bijvoorbeeld Plato’s kritiek op de materialistische natuurfilosofie van veel presocratische filosofen. In de meeste gevallen echter is de invloed van Plato eerder een negatieve: veel hoofdelementen van Aristoteles’ filosofie zijn terug te voeren op een bewust kritische reactie op het platonisme.

    Aristoteles. Bioloog. De wereld verandert naar verdere perfectie. Gelukkig. Dat gaat niet over rijkdom of genotzucht, maar om het vinden van het juiste midden. Een deugd zit tussen twee ondeugden. Moed zit tussen lafheid en roekeloosheid. Praktische wijsheid. 

    1. Wat maakt mensen gelukkig. 11 Virtues. Moed. Vriendelijkheid enzovoorts. Humor helpt. Grappig, maar tactvol. En het is te leren.

    2. Waar is kunst voor. Tragedies. Change in geluk. Titanic. Het kijken hierna geeft catharsis. Cleansing. Het kan iedereen overkomen. Compassie voor de minder gelukkigen.

    3. Vrienden. Gelegenheidsvrienden. Genot. Allianties. Iemand om wie je net zo veel geeft als om jezelf. Samen kom je verder.

    4. Hoe komen ideeen door in een drukke wereld. Argumenteren. Overtuigingskracht. Is inspelen op angst, welke emoties spelen er waar je op in kunt spelen. Humor, plaatjes helpen.
  • Aristoteles en Ontologie
    Belangrijk(st)e vraag: wat is het zijnde? Of: wat bedoel ik eigenlijk als ik van iets zeg dat het ‘is’ of ‘bestaat’? Wat is het gemeenschappelijke aan al datgene waarvan gezegd wordt dat het is?

    Aristoteles: tien categorieën
    1. Substantie(ousia): (deze) mens, (dit) paard
    2. Bijkomstigheden(accidenten):
    Kwantiteit: Kwaliteit: Relatie: Plaats: Tijd: Positie: Toestand: Activiteit: Ondergaan:
    twee meter lang wit, geletterd dubbel, groter, oorzaak op de markt
    gisteren, vorig jaar liggend, hangend gekleed, gewapend snijdend, brandend gesneden, verbrand

    Ousia
    Grieks zelfstandig naamwoord (een vorm van het werkwoord voor zijn), betekent lett. ‘wat van mij is’. Bij Plato staat het voor het 'wezen' en ook voor de Idee, want wezen en idee ‘zijn’ of ‘bestaan’ bij uitstek. Plato spreekt ook van de gemeenschappelijke ousia. Hij bedoelt dan het zijn dat aan alle zijnden gemeenschappelijk is.
    Aristoteles onderscheidt de substantie van de bijkomstigheden en noemt de substantie ousia, want alleen de substantie is op zichzelf. Hij onderscheidt binnen de substantie vorm van materie en noemt de vorm ousia, want alleen de vorm bepaalt wat het zijn wezenlijk is.

    Substanties
    Aristoteles’ antwoord op de vraag ‘wat is het zijnde?’:
    Alleen substantie ‘is’ in de primaire zin. Alle andere categorieën (accidenten) ‘zijn’ alleen in afgeleide zin: ze zijn voor hun ‘zijn’ afhankelijk van de substantie.
    NB: dus ‘witheid’ vindt ik niet op straat, alleen witte dingen, evenals op de markt geen ‘op de markt zijn’ rondloopt, alleen mensen en objecten die op de markt zijn.

    Wat is substantie?
    Individuele, stoffelijke substanties zijn samengesteld uit twee principes: materie en vorm – de leer van het ‘hyle-morfisme’:
    • vorm (‘morfè’, ook: ‘eidos’): is verantwoordelijk voor de soortelijke bepaling (het mens zijn), het is de specifieke aard die een individuele substantie gemeen heeft met andere substanties van dezelfde soort. Het is tevens het beginsel van kenbaarheid, want tijdloos.
    • Materie (hulè): het bepaalbare materiaal/ principe van bepaalbaarheid; de stof is verantwoordelijk voor de individualiteit (het deze mens zijn).
    N.B Stof en vorm kunnen in ons denken worden onderscheiden, maar in de werkelijkheid komen ze alleen maar samen voor.

    Hoe kan verandering worden verklaard?
    • Met behulp van het begrippenpaar ‘potentie en act’ verklaart Aristoteles verandering. Potentie (t1)  Materie  Act (t2)

    Aristoteles’ kritiek op Plato’s dualisme
    • Wat Aristoteles ‘vorm’ noemt komt overeen met wat Plato ‘Idee’ noemt. Het is datgene wat aan een ding zijn soortelijke identiteit geeft (wat een mens tot mens maakt, wat een mes tot mes maakt).
    • Bij Plato bestaat het algemene, de wezensvorm, dus op zichzelf, buiten het individuele (zintuiglijk waarneembare) ding. Plato wordt wel de filosoof van het ‘transcendente’ genoemd.
    • Bij Aristoteles ligt het algemene, de vorm, dus onlosmakelijk in het individuele (zintuiglijk waarneembare) ding besloten. De vorm ‘informeert’ de materie en is immanent
  • Plato versus Aristoteles
    Kenleer volgens Plato
    Waarneming en meningen leiden slechts tot schijnkennis. Kennis van de ware Ideeën komt van binnenuit via anamnese (herinnering) en filosofische verloskunde. Eros is de drijvende kracht.

    Kenleer volgens Aristoteles
    Empirische methode: waarneming en alledaagse ervaring (fenomenen) als uitgangspunt. Dialectiek: kritisch toetsen van bestaande meningen en kennis.

    Ontologie volgens Plato
    Dualisme. Transcendente Ideeënwereld. Onsterfelijke ziel.

    Ontologie volgens Aristoteles
    Op gezond verstand gebaseerde ontologie. Categorieënleer. Eén werkelijkheid. Geen onsterfelijke ziel (al probeert hij een uitzondering te maken voor de verstandelijke ziel).

    Ethiek volgens Plato
    Deugd berust op inzicht in de Ideeën, met name in de Idee van het Goede.

    Ethiek volgens Aristoteles
    Deugdethiek. Verstandsdeugden, praktisch verstand (phronenis), karakterdeugden. Het juiste midden: we moeten op redelijke wijze vormgeven aan het (streef)leven en het politieke leven.
  • Kort Seneca
    Seneca's filosofie ging over boosheid en frustratie. Zijn idee was dat hoe hoopvoller en optimistischer iemand is, hoe eerder en meer die wordt gefrustreerd. Beter om elke dag een kleine meditatie te doen, om even stil te staan bij wat er mis zou kunnen gaan. En dat te accepteren als een mogelijkheid. Met name de rijken waren in zijn tijd vaak boos omdat ze de hoge verwachting hadden dat hun rijkdom hun zou weghouden van tegenvallers.

