Summary Class notes - Financieel Management In De Publieke Sector

Course
- Financieel Management In De Publieke Sector
- Arie Ros
- 2019 - 2020
- Universiteit Leiden (Universiteit Leiden locatie Den Haag, Den Haag)
- Bestuurskunde
363 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Financieel Management In De Publieke Sector

  • 1549321200 HC 1

  • Verschil tussen de markt en de publieke sector?
    - In de markt is beslissen, betalen en genieten allemaal in 1 hand: de consument
    - In publieke sector: Relatie doorgesneden
    beslissen: politici
    betalen: burgers (belasting)
    genieten: wisselt?!
  • Markt en efficiëntie
    De markt is in theorie efficiënt, maar:
    - Marktfalen
    • Markmacht: monopolies/oligopolie. àhogere prijzen, kleine hoeveelheden. 
    • Collectieve goederen: geen uitsluitbaarheid en niet rivaliserend. Niet mogelijk via markt. 
    • Externe effecten: voor- of nadelen die bij andere partijen neerslaan dan de producent/consument & niet worden meegenomen in afweging. 
    • Asymmetrische informatie: een van beide partijen weet meer.
    - Macro-economische onevenwichtigheden: kan uit balans raken > inflatie/recessie.
    - Rechtvaardigheid: markt heeft een bepaalde uitkomst, maar de verdeling hoeft niet rechtvaardig te zijn. 
    - Paternalisme: als overheid weten we het beter dan de consument/burger. VB. Roken verbieden.
  • Hoe wordt ingegrepen bij marktfalen?
    • Regelgeving: wetten maken. > weinig geld voor het maken van een wet.
    • Zelf produceren: productie overnemen door publieke sector; zodanig dat het dan wel goed loopt. VB. Openbaar Vervoer/paspoorten/zorg (100 miljard per jaar in om)/sociale woningbouw/onderwijs/groenvoorziening.
    • Uitbesteden aan andere partijen. Private bedrijven die produceren & publieke sector is uitbesteder. 
    • Financiële prikkels: positief (subsidie >hogere vraag) & negatief (belasting >lagere vraag).
    • Overdrachten: uitkeringen die gedaan worden in de sfeer van bijstand/werkloosheid/AOW/arbeidsongeschiktheid. 
    • Overleg: spreken met bedrijven over van alles en nog wat om proberen gedrag te beïnvloeden. Een hele softe manier van ingrijpen. 
  • Gaat het ingrijpen bij marktfalen goed?
    Natuurlijk lang niet altijd > falen en feilen. 
    1. Budgetimperfecties
    2. Non-market failures
    • Output slecht gedefinieerd en moeilijk meetbaar: hoeveel krijgen we geleverd? Als dat zo is, kunnen we er moeilijk een oordeel over geven. Presteren is moeilijk aan oordeel te onderwerpen. 
    • Kwaliteit moeilijk vast te stellen: hoe goed is het onderzoek van een arts? 
    • >>>>Arts schrijft in een halfuur iets voor of
    • >>>>Arts is niet zeker van een zaak & haalt er een collega bij. Die besteedt er ook een halfuur aan.
    >Is de tweede dan ‘meer’ productie of een hogere kwaliteit? Of juist inefficiëntie?
    • Geen concurrentie: allemaal kleine monopolies: er is maar één afdeling paspoorten, één maatschap Longen, etc. 
    • Geen criteria voor stopzetten beleid: in markt wel > als de winst is opgedroogd. Wanneer stop je in de publieke sector? ‘Bloempjes van Catharina’ >Tsarina met heel veel macht en geld. Zag prachtig bloempje. Vond dat er een wacht bij moest om dat bloempje te bewaken. Jaren later stond hij er nog. Maar bloem was al lang weg. > het gaat door als niemand zegt dat het niet meer nodig is. 
    • Beloning voor formuleren probleem en ontwerpen oplossing: iemand moet wat gaan doen & daar is de beloning vaak veel minder voor dan voor het formuleren van het probleem.
    • Politieke conjunctuur: een bepaalde maatregel is erg gewenst, maar komt politiek moeilijk uit (snel verkiezingen).
  • Wat is het principaal agent probleem (Von Hagen)? = 1 reden dat Publieke sector niet altijd zo effectief is als de marktsector 
    kiezer geeft mandaat (= principaal) & bepaalt wie er gaan vertegenwoordigen. We zijn niet de uitvoerders, dat zijn de politici (= agent). Maar we moeten maar afwachten of de agent doet wat de principaal wil. Politici willen rents; andere doelen dan waarvoor ze gekozen zijn. Voor zover ze de ruimte krijgen zullen ze dit doen. Dit speelt ook tussen politici en ambtenaren > ambtenaar zit er al veel langer en weet veel meer. Politicus wordt voor paar jaar gedropt en is zeer afhankelijk van ambtenaren. > agent krijgt overhand over de principaal.


