Summary Class notes - Goederenrecht

Course
- Goederenrecht
- Arie
- 2015 - 2016
- Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen locatie Arnhem, Arnhem)
- HBO - Rechten
223 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Goederenrecht

  • 1459375200 GRD syllabus college 1&2

  • geef de definitie van Objectief recht
    is het geheel van geschreven en ongeschreven regels (normen) met betrekking tot een bepaald rechtsgebied.
  • objectief) Vermogensrecht:
    is het geheel van rechtsregels betreffende de subjectieve vermogensrechten
  • Goederenrecht
    Is het geheel van rechtsregels betrekking hebbend op vermogensrechten in de vorm van goederen
  • Subjectieve rechten
    zijn rechten of bevoegdheden welke door het objectieve recht aan een rechtssubject is toegekend. Subjectieve rechten zijn onder te verdelen in absolute en relatieve rechten
  • Vermogen:
    is het geheel van de op geld waardeerbare rechten en verplichtingen dat aan een rechtssubject toekomt. Vermogen wordt ook wel gedefinieerd in termen van activa en passiva, doch past deze omschrijving meer in economische en ondernemings- en faillissementsrechtelijke context en niet in de context van goederenrecht
  • Goederen
    zijn alle zaken en vermogensrechten
  • Zaken:
    zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (3:2).
    Het moet gaan om concrete, tastbare, ruimtelijk begrensde voorwerpen. 
    Zaken worden onderscheiden in onroerende zaken en roerende zaken (zie hierna). In art. 3:2a stelt de wetgever dat dieren geen zaken zijn. In lid 2 van dit artikel worden evenwel de bepalingen omtrent zaken van overeenkomstige toepassing verklaart op dieren.
  • (subjectieve) Vermogensrechten:
    zijn rechten die aan een of meer van de volgende criteria voldoen (3:6):
    -overdraagbaarheid, afzonderlijk dan wel tezamen met een ander recht;
    -strekkende tot het verschaffen van stoffelijk voordeel aan de rechthebbende;
    -verkregen in ruil voor verstrekt, of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel;
    -of waaruit op andere grond blijkt dat zij vermogenswaarde in economische zin heeft. 

    In de meeste gevallen voldoen vermogensrechten aan het criterium van overdraagbaarheid, m.u.v. de afhankelijke vermogensrechten en de hoogst persoonlijke vermogensrechten, zoals het recht van gebruik en bewoning (3:226). Vermogensrechten zijn, i.t.t. zaken, onstoffelijk, niet tastbaar, geen zaken. Zij mogen wel op zaken rusten. 
  • Onroerende zaken:
    zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond verenigd zijn, hetzij rechtsreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken (3:3 lid 1).
  • Roerende zaken:
    zijn alle zaken die niet onroerend zijn (3:3 lid 2).
  • Registergoederen:
    zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers is vereist (3:10), aldus:
    -onroerende zaken;
    -te boek gestelde schepen (8:199 jo 194 e.v., 8:790 jo 784 e.v.);
    -luchtvaartuigen (8:1306 jo 1303 e.v.);
    -aandelen in registergoederen (3:96);
    -alle beperkte rechten op registergoederen (3:98). 
  • Niet registergoederen:
    zijn alle andere goederen dan registergoederen.
  • Goederenrechtelijke rechten/(subjectieve) goederenrechten :
    zijn de limitatief in de wet opgesomde subjectieve, absolute rechten op goederen. 
    Goederenrechtelijke rechten zijn onder te verdelen in rechten die:
    -uitsluitend op zaken kunnen rusten (de zakelijke rechten, geregeld in boek 5);
    -op alle goederen kunnen rusten (indien op zaken dan ook zakelijke rechten, geregeld in boek 3).
  • Rechten op voortbrengselen van de geest:
    zijn rechten die rusten op creatieve scheppingen van het menselijk denkvermogen. 
  • Zakelijke rechten:
    zijn absolute goederenrechtelijke rechten die op zaken rusten.
  • Absolute rechten (op goederen):
    zijn volstrekte rechten op een bepaalde zaak of goed, die exclusief aan de gerechtigde toekomen, en tegen een ieder geldend gemaakt en gehandhaafd kunnen worden.
    (De werking jegens een ieder is de zogenaamde absolute werking, vandaar ook de benaming absolute rechten. Deze rechten vormen het object van het goederenrecht.)  De beschrijving van absolute rechten vormt een zogenaamd gesloten systeem. Dit wil zeggen dat álle absolute rechten op goederen in het BW staan beschreven. Men kan dus niet zelf andere absolute rechten creëren.