    Seneca stelt ook dat er in het leven veel dingen zijn waar je niets aan kunt veranderen. Je daarover opwinden is zonde van je energie. Beter om je houding ten opzichte van die dingen aan te passen. Ze te accepteren. Immers ze zijn niet veranderen. Of ze zijn niet door jou te veranderen.
  • Paradox
    Een paradox is een ogenschijnlijk tegenstrijdige situatie, die lijkt in te gaan tegen ons gevoel voor logica, onze verwachting of onze intuïtie. Ogenschijnlijk, omdat de vermeende tegenstrijdigheid veelal berust op een denkfout of een verkeerde redenering. 
  • Realisme
    Realisme (werkelijkheid) is de verzamelnaam voor een aantal verschillende standpunten en stromingen binnen de filosofie, die met elkaar gemeen hebben dat ze ervan uitgaan dat er een werkelijkheid onafhankelijk van het menselijk bewustzijn bestaat.

    Femke: Lat. res, ding. Realisme staat voor de houding in de filosofie die aan het werkelijke (de res of realiteit) de voorrang verleent. In ethische zin gaat het om de houding die zich aan het werkelijke wenst te houden zonder te vluchten in idealen (tegenover optimisme en idealisme). In kentheoretische zin gaat het om de filosofie die aan de realiteit het primaat toekent boven het denken (tegenover idealisme). In de universaliënstrijd staat realisme voor de opvatting dat algemene begrippen of essenties objectief bestaan (tegenover het nominalisme, vocalisme en conceptualisme).
  • Eros of Cupido
    In de Griekse mythologie is Eros de god van de liefde en het schoonheidsverlangen, en de drijvende kracht achter aantrekking en binding, blinde passie voor iets of iemand, en voortplanting in de natuur. Romeinen spraken van Cupido of Amor.

    Femke: Gr. verlangen. Griekse God van de liefde en het schoonheidsverlangen. Begrip in de filosofie vooral bekend door Plato, die de transformatie beschreef van een verlangen dat door lichamelijke schoonheid gewekt wordt in een verlangen naar aanschouwing van het Schone zelf. Bezield door Eros worden de minnaar, kunstenaar en filosoof aangezet tot een gepassioneerd zoeken naar het waarlijke schone.
  • Esthetica
    Esthetica is de leer van de zintuiglijke waarneming, in meer specifieke zin de tak van de filosofie die zich bezighoudt met schoonheid en kunst.
  • Ethiek
    Ethiek (gewoonte of zedelijke handeling) of moraalwetenschap is een tak van de filosofie die zich bezighoudt met de kritische bezinning over het juiste handelen. In algemene zin probeert ethiek de criteria vast te stellen om te kunnen beoordelen of een handeling als goed of fout kan worden gekwalificeerd, en om de motieven en consequenties van deze handeling te kunnen evalueren.
  • Constitueren
    Vaststellen. Samenstellen. Grondvesten.
  • Epistemologie
    Femke: Ook wel epistemologie of kentheorie genoemd. Kenleer is dat deel van de filosofie dat zich bezighoudt met het probleem van de waarde van het menselijke kennen. De centrale vragen zijn hoe kennis tot stand komt en wat kan
    worden aangemerkt als (on)geldige kennis. De wetenschapsleer vormt een onderdeel van de kenleer.


    Kennistheorie, kenleer of epistemologie, is de tak van de filosofie die de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte van kennis en het weten onderzoekt.

    In de twintigste eeuw ontwikkelde de Franse filosoof Michel Foucault in Les mots et les choses het begrip épistèmè. Dit staat voor het geheel van kennis en wetenschap in een bepaalde periode en hoe de onderlinge samenhang wordt ervaren. Tijdens een epistemische breuk verandert deze 'orde der dingen'. Aangezien er in verschillende épistèmès sprake is van een ander conceptueel kader, ziet men de wereld op een andere manier. Om opvattingen uit een eerder épistèmè te begrijpen, moet hiermee rekening worden gehouden.
  • Logica
    Logica of redeneerkunst is de wetenschap die zich bezighoudt met de formele regels van het redeneren.

    Een propositie of bewering is in de logica een declaratieve zin die of waar of onwaar kan zijn.
    Een definitie is een samenvattende omschrijving van de kenmerken van een begrip, zodat het niet met een ander verward kan worden.
    Gevolgtrekking is het trekken van conclusies alleen op basis van reeds bestaande kennis.
    Wetenschappelijk bewijs bestaat uit waarnemingen die een hypothese of theorie bevestigen (verificatie) of ontkrachten (falsificatie).
  • Paradigmaverandering
    Wetenschappelijk bewijs bestaat uit waarnemingen die een hypothese of theorie bevestigen (verificatie) of ontkrachten (falsificatie). In werkelijkheid vallen geaccepteerde wetenschappelijke theorieën overigens niet bij het eerste tegenbewijs om. Een theoretische omslag wordt een paradigmaverandering genoemd.
  • Metafysica
    Metafysica is de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke waarneming (fysica), maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert. Vragen als:

    - Het onderzoek naar entiteiten en toestanden die de menselijke ervaring transcenderen, bijvoorbeeld het bestaan van God, de onsterfelijkheid van de ziel en de vrijheid van de wil. - Welke criteria bestaan er om vast te stellen dat iets is, dat iets bestaat als aparte entiteit?

    Femke: Gr. Ta meta ta phusika, dat wat na de fysica komt. Filosofisch vakgebied. De term is afkomstig van Andronicos van Rhodus (1e eeuw) die een verzameling van 14 boeken van Aristoteles bestempelde als meta ta phusica, de boeken die na de boeken over de fysica komen. Soms geldt metafysica als synoniem voor ontologie, soms worden zijn onderscheiden. De metafysica wordt ook wel verstaan als de filosofie van hetgeen de ervaring overstijgt, of van iedere, de reikwijdte van het wetenschappelijk onderzoek overschrijdende theorie aangaande de eerste beginselen van de werkelijkheid. 'Bijzondere metafysica' wordt gewoonlijk gebruikt als verzamelnaam voor de wijsgerige kosmologie, antropologie en godsleer.
  • Ontologie
    Femke: Gr. logos, leer + óntos, van het zijnde. In dit deel van de filosofie wordt nagedacht over de aard van het zijn als zodanig en over de grondstructuren van (deelgebieden van) de werkelijkheid. Voorbeelden van deelgebieden van de werkelijkheid zijn de levenloze en de levende natuur, de geschiedenis of het bewustzijn. Ontologie wordt ook wel als synoniem gebruikt voor algemene metafysica.


    De ontologie is de zijnsleer. Traditioneel is ontologie een tak van de filosofie, binnen de metafysica. Soms 'categorietheorie' genoemd.

    Van de klassieke oudheid tot en met de middeleeuwen waren metafysica en ontologie volledig synoniem aan elkaar. Met Christian von Wolff (1679-1754) begonnen in de moderne tijd allerlei afsplitsingen van de algemene metafysica, te beginnen met (toentertijd) kosmologie, psychologie en allerlei apologetische stromingen binnen de theologie.