    Oplossing: contract. Maar dit is lastig: verkiezingen gaan over van alles, kunt nooit een sluitend contract opstellen. Er blijft residual power over; mogelijkheden om te doen wat je zelf wilt.


    > Alternatief Von Hagen: begrotingsinstituties = formele en informele regels en principes. Allerlei soorten gedragslijnen die je oplegt aan de uitvoerders. àinkaderen. Voorbeelden: comptabele regels (regels voor de begroting; zijn wetten voor), normen (bijv. 3% begroting), controle & toezicht. Doel: uitvoerders in gedrag beperken. 
    ·VB. Rekenkamer >controleren beleid Rijksoverheid. 
    ·Instituties: alles wat verantwoording verbetert (transparantie, laten zien wat er gebeurt), concurrentie intenser maken (brengt altijd efficiëntie boven).
  • Wat is het Common pool-probleem (Von Hagen)? = 1 reden dat Publieke sector niet altijd zo effectief is als de marktsector 
    Politici gebruiken geld en besteden dit aan heel veel verschillende groepen/deelbelangen. Aan huizenbezitters die zonnepanelen willen plaatsen (subsidies). De kosten die zie je eigenlijk niet; belasting betaal je & je ziet niet waar het aan uitgegeven wordt. De groep die er profijt van heeft, merkt het wel. Geen rem op heffingen. Er is een onzuivere afweging: natuurlijke neiging om meer uit te geven. Netto baten belangengroepen zijn groter en de netto kosten gering; over de hele bevolking uitgesmeerd. > te hoge uitgaven. 


    Oplossing: centraliseer begrotingsproces > maak duidelijk wat er gebeurt. Als je één partij regering hebt, ligt de hele begroting in handen van één persoon. Delegatie aan fiscal entrepreneur: boven de partijen en totaalplaatje >als je meer geld wilt hebben & je hebt geen dekking. Dan zeg ik nee; het feest gaat niet door. Als je in een coalitie hebt, dan moet je een contract hebben: van tevoren regelen (regeerakkoorden) > één fiscal entrepreneur kan niet: is het een VVD/D66/CDA/CU-lid?! We moeten dus grenzen afspreken van tevoren. Op grond daarvan kan de minister van financiën wel zeggen: hier gaan we over de grenzen van het contract!
    > Twee redenen waarom publieke sector minder efficiënt is.
  • Praktisch (1)



    • Geen verborgen uitgaven/fondsen
    • Beperk open einde
    • Beperk regelgeving die automatisch tot uitgaven leidt