    NB: ook rechten op voortbrengselen van de menselijke geest behoren strikt genomen tot de absolute rechten. Zij behoren ook tot het objectief vermogensrecht, maar niet tot het objectief goederenrecht; zij zijn zogenaamde vermogensrechtelijke rechten ‘van andere aard’. Omdat deze rechten buiten beschouwing blijven, wordt in het vervolg - behoudens uitdrukkelijke afwijking - onder absolute rechten verstaan de absolute rechten op goederen, conform de hiervoor gegeven omschrijving. 
  • Relatieve rechten/persoonlijke rechten:
    zijn rechten die uitsluitend aanspraak geven op een prestatie van, of gehandhaafd kunnen worden jegens een of meer bepaalde personen.
    (De werking tegen slechts een of meer bepaalde personen is de zogenaamde relatieve werking hebben, vandaar ook de benaming relatieve rechten. Deze rechten zijn het object van het verbintenissenrecht.) 
  • Volledige rechten:
    zijn de eigendom van zaken, en het toebehoren van vermogensrechten. (Eigendom(srecht) wordt aldus omgekeerd omschreven als het meest volledige recht op stoffelijke vermogensobjecten, ofwel zaken.)
  • Beperkte rechten
    zijn rechten die zijn afgeleid uit meer omvattende rechten (moederrechten), die met beperkte rechten zijn bezwaard (3:8).  Beperkte rechten zijn onder te verdelen in:
    -gebruiks- of genotsrechten 
    (vruchtgebruik, gebruik en bewoning, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal);
    - zekerheidsrechten (pand en hypotheek).


    Zij zijn ook onder te verdelen in:
    -beperkte rechten op goederen 
    (vruchtgebruik, pand en hypotheek - boek 3);
    -beperkte rechten op zaken 
    (erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal - boek 5, alsmede recht van gebruik en bewoning, dat - hoewel alleen op zaken mogelijk – in boek 3 is opgenomen, dit vanwege de nauwe verbondenheid met de regeling van vruchtgebruik.)