    Een voorbeeld van de werking van een bepaalde ontologie kunnen we terug vinden in de beginselen van empirisch onderzoek. Bij empirisch onderzoek wordt de aard van een onderzoeksobject ontologisch gezien als:
    - een onveranderlijke structuur hebbende,
    - objectief gegeven,
    - meetbaar,
    - onafhankelijk van menselijk kennen.

    Femke: Godsbewijs, ontologisch:

    Kant introduceerde in zijn Kritik der reinen Vernunft, 1781, de onderscheiding tussen drie soorten van bewijzen voor het bestaan van God: fysico-theologische, kosmologische en ontologische. Het eerste zogenaamde ontologisch godsbewijs is van Anselmus van Canterbury (1033-1109). In een ontologisch godsbewijs wordt het bestaan van God afgeleid uit de definitie van God.
  • Wijsgerige antropologie
    De wijsgerige antropologie of filosofische antropologie bestudeert de filosofische vraag naar het wezen van de mens, dus wat de mens specifiek tot mens maakt.
  • A priori
    A priori betekent "wat van tevoren gegeven is" of "voorafgaand aan de ervaring" of "onafhankelijk van de ervaring". Meer in het bijzonder heeft dit betrekking op vaststellingen en/of oordelen die onafhankelijk van de zintuiglijke indrukken uitgesproken worden, ofwel zonder onderzoek.

    A posteriori (Lat. ‘later’ of ‘achteraf’) de tegenovergestelde term a priori (Lat. lett. ‘vooraf’) hebben betrekking op de volgorde van het kennisverwervingsproces. Een a-posteriori oordeel is een oordeel dat op zintuiglijke waarneming of ervaring berust; het komt dus na de ervaring. Een a priori oordeel of waarheid kan onafhankelijk van de ervaring worden vastgesteld; het gaat vooraf aan de ervaring. Ad deeltentamen II: Immanuel Kant (1724-1804) beperkt het a priori tot de oorsprong van kennis: de vormen van zintuiglijkheid en verstand (zie aanschouwingsvormen) zijn a priori omdat ze niet aan de ervaring worden ontleend, maar door ons kenvermogen worden opgelegd aan de ervaring. A priori is ook synoniem met ‘algemeen-geldig’.
  • Archè
    Archè is Oudgrieks dat 'begin' betekent. Het woord archetype is ervan afgeleid.
    Het woord archè werd in de oude Griekse filosofie gebruikt om het 'begin' van de wereld aan te duiden: de oerstof die het eerste principe van alle materie is. In deze betekenis werd het woord archè voor het eerst gebruikt door Anaximandros (6e eeuw v. Chr.).

    Femke: Gr. Betekent zowel begin, oorsprong als beginsel (bron), principe of element. Het zoeken naar de archè van de wereld is kenmerkend voor de presocratische filosofie. Bij Aristoteles gaat het om de archè (de beginselen of bron) van de kenbaarheid van de wereld. Verwondering wordt wel beschouwd als de archè van de filosofie.
  • Archaïsme
    Een archaïsme (oud / uit het verleden) is een term waarmee een verouderde taalvorm, een verouderde zinsconstructie of een verouderd woord wordt aangeduid.

    Bakvis, deerne, ter sponde.
  • Doxa
    Femke: Gr., geloof, mening. Ook wel: endoxa. Algemeen aanvaarde opvatting. In de Griekse filosofie vaak gebruikt in tegenstelling tot ware kennis (epistème of aletheia). Volgens Plato is de kloof tussen mening en kennis in principe onoverbrugbaar; volgens Aristoteles kunnen endoxa of doxa na kritische toetsing wel waar blijken te zijn.


    Opinie. Plato stelde in zijn Ideeënleer de echte kennis (epistèmè) – waarin de Ideeën in hun zuiverste vorm voorkwamen – tegenover opinies (doxa).
  • Epistème
    Gr. kennis of wetenschap. Tegenhanger van doxa. 'Echte' kennis, ook wel aletheia genoemd, gaat epistème heten bij Plato. Bij Plato is epistèmè niet-zintuiglijk, maar gebonden aan het onzichtbare, onveranderlijke domein van de Ideeën.
  • Dualisme
    Het dualisme in de filosofie van de geest is een verzameling visies over de relatie tussen de menselijke geest en materie, die als uitgangspunt hebben dat de mentale verschijnselen, in bepaalde opzichten, immaterieel zijn.

    Ideeën over het lichaam-geest dualisme zijn al terug te vinden bij Plato en Aristoteles, en speculeren over het bestaan van een menselijke ziel, die voor intelligentie en wijsheid zorgt. Plato en Aristoteles hielden beiden om verschillende redenen vol, dat de menselijke intelligentie een deel was van de geest of ziel, die niet geïdentificeerd of verklaard kon worden in termen van het fysisch of lichamelijke.

    Een algemeen bekende versie van het dualisme is ontwikkeld door René Descartes in 1641, die stelde dat de geest een immateriële substantie is. Descartes was de eerste die een duidelijke link legde tussen de "geest" en bewustzijn en zelfbewustzijn en dit onderscheidde van de hersenen, waar volgens hem de intelligentie zetelt. Verder was hij de eerste die het Lichaam-geestprobleem formuleerde in de vorm waarin het vandaag de dag nog bestaat.

    Femke: Lat. dualis, twee dingen betreffend. Van duo, twee. Iedere opvatting volgens welke de werkelijkheid in haar geheel of een deel ervan verklaard moet worden vanuit twee onherleidbare principes, en niet vanuit een (monisme) of meer dan een (pluralisme). Zo kan men een dualisme hebben van ziel en lichaam, van geest en stof, van goed en kwaad, etc. Plato en Descartes zijn beroemde dualisten.
  • Inductie
    Femke: Inductie (Lat. inducere, inbrengen, heenleiden) is een type van redenering waarbij uit de kennis of waarneming van een aantal gevallen, waarin eigenschap A samengaat met of gevolgd wordt door eigenschap B, de conclusie wordt getrokken dat A altijd samengaat met B. Bijv. altijd als je vlees eet wordt je misselijk, dus je concludeert tot de wetmatigheid dat vlees eten misselijkheid veroorzaakt). In tegenstelling tot de deductie is een inductieve redenering nooit noodzakelijk waar. Bij deductie (Lat. deductio, afleiding) wordt de waarheid van de conclusie afgedwongen door de waarheid van de premissen. Een standaardvoorbeeld is het syllogisme: alle mensen zijn sterfelijk; Socrates is een mens; Socrates is sterfelijk. Als de premissen waar zijn, is de conclusie noodzakelijk ook waar.


    Met inductie wordt, zowel in de huidige filosofische als in de wetenschappelijke betekenis een manier van redeneren bedoeld, die dient als bewijstechniek. Bij inductief redeneren komt men tot een algemene regel, generalisatie geheten, op grond van een aantal specifieke waarnemingen. Te denken valt aan wetten in juridische en natuurkundige zin en spraakkunstregels in de taalkunde.

