Summary Class notes - fysiologie en therapie

Course
- fysiologie en therapie
- NVT
- 2017 - 2018
- Rijksuniversiteit Groningen (Rijksuniversiteit Groningen, Groningen)
- Biologie
217 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - fysiologie en therapie

  • 1512255600 inleiding

  • Wat is negatieve feedback
    De response werkt de stimulus tegen waardoor de response-loop stopt.
  • Geef een voorbeeld van de zeldzame positieve feedback.
    De opwekking van de weeen.
  • Noem voorbeelden van communicatielijnen en communicatiemiddelen om lichaamsfuncties op elkaar af te stemmen.
    communicatielijnen: zenuwstelsel, bloed, lymfe, lucht l communicatiemiddelen: neurotransmitters, hormonen, feromonen
  • Welke soorten communicatie zijn er.
    Autocrien, naar zichzelf.
    Paracrien, naar directe omgeving
    Endocrien, naar verderop (via bijv bloed)
    Neuroendocrien, naar verderop, via neuron en dan bijv. bloed.
  • Wat is gap-junction, contact-dependent en autocrien en paracrien.
    Via directe cytoplasmatische verbindingen.
    Via membraan moleculen.
    Via signaalmoleculen en receptoren.
  • Wat is een neurotransmitter en een neurohormoon
    Neurotransmitter; stof afgescheiden door neuronen die over een smalle spleet diffunderen naar de doel-cel. Kan ook een electrisch signaal zijn.
    Neuro-hormoon; stof afgescheiden door neuronen in het bloed die zo verderop hun werk kunnen doen.
  • Geef een voorbeeld van een hormoon dat zowel paracrien als endocrien werkt.
    Insuline. Zie plaatje.
  • Er zijn verschillende betekenissen voor het woord receptor. Geef aan welke en in welke twee groepen kan je ze indelen.
    Centrale receptors;
    ogen, oren, neus, tong, centrale chemoreceptors zoals osmoreceptoren, thermoreceptoren.
    Perifere receptors;
    Chemoreceptors, osmoreceptors, thermoreceptors, baroreceptors, prioreceptors, andere mechanoreceptoren.
  • Wat is een agonist en een antagonist
    Agonist, versterker
    Antagonist; blokker
  • Wat zijn de verschillen tussen neuro-transmissie en endocriene communicatie
    Zie plaatje
  • 1512342000 Perifere zenuwstelsel

  • Geef de grove indeling van het zenuwstelsel.
    -Efferente en afferente neurons.
    -Autonoom en somatisch
    -Sympatisch en parasympatisch
    En zie plaatje.
  • Geef een beeld van het autonome zenuwstelsel t.a.v. de anatomie waar het invloed op heeft in relatie tot het ruggemerg.
    Zie plaatje.
  • Wat zijn de belangrijkste activaties van het sympatisch en parasympatisch zenuwstelsel.
    Zie plaatje
  • Wat is is de schakelvolgorde in de efferente richting.

    De efferente richting is van hersenen naar lichaam. 
    Preganglionic neuron, autonomic ganglion, postganglionic neuron, target cell.
  • Geef een aantal eigenschappen van het parasympatische syteem.
    De preganglionaire neuron heeft als neurotransmitter acetylcholine.
    De postganglionaire neuron heeft als neurotransmitter ook acetylcholine.

    -lange preganglionaire zenuwen vanuit de hersenstam die pas in het doelorgaan overschakelen op het ganglion
    -dus zeer korte postganglionaire zenuwen.
    -belangrijkste zenuw: de nervus vagus.
    -postganglionaire neurotransmitter: acetylcholine. 
    -activeert zgn muscarinische cholinerge receptoren.
  • Geef een aantal eigenschappen van het sympatische syteem.
    preganglionair neuron neurotransmitter: acetylcholine.
    postganglionair neuron neurotransmitter: noradrenaline.

     -korte preganglionaire zenuwen vanuit het ruggemerg schakelen over in een ganglion
    -lange postganglionaire zenuwen innerveren de verschillende doelorganen
    -postganglionaire neurotransmitter: noradrenaline (norepinephrine)
  • Wat zijn varicosities
    Blaasjes die neurotransmitter bevatten. Zie plaatje.
  • Hoe heet een receptor voor norepinephrine en hoe voor Acetylcholine.
    Norepiphedrine(noradreline); Adrenergic receptor.
    Ecetylcholine; Muscarinic receptor.
  • Wat is het sympatho-adrenal system.
    Het bijniermerg wordt selectief (!!!!) (mass action is achterhaald) geactiveerd tijdens stress situaties als er het dier nog niet precies weet wat er gaat gebeuren: fight-flight reactie.
    -vrijmaking van glucose (snelst beschikbare energievorm en enige brandstof voor de hersenen)
    -veranderingen in bloeddistributie → vasoconstrictie of vasodilatie (afhankelijk van receptortype/orgaan

    Bekende situatie: gedoseerde en gerichte neuronale (noradrenaline) activatie
  • Welke hersendelen zijn betrokken bij de centrale regulatie van het autonome zenuwstelsel.
    hersenstam: medulla oblongata
    hypothalamus: belangrijk coördinatiecentrum !
    hogere functies: limbisch systeem en cerebrale cortex
  • Wat is het enterische zenuwstelsel.(Enteric nervous system)
    The enteric nervous system (ENS) or intrinsic nervous system is one of the main divisions of the nervous system and consists of a mesh-like system of neurons that governs the function of the gastrointestinal system. It is now usually referred to as separate from the autonomic nervous system since it has its own independent reflex activity.