  • Afhankelijke rechten/accessoire rechten:
    zijn rechten die aan andere rechten zodanig zijn verbonden, dat zij niet zonder die andere rechten (hoofdrechten) kunnen bestaan (3:7).
    Afhankelijke rechten bevinden daarom altijd in dezelfde hand als de hoofdrechten. De afhankelijke rechten uit het goederenrecht zijn de rechten van:
    -pand en hypotheek (afhankelijk van een vorderingsrecht);
    -erfdienstbaarheid (afhankelijk van eigendom van het heersend erf); - indien bedongen, het recht van opstal (afhankelijk van een gebruiksrecht); -          mandeligheid (afhankelijk van eigendom van aan elkaar grenzende erven). Een voorbeeld van een afhankelijk recht dat niet tot het goederenrecht behoort, is borgtocht.
  • Nevenrechten:
    zijn rechten die zodanig aan andere, vorderingsrechten zijn verbonden, dat zij niet zonder die vorderingsrechten kunnen bestaan (6:142).
    Veel afhankelijke rechten zijn dus ook nevenrechten, zoals pand, hypotheek en borgtocht. Anders dan afhankelijke rechten zijn nevenrechten evenwel steeds verbonden aan een vordering, en zijn het niet altijd vermogensrechten. Voorbeelden van nevenrechten die geen vermogensrechten, en dus geen afhankelijke rechten zijn, zijn de voorrechten (3:278 e.v.).
    Geen nevenrechten zijn die rechten die aan de gehele rechtsverhouding tussen schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser zijn verbonden, bijvoorbeeld het recht op ontbinding, of op aanvullende schadevergoeding
  • Recht van erfdienstbaarheid:
    is het beperkt, zakelijk recht, bestaande in een last, waarmee een onroerende zaak (het dienende erf) ten behoeve van een andere onroerende zaak (het heersende erf) is bezwaard, eventueel tegen vergoeding van een vergoeding, retributie genoemd (5:70). De last kan slechts bestaan in een verplichting van de eigenaar van het dienende erf om iets te dulden of niet te doen, of de verplichting tot onderhoud van eigen erf of van gebouwen, werken of beplantingen die zich geheel of ten dele op het dienende erf bevinden (onderhoudsservituut, 5:71 lid 2). Deze last strekt tot enig voordeel of belang van de eigenaar van het heersende erf. 
  • Recht van erfpacht
    is het beperkt, zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft om gedurende een al of niet bepaalde periode de onroerende zaak van een ander (de eigenaar, erfverpachter) te houden en te gebruiken, eventueel tegen een vergoeding, canon genoemd (5:85). 
  • Recht van opstal
    is het beperkt, zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander (meestal de grond) gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen, eventueel tegen een vergoeding, de canon genoemd (5:101).  De en hebben dus elk hun eigen eigenaar. Het recht van opstal voorkomt dat de eigendom van een onroerende (hoofd)zaak door natrekking tevens eigendom omvat van toevoegingen, in het bijzonder dat eigendom van grond tevens eigendom omvat van aangebrachte beplantingen, gebouwen, werken, in of op de grond, als omschreven in art. 5:20onroerende zaak en de opstal daarop worden zakenrechtelijk van elkaar gescheiden
  • Recht op vruchtgebruik:
    is het beperkt recht om goederen die aan een ander toebehoren - de eigenaar of rechthebbende - te gebruiken en de vruchten daarvan te genieten (3:201). 
  • Hypotheekrecht:
    si het beperkt recht dat ertoe strekt verhaal om op de daaraan onderworpen registergoederen een vordering bij voorrang boven anderen te verhalen, voor het geval de schuldenaar zijn verplichtingen voortvloeiende uit de vordering van zijn schuldeiser niet nakomt (3:227 en 260). 
  • Pandrecht:
    is het beperkt recht dat ertoe strekt om op de daaraan onderworpen nietregistergoederen een vordering bij voorrang boven anderen te verhalen, voor het geval de schuldenaar zijn verplichtingen voortvloeiende uit de vordering van zijn schuldeiser niet nakomt (3:227 en 236). 
  • noem de kenmerken van absolute rechten
    - limitatief
    - werking jegens een ieder
    - Droit de suite
    - droit de priorite
    - droit de preferance
    - seperatisme
    -
  • kenmerken van relatieve rechten?
    - niet limitatief
    - werking jegens 1 persoon 
    - geen droit de suite
    - in beginsel van gelijke rang
    - geen separatisme 
    -
  • Geef de betekenissen: wat is droit de suite
    houdt in dat het absolute recht blijft rusten op de zaak, ofwel de zaak ‘volgt’, of, indien het absolute recht betrekking heeft op een vermogensrecht, dit recht volgt. Dit houdt in dat de rechthebbende zijn recht kan uitoefenen, ongeacht waar het object van dat recht zich bevindt. Dit wordt ook wel zaaksgevolg respectievelijk derdenwerking genoemd.
  • Droit de priorité:
    houdt in dat een ouder absoluut recht vóór een jonger absoluut recht gaat.
  • Droit de préférence
    houdt in dat in geval van botsing tussen een absoluut recht en een relatief recht op een en hetzelfde goed, het absoluut recht vóór het relatief recht gaat. 
  • Wat is het verschil tussen recht in objectieve zin en recht in subjectieve zin?
    Het objectieve recht is het geheel van de voor ieder geldende rechtsregels op een bepaald rechtsgebied en omvat zowel geschreven als ongeschreven regels (normen).  Subjectieve rechten zijn de rechten die door het objectieve recht aan een rechtssubject (een persoon) worden verleend. Bijvoorbeeld het eigendomsrecht of een vorderingsrecht.