    Een voorbeeld van inductie is de beroemde hypothese ‘alle raven zijn zwart’. Deze conclusie komt voort uit een groot aantal waarnemingen van zwarte raven, zonder daarbij één enkele witte raaf te observeren. De conclusies die volgen uit een inductieve redenering waarbij de vertrekpunten, de premissen waar zijn, kunnen waar maar ook onwaar zijn. In dit geval namelijk wanneer we één witte raaf waarnemen.

    Het was volgens Aristoteles nooit mogelijk om op deze manier tot een absolute zekerheid te komen, hoewel hij de inductie wel als een onmisbaar wetenschappelijk hulpmiddel zag.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Filosofie

  • 1477087200 ET 4 t/m 37

  • Geef de definitie van rechtvaardigheid volgens het principe van suum cuique tribuere (ieder het zijne geven).
    Ieder het zijne geven betekent dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft, wat hij verdient, wat hem toekomt, waar hij aanspraak op kan maken.
  • Welk principe wordt vaak gehanteerd als het gaat om rechtvaardige verdeling van lusten en lasten?
    Als het gaat om een rechtvaardige verdeling van zaken wordt vaak het gelijkheidsprincipe gehanteerd. Een eerlijke/rechtvaardige verdeling (van lusten en lasten) wil zeggen dat iedereen even veel krijgt: een gelijk deel (in gelijke situaties).
  • Leg uit welke spanning bestaat tussen de categorieën verdienste en verdeling.
    Tussen die twee, krijgen wat je verdient en een gelijk deel krijgen, bestaat spanning, want op grond van grotere verdienste, heeft iemand recht op een groter deel. Dit kan in strijd zijn met het gelijkheidsprincipe bij verdeling (omdat er wel of niet sprake is van ongelijke situaties).
  • Wat is het verschil tussen positieve discriminatie en negatieve discriminatie?
    Positieve discriminatie is bevoordeling: iemand meer geven dan anderen.
    Negatieve discriminatie is benadeling: iemand minder geven dan anderen.
  • Wat houdt een rechtvaardige verdeling van lusten en lasten in?
    Een rechtvaardige verdeling is een verdeling waarbij iedereen even veel krijgt.
    D.w.z. gelijke behandeling/verdeling in gelijke situaties.
    Ongelijke behandeling/verdeling in ongelijke situaties.
  • Waarom hoeft positieve of negatieve discriminatie niet onrechtvaardig te zijn?
    Positieve discriminatie en negatieve discriminatie hoeven niet onrechtvaardig te zijn als er sprake is van ongelijke situaties.
  • Welke twee hoofdvormen van rechtvaardigheid onderscheidt Aristoteles?
    En welke twee deelvormen onderscheidt hij bij een van deze hoofdvormen?
    Aristoteles onderscheidt rechtvaardigheid in:
    - algemene (wettelijke) rechtvaardigheid
    - bijzondere (speciale) rechtvaardigheid
    Hij onderscheidt bijzondere rechtvaardigheid in:
    - verdelende rechtvaardigheid
    - corrigerend recht
  • Wat is het verschil tussen algemene (wettelijke) rechtvaardigheid en bijzondere (speciale) rechtvaardigheid?
    Algemene rechtvaardigheid is je houden aan de wet, die voor iedereen gelijk is (dus gelijkheid respecteren).
    Bijzondere rechtvaardigheid is rechtvaardigheid met betrekking tot bijzondere situaties zoals verdeelsituaties of ruilsituaties.
  • Tussen welke twee vormen van algemene rechtvaardigheid kan een conflict ontstaan?
    Er kan een conflict ontstaan tussen juridische rechtvaardigheid (handelen volgens de wet) en morele rechtvaardigheid (handelen volgens moreel besef).
  • Waar streeft de politiek altijd na, volgens Aristoteles?
    Wanneer is dit niet het geval?
    De politiek streeft altijd het hoogste goed na, namelijk het geluk of de zelfverwerkelijking van de mens. Anders wordt het wanneer de wet een toevallig product is van de wil van de wetgever.
  • Wanneer is volgens Aristoteles verdeling rechtvaardig?
    Volgens Aristoteles is een verdeling rechtvaardig als die is gebaseerd op gelijkheid.
  • Wat is het verschil tussen verdelende rechtvaardigheid en corrigerend recht?
    Bij verdelende rechtvaardigheid gaat het om een eerlijke verdeling van goederen, rechten en plichten, lusten en lasten, privileges.
    Bij corrigerend recht gaat het om eerlijke transacties tussen mensen (contracten).
  • Welke twee posities komen in het geding bij verdelende rechtvaardigheid? Welke vragen worden hierbij gesteld?
    Bij verdelende rechtvaardigheid zijn twee posities in het geding: wie verdeelt er (de centrale positie van waaruit verdeeld wordt) en aan wie wordt verdeeld? Wat moet verdeeld worden en volgens welke criteria?
  • Om welke soorten transacties gaat het bij corrigerend recht?
    Wanneer zijn deze rechtvaardig?
    Een vrijwillige transactie is rechtvaardig als ieder “het gelijke” krijgt. Er moet evenredigheid zijn tussen product en prijs, arbeidsinspanning en loon.
    Bij een onvrijwillige transactie wordt de rechtvaardigheid hersteld door de bestraffing van gelijk gewicht (evenredig/proportioneel) te laten zijn met de onrechtmatigheid.
  • Wie zag Aristoteles als gelijken met dezelfde rechten, en wie niet?
    In de tijdvan Aristoteles werden vrouwen niet gezien als gelijk aan mannen en daarom kregen ze ook niet dezelfde rechten. Slaven werden gezien alsniet gelijk aan vrijen.
  • Welke kritische kanttekeningen kun je maken bij Aristoteles' gelijkheid bij verdelende rechtvaardigheid?
    Kritische kanttekeningen die je kan maken bij Aristoteles' gelijkheid bij verdelende rechtvaardigheid:
    - Wie bepaalt er wie tot de gelijken behoren en op grond waarvan?
    - Wat betekent gelijkheid precies?
  • Welke kritische kanttekeningen kun je maken bij Aristoteles' gelijkheid bij corrigerend recht?
    Kritische kanttekeningen die je kan maken bij Aristoteles' gelijkheid bij corrigerend recht:
    - Hoe en door wie wordt de waarde van een dienst of product bepaald?
    - Hoe en door wie wordt een strafmaat bepaald?
  • Welke rol speelt vraag en aanbod, en schaarste en overvloed bij vrijwillige ruilverhoudingen?
    Bij vrijwillige ruilverhoudingen sprake van een contract tussen twee partijen zoals een koper en verkoper. Samen stellen ze de waarde vast van een product of dienst. Bij de waardebepaling speelt ook een rol hoeveel vraag en aanbod er is.
    Als er veel vraag en weinig aanbod is, stijgt de waarde van een product of dienst. Als er weinig vraag en veel aanbod is, daalt de waarde van een product/dienst.
    Als een gewenst product/dienst schaars is, stijgt de waarde ervan. Is een gewenst product/dienst overvloedig dan daalt de waarde ervan.
  • Wat is het verschil tussen rechtvaardigheid en medemenselijkheid?
    Bij rechtvaardigheid gaat het dan om de plicht om de wet te gehoorzamen. Bij medemenselijkheid gaat het om de plicht een medemens te zijn.
  • Welke plicht woog volgens Cicero zwaarder, rechtvaardigheid of medemenselijkheid? Op grond van welke verschillen maakt hij deze overweging?
    Cicero vond dat de eerste plicht (rechtvaardigheid) zwaarder woog dan de tweede (medemenselijkheid). Rechtvaardigheid is strikten volledig en medemenselijkheid breed en onvolledig.
  • Wat houdt moraliteit in?
    Bij moraliteit gaat het om de juiste verhoudingen tussen mensen, over de vraag welke rechten en plichten mensen hebben ten opzichte van elkaar.
  • Wat is volgens Cicero het doel van rechtvaardigheid?
    Wat zal volgens Cicero zonder rechtvaardigheid niet functioneren?
    Het doel van rechtvaardigheid is het behouden van de politieke gemeenschap. Zonder rechtvaardigheid kan een staat of gemeenschap niet bestaan. Zonder rechtvaardigheid kan menselijk contact niet tot zijn recht komen.
  • Wat betekent rechtvaardigheid volgens Cicero?
    Rechtvaardigheid betekent volgens Cicero “ieder het zijne” en “voldoen aan je verplichtingen”. Rechtvaardigheid is niemand schaden en bezit respecteren.
  • Wat is het verschil tussen actief en passief onrecht volgens Cicero?
    Iemand kan actief onrecht plegen door iemand te schaden, maar ook passief wanneer hij onrecht laat gebeuren dat afgeweerd kon worden.
  • Wat is volgens Cicero het gevolg van onrechtvaardig handelen?
    Waarom kan niet ingrijpen hetzelfde gevolg hebben?
    Wie onrechtvaardig handelt, schaadt anderen (geweld, diefstal) en dan krijgen anderen niet wat hun toekomt (leven/lichamelijke integriteit,eigendom).
    Anderen kunnen ook geschaad worden door bewust niet in te grijpen wanneer er onrechtvaardig gehandeld wordt. Ook het passief schaden van anderen (of hun eigendom) is onrecht.