      Dit zijn een aantal praktische dingen om een common pool of principaal-agent tegen te gaan. Allereerst geen verborgen uitgaven of begrotingsfondsen. Je moet uitgaven niet apart zetten of buiten de afweging houden. Het is wat een open deur, maar het komt vaak voor. Verborgen uitgaven hebben we in Nederland bijna niet meer. Alleen de begroting van de AIVD is nog verborgen. Voor de rest is alles zichtbaar. In begrotingsfondsen zet je uitgaven apart. Die haal je dan uit de afweging. Daarnaast moet je open einde regelingen beperken. Dat zijn regelingen waarin je van de overheid iets ontvangt, wanneer je aan bepaalde vereisten voldoet. Je moet dan afwachten hoeveel gebruik er van die regeling gebruik wordt gemaakt. Daarnaast moet je ook regelgeving die automatisch zorgt voor uitgaven beperken.
  • Praktisch (2)

    • Beperk contingent liabilities zoals garanties (expliciet en impliciet)
    • -  Alle posten in vergelijkbare maatstaf
    • Raam niet (te) optimistisch


    Contingent liabilities zijn verplichtingen die je aangaat als de overheid waar op het moment van aangaan nog geen uitgaven mee zijn gemoeid, maar die later tot uitgaven kunnen leiden. Dan kan je er niks meer aan doen. Voorbeeld: garanties. Een overheid kan garant voor je staan voor een hypotheek. Wanneer je niet aan de betalingsverplichtingen kan voldoen, garandeert de overheid dat hij je verplichtingen overneemt en de lening dus afbetaald bij de bank. De bank is dan zeker van zijn geld, en kan minder rente in rekening brengen. Maar de Rijksoverheid kan op een gegeven moment toch kosten oplopen, terwijl ze die bij het aangaan nog niet hebben.






    Daarnaast moeten alle posten in een vergelijkbare maatstaf staan. Wanneer je de een in Euro’s hebtstaan en de ander in dollars, is dat wat ingewikkeld. Ook moet je niet te optimistisch ramen. Begroten is over de toekomst, en die is per definitie onzeker. Deze regel zegt dus: zie het niet te optimistisch tegemoet. Beetje een inkoppertje.
  • Praktisch 3



    • Niet creatief boekhouden
    • Uitgaven gebruiken voor hun officiële doel
    • Transparantie in procedures
      Geen boekhoudkundige “grappen en grollen op boekhoudkundig niveau” is ook wat een inkoppertje,net als uitgaven gebruiken voor hun officiële doel. Dat is zelfs wettelijk verplicht. Transparantie inprocedures is ook zo’n open deur.
  • Praktisch 4



    • Begrotingsnormen
    • Onafhankelijke informatie (NL: o.a. CPB, SCP, PBL, CBS, AR)
    • Centraliseer begrotingsproces


      Begrotingsnormen zijn bijvoorbeeld de Europese 3% en 60% norm. We hebben nog heel veel andere normen gehad voor de begroting. Dat kan helpen. Onafhankelijke informatie is ook heel belangrijk. Zo voorkom je dat de slager zijn eigen vlees keurt. In Nederland hebben we daar heel wat aanbod voor: CPB, SCP, PBL, CBS, AR. Zij zijn onafhankelijk en van een hoog niveau. Wanneer zij met andere informatie komen dan een departement, heeft die laatstgenoemde echt wat uit te leggen.
  • Praktisch 5



    • Maak de spelregels duidelijk
    • Eénpartij-regering: benoem een ‘financieel zwaargewicht’
    • Coalitie: onderhandelingen → contract (bijvoorbeeld Regeerakkoord)
    • Druk van buiten: IMF, EU, hogere overheid→lagere overheid
      Hier hebben we het eerder ook al over gehad. De druk van buiten kan ook van internationale organisaties komen, zoals het IMF of de EU.
  • Fasen
    • Planning & besluitvorming
    • Uitvoering 
    • Verslaggeving; laten zien wat er gebeurd is. 
    • Controleren of dat klopt en verantwoording. 
  • New Public Management
    • Uiteenlopende meningen over methoden en technieken uit de marktsector
    • Mag dat wel? Gaat toch over welzijn?
    • Kan dat wel? Moeilijk productie te meten. 
    • NPM: het moet gewoon!
    • Adagium: running government like a business