  • 1.Wat houdt het goederenrecht in objectieve zin in?
    Het goederenrecht in objectieve zin is het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen personen en goederen. Anders gezegd, is het dat recht dat regels geeft voor de goederenrechtelijke rechten, de rechtsposities die personen in verhouding tot die rechten kunnen hebben en mutaties daarin.
  • In welke boeken van het BW is het goederenrecht te vinden?
    Het goederenrecht is gecodificeerd in de boeken 3 (vermogensrechten in het algemeen) en 5 (zakelijke rechten) van het Burgerlijk Wetboek.
  • Wat houdt het in dat het BW een gelaagde structuur heeft, en hoe ziet deze structuur er concreet uit m.b.t. het goederenrecht?
    De gelaagde structuur houdt in dat algemene bepalingen voor in het wetboek te vinden zijn en dat deze gevolgd worden door bepalingen die, naarmate men verder in het boek komt, steeds meer op een bepaalde situatie toegespitst worden. M.b.t het goederenrecht houdt dit in dat de meeste algemene bepalingen te vinden zijn in boek 3 en in boek 5 staan de bijzondere regelingen vermeld. Daarnaast is het goederenrecht ook in andere boeken van het BW te vinden: boek 1 (huwelijksvermogensrecht), boek 2 (aandelen), boek 4 (erfrecht) en boeken 6, 7, 7A en 8 (vermogensrechten).
  • Maak aan de hand van een eenvoudig voorbeeld duidelijk wat het verschil is tussen het verbintenissenrecht en het goederenrecht.
    Het verbintenissenrecht heeft vooral te maken met vermogensrechtelijke relaties tussen twee of meer (rechts)personen.  Voorbeeld: bij een koopovereenkomst ontstaan er twee verbintenissen, namelijk de verbintenis tot eigendomsoverdracht en de verbintenis tot betaling.  Het goederenrecht heeft vooral betrekking op de relatie tussen (rechts)personen en goederen. (Zie ook vraag 2 hiervoor.) Voorbeeld: bij een overdracht ter uitvoering van een koopovereenkomst van een zaak verliest de vervreemder de eigendom van die zaak en verkrijgt de verkrijger de eigendom daarvan.
  • Waarom wordt het intellectueel eigendomsrecht niet tot het goederenrecht gerekend, maar wel tot het vermogensrecht?
    Intellectuele eigendom heeft niets van doen met eigendom in de zin van het Burgerlijk Wetboek, te weten het meest volledige recht op stoffelijke vermogensobjecten. Aangezien deze rechten geen betrekking hebben op goederen zijn het geen goederenrechtelijke rechten. Intellectuele eigendomsrechten worden echter wel beschouw als vermogensrechten, namelijk rechten met vermogenswaarde, alleen van andere aard dan de goederenrechtelijke rechten. Daarom wordt het intellectueel eigendomsrecht wel tot het vermogensrecht gerekend
  • 1.Wat houdt het in dat ons recht een gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten kent?
    Het gesloten systeem dat in onze wet met betrekking tot goederenrechtelijke rechten bestaat houdt het volgende in (3:81 en 3:84 lid 3): - personen zijn niet bevoegd om buiten de wet nieuwe goederenrechtelijk rechten te creëren;
    - personen zijn evenmin bevoegd om de inhoud van de wel in de wet geregelde goederenrechtelijke rechten naar eigen inzicht te regelen, tenzij de wet een afwijkende regeling toestaat
  • 1.Welke beperkte rechten zijn er, op welke twee wijzen kunnen de beperkte rechten worden ingedeeld in categorieën, en welke twee verdelingen resulteren daaruit? 
    De in ons recht bestaande beperkte rechten (dit zijn rechten die zijn afgeleid uit meeromvattende rechten, de zogenaamde moederrechten, die met die beperkte rechten worden bezwaard – 3:8) kunnen als volgt worden ingedeeld: 1: Gebruiks- of genotsrechten versus zekerheidsrechten; Dit resulteert in een verdeling als volgt: gebruiksrechten: vruchtgebruik, gebruik en bewoning, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal; zekerheidsrechten: pand en hypotheek. 2: Beperkte rechten alleen op zaken versus beperkte rechten op zaken of op vermogensrechten; Dit resulteert in een verdeling als volgt: alleen op zaken: erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal; op zaken of op vermogensrechten: vruchtgebruik, pand en hypotheek.
  • 1.Wat is een afhankelijk recht, en welke afhankelijke rechten zijn er in het goederenrecht?
    Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan (3:7). Men spreekt ook wel van een accessoir recht. Belangrijke afhankelijke rechten uit het goederenrecht zijn pand en hypotheek (3:227), erfdienstbaarheid (5:70), mandeligheid (5:60) en mogelijk het recht van opstal (5:101
  • 1.Wat is het verschil tussen absolute en relatieve rechten?
    Absolute rechten doen een relatie ontstaan tussen een (rechts)persoon en een goed. De term houdt verband met de absolute werking van de rechten, wat inhoudt dat zij jegens eenieder werking hebben.  Relatieve rechten ontstaan onder andere uit verbintenisscheppende overeenkomsten en geven ‘slechts’ recht op een bepaald prestatie van een schuldenaar. De term houdt hier verband met de relatieve werking, inhoudende in dat de rechten slechts jegens één of meer bepaalde personen werking hebben c.q. aanspraak geven op enige prestatie
  • 1.Welke bijzondere kenmerken hebben absolute rechten, en wat houden zij in?
    Exclusiviteit: iedere derde is verplicht zich te onthouden van gedragingen die de rechthebbende op een goed in zijn gebruik, beheer of beschikking storen. Prioriteit: derden kunnen geen jonger volledig recht op hetzelfde goed bewerkstelligen (droit de priorité);5:1.