  • Wat is het verschil in de gevolgen van onrechtvaardigheid ten opzichte van het achterwege laten van medemenselijkheid?
    In tegenstelling tot het achterwege laten van medemenselijkheid, verwoest onrechtvaardigheid de politieke gemeenschap (de staat) en daarmee andere intermenselijke verbanden die bevorderd zijn binnen een (rechtvaardige) staat.
  • Wat houdt menselijke waardigheid in?
    Menselijke waardigheid behelst de opvatting dat elk mens, op grond van zijn mens zijn, recht heeft op een menswaardig bestaan, recht heeft op bepaalde basisvoorzieningen.
  • Waar staat het UVRM (1948) voor?
    Hoe heeft menswaardigheid daar betrekking op?
    De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Hierin worden de rechten opgesomd die elk mens heeft vanuit het achterliggende mensbeeld namelijk dat ieder mens het zijne moet krijgen omdat hij een mens is; een menswaardig bestaan.
  • Wat is de argumentatie van Thomas Pogge bij de stelling dat het welzijn van de wereldbevolking een beroep doet op de strikte plicht van de rechtvaardigheid?
    De strikte plicht van rechtvaardigheid houdt in dat je (de belangen van) anderen niet mag schaden. De wereld van nu vormt één economisch systeem met internationale structuren. Rijke landen profiteren van deze structuren die de arme landen benadelen. Deze ongelijkheid schaadt de armen. Dat is onrechtvaardig. De plicht van de rechtvaardigheid eist dat er een rechtvaardige mondiale (economische) structuur komt.
  • In welke vorm wordt beroep gedaan op de brede plicht van medemenselijkheid met betrekking op het welzijn van de wereldbevolking? Wat is Pogge's kritiek hierop.
    De bredeplicht van medemenselijkheidwordt in praktijk gebracht d.m.v. noodhulp enontwikkelingssamenwerking. Door de grote omvang van de problematiek, is wat de hulpinstanties kunnen bieden, volgens Pogge, een schrale troost.
  • Welke argumenten passen bij de stelling dat rijken niet actief schade berokkenen aan de armen en dat zij niet verantwoordelijk zijn voor hun ellende?
    Argumenten die passen bij de stelling dat rijken niet actief schade berokkenen aan de armen en dat zij niet verantwoordelijk zijn voor hun ellende:
    - Als je geen wetten overtreedt, handel je niet onrechtvaardig.
    - Je ben niet verantwoordelijk voor mensen die geen deel uitmaken van jou politieke gemeenschap.
  • Wat het belang van trouw volgens Cicero als het gaat om rechtvaardigheid?
    Rechtvaardigheid is je houden aan gemaakte afspraken (persoon en bezit niet schaden), dat is alleen mogelijk indien je daar trouw (betrouwbaar) in bent.
  • Wat zijn voorbeelden van onrechtvaardig gedrag?
    Welke rol kunnen vrees en hebzucht daarbij spelen?
    Voorbeelden van onrechtvaardig gedrag zijn iemand aanvallen of bestelen, of dit toelaten terwijl je het kon afweren.
    Meestal is vrees of juist hebzucht de oorzaak van onrechtvaardig handelen.
  • Wat zegt Cicero over het ontstaan van privaat bezit?
    Privaat bezit ontstond doordat iemand iets als zijn bezit claimde. Wat de natuur ons gemeenschappelijk schonk, werd zo privaat eigendom en dat moet behouden kunnen blijven. Wie zich privaat eigendom toe-eigent (steelt), schendt een maatschappelijk recht.
  • Waar moeten we volgens Cicero een voorbeeld aannemen als het gaat om gemeenschappelijk en privaat bezit?
    Van nature is er geen privaat (persoonlijk) bezit. Volgens Cicero moeten we het voorbeeld van de natuur volgen: wat de aarde voortbrengt, is voor de mensen gemeenschappelijk bezit en zo moeten mensen (toch ook natuurproducten) er zijn voor elkaar, voor wederzijdse dienstverlening.
  • Wat zijn Cicero’s opvattingen over weldadigheid en mildheid?
    Waar moet, bij het uitoefenen ervan, rekening mee worden gehouden?
    Volgens Cicero zijn weldadigheid en mildheid kenmerkend door de menselijke natuur. Bij het uitoefenen ervan, moet met drie basisprincipes van rechtvaardigheid rekening worden gehouden.
  • Met welke drie basisprincipes van rechtvaardigheid moet rekening worden gehouden bij vrijgevigheid (weldadigheid en mildheid)?
    De drie basisprincipes waar rekening me moet worden gehouden bij vrijgevigheid:
    • Vrijgevigheid is niet rechtvaardig als die schade teweegbrengt of vooronderstelt.
      (Dus niet iets geven waar een ander door benadeeld wordt.)
    • Vrijgevigheid is niet hetzelfde als ijdelheid.
      (Dus niet meer weggeven dan je bezit, waardoor je anderen indirect zal belasten.)
    • Vrijgevigheid moet overeenstemmen met met iemands verdiensten.
      (Dus niet iets geven aan iemand die het niet verdient heeft.)
  • Welke vier motieven voor weldadigheid noemt Cicero?
    Vier motieven voor weldadigheid die Cicero noemt zijn:
    - ontvangen genegenheid,
    - ontvangen diensten,
    - nood en eigenbelang en
    - gemeenschappelijke banden.
  • Leg uit hoe ontvangen genegenheid, volgens Cicero, als motief wordt toegepast voor weldadigheid.
    Het is onze plicht weldadig te zijn voor wie het meest van ons houdt (standvastig gezind zijn). Doordat anderen hun genegenheid tonen, kan weldadigheid als een soort wederdienst gezien worden.
  • Leg uit hoe ontvangen diensten, volgens Cicero, als motief wordt toegepast voor weldadigheid.
    Weldadigheid in de vorm van een wederdienst is (in grotere mate) een plicht. Als iemand je heeft geholpen, verdient deze een beloning.
  • Waar moet rekening mee gehouden worden met betrekking op een wederdienst als plicht? Wat weegt, volgens Cicero, zwaarder?
    Bij een wederdienst als plicht moet wel rekening worden gehouden met de gezindheid van de dienstverlener: dienstbewijs op basis van beredeneerd en vastberaden overleg weegt zwaarder dan dienstverlening in een onbezonnen, impulsieve gemoedsopwelling.
  • Leg uit hoe nood en eigenbelang, volgens Cicero, als motief worden toegepast voor weldadigheid.
    Als verschillende personen in gelijke mate in aanmerking komen voor een (weder)dienst moeten we voorrang geven aan wie die dienst het meest nodig heeft. Meestal kiest men dan degene van wie men het meest terugverwacht
  • Leg uit hoe gemeenschappelijke banden, volgens Cicero, als motief worden toegepast voor weldadigheid.
    Het is onze plicht weldadig te zijn voor onze naaste verwanten omdat daardoor de leefgemeenschap en bestaande banden worden versterkt.
  • Waarom is, volgens Cicero, de mensheid een vorm van gemeenschap?
    De mensheid is een groep waarvan de leden met elkaar verbonden zijn doordat ze allemaal rede (denkvermogen) en taal hebben. Daardoor kunnen ze ideeën uitwisselen en tot grotere verbondenheid komen.
  • Waarom is, volgens Cicero, een natie een vorm van gemeenschap?
    Een natie (volk) is een groep mensen die oorsprong, taal, geloof, tradities, cultuur enz. gemeen hebben (objectieve, sociologische factoren) en een gevoel van verbondenheid/solidariteit ervaren (subjectief).
  • Op welke grond kan een staat gevormd worden?
    Wanneer wordt een staat een natiestaat genoemd?
    Op grond van gemeenschappelijke sociologische factoren en gevoel van solidariteit, kan een politieke gemeenschap gevormd worden (een staat). Als natie en staat grotendeels samenvallen, heet dit een natiestaat. Een volk heeft dan de onderlinge saamhorigheid ook territoriaal vastgelegd.
  • Waarom zijn, volgens Cicero, verwantschap en vriendschap vormen van gemeenschap?
    Verwanten (gezin/familie) vormen een gemeenschap door huwelijk, kinderen, woning, goederen. Vrienden hebben loyaal, zedelijk gedrag gemeenschappelijk (rechtvaardig en vrijgevig), met kenmerken als gelijksoortige goede gewoonten, gelijke doelen en wederzijdse dienstverlening.
  • Waarom is de staat volgens Cicero de belangrijkste vorm van gemeenschap?
    Omdat die alle andere vormen van gemeenschap omvat. “Alle andere vormen van gemeenschap vinden we terug in de staat”. De staat maakt de andere vormen van gemeenschap mogelijk en bevorderd deze vormen van gemeenschap.
  • Wat is het doel van de Millenniumverklaring van de VN (2000)?
    Doel van de Millenniumverklaring: in september 2000 verklaren regeringsleiders van bijna 190 landen dat er een eind moet komen aan armoede. Het percentage mensen dat in extreme armoede leeft of honger heeft, moet gehalveerd zijn vóór 2015.
  • Hoe wordt het criterium van armoede beschreven in de Millenniumverklaring?
    Het criterium voor armoede van de Wereldbank: minder te besteden hebben dan 2 dollar per dag.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Filosofie

