Summary Class notes - Hematologie/Klinische immunologie

Course
- Hematologie/Klinische immunologie
- DIMH
- 2018 - 2019
- Hanzehogeschool Groningen (Hanzehogeschool Groningen, Groningen)
- Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek
243 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Class notes - Hematologie/Klinische immunologie

  • 1536530400 Granulopoïese, monopoïese en lymfopoïese

  • Welke organen vallen onder hematologie?
    Primaire lymfoïde organen:
    - Beenmerg: productie van T- en B-lymfocyten, granulocyten, monocyten, erytrocyten en trombocyten + opleiding van B-cellen (negatieve selectie).
    - Thymus: opleiding van T-cellen (positieve selectie = T-cel moet binden aan lichaamseigen MHC + negatieve selectie = T-cel mag niet binden aan lichaamsvreemde peptiden).
    - Lever en milt: foetale bloedaanmaak.

    Secundaire lymfoïde organen:
    - Lymfeknopen: immuunrespons in de lymfevaten.
    - Milt: immuunrespons in het bloed (witte pulpa) + afbraak van erytrocyten (rode pulpa).
    - MALT: immuunrespons in de slijmvliezen:
    Amandelen (tonsillen): immuunrespons in de keel.
    Platen van Peyer: immuunrespons in de darm.
  • Wat gebeurt er met teveel aan vocht in de interstitiële ruimte?
    Wordt afgevoerd via de lymfevaten naar het hart toe via de grote borstbuis (ductus thoracicus), gestuwd door samentrekking van omliggende skeletspieren en terugstroming wordt voorkomen door kleppen.
  • Welke bloedcellen zijn er?
    Erytrocyten (rode bloedcellen)
    Trombocyten (bloedplaatjes)
    Leukocyten (witte bloedcellen):
    - Neutrofiele granulocyten
    - Eosinofiele granulocyten
    - Baofiele granulocyten
    - Monocyten
    - Lymfocyten (T-lymfocyten, B-lymfocyten en NK-cellen)
    - Plasmacellen
    - Macrofagen
    - Mestcellen
    - Dendritische cellen
  • Wat is serum?
    Serum is plasma zonder stollingsfactoren (waterige gedeelte van gestold bloed).
  • Wat is het verschil tussen rood beenmerg en geel beenmerg?
    Rood beenmerg = plaats van bloedaanmaak.
    Geel beenmerg = vetweefsel.
  • Waar wordt bloed gemaakt?
    In het rode beenmerg (voornamelijk in de platte beenderen).
  • Waar bevinden zich de stamcellen?
    In een stamcel niche:
    - Stamcel ligt tegen bot aan, vlakbij sinusoïdale capillairen.
    - Stamcel heeft receptor voor bepaalde cytokines. Als een cytokine bindt zal proliferatie en differentiatie plaatsvinden. Welke cytokine bindt bepaald tot welk type cel de stamcel zal differentiëren. 
    - Stamcellen worden onderhouden door stroma cellen (matrix): produceren cytokines.
    - Stamcellen zitten vast aan de stroma cellen via adhesiemoleculen (CAM).
  • Welk type stroma cellen zijn er in het beenmerg?
    - Fibroblasten
    - Macrofagen
    - Adipocyten
    - Osteoblasten
    - Osteoclasten
    - Sinusoïdale endotheel cellen
  • Wat is sinusoïdaal endotheel?
    Endotheel van capillairen in het beenmerg, hebben veel ruimte tussen de endotheelcellen, zodat uitgerijpte stamcellen het beenmerg kunnen verlaten zodat nieuwe bloedcellen in het bloed terechtkomen.
  • Wat is compartimentalisatie?
    Indeling in compartimenten op basis van plaats of tijd.
  • Wat is compartimentalisatie binnen het beenmerg op basis van plaats?
    - Erytrocyten en macrofagen worden gemaakt romdom de bloedvaten.
    - Granulocyten worden gemaakt ver van de bloedvaten vandaan.
  • Welke typen stamcellen zijn er?
    - Totipotente stamcel: alle cellen (ook extra embryonaal, bv. placenta).
    - Pluripotente stamcel: alle kiembladen (ook embryonaal, maar niet extra embryonaal zoals placenta).
    - Multipotente stamcel: heel aantal cellen.
    - Oligopotente stamcel: paar celtypen.
    - Unipotente stamcel: 1 celtype
    - Induced pluripotente stamcel (iPS): stamcellen in het lab gemaakt.
  • Wat voor type stamcel is een hematologische stamcel?
    Multipotent
  • Wat voor type stamcel is een myeloide voorloper (CFU-GEMM) of lymfoide voorloper?
    Oligopotent
  • Wat gebeurt er met een stamcel een een cytokine (groeifactor) als ligand bindt op de receptor van de stamcel?
    - Stamcel gaat prolifereren en differentiëren.
    - Gedifferentieerde stamcel verliest expressie voor cytokine receptor.
    - Gedifferentieerde stamcel verliest expressie adhesiemoleculen: laat los van stromacellen (matrix) en gaan bewegen.
    - Uitgerijpte stamcellen kunnen door de sinusoïdale capillairen in het bloed komen (door beenmerg-bloedbarrière).
  • Wat zijn cytokines?
    Cytokines zijn groeifactoren die de proliferatie en differentiatie van cellen stimuleren.
  • Wat stimuleert IL-5?
    Interleukine 5 stimuleert de differentiatie tot eosinofiele granulocyten.
  • Wat stimuleert EPO?
    Erytropoëtine stimuleert de aanmaak van erytrocyten.
  • Wat stimuleren IL-1, IL-3 en IL-6?
    Interleukine 1, 3 en 6 stimuleren de differentiatie van multipotente stamcel naar myeloide voorloper (CFU-GEMM) en vervolgens tot CFU-GM (myeloblast).
  • Wat stimuleert GM-CSF?
    Groeifactor voor donoren, zorgt voor meer aanmaak van stamcellen.
    - GM-CSF stimuleert de ontwikkeling van CFU-GM (myeloblast) naar neutrofielen en monocyten.
  • Wat stimuleert IL-8?
    Interleukine 8 stimuleert de migratie van rijpe neutrofielen uit de bloedvaten.
  • Wat is de functie van IL-4?
    Interleukine 4 activeert een type II immuunrespons via T-helper 2 cellen (betrokken bij allergie).
    - Bevindt zich in granules van basofiele granulocyten.
  • Welke compartimentalisatie is er binnen het beenmerg op basis van de tijd (5 compartimenten)?
    - Stamcelcompartiment: multipotente hematologische stamcel.
    - Mitotisch compartiment: celdeling en differentiatie (CFU-GM, CFU-Eo, CFU-baso).
    - Postmitotisch compartiment: geen celdeling meer, wel differentiatie. (15x meer cellen dan in het bloed).
    - Circulerende pool: cellen in het bloed.
    - Marginale pool: cellen hechtend aan de vaatwand.
  • Schrijf de gehele hematopoïese voluit.
    Multipotente stamcel --> myeloide voorloper (CFU-GEMM) of lymfoide voorloper.