    Zaaksgevolg: de rechthebbende kan zijn recht uitoefenen ongeacht onder wie het object van zijn recht bevindt (droit de suite); 5:2.

    Separate behandeling: een goederenrechtelijke gerechtigde kan een later beslag of faillissement negeren en zijn goederenrechtelijke recht dus separaat uitoefenen (droit de préférence); 3:276.
  • 1.Wat zijn bestanddelen, en aan de hand van welke criteria wordt bepaald of iets al dan niet als bestanddeel aan te merken is?
    Bestanddelen zijn onzelfstandige onderdelen van een zaak, hetzij op grond van een hechte ideële band - 3:4 lid 1 -  hetzij op grond van een hechte materiele band -3:4 lid 2.  Of de verkeersopvatting (de ideële band) bestanddeelvorming meebrengt, is volgens de jurisprudentie met name afhankelijk van de vraag of een zaak als incompleet moet worden beschouwd indien een bepaald element als bestanddeel ontbreekt. 
    Of volgens het fysieke criterium sprake is van bestanddeel is in de wet – 3:4 lid 2 -  zelf (en verder ook jurisprudentie) nader inhoud gegeven: een zaak is bestanddeel van een andere zaak als deze zodanig met die andere zaak (de hoofdzaak) is verbonden dat deze daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat schade van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken.
  • 1.Op welke wijzen kan de hoedanigheid van een onzelfstandige zaak als bestanddeel van een andere zaak, de hoofdzaak, worden doorbroken?
    De hoedanigheid van bestanddeel kan worden doorbroken door afscheiding (feitelijk), door vestiging van een recht van opstal (5:101) en door mandeligheid (5:60). Afscheiding vindt plaats door de ideële of materiële band te verbreken. Vervangt men het slot van een huisdeur, dan zal de sleutel van het oude slot geen bestanddeel meer zijn van het huis. Breekt men het ingemetselde ligbad uit, dan verliest het ook de hoedanigheid van bestanddeel. Als een fabrieksbestanddeel buiten het fabrieksgebouw wordt gerepareerd, blijft het echter bestanddeel van het fabrieksgebouw.  Doorbreking van de bestanddeelvorming door vestiging van een opstalrecht werkt aldus dat een onroerende zaak die in, op of boven een andere onroerende zaak wordt gebouwd of geplaatst, niet tot bestanddeel van laatstgenoemde zaak verwordt, hetgeen normaliter wél het geval is (zie met name 3:4 en 5:20). Een gebouw dat men op andermans grond bouwt of beplantingen die men in andermans grond plaatst, worden immers normaliter door bestanddeelvorming eigendom worden van de grondeigenaar, maar door het recht van opstal op het huis of de boom te vestigen wordt dit doorbroken.  Mandelige zaken, zoals gemeenschappelijke scheidingsmuren of heggen van twee erven, behandelt het recht ook als een zelfstandige zaak en dus niet als bestanddeel van de erven; zie. 5:60
  • 1.Wat zijn natuurlijke vruchten, en welke verschillende soorten vruchten worden onderscheiden?
    Natuurlijke vruchten zijn zaken. Voorbeelden zijn appels van een boom en het kalf van een koe (3:9 lid 1).  Daarnaast zijn er ook burgerlijke vruchten. Dat zijn vermogensrechten. Voorbeelden zijn de rente van een vordering uit geldlening, het dividend op aandelen en de huuropbrengsten van een verhuurde woning.
  • 1.Wat is het verschil en wat is de overeenkomst tussen nevenrechten en afhankelijke rechten?
     Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig is verbonden, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan (3:7).  Een nevenrecht is een recht dat is verbonden aan een vordering. De overeenkomst tussen beide dat beide, afhankelijke rechten en nevenrechten, zich kenmerken doordat zij zijn verbonden aan een hoofdrecht. het verschil zit erin dat nevenrechten, anders dan afhankelijke rechten, steeds verbonden aan een vordering, en dat nevenrechten niet per se vermogensrechten zijn.
  • 1.Welke algemene leerstukken zijn voor het goederenrecht van belang, en waar in de wet zijn deze leerstukken opgenomen?
    Art. 3:11 BW, goede trouw;
    art. 3:12 BW, redelijkheid en billijkheid;
    art. 3:13 BW, misbruik van bevoegdheid;
    art. 3:14 BW, strijd met publiekrecht;
    art. 3:15 BW, schakelbepaling.
  • 1.De HR heeft zich in het arrest Portacabin uitgelaten over de vraag wanneer een zaak als onroerend dan wel roerend moet worden aangemerkt. Welk algemeen criterium formuleert de HR als antwoord op deze vraag, en welke feiten acht de HR in de onderhavige casus van doorslaggevend belang?
    De beoordeling van de vraag of een gebouw onroerend is in de zin van art. 3:3 lid 1, dat voor zover hier van belang het voordien geldende recht weergeeft, geschiedt aan de hand van de volgende maatstaven.

    a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3
    BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven (de technische mogelijkheid van verplaatsing is niet doorslaggevend)

    b. Bij beantwoording van de vraag of een gebouw te beschouwen is als een werk bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is.

    c. De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven, dient naar buiten kenbaar te zijn