    Samenvattend hebben we het bij NPM over uiteenlopende meningen over methoden en technieken uit de marktsector. Kan je die technieken en instrumenten ook in de publieke sector gebruiken? De een zegt dat je daar heel kritisch over moet zijn: het gaat over hele andere dingen, zoals welzijn. Moet je dan die keiharde bedrijfseconomische instrumenten gaan gebruiken. Daarnaast: kan dat wel, als je zo veel moeite hebt met het meten van je output. Volgens New Public Management moet het. Het is een her-uitvinding van de overheid. Het adagium was het runnen van de overheid als een bedrijf. De vraag is natuurlijk in hoeverre je het kunt toepassen.
  • Gevolgen New Public Management
    • Focus op efficiëntie 
    • Planning en budgetteringstechnieken 
    • Sturen op prestaties
    • Meer concurrentie 
    • Stijlen uit private sector qua management – taalgebruik/manier van werken
    • Contracten 
    • Privatisering > overhevelen naar private sector. 
    • Terminologie: managementgoeroes 



    Heeft geleid tot meer problemen:
    • Meer autonomie & minder democratische controle. Meer vrijheid. 
    • Fragmentatie van beleid en uitvoering door private en losse uitvoering van diensten. Verschillen sterk van elkaar. 
    • Ingewikkeld: meer partijen is meer informatie. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Houdbaarheid:
-D stijgt als f en/of x positief zijn 
-En d stijgt als (1+r) groter is dan (1+p+g) 
-Ofwel: als de rente groter is dan de inflatie en groei. 
-Aaron-conditie 
De schuldquote (links) wordt bepaald door een aantal dingen: de rente (r) boven de streep, en de inflatie (p) en de economische groei (g) onder de streep. Daar kan je als overheid niet heel veel aan doen. Die bepalen echter wel mee of de schuldquote groeit of niet. Aan de (f) en de (x) kan je wel wat aan doen. Heb je een overschot staat bij de f een minnetje en gaat je schuldquote omlaag. Overige factoren (x) zijn bijvoorbeeld het lenen van geld voor het aankopen van aandelen in Airfrance-KLM. De schuldquote (d) stijgt als je financieringstekort of je overige factoren positief zijn. Rente vergelijk je dus met de inflatie en de economische groei. Je schuldquote stijgt wanneer de breuk groter is dan 1. Boven de streep moet dus meer zijn dan onder de streep. De rente moet dus groter zijn dan de inflatie en de groei voordat de schuldquote stijgt.  Dat wordt ook wel de Aaron-conditie genoemd. Die gaat dus over de verhouding tussen de rente versus de inflatie en de groei. 
Consequentie -Aaron-conditie: r is groter dan p en g 
-Actueel in NL 
-0,005 versus 0.015 en 0.02 
-Dus: bij tekort van 0 daalt de schuldquote 
-Actueel Griekenland: 
-0,08 versus 0,015 en 0.01 
-Dus: bij tekort van 0 stijgt de schuldquote 

Uit hoofde van de economie daalt de schuldquote continu wanneer r groter is dan p en g, en als f en x 0 zouden zijn. Dus bij een tekort van 0 daalt de schuldquote. Dat blijft doorgaan totdat de schuld is. Dat is een erg geruststellende gedachte. In Griekenland ligt dat net wat anders. De rente is daar 8% en de inflatie en groei is kleiner (1,5% en 1%). Daardoor neemt de schuld nog steeds toe. Dat kan je dan maar door drie dingen veranderen: een daling van de rente, een hogere inflatie of een hogere economische groei. Lukt dat niet, dan loopt je schuldquote op. Tot dat moment zitten de Grieken in een moeilijke positie. Op dit moment daalt de schuldquote daar, omdat er tegenwicht wordt gegeven aan het schuldquote door een financieringsoverschot. De overheid kan echter niks doen aan de rente. De Grieken worden dus niet geholpen door de economie, en wij wel. 