  • 1424127600 H1 De zelfoefening van het denken-filosofie en sociaal werk

  • professionele sociaal werkers worden in hun werk bijna dagelijks geconfronteerd met vragen die een filosofisch karakter hebben (vb. ‘Moet drugsgebruik wel of niet worden gedoogd?’) 
  • Wat is individuele overtuiging?
    Vooronderstellingen over verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en respect en over de relatie tussen individu en samenleving werken concreet door in hoe we cliënten benaderen. 
  • iemands mensbeeld bepaalt zijn waarden en normen en daarmee zijn handelen niet eenduidig. Waarden en normen zijn abstract en kunnen op verschillende manieren een concrete invulling krijgen. Daarom bieden zij niet per se duidelijk en ondubbelzinnig een moreel houvast. Iedereen heeft de mond vol van rechtvaardigheid en respect, maar de meningen over wat rechtvaardig of respectvol is in een concrete situatie verschillen voortdurend.  
  • Interventies van sociaal werkers hebben in veel gevallen een normatief karakter. Daarom wordt sociaal werk als een normatieve professionaliteit betiteld. Waarden hebben geen objectieve geldigheid, zoals een wiskundig bewijs die wel heeft.  Mens- of maatschappijbeelden, waarden en normen zijn geen onweerlegbare feiten waarop we ons vanzelfsprekend kunnen beroepen. 
  • soicaal werkers staan met het ene been in het ‘systeem’ van wetten, regels, doelen, gebruikte methoden, procedures, protocollen en resultaatafspraken en met het andere been in de ‘leefwereld’ van cliënten en doelgroepen
  • Wat is een groot verhaal?
    Kenmerk van het grote verhaal is vorlgens de Franse filosoof Lyotard dat het zichzelf voor waar houdt. Een groot verhaal pretendeert alles te begrijpen en op elke vraag een antwoord te hebben. Daarom zijn grote verhalen volgens Lyotard totalitai
  • Wat is een klein verhaal?
    Onze huidige samenleving is een netwerk van kleine verhalen die alle evenveel recht van spreken hebben, elkaar aanvullen en tegenspreken en zich met elkaar verbinden en elkaar onderbreken. 
  • De overgang van grote naar kleine verhalen markeert de verschuiving van een uniforme samenleving naar onze huidige pluriforme samenleving.  
  • Wat heeft deze overgang tot gevolg voor het sociaal werk?
    Verscheidenheid aan leefstijlen en leefsituaties van cliënten en doelgroepen neemt toe. Daardoor worden sociaal werkers geconfronteerd met een diversiteit en veelheid van opvattingen waar ze het soms wel en soms niet mee eens zullen zijn.
  • Verantwoordelijk zijn we op het moment dat we weigeren op voorhand de regels te gehoorzamen en we de consequenties van ons handelen dragen. Daar ligt de kern van het sociaal werk.
  • Wat is een sterk verhaal?
    Hoewel het tijdperk van de grote verhalen voorbij is, zijn sommige verhalen nog steeds dominant. Deze verhalen zouden we sterke verhalen kunnen noemen.  Sterke verhalen ontlenen hun effect aan een selectie en ordening van feiten en het benadrukken van bepaalde details die een bepaalde overtuiging aannemelijk moeten maken. Een bepaalde invalshoek wordt erin uitvergroot, waardoor andere invalshoeken klein en nauwelijks zichtbaar worden. Daardoor krijgt het sterke verhaal een soort vanzelfsprekendheid, waarbij de andere verhalen niet meer gehoord worden. 
  • De mens als subject -