    d. De verkeersopvattingen.kunnen wel bij de beantwoording van de vraag naar de duurzame verbinding van een gebouw of werk en grond een rol spelen, maar vormen geen zelfstandig criterium voor de kwalificatie als roerende dan wel onroerende zaak (anders dan voor de kwalificatie als bestanddeel ingevolge art. 3:4 BW). Ondergrondse telecomkabels en netwerkaansluitingen lijken vanuit dit perspectief in de regel ook roerend te zijn. In casu was de portacabin via kabels en leidingen aangesloten op gas, water, electra en telecommunicatie. Daarnaast waren er ook voorzieningen als een toegangspad en aangelegde tuin die op een duurzame vestiging ter plaatse duiden.
  • 1.Welke rechtsvraag staat in het arrest Pos / Van den Bosch centraal, en hoe heeft de HR deze rechtsvraag beantwoord?
    Kan een persoonlijk recht ook tegen een derde werken? Kern: Een persoonlijk recht kan tegen een derde werken, indien de derde misbruik van zijn vertrouwenspositie heeft gemaakt en heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de ander.  In dit arrest volgde uit een verbintenis uit de wet, een onrechtmatige daad, een verplichting tot overdracht. Door een actie uit onrechtmatige daad in te stellen kon het persoonlijke recht van Van den Bosch (zie hieronder) als het ware worden opgerekt waardoor het derdenwerking krijgt (verabsolutering van een relatiefrecht), en dus tegen Pos werkt.  Dit arrest leert aldus dat een verbintenis uit de wet, zoals een onrechtmatige daad, tot overdracht kan verplichten, dus een rechtsgeldige overdrachtstitel kan opleveren.  Ten overvloede: De casus is als volgt. Pachter Van den Bosch heeft een koopoptie op de weilanden van Neetje Brouwer. Neeltje overlijdt en van den Bosch oefent zijn koopoptie uit. Het weiland is echter al om niet door Neeltje overgedragen aan haar neef Pos. Pos heeft misbruik van zijn vertrouwenspositie gemaakt en de wanprestatie van Neeltje uitgelokt en daarvan geprofiteerd. Daarmee heeft Pos zich onrechtmatig gedragen. Op eerder genoemde gronden moet Pos alsnog de grond aan Van den Bosch leveren.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Maakt het voor het antwoord op vraag b verschil indien Yilmaz op het moment dat hij verkreeg van Stormop de hoogte was van het door deze gepleegde bedrog?
T.g.t is een eis van art. 3:88 BW, Ylimaz is geen eigenaar geworden. Dus wil Kroes beschermd worden, dan moet hij zelf aan de eisen van art. 3:88 voldoen, zie hiervoor lid 1. Als hij te goeder trouw is, zal dit in beginsel het geval zijn.
Maakt het voor het antwoord op vraag b verschil indien Yilmaz nà zijn verkrijging en vóór overdracht aan Kroes op de hoogte is geraakt van het door Storm gepleegde bedrog?
Op het moment dat Yilmaz het bezit verkreeg was hij te goeder trouw. Eenmaal te goeder trouw, blijf je dat (art. 3:118 lid 2). Zijn wetenschap ten tijde van de vervreemding is niet meer relevant.
Stel dat het huis op 31 mei 2013 door Yilmaz zou zijn verkocht en geleverd aan Kroes.a.Wie mag zich in dat geval op 27 augustus 2013 de eigenaar beschouwen van het huis?
Overdracht van Y aan K d.d. 31-05-07 (voor vernietiging): criteria 3:84
geldige titel: ja, in koopovereenkomst
b.b: ja, want Y eigenaar
lev: 3:89: not. akte en inschrijving in register
na overdacht is K eigenaar geworden.
Conclusie: Kroes wordt door 3:88 beschermd (zie vraag a.), dus op grond van 3:84 jo. 3:88 is de overdracht door Y aan K toch geldig. Y mag zich dus op 27 augustus eigenaar noemen.
 Het voorgaande onder a m.b.t. art. 3:88 is nu van toepassing op K. ijzigd. Ondanks de vernietiging, wordt Y toch als eigenaar beschouwd, dankzij de werking van 3:88.
In januari 2012 heeft Mannaerts zijn huis verkocht en geleverd aan Storm. Mannaerts heeft in februari 2013 ontdekt dat hij bij het aangaan van de overeenkomst is bedrogen door Storm. Een procedure die door Mannaerts is ingezet resulteert erin dat de overeenkomst bij vonnis van 27 augustus 2013 wordt vernietigd. Storm heeft het huis evenwel medio 2012 verkocht en op 30 december 2012 geleverd aan Ylimaz, die geen weet had van het door Storm gepleegde bedrog.a.Wie mag zich op 27 augustus 2013 de eigenaar beschouwen van het huis?

Weergave gebeurtenissen in schema en tijdbalk.
Uitwerking van de diverse transacties die hebben plaatsgehad.
overdacht van M aan S d.d. jan 06.: criteria 3:84
geldige titel: ja, in koopovereenkomst
b.b: ja, want M eigenaar
lev: 3:89: not. akte en inschrijving in register
na overdacht is S eigenaar geworden.

overdracht van S aan Y d.d. 30-12-06: criteria 3:84
geldige titel: ja, in koopovereenkomst
b.b: ja, want M eigenaar
lev: 3:89: not. akte en inschrijving in register
na overdacht is S eigenaar geworden

Dan volgt vernietiging van de koopovk. tussen M en S.
Door de vernietiging treedt het causale stelsel in werking en daardoor komt met terugwerkende kracht (zie 3:53) de titel aan de overdracht te ontvallen. Achteraf bezien is nimmer een geldige overdracht tot stand gekomen, en is S nimmer eigenaar geworden.
Achteraf bezien heeft dus ook geen geldige overdracht van S aan Y, vanwege bob van S (omdat die nooit eigenaar is geworden) plaatsgevonden, althans niet conform art.3:84.
Nu Y te goeder trouw is, moet gekeken worden of Y een beroep toekomt op derdenbescherming: 3:88
de criteria van 3:88:
vervreemder = bob, t + l zijn in orde: ja, zie hiervoor
overdracht registergoed: ja, huis
verkrijger t.g.tr: ja, gegeven in casus (3:11 jo 3:23)
Dit zou overigens anders zijn geweest indien Mannaerts de dagvaarding had ingeschreven in de openbare registers (3:17 lid 1 sub f.)
bob moet voortvloeien uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder’: ja, bob wordt veroorzaakt voor titelgebrek in voorgaande overdracht.
 