Uitstapje naar EMU-normen -Voorbereiding van het SGP (Stabiliteits- en Groeipact): 
-Bij f=0,03, d-1 = 0,6 en plausibele waarden voor r, p en g: 
-Schuldquote stabiliseert op 0,6 
-Daarom deze normen gekozen 
Bij  een aantal normale waarden van de rente, inflatie en groei, met daarbij een bepaald jaarlijks tekort, stabiliseert de schuldquote. Dat is de enige reden dat er voor drie procent en zestig procent gekozen is. Er zit dus geen diepere gedachte achter. Dit kwam als één van de weinige mogelijkheden er uit. 
Schuld en groei
-Tot 90% weinig effect 
-Daarboven wel! 
-Schuld <90%: gemiddelde groei 3,5%
-Schuld > 90%: gemiddelde groei 2,3%
-Boven de drempel: 1,2% verlies
Is de overheidsschuld nu iets om rekening mee te houden voor de economie? Tot een schuldquote van een procent tot 90 is er weinig effect op de economische groei. Daar is geen significant verband. Wij in Nederland zitten onder de zestig, dus ons schuld zou er geen negatief effect op moeten hebben. Boven die 90% wordt het wel een ander verhaal. Als de schuld onder de negentig procent ligt, is de gemiddelde groei rond de 3,5%. Voor landen boven de 90% is de economische groei slecht 2,3%. Dat is een significant verschil in groei. We zien in de slide hierna hoe groot dat verlies van 1,2% kan zijn in de loop van de tijd. 

Gevolg -Verschil in groei van 1,2% lijkt gering 
-Maar: 
-3,5%: verdubbeling in 20 jaar 
-2,3%: verdubbeling in 30 jaar 
-Allebei starten met 100 
-Na 60 jaar: 800 versus 400 
-Ofwel: 3,5% heeft 2 x zoveel! 

