Summary Class notes - Gedragsbeelden

269 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Gedragsbeelden

  • 1442268000 H1 Psychiatrie en de maatschappij

  • Het verschil tussen psychopathologie en psychiatrie is dat de psychiatrie de praktische toepassing is van de psychopathologie, wat een wetenschap is. De zuiverste betekenis van psychopathologie is de wetenschap van het psychisch lijden.  
  • De huidige psychiatrie is geïnspireerd door het medische model. Het medische model houdt in: een systematische werkwijze om pathologische verschijnselen te bestuderen en, zo mogelijk, te wijzigen. Hierin zijn de volgende stappen te onderscheiden:

    - (a) Diagnose  beschrijven van karakteristieke eigenschappen
    - (b) Verklaring  verkenning factoren die stoornis hebben       veroorzaakt/uitgelokt/bevorderd/in stand gehouden
    - (c) Prognose  op onderzoek gebaseerde voorspelling van beloop van stoornis     zonder therapeutisch ingrijpen en onder invloed van      behandeling
    - (d) Therapie   ontwerp en uitvoering van interventie op grond van a,b en c     met het doel de stoornis te doen verdwijnen/te verbeteren
    - (e) Preventie   ontwerp en uitvoering van actieplan op grond van a,b,c en d     om stoornissen te voorkomen (primaire preventie), zo snel en     effectief mogelijk te behandelen ter voorkoming van      resttoestanden (secundaire preventie) of om nadelige gevolgen     te beperken (tertiaire preventie/revalidatie) 
  • Noem de 3 groepen (werkterreinen) van de GGZ
    -Intramurale of klinische zorg 
    -Extramuraal of ambulante zorg
    -Tussenvoorzieningen of vormen van semimurale zorg

  • Intramurale of klinische zorg: opname (dag en nacht; intramuraal = ‘binnen de muren’) voor behandeling of verpleging in een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) of in een psychiatrische kliniek. Klinieken zijn onder te verdelen in APZ (algemeen psychiatrisch ziekenhuis) en CPZ (categorale psychiatrische ziekehuizen). Een CPZ is uitsluitend toegankelijk voor een specifieke doelgroep/‘categorie’ van patiënten. (vb. kinderen, of verslaafden)  

  • Extramuraal of ambulante zorg: voor cliënten/patiënten in die in hun eigen woonomgeving blijven (extramuraal = ‘buiten de muren’ van de kliniek). Deze zorg wordt verleend door vrijgevestigde hulpverleners (psychiaters, psychologen en psychotherapeuen) die een praktijk aan huis voeren.  
    Een groter aantal patiënten komt terecht op een psychiatrische polikliniek: dit is een voorziening voor ambulante zorg, verstrekt door een algemeen ziekenhuis of APZ (dus zonder dat men daar is opgenomen). De grootste groep ggz-cliënten meldt zich bij de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG). De RIAGG heeft afdelingen voor jongeren, volwassenen en ouderen. Multidisciplinaire teams zorgen er voor preventie, advisering, begeleiding, behandeling en crisisinterventie. Een vergelijkbare functie voor verslavingszorg wordt vervuld door het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs (CAD). 

  • Tussenvoorzieningen of vormen van semimurale zorg: voor mensen voor wie extramurale zorg onvoldoende is en voor wie een volledige opname in een kliniek niet noodzakelijk is. Er zijn voor deze mensen beschermde woonvormen, deze zijn gebundeld in regionale instelling voor beschermd wonen (RIBW). Kleine groepjes (ex-)patiënten wonen er samen en krijgen ondersteuning en begeleiding. Een andere vorm van semimurale zorg wordt geboden door de psychiatrische deeltijdbehandelingen. Patiënten overnachten niet in deze voorzieningen (meestal verbonden aan APZ/PAAZ). De behandeling varieert van één dagdeel tot vijf dagen per week (‘dagbehandeling’). 
  • 1442872800 H2 Diagnose


  • Elke wetenschap steunt op een classificatie of systematische ordening van de verworven kennis. In de psychiatrie betekent dit vooral het classificeren (naamgeven en ordenen) van stoornissen. Dit is geen doel, maar een middel om meer kennis te verwerven over de prevalentie, het ontstaan, de ontwikkeling, het beloop en de behandeling. 


    Vanwege het ontbreken van duidelijk aantoonbare lichamelijke oorzaken kan er echter in de psychiatrie geen sprake zijn van ziekten, maar spreekt men van syndromen: een groep of samenhangend geheel van symptomen in puur beschrijvende zin (vaststellen zonder beschrijving te geven). Vaak wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdsymptomen – die met grote waarschijnlijkheid verwijzen naar een specifieke stoornis – en bijsymptomen die het beeld van de stoornis volledig maken maar bijkomstig zijn. 