    De vraag of de mens een vrije wil heeft, wordt al eeuwenlang door filosofen bediscussieerd. In de 16e eeuw bijvoorbeeld werd de vrije wil tegenover Gods wil geplaatst, maar nu gaat het om de vraag of onze wil bepaald wordt door ons DNA. - Het sterke verhaal van de autonome mens begint in de 17e eeuw. Dan wordt het ‘moderne subject’ geboren
  • Het moderne subject
    - In de filosofie wordt de autonome mens aangeduid met de term ‘modern subject’. Modern verwijst hier naar de moderniteit, die in de 17e eeuw begint. De ontwikkelingen in die periode beperken zich niet tot de filosofie. Heel de westerse cultuur verandert.  - Subject betekent letterlijk ‘wat er onder ligt’. In de moderniteit ontdekt de mens zichzelf als fundament van het weten en de kennis van de werkelijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de mens zichzelf gaat onderzoeken. Filosofen als Kant en Descartes hebben zich intensief beziggehouden met de vraag wat de mens tot fundament van het weten maakt.  Belangrijkste vernieuwing is dat de mens zichzelf leert te begrijpen als individu en als fundament en oorsprong van zijn verhouding tot de werkelijkheid
  • Het idee van het moderne subject domineert nog steeds het denken over de mens en ligt ten grondslag aan het idee van autonomie en zelfbeschikkingsrecht.  

  • Kritiek op het moderne subject - Er is ook veel kritiek gekomen op het idee dat de mens autonoom is. Freud betoogde dat we door onbewuste drijfveren worden beïnvloed, Nietzsche ontmaskerde de menselijke autonomie als een geval van hoogmoed en Marx liet zien hoe wij door maatschappelijke verhoudingen worden bepaald. Vanwege hun kritiek worden Freud, Nietzsche en Marx wel de ‘meesters van het wantrouwen’ genoemd.  - Deleuze en Derrida zetten de kritiek op het subject verder voort. Zij deden dat zeer radicaal.   

  • Het verschil tussen filosofie en wetenschap -

    Menswetenschappen zijn empirische wetenschappen. Zij onderzoeken de waarneembare kenmerken, gedragingen en situaties waarin mensen leven. Al deze onderzoeken gaan uit van bepaalde definities van geluk, gelijkheid, verantwoordelijkheid en vrijheid, maar zij onderzoeken deze begrippen zelf niet.  - De filosofie stelt die fundamentele vragen nu juist wel.  Wat is echt geluk? Kan de mens wel echt gelukkig zijn? Etc.  De filosofie stelt steeds opnieuw de vraag naar de relatie tussen denken en het zijn, dat wil zeggen: de werkelijkheid.   
    De filosofische verwondering betreft het alledaagse: waarom zijn de dingen zoals ze zijn? Het is te vergelijken met de kinderlijke verwondering van het ‘waarom’: Waarom gaan we dood? 
  • Gaat de wetenschap de weg van het onbekende naar het bekende, de filosofie neemt de omgekeerde weg van het bekende naar het onbekende. 
  • Zodra het denken routine wordt, denken we zonder na te denken (verhoeven). Hiertegenover plaatst de Franse filosoof Michel Foucault de ‘kritische zelfwerkzaamheid van het denken’ of de ‘zelfoefening van het denken’. Denken is in zijn ogen niet veel waard wanneer het enkel is gericht op het verwerven van kennis en ons niet op een bepaalde manier in verlegenheid brengt. - Foucault neemt daarmee duidelijk afstand van een filosofie die anderen de wet wil voorschrijven, de waarheid wil vertellen en de les wil lezen.  
  • Noem de 6 disiplines binnen de filosofie
    -De ontologie (of de leer van het zijn)
    -Metafysica
    -kennis en wetenschapsleer
    -wijsgerige antropologie
    -Sociale en politieke filosofie
    -Ethiek
  • De ontologie (de leer van het zijn)
    Stelt de vraag wat werkelijkheid of zijn is. 
  • Metafysica
    Metafysica is een niet weg te denken begrip in de filosofie en wordt door sommigen gelijkgesteld met ontologie. Het is moeilijk een eenduidige betekenis aan het begrip te geven. Letterlijk betekent het ‘dat wat na de fysica komt’. In die zin wordt de term sinds Aristoteles in het algemeen gebruikt. Voor Aristoteles is de metafysica een denken over wat voorbij de grenzen van de voor ons waarneembare werkelijkheid ligt. Metafysisch betekent dan bovenzintuiglijk. God is zo gezien een metafysisch wezen. 
  •  Onderscheid tussen ontologie en metafysica:  Ontologie is dan de vraag naar het zijn en metafysica de vraag naar het hoogste zijnde, dat het fundament vormt van de werkelijkheid en de waarheid. Dat is een van de redenen waarom metafysica voor Lyotard gelijkstaat met een groot verhaal en een denken dat alles tot een eenheid wil herleiden. Metafysica staat dan gelijk met eenheidsdenken. 
  • waar gaat de Kennis en wetenschapsleer op in?
    Gaat in op de vraag wat kennis is en hoe kennis tot stand komt. 
  • Waar stelt de Wijsgerige antropologie vragen over?
    Vraagt naar het zijn of het wezen van de mens, of naar wat het 'zijnde' mens van alle andere onderscheidt.
  • Waar stelt de Sociale en politieke filosofie vragen over?
    Stelt vragen over vrijheid, verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en macht.
  • Ethiek
    Oogt een antwoord te geven over hoe we goed en kwaad kunnen onderscheiden.
  • Ook op het niveau van het instellingsbeleid gaan mensbeelden schuil. ‘De Maistre’ merkt op: ‘De mens is in deze wereld niet te vinden. Ik heb in mijn leven Fransen, Italianen en Russen ontmoet (...), maar de mens ben ik nooit tegengekomen. Misschien bestaat hij wel, maar in elk geval niet bij mijn weten.’   Met deze opmerking wil hij duidelijk maken dat er een groot verschil is tussen de concrete mensen die we tegen het lijf lopen en het beeld van de mens
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Class notes - Filosofie