Het verschil in groei lijkt gering, maar kan uiteindelijk een groot effect hebben. Na zestig jaar is je BBP twee keer zo veel door dit verschil. Het groeit dus echt uit elkaar. De gevolgen zijn op lange termijn veel erger dan we denken. Dat kan een prikkel voor de overheid zijn om daar over na te denken.
Houdbaarheid - 3. Schuld aan buitenland
Schuld aan buitenland Ook de schuld aan het buitenland zien we oplopen. Meer dan de helft van de Nederlandse overheidsschuld is in buitenlandse handen. Andersom: we hebben ook weer heel veel Duitse obligaties in handen van bijvoorbeeld ons Nederlandse pensioenfondsen. 
Houdbaarheid - 2. Omvang Private Schuld
De private schuld is bijna een continue stijgende lijn. Na de crisis zien we een kleine daling. Privaat bestaat uit bedrijven en gezinnen. Dat zijn dus hypotheken maar ook de investeringen van bedrijven. Met name de schuld van die laatste partij neemt af. We doen voor 160% mee aan schuld wanneer we de private schuld meenemen. Dat is samen met de publieke sector op 260% van ons inkomen in schuld in ontwikkelde landen. We leven dus van de schuld. 
Houdbaarheid - 1. Omvang overheidsschuld
Overheidsschuld Je ziet de ontwikkeling van de schuldquote in twee groepen landen. Je ziet de ontwikkelde landen (advanced) en de opkomende landen. Voor de ontwikkelde landen zie je dat het na de oorlog omlaag ging en vanaf de jaren ’70 weer begon te stijgen. Die stijging zien we ook weer bij de financiële crisis in 2008. We zitten inmiddels boven die ontwikkelde landen qua gemiddelde van schuld. We hebben relatief veel schuld als ontwikkelde landen. Nederland doet het relatief goed in die groep. Het gemiddelde is 100%, terwijl Nederland rond de 60 procent zitten. Nu zitten Japan en Amerika daar bij. Die hebben een hele grote schuld. Wij doen het veel beter. 
Houdbaarheid
Over de houdbaarheid is het dinsdag al even gegaan. We hebben toen gekeken naar de ontwikkeling van de staatsschuld Er zijn een aantal factoren die daar invloed op uitoefenen. Als je weet wat de factoren zijn met invloed op de staatsschuld, kan kan je ook een oordeel vormen over de schuldquote op de lange termijn. Gaat hij stijgen of dalen? Over die houdbaarheid valt nog meer te zeggen. 
Reinhart, Reinhart & Rogoff-Onderzoek relatie schuld – economische groei 
-Lange tijdreeksen; 70 landen
Reinhart et al. hebben gekeken naar de relatie tussen schuld en economische groei. Als het zo is dat als de staatsschuld hoger en hoger wordt en men zegt dat dat gevolgen heeft voor de economische groei, klopt dat dan met de cijfers? Zij hebben daar over een langere periode (tientallen jaren) een erg uitgebreid onderzoek (70 landen) naar gedaan. 
Vier mogelijke problemen-Omvang overheidsschuld 
-Omvang private schuld 
-Schuld aan buitenland 
-Aanspraken pensioenen e.d. (vergrijzing) 
Het begint met de omvang van de overheidsschuld. Er zijn ook nog andere factoren die bij kunnen dragen aan de schuld. De private sector, zoals gezinnen en bedrijven kunnen ook voor meer schuld zorgen. Dat kan toevoegen aan het probleem. Je bent dan als land een schuldenaar ten opzichte van andere landen. Voor het totale beeld is dat een aanvulling. Per saldo is het ook belangrijk wat je aan het buitenland verschuldigd bent. De overheidsschuld en private schuld kan volledig binnen de grenzen blijven. Als veel schuld in buitenlandse handen is, ben je gebonden aan wat er in het buitenland gebeurt. Je bent dan afhankelijk van hoe buitenlandse beleggers denken over je kredietwaardigheid bijvoorbeeld. Je moet daarnaast ook naar de toekomst kijken. Wat heb je nog te wachten? Voor Nederland is dat bijvoorbeeld de vergrijzing, die er in Nederland nog aankomt. 
Derivaten - Beleid Kabinet
-Geen verbod 
-Organisatie op orde
-Professionele kennis aanwezig 
-Gelimiteerd aantal soorten 
-Contractuele voorwaarden 
-Onderpand: symmetrisch 
Er is geen verbod gekomen op derivaten. Je mag er alleen mee werken wanneer je organisatie op orde is, dus ook de controle en het toezicht daarop. Er zijn ook eisen aan opleiding en kennis. Het beste is als je bankiers of beleggers binnenhaalt. Die weten waar het goed kan gaan of fout kan gaan.  Niet alles is zomaar mogelijk. Er zitten in sommige producten ook onaanvaardbare risico’s, die mag je niet meer gebruiken. Ook de voorwaarden voor de contracten over bijvoorbeeld de margin call worden beter tegen het licht gehouden. Ook was het onderpand vaak assymetrisch: vanuit de ene partij was er wel een margin call, vanuit de andere partij niet. Ook dat is aangepakt: aan beide kanten moet er bijgestort worden wanneer de rente te hard stijgt of daalt. 