Conclusie: Yilmaz wordt door 3:88 beschermd, dus op grond van 3:84 jo. 3:88 is de overdracht door S aan Y toch geldig. Y mag zich dus op 27 augustus eigenaar noemen.
Geef voor ieder van de navolgende gevallen aan gedurende welke termijn rechthebbende Appels kan revindiceren.a.Appels’ gouden horloge wordt door Berend gestolen en door deze aan Simpelveld verkocht en geleverd.b.Appels gouden zegelring wordt ook door Berend gestolen. Deze schenkt Berend aan zijn broer Sander, ter gelegenheid van diens huwelijk.Speelt in dit verband een rol of Sander wel of niet te goeder trouw is? c.Uit de boerderij van Appels steelt Berend een kostbare pentekening vanRotring. In de pers wordt ruime aandacht besteedt aan de kunstroof. Van Opstal koopt de pentekening van de hem onbekende Berend voor een zeer voordelige prijs, in een chique restaurant in Antwerpen.d. Uit een ren in de tuin van Appels worden tot slot tien kippen gestolen door Berend. Berend verkoopt en levert deze kippen door aan poelier Ruiter, maar deze koopovereenkomst is nietig
in beginsel is revindicatie mogelijk gedurende 20 jaar. Zie 3:306.
Mocht Simpelveld als verkrijger te goeder trouw een beroep op derdenbescherming ex 3:86 toekomen, dan is de termijn voor revindicatie beperkt tot 3 jaar, gerekend vanaf de diefstal.

Revindicatie is mogelijk gedurende 20 jaar. Zie 3:306.
Sander heeft om niet verkregen, en kan dus nimmer een beroep doen op 3:86, dat vereist een verkrijging anders dan om niet. Als hij te goeder trouw is, kan hij wel een beroep doen op art. 3:99 verkrijgende verjaring (zie artikel voor vereisten).

Revindicatie is in beginsel mogelijk gedurende 20 jaar. Zie 3:306.
Betwijfeld kan worden of Opstal een beroep kan toekomen op derdnebescherming. Gezien de aandacht in de media, en de gunstige prijs, is de vraag of Opstal (objectief bezien) te goeder trouw kan worden geacht. Zo ja, dan zou op grond van 3:86 de termijn voor revindicatie beperkt blijven tot 3 jaar (uitzondering consumentenkoop is niet van toepassing).
Zo niet, dan blijft de 20 jarige termijn overeind.

Revindicatie is mogelijk gedurende 20 jaar. Zie 3:306.
Berend heeft willen overdragen aan Ruiter, maar vanwege de nietigheid van de titel, heeft geen rechtsgeldige overdracht plaatsgevonden. Revindicatie, onder Berend, kan dus gedurende 20 jaar ingesteld worden.
Een verkrijger aan wie c.p. geleverd is, komt geen beroep op derdenbescherming ex. 3:86 toe.’b.        Geef uw oordeel over de (on)juistheid van deze stelling.
Bart is bob (zie hiervoor vorige vraag: hij krijgt ook geen derdenbescherming). Hij kan daarom niet geldig overdragen aan Carolien.
Leerstuk derdenbescherming. Zie 3:86 (lid 1), zie voor eisen antwoord vraag a..
In casu zou de beoogde overdracht aan Carolien voldoen aan de eisen van 3:86 (NB: op tentamen eisen uitdrukkelijk noemen en uitwerken door korte motivering).
zie art. 3:86 lid 3, zie tevens antwoord op vorige vraag met dien verstande dat in deze situatie geen sprake is van de uitzondering van de consumentenkoop; Bart is verkoper en kan niet als “winkel” worden gezien, maar als een particuliere vervreemder. In dit geval gaat dus de hoofdregel op van revindicatie.
Stelling is onjuist, want te stellig.
De levering c.p. is een levering die bezitsverschaffing, als bedoeld in 3:90 inhoudt. Het is deze vorm van levering die onder het bereik valt van 3:86. In 3:90 lid 2 wordt deze vorm van levering wel gerelativeerd, doordat deze levering niet werkt tegenover een derde met een ouder recht, zoals de rechthebbende, of een beperkt gerechtigde, zolang de zaak niet in handen is gekomen van de verkrijger. Echter, zodra het goed wel in handen van de verkrijger is gekomen, eindigt de relativering, en wordt de verkrijger tegen revindicatie door de rechthebbende beschermd door 3:86
Wanneer Kees een goede tweedehands I-pad wil kopen, neemt zijn vriend, Bart, hem mee naar de Bart bekende handelaar Helmer. Kees besluit van Helmer op 20 augustus een (gangbaar geprijsde) I-pad te kopen. Wanneer Kees vertrekt, vertrouwt Helmer aan Bart toe dat hij de betreffende I-pad, tezamen met wat andere zaken waaronder een laptop voor een prikkie heeft gekocht van ene Dave. Hij en Dave doen wel vaker zaken, en Helmer weet Bart dan ook te vertellen dat Dave de spullen heeft gestolen. In een opwelling besluit Bart de genoemde laptop te kopen. Dave is inderdaad de dief. Eerder in augustus heeft hij uit het huis van de heer De Vries, die op dat moment op vakantie was, alle multimedia-apparatuur gestolen.Wie is er eigenaar van de I-pad en de laptop?a.De Vries is eigenaar van de I-pad en de laptop;b.De Vries is eigenaar van de I-pad en Bart is eigenaar van de laptop;c.Kees is eigenaar van de I-pad en Bart is eigenaar van de laptop;d.Kees is eigenaar van de I-pad en De Vries is eigenaar van de laptop.