  • 1414710000 Antieke filosofie

  • Wat is ontologie?
    De zijnsleer. Ze beschrijft de eigenschappen, of breder: het zijn van het geheel van dingen.
  • Wat is metsfysica?
    Een tak van de filosofie die zich met al het (schijnbaar) werkelijke bezighoudt.
  • Wat is epistemologie?
    Een tak in de filosofie die zich bezighoudt met de voorwaarden en aard van kennis. 
  • Wat houdt arche in?
    Het woord archè werd in de oude Griekse filosofie gebruikt om het 'begin' van de wereld aan te duiden: de oerstof die het eerste principe van alle materie is. 
  • Wat houdt teleologie in?
    De doelenleer. de zoektocht naar het doeleinde achter dingen.
  • Wat houdt monisme in?
    Een monisme is een filosofisch standpunt dat zegt dat er slechts één van iets is. 
  • Wat houdt causaliteit in?
    Een oorzaak gaat vooraf aan een gevolg.
  • Wat houdt impliciet in?
    verborgen, inbegrepen. Impliciete veronderstellingen worden niet uitgesproken, maar de goede verstaander ontdekt ze wel.
  • Wat houdt expliciet in?
    Duidelijk, uitdrukkelijk. Expliciete vooronderstellingen worden uitgesproken. 
  • Wat is protologie?
    De leer over de eerste dingen.
  • Volgens de natuurfilosofen is alles een kwestie van δικη (recht, balans en evenwicht), dus niet van chaos. Dit moet niet verstoord worden. 
  • Noem voorbeelden van wat er bedoeld wordt met δικη.
    Overgang dag/nacht, seizoenen, maar ook de pees van een boog die zich spant en ontspant. 
  • Waarom kun je de presocrati wel en niet als beginpunt van de moderne wetenschap zien?
    • Ze gingen opzoek naar verklaringen voor de natuur gebaseerd op ervaring en verstand,
    • maar zij gaan niet uit van analyse in de zin van dingen uiteenzetten, opensnijden en de kleinste deeltjes onderzoeken. 
  • Volgens de presocrati:
    Hetgeen we willen zien is niet aan de oppervlakte zichtbaar. Als we de geheimen van het leven blootleggen, komen we er verder vandaan.
  • Hoe verwerven we kennis?
    Door bronnen met een bepaald gezag te raadplegen.
  • Hoe denkt Socrates over kennis?
    Die is aangeboren, maar moet door middel van maieutiek en dialectiek weer opgeroepen noemen. 
  • Hoe denkt Plato over kennis?
    Het opdoen van kennis is een zich herinneren (anamnesis). we kennen de ideeenwereld al, maar moeten ons deze herinneren. 
  • Hoe denkt Aristoteles over kennis?
    Kennis doe je op door ervaring. Dus geen herinnering, maar herkenning. 
  • Volgens Plato:
    Alles op aarde is worden, ειδος is zijn. 
  • Volgens Plato bereik je inzicht door introspectie. 
  • Wat veranderd er binnen de ethiek tijdens het Hellenisme?

    De vraag naar het goede leven betreft vooral het individu 
    en gaat veel minder over de vraag naar de beste samenleving. Van de filosofie wordt niet zozeer een intellectuele uiteenzetting over de aard der dingen verwacht, maar veeleer een concrete levensregel, houvast en uitzicht op een goed leven.
  • Wat vind de Stoa van de cynici?
    Ze zien wel wat in autarkeia, maar zijn kosmopolitischer ingesteld, en hij vindt de cynici te weinig intellectueel.
  • In welke groepen deelt de Stoa het denken in?

    ethiek, logica en physica.
  • Wat houdt de logica in volgens de Stoa?
    het denken en redeneren
  • Wat houdt de physica in volgens de Stoa?

     de leer over de kosmische orde; naar die orde moet de mens zijn leven richten.
  • Wat houdt de ethiek in volgens de Stoa?
    De ethiek is het belangrijkste: de leer van het juiste leven
  • Is geluk te garanderen volgens de Stoa?
    Ja. omdat het goede leven volgens hen afhankelijk is van stelselmatig 
    handelen en niet afhangt van toeval of van de goden.
  • Wie was Epictetus?
    Een stoïcijn. 
  • Wat is volgens Epictetus de belangrijkste regel?
    Ligt iets in je macht of niet?
    Ja: verander het naar je geluk!
    Nee: accepteer het
  • Is de filosofie van de Stoa materialistisch, realistisch of materialistisch?
    Materialistisch.
  • Op welk punt verschilt Epicurus van Plato?
    Epicurus hechtte totaal geen waarde aan politiek/
  • Wat was een verschil tussen de Stoa en de epicuristen?
    De epicuristen vonden de logica onzinnig.
  • Wat is het grenzeloos onbepaalde?
    De verhouding tussen ontstaan en vergaan.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is Hakens theorie van synergetica?
Ordeparameter->Globale patroon van systeem beschrijven
Controleparameter-> systeem van ene toestand naar ander brengen. Zonder verandering te specificeren.
Attractor is eindtoestand
Perturbatie resistent-> is de factor die zorgt voor overgang van toestand.
Waarom treffen we in de zelforganisatie sporen van romantiek aan?
Het stelt dat systemen dynamisch zijn en veranderen over tijd.
Wat is zelforganisatie?
Patronen ontstaan op een globaal niveau door de interactie van de componenten op een lager level.
Wat zijn actiesystemen?
Die zijn ontstaan door de selectiedruk van affordances om deze beter te kunnen gebruiken.
Wat deed reed met affordances?
Hij zag het als resources die selectiedruk uitoefenen in evolutionair proces.
Wat is volgens reed bewegen?
Bewegen is een manier om relatie met de omgeving te bewerkstelligen.
Wat is Reeds actietheorie?
Dieren moeten worden begrepen als gehelen die veranderen over tijd een dier is geen assemblage van losse delen. Dus dier in omgeving bestuderen.
Hoe heet het in de filosofie als een informatiebron op verschillende manieren kan worden gedetecteerd?
Meervoudige realiseerbaarheid van functies.
Wat was de overeenkomst tussen gibson en de romantiek?
Gibson vond dat de functie van een bepaald onderdeel van het lichaam afhing van de context. Dus dit betekent dat je organisme eerst als geheel moet begrijpen en dan pas de delen.
Wat is het verschil tussen descartes en gibson op het gebied van informatie detectie?
Volgens descartes was het niet een direct proces en zijn waarnemers passieve ontvangers.

Gibson: Informatie detectie is een actief proces betekenisvolle info wordt niet opgelegd aan sensoren maar verkregen door waarnemer.

Dus descartes: perceptie is gebaseerd op sensaties, volgens gibson op informatie

Descartes: representaties worden waargenomen, volgens gibson wordt omgeving waargenomen.