Beleid kabinet (2) -Verplichte buffer 
-Transparante externe verantwoording 
-Professioneel en streng toezicht 
Er moet ook meer gedaan worden aan buffers. Bij corporaties staat er aan bezittingen heel veel woningen. Het is niet de bedoeling dat die verkocht dienen te worden als het misgaat.  Bij Vestia moesten er woningen verkocht worden, maar dat wil je natuurlijk niet als woningcorporatie. Je moet banktegoeden of beleggingen hebben als buffer om tekorten op te vangen. Je moet ook laten zien wat er gedaan wordt aan externe verantwoording. Ook is er met name professioneel toezicht nodig. Bij Vestia ging het ook verkeerd door onprofessionele medewerkers. Daar is nu een strengere controle op. 
Swaps - praktijkvoorbeeld Vestia
Vestia is een voorbeeld van hoe het helemaal mis kan lopen. 
Wat gebeurde daar? In principe niet zo gek: 
-Corporatie niet zo gek: 
-Leent dus ook veel 
-En loopt dus ook veel renterisico 
-Afdekken van risico kan verstandig zijn 
Het principe zijn niet zo raar. Wooncorporaties zijn investeringsmachines in de kapitaalsfeer: ze bouwen en verbouwen veel. Ze doen bijna niks anders dan investeren. Daardoor lenen ze heel veel en lopen ze veel renterisico. Als je veel renterisico loopt, kan je soms heel erg de deksel op je neus krijgen als de rente stijgt . Als je probeert van die risico’s af te komen is heel logisch. Het afdekken van risico kan dan best wel verstandig zijn. 

Maar -Vestia: buitensporig veel derivaten afgesloten 
-En vooral: veel derivaten hadden geen betrekking op echte risico’s (overhedging).
-Zelfs swaps aan banken verkocht 
-Dus: speculatie i.p.v. afdekken risico’s 

In Vestia hebben ze alles afgedekt wat af te dekken viel, ook risico’s die niet de moeite waard waren. Kleine risico’s kan je misschien beter zelf dekken. Het ging vooral mis omdat ze derivaten hebben gekocht op risico’s die ze zelf niet echt liepen. Het werd daarom een soort loterij. Derivaten kopen die niks te maken hebben met de risico’s die je echt loopt is gewoon gokken op de rentestand. Je dekt dan risico’s af die er niet zijn, met de hoop dat je er aan gaat verdienen, omdat je weet wat de rente gaat doen. Risico’s gaan dragen die je niet hebt noemen we ook wel overhedging. 


Daarnaast was er weinig toezicht op dit soort woningcorporaties. Daarnaast zijn we ook het omgekeerde: Vestia heeft ook renterisico’s van banken gekocht. Daar hebben sommige banken heel dik aan verdient. Men is zo doorgeslagen en begon dus zelf te die risico’s van banken over te nemen. Je dekt dan dus geen risico’s af, maar je neemt juist risico’s. Dat is niet alleen illegaal, maar ook verwerpelijk. Je neemt dus heel veel risico’s op, buiten de doelstellingen van je organisatie om. Er werd dus gespeculeerd in plaats van het afdekken van risico’s. De schaal was daarnaast buitensporig groot: 

Gevolg -Voor meer dan 20 miljard aan derivaten gekocht 
-Treasurer kreeg provisie 
-Rentedaling: margin call 
-2 miljard verlies
-Alle nieuwbouw gestopt  
-30.000 woningen verkocht
-675 miljoen bijbetaald door andere corporaties 