Antwoord: d.
Leerstuk (eisen) overdracht. Zie (3:83) 3:84.
Voor geldige overdracht gelden de in 3:84 genoemde eisen (zei hierboven opgesomd).
Er is in casu een geldig titel, de koopovereenkomst, en een geldige levering, namelijk via bezitsverschaffing ex 3:90 jo 3:114. Echter, Helmer is niet bb. Hij heeft verkregen van Dave waarvan hij weet dat hij de apparatuur heeft gestolen, en dus niet bb was.
Helmer heeft dus niet rechtsgeldig verkregen, wordt niet beschermd door 3:86 want is niet te geoder trouw, en is dus geen eigenaar geworden. Daarom kan hij de overdracht niet realiseren.
Leerstuk derdenbescherming. Zie 3:86 (lid 1).
De eisen voor derdenbescherming ex 3:86 lid 1 zijn als volgt:
- verkrijging van een in art 3:86 opgesomd goed;
- door levering overeenkomstig 3:90, 91 of 93;
- anders dan om niet;
- door een derde te goeder trouw;
- afgezien van bob, moet voldaan zijn aan de eisen van een geldige overdracht.
Wordt aan alle eisen voldaan, dan is de overdracht o.g.v. 3:84 jo 3:86 alsnog geldig en is de verkrijger rechthebbende geworden.
In casu voldoet de beoogde overdracht aan Kees aan de bovengenoemde eisen (NB: op tentamen eisen uitdrukkelijk uitwerken, door korte motivering). Omdat hier sprake is van een diefstal dient lid 3 van 3:86 ook in het verhaal betrokken te worden.
Hoofdregel lid 3: revindicatie binnen 3 jaar door de bestolen eigenaar.
Eerste uitzondering: consumentenkoop. Revindicatie is uitgesloten bij verkrijging door een particulier die de zaak kocht in de voor dergelijke zaken normale handel, waarbij men geen gestolen waar hoeft te verwachten.
(zie het artikel en jp Uitslag/Wolterink voor de exacte criteria)
Tweede uitzondering: geld, toonder- of orderpapier.
Toegepast op de casus geldt dat revindicatie is uitgesloten, omdat zich de eerste uitzondering van consumentenkoop voordoet. Kees wordt dus beschermd.

De beoogde overdracht aan Bart voldoet niet aan de eisen; Bart is immers niet te goeder trouw, want weet van de diefstal. Hij wordt dus geen eigenaar, lid 3 is hierdoor niet meer relevant. De Vries kan revindiceren (5:2).
1.Wat volgt uit de jurisprudentie met betrekking tot eisen die worden gesteld aan goede trouw van een verkrijger van een tweedehands auto?  Welk(e) arrest(en) betreft dit?
Arrest Bull’s Eye- Chrystler: voormalig lease auto. Onderzoeksplicht beperkt. Ook al staat de auto op naam van ander dan vervreemder kan men nog te goeder trouw zijn. Goede trouw hangt ook af van de branche. Arrest Coppes-v/d Kolk: tweedehandsauto: onderzoeksplicht betekent verplichting van de koper om kentekenbewijzen te controleren
1.Wat was de (voornaamste) rechtsvraag in het arrest Uitslag / Woltering, en hoe heeft de HR deze rechtsvraag beantwoord?
Kan de verkrijger van een caravan van een beschikkingsonbevoegde zich beroepen op de bescherming van artikel 3:86 BW? Antwoord: Ja, aangezien het hier een situatie betreft als bedoeld in art. 3:86 lid 3. Met name van belang is de overweging ten aanzien van de bedrijfsruimte: Deze voldoet aan de vereisten indien er sprake is van een voor dergelijke zaken normale handel, waarbij met name gedacht is aan koop in een winkel of ander bedrijf met een duurzame en op een vaste plaats gevestigde bedrijfsruimte waar zij in beginsel geen gestolen zaken
behoeven te verwachten. De caravan kan hier in het licht van de omstandigheden van het geval met een onroerende zaak gelijk is te stellen.
1.Gaat een hypotheekrecht teniet als de bewaarder van de openbare registers de inschrijving daarvan doorhaalt?
De doorhaling door de bewaarder is slechts een administratieve handeling. Deze handeling kan op zich nimmer het tenietgaan van een hypotheekrecht bewerkstelligen. Aanvullend: Zoals bekend is een hypotheekrecht een afhankelijk recht (3:7), hetgeen onder meer inhoudt dat het hypotheekrecht niet zonder de vordering, waarvan zij afhankelijk is, kan bestaan. Als de vordering teniet gaat, gaat derhalve ook het hypotheekrecht teniet. Verder zijn algemene wijzen van tenietgaan van beperkte rechten, zoals afstand mogelijk (3:81).