    The enteric nervous system consists of some one hundred million neurons, one thousandth of the number of neurons in the brain and essentially equal to the one hundred million neurons in the spinal cord. The enteric nervous system is embedded in the lining of the gastrointestinal system, beginning in the esophagus and extending down to the anus.

    The ENS is capable of autonomous functions such as the coordination of reflexes; although it receives considerable innervation from the autonomic nervous system, it can and does operate independently of the brain and the spinal cord. 

    The enteric nervous system has been described as a "second or small brain" because it includes efferent neurons, afferent neurons, and interneurons, all of which make the enteric nervous system capable of carrying reflexes and acting as an integrating center in the absence of CNS input. The sensory neurons report on mechanical and chemical conditions. Through intestinal muscles, the motor neurons control peristalsis and churning of intestinal contents. Other neurons control the secretion of enzymes.

    The enteric nervous system makes use of more than 30 neurotransmitters, most of which are identical to the ones found in CNS, such as acetylcholine, dopamine, and serotonin. More than 90% of the body's serotonin lies in the gut, as well as about 50% of the body's dopamine.
  • Wat is de brain-gut axis ?
    Dat is het idee dat er een sterke onderlinge invloed is van de hersenen en de "ingewanden". Er is comunicatie heen en weer zelfs n.a.v. stoffen die de bacterieen in de ingewanden afscheiden.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is een zeer veelbelovende recente ontwikkeling op het gebied van kankerbehandeling via het immuunsysteem.
Veel tumoren zorgen ervoor dat er  stoffen(PDL1) op het membraan komen die koppelen aan PD1 (programmed death protein 1) en de moord-functie van de T-cel  onderdrukken.

Als je als therapie vervolgens antibodies geeft die op de PD1 of op de PDL1 binden, dan kan de onderdrukking van de T-cel functie niet meer plaatsvinden en kunnen die hun werk wel doen.
Trials laten zeer goede resultaten zien op anderszins slecht behandelbare kanker.
Hoe herkent het immuunsysteem kanker en hoe behandelen we kanker
Sterke groei en dus mutatiesnelheid. Dat genereert nieuwe antigenen.
Als het viraal geinduceerde tumorgroei is dan herkenning virale eiwitten.
Sommige tumoren hebben een her-expressie van foetale moleculen.  

Behandeling van kanker;

-chirurgisch.
-Chemotherapie.
-Straling.
-immunoterapie door;
-uitlokken natuurlijke immuunresponse.
-aanpassen immuuncellen
-passief, door gemaakte antibodies in te spuiten.
Wat is de belangrijkste factor in afstoting van een transplantaat.
De T-cel. 
Direct, dendritische cel van donor presenteert antigen(stukje orgaan) aan T-cel van de host en reactie volgt.
Indirect, dendritische cel van host presenteert antigen(stukje orgaan) en reactie volgt.
Geef info over Major Histocompatibility Complex (MHC)
Er zijn 2 classen. Op individueel nivo heb je 2 x 3 per classe. Dat wil zeggen 12 totaal. 
Op populatienivo is dat 10.000.000.000.000.000
Buiten de Major histocompatibility is er ook nog minor histocompatibility en volledige matching kan alleen bij exact gelijk genetisch materiaal.
Wat zijn de belangrijkste soorten verschillen tussen mensen in relatie tot immuniteit.
De bloedgroep A,B,0
De MHC (Major Histocompatibility Complex)
Transplantatie kent meerdere varianten. benoem en leg uit.
Autograft; van patient 1 naar patient 1.
Isograft; van patient 1 naar gen.identiek patient 2.
Allograft; van patient 1 naar patient 2.
Xenograft; van ander soort naar patient 1
Waarom is de antibody een aantrekkelijk molecuul voor medicijnontwikkeling.
Het is een bi-functioneel molecuul en zeer specifiek. Het kan worden voorzien van toxine of radiolabel.

Het kan human, humanized(aangepast zodat het beter in mens past), murine(van de muis) of chimeric(hibride) zijn.

Voor kanker ook goede therapeutische methode; De antibody kan;
-tumor-antigen specifiek worden gemaakt.
-worden gekoppeld aan een medicijn.
-worden gericht op immuunsysteem-componenten om de antitumor respons te verhogen.
Welke behandelingen zijn er bij autoimmuunziekten
-Disease Modifying Anti Rheumatic Drugs(DMARDs) stops T-cel activatie en stops celproliferatie.
-Non Steroid Anti-Inflammatory Drugs (NSAIDs) 
verhindert Cox-1 en Cox-2. koorstremmend.
-Biological Response Modifiers.
richten op immuuneffectors.
Hoe is de demografie van autoimmuun ziekte van man t.o.v. vrouw
Meer bij vrouwen
Welke typen overgevoeligheidsziekten zijn er.
Type 1-Inmediate hypersensitivity,
IgE antilichamen, gevolgen door mestcellen.
Voorbeeld; allergie.
Type 2-Antibody mediated, 
IgM, IgG
Voorbeeld; Goodpasture's syndrome. onsteking longen, nieren door antilichamen tegen type-4 collageen. 
Type 3-Immunecomplex mediated,
Immuuncomplex
Voorbeeld; Systemic Lupus Erythematosus(SLE) huid en nierontsteking door onstekingen in bloedvaatjes, reactie tegen celkernmateriaal.
Type 4-T-cell mediated,
CD4 en CD8 cellen
Voorbeeld; reumatiode artritis, door CD4  cellen. schade kraakbeen, bot door chronische ontsteking.