Uiteindelijk stond er voor meer dan 20 miljard aan derivaten. Dat is echt een enorm bedrag voor een woningcorporatie. Dat loopt alleen goed af als je toevallig geluk hebt. Daarnaast kreeg de treasurer (=contractafsluiter) ook nog een persoonlijke provisie voor elk afgesloten contract. Dat was een slechte prikkel. Toen kwam er een rentedaling, terwijl ze zich hadden ingedekt tegen een rentestijging. Een daling van de rente zorgde voor een margin call. Toen moest er bijgestort worden als extra onderpand. Dat hadden ze niet. Ze moesten geld storten wat niets te maken had met eigen risico’s. Als je die margin call niet doet, vervalt je contract. Dan heb je wel betaald, maar heb je er geen baten meer van: je bent dan niet meer ingedekt tegen de risico’s. Ze moesten dus wel bijbetalen. Dat leverde ze twee miljard aan verliezen op. Ze hebben daarvoor 30.000 woningen moeten verkopen. Als corporatie heb je het doel om woningen te bieden, dus verkopen was volledig tegen de doelstelling van een woningcorporatie in. Ook alle nieuwbouw werd gestopt en andere corporaties moesten bijbetalen aan de problemen van Vestia. Anders was Vestia failliet gegaan. Het probleem is vooral veroorzaakt door het verkeerd omgaan met derivaten. Hierdoor kwamen derivaten in een slecht daglicht te staan, hoewel er op zich wel wat voor te zeggen is. 
Swaps - Uiteindelijk speelt de klassieke afweging
-Minder risico: hogere kosten
-Wil je dat niet: dan meer risico gelopen 
-Dus als altijd: afwegen 
-Cruciaal: verschil van inzicht met de markt  
Uiteindelijk zie je ook hierbij weer de klassieke afweging tussen kosten en risico. Meer risico lopen zorgt voor minder kosten, minder risico lopen zorgt voor meer kosten. Er zit dus altijd een afweging in. Je kunt alleen maar zo’n contract afsluiten als je visie verschilt. Wanneer je beide denkt dat de rente gaat stijgen, valt er geen contract te sluiten. Dat zorgt ook voor één van de problemen voor de publieke sector. De financiële partijen hebben er waarschijnlijk een betere kijk op financiële ontwikkelingen dan iemand in de publieke sector. Het kan dan aan feitelijke verschillen liggen, maar ook door kennis, ervaring en vorming. Je gaat dan als publieke sector extra risico’s lopen, omdat je minder kennis hebt.
Deze afweging is er eigenlijk altijd: je kunt alle details er afpellen, en je houdt dan dit over. Wil je geen hogere kosten, dan moet je meer risico lopen. Het is dus net als altijd een afweging. Het cruciale hierbij is een verschil van inzicht met de markt. Dat had je ook bij de hypotheekproducten. Er werden voor honderden miljarden contracten afgesloten op het waardeloos worden van de hypotheek. De ene persoon denkt dan wel dat het misgaat, dan andere persoon denkt van niet. Als je allebei denkt dat niet misgaat, heeft het weinig zin om zo’n product af te sluiten. De vraag is dan dus of de publieke sector dat goed in kan schatten. 
Swaps - Renteswaps
-Twee vormen: 
-Fixerend: variabele rente wordt (al dan niet tegen vergoeding) geruild tegen vaste rente 
-Afschermend: maximum rente afgesproken (cap); daarboven vergoed 
Er zijn twee vormen van rente swaps. Je kunt een variabele rente hebben. Die kan je ruilen met een andere partij tegen een vaste rente. De andere partij krijgt dan dus het risico van een renteverandering, en die partij krijgt daar een vaste rente voor terug. Je kunt de rente ook afschermen. Je spreekt daarbij een maximale rente af. Bijvoorbeeld: tot vier procent doen we niks. Daarboven neemt de andere partij alles op zijn rekening. De plussen en minnen komen dan bij een andere partij te liggen. 

Maar dat gaat niet voor niets -Contract heeft een waarde: 
-Bij afsluiting: nul 
-Rente stijgt: vragende partij ontvangt 
-Rente daalt: vragende partij moet betalen 
-Margin call!
(…) De plus voor de één is altijd een min voor de ander. In heel veel van de contracten zit daarnaast een bepaalde grens. Zo’n contract heeft een waarde, en die waarde kan positief of negatief zijn. Als ik mij tegen een stijgende rente heb ingedekt, kan de waarde van dat contract negatief worden. Als dat te negatief wordt kan de partij aan de andere kant van de tafel je misschien wel niet meer betalen. Er wordt daarom een grens gesteld aan dat negatieve saldo, en wanneer die behaald wordt moet de vragende partij betalen. Dat is de margin call. Daar is ook een film over verschenen.