  • Het DSM-systeem beperkt zich niet tot de precieze beschrijving en ordening van psychiatrische syndromen, maar boogt verschillende aspecten van de diagnose aan de orde te stellen. De verschillende gegevens worden gestructureerd en samengevat op vijf assen: 


    I. Klinische syndromen
    II. Persoonlijkheidssyndromen en een verlaagd IQ
    III. Lichamelijk aandoeningen
    IV. Psychosociale problemen
    V. Globaal functioneren 

  • Klinische syndromen

    De diagnose steunt op twee fundamentele principes: - Spaarzaamheid  Men moet zo veel mogelijk zoeken naar één diagnose waarin alle    verschijnselen onder te brengen zijn - Rangorde  Bij de zogenoemde differentiaaldiagnose zijn psychiatrische     stoornissen te ordenen volgens hiërarchie (tabel 2.1, pagina 22).


    Het uitgangspunt van de DSM is louter beschrijvend te blijven en geen verklaring te suggereren. De DSM omzeilt de definitieproblemen bij psychotische stoornissen door de volgende kenmerken als symptomen van een psychose te beschouwen:

    - Wanen en hallucinaties
    - Ernstige verstoring van de logische gedachtegang
    - Ernstig ontregeld gedrag
  • As 2: persoonlijkheidssyndromen en een verlaagd IQ

    Met persoonlijkheid bedoelen we ‘een voor elk individu kenmerkende levensstijl of karakteristiek patroon van omgang met de buitenwereld’. Gezien de variëteit en de sterke invloed van socioculturele factoren, is het moeilijk hierin een beperkende ordening aan te brengen en normaliteit en stoornis van elkaar te scheiden.
  • As 3: lichamelijke aandoeningen
    Hier gaat het om lichamelijk stoornissen die samenhangen met het gestoorde psychisch functioneren en/of een belangrijke rol kunnen spelen bij de psychiatrische behandeling van de patiënt.
  • As 4: Psychosociale problemen
    Het gaat om psychosociale problemen die zich in het afgelopen jaar hebben voorgedaan en die de diagnose, behandeling of prognose van de psychiatrische stoornis beïnvloeden. De bedoeling van deze as is aandacht voor de sociale context.
  • As 5: Globaal functioneren

     Hiermee wordt het psychisch, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren globaal beoordeelt volgens een schaal (tabel 2.2, pagina 25). Een combinatie van as V en as IV maakt het mogelijk de diagnose in een ruimer kader en in een tijdsperspectief te plaatsen en ook rekening te houden met gezonde aspecten in het psychosociaal functioneren.  
  • Wat noemen we comorbiditeit?
    Het samen voorkomen van meerdere stoornissen bij dezelfde patiënt
  • Wat is een amnese?
    Het verzamelen van de informatie over de voorgeschiedenis van de patiënt
  • Een goede diagnose begint met het nauwkeurig verkennen van het probleem zonder dit direct te willen verklaren. Een goed diagnostisch interview volgt geen strak script maar vereist wel enige systematiek in de wijze van informatie verzamelen. Een diagnostisch onderzoek betekent zowel het verzamelen als het ordenen van gegevens, hetgeen onvermijdelijk een selectie inhoudt. Dankzij opleiding en praktijkervaring zoeken we gericht naar aanvullende informatie. Het gaat om een beslissingsproces waarbij we meer dan één combinatie van symptomen als uitgangspunt nemen en/of meerdere hypothesen vormen over hun mogelijke samenhang. In de psychiatrie bestaan drie soorten onderzoeksmethoden: interview, psychologisch en somatisch onderzoek.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Omgaan met stress heet coping. Afhankelijk van de aard van de stressor, iemands vaardigheden en eerdere ervaringen, vertonen mensen verschillende patronen van coping. 3 hoofdgroepen: 

- Probleemgericht  Actief probleem aanpakken en informatie inwinnen
- Emotiegericht    Uiten van emoties
- Respronsgericht   Meditatie, gevolgen van stress verminderen
- (Palliatief   Roken, drinken) 
Noem 3 soorten stress: 
- Alledaagse stress
- Life events (ontslag, scheiding, kindje krijgen, vakantie)
- Chronisch moeilijke situaties (werkeloosheid
Dwangmatige (obsessionele) persoonlijkheidsstoornis (SAD)

Dwangmatige (obsessionele) persoonlijkheidsstoornis: perfectionisten, koppig en weinig flexibel. Willen zowel gedachten en gevoelens als datgene wat hen in contact met anderen kan overkomen zoveel mogelijk beheersen. Overdreven gewetensvol en angstvallig nauwgezet. Irreël hoge eisen zorgen ervoor dat ze bijna geen taken kunnen volbrengen. Verliezen zich in details, regels en orderlijkheid. Volledig opgaan in werk geen tijd voor hobby’s en vrienden. Samenwerken en taken delegeren lukt ze niet. Veel zijn gierig en hebben moeite met spullen weggooien. 
Vermijdende persoonlijkheidsstoornis (SAD)
Vermijdende persoonlijkheidsstoornis: overgevoelig voor de mening van anderen. Laag gevoel van eigenwaarde, mijden sociale contacten zo veel mogelijk. In tegenstelling tot schizoïde mensen hebben ze wel behoefte aan sociale contacten, maar de zijn te bang om afwezegen te worden of af te gaan. Presenteren zichzelf als timide, onzeker en bang. Lijkt sterk op sociale fobie, sommigen noemen het ‘sociale fobie met lange geschiedenis’. Komt bij 1% van de bevolking voor, evenveel mannen als vrouwen.  
Afhankelijke persoonlijheidsstoornis (SAD)

Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis: trekken naar andere mensen toe. Zo afhankelijk van anderen dat ze de meest alledaagse beslissingen niet zelfstandig durven nemen. Voortdurend advies en bevestiging vragen, overgevoelig voor kritiek. Ze doen alle mogelijke moeite om in de nabijheid van vrienden of familie te blijven. Het liefst gaan ze als er 1 relatie uit is, gelijk naar een andere. Nemen zelden initiatief door gebrek aan zelfvertrouwen. Makkelijk in de omgang, bereid om onaangename klusjes op zich te nemen om zich van steun van anderen te verzekeren. Grote kans op depressief en angststoornissen. Komt voor bij 2% van de bevolking, meerderheid is vrouwelijk. 
Narcistische persoonlijkheidsstoornis (BAD)

Narcistische persoonlijkheidsstoornis: deze mensen vinden zichzelf fantastisch en heel belangrijk. Ze overdrijven hun prestaties en talenten, maar verwachten van anderen onvoorwaardelijke bewondering. Ze denken recht te hebben op een voorkeursbehandeling en rekenen erop dat anderen perfect voorzien in hun behoeften. Ze gedragen zich arrogant en tonen een opvallend gebrek aan zelfkritiek en empatisch vermogen. Zeer gevoelig voor kritiek en snel afgunstig op anderen. Vanwege charmerende gedrag maken narcisten vaak een positieve indruk, zelden in staat een relatie met anderen in stand te houden. Komt bij minder dan 1% voor, vooral bij mannen.  
Theatrale persoonlijkheidsstoornis (BAD)

Theatrale persoonlijkheidsstoornis: vroeger hysterische persoonlijkheidsstoornis. Dramatisch gedrag met overdreven heftige emoties. Theatrale mensen willen doorlopend in het middelpunt van de belangstelling staan. Om aandacht te trekken vertonen zij vaak een opvallend uiterlijk, provocerend gedrag, flirten en pogingen tot zelfdoding. Oppervlakkige kennissen worden al snel tot de intieme vriendenkring gerekend. Tot stabiele, intense relaties met anderen zijn ze nauwelijks in staat. De meeste theatrale mensen zijn gemakkelijk beïnvloedbaar door bepaalde mensen/omstandigheden (suggestibel). 
Bordeline persoonlijkheidsstoornis (BAD)

Borderline persoonlijkheidsstoornis: kernwoord is instabiliteit. Borderline persoonlijkheden zijn onzeker over hun zelfbeeld, verder zijn sociale contacten weinig stabiel en is er doorlopend sprake van conflicten en verlatingsangst. Ook stemming is labiel; gevoelens van depressiviteit, irritatie of angst duren gewoonlijk niet langer dan een paar uur tot een paar dagen. Veelal blijvend is een gevoel van leegte. Zo nu en dan treedt heftige boosheid op, leidt soms tot gewelddadig gedrag of automutilatie. Suïcidaal gedrag komt ook regelmatig voor. Impulsiviteit komt tot uiting in gedragingen als roekeloosheid, vreetbuien, criminaliteit en misbruik van alcohol en drugs.  
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis (MAD)

Paranoïde persoonlijkheidsstoornis: wantrouwen en achterdocht zorgt voor moeizaam contact met anderen. De sociale relaties van paranoïde personen worden sterk belemmerd door hun achterdochtige en afstandelijke houding. Paranoïde personen zijn voortdurend op hun hoede of ze niet door anderen benadeeld of bedrogen worden. Om die reden zullen ze niemand in vertrouwen nemen. De achterdocht is niet zo bizar of irreëel als bij paranoïde wanen het geval is. Sommige staan op overdreven wijze op hun rechten en binden voortdurend de strijd aan met personen en instanties over vermeend onrecht. Veel patiënten hebben slecht zicht op hun functioneren en geven anderen de schuld van wat er misgaat in hun leven, mede daardoor zijn ze overgevoelig voor kritiek. Bovendien zijn ze rancuneus (haatdragend, wrokzuchtig), wat hun moeizame relaties nog verder verslechtert. 
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis (MAD)
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis: schizoïde personen hebben vaak geen intieme relaties en kennissen buiten de familiekring en willen het liefst alleen zijn. Ze geven de voorkeur aan hobby’s en werk waardoor nauwelijks/geen contact nodig is met anderen. Niets lijkt ze blij te maken. Het zijn naar binnen gekeerde mensen (introvert), die zelden uiting geven aan hun emoties. Zij ervaren andere mensen als opdringerig/lastig en trekken zich niets van andermans mening aan. Schizoïde personen melden hun klachten doorgaans niet bij de huisarts.