    Lymfoide voorloper wordt lymfoide dendritische cel, B-lymfocyt, T-lymfocyt of NK-cel.

    Myeloide voorloper (CFU-GEMM) --> BFU-E, CFU-Meg, CFU-GMEo of CFU-baso
    - BFU-E --> CFU-E --> erytrocyt
    - CFU-Meg --> trombocyt
    - CFU-baso --> basofiel
    - CFU-GMEo --> CFU-GM (myeloblast) of CFU-Eo
    CFU-Eo --> eosinofiel
    CFU-GM --> CFU-M of CFU-G --> neutrofiel of monocyt
  • Wat is de granulopoïese?
    De aanmaak van granulocyten (bevatten granula/korrels):
    - Neutrofiele granulocyt: neutrale korrels
    - Eosinofiele granulocyt: eosinofiele korrels trekken zure kleurstof aan (eosine) --> rood.
    - Basofiele granulocyt: azurofiele korrels trekken basische kleurstof aan (methyleenblauw) --> blauw
  • Welke stadia omvat de granulopoïese?
    - Myeloblast (CFU-GM)
    - Promyelocyt
    - Myelocyt
    - Metamyelocyt
    - Band neutrofiel (staafkernige neutrofiel)
    - Neutrofiel (segmentkernige neutrofiel)
  • Wat gebeurt er tijdens de maturatie van granulocyten?
    - Celgrootte neemt af
    - Kernvorm verandert van rond naar segmentvormig
    - Condensatie van chromatine --> kern wordt kleiner (N/P ratio neemt af).
    - Cytoplasma kleurt van blauw naar roze.
    - Verschijnen en verdwijnen van primaire granules.
    - Verschijnen van secundaire granules.
  • Wat zijn de kenmerken van een myeloblast (CFU-GM)?
    - Hoge N/P ratio (veel kern, weinig plasma).
    - Grote cel.
    - Ronde kern.
    - Blauw cytoplasma.
    - Geen granules.
    - Nucleoli aanwezig.
  • Wat zijn de kenmerken van een promyelocyt?
    - N/P ratio lager dan bij myeloblast (kern wordt kleiner door condensatie van chromatine).
    - Grotere cel dan myeloblast.
    - Ronde kern.
    - Blauw cytoplasma.
    - Primaire granules verschijnen.
  • Wat zijn de kenmerken van een myelocyt?
    - N/P ratio lager dan bij promyelocyt (kern wordt kleiner door condensatie van chromatine).
    - Kleinere cel dan promyelocyt.
    - Kern deukt in.
    - Blauw cytoplasma
    - Primaire granules verdwijnen
    - Secundaire granules verschijnen (vanaf nu te zien of differentiatie verloopt naar neutrofiel, eosinofiel of basofiel).
  • Wat zijn de kenmerken van een metamyelocyt?
    - N/P ratio lager dan bij myelocyt (kern wordt kleiner door condensatie van chromatine).
    - Kleinere cel dan myelocyt.
    - Kern deukt verder in (niervormig).
    - Roze cytoplasma.
  • Wat zijn de kenmerken van een band neutrofiel (staafkernige granulocyt)?
    - N/P ratio lager dan bij metamyelocyt (kern wordt kleiner door condensatie van chromatine).
    - Kleinere cel dan metamyelocyt.
    - Kern deukt verder in (staafkernig = U-vorm).
    - Roze cytoplasma.
    - Komt perifeer in bloed voor.
  • Wat zijn de kenmerken van een segmentkernige neutrofiel?
    - N/P ratio hetzelfde als bij staafkernige neutrofiel --> zelfde grootte cel en kern).
    - Kern deukt verder in (insnoering meer dan 2/3e).
    - Roze cytoplasma.
    - Komt perifeer in bloed voor.
  • In welk compartiment binnen het beenmerg op basis van de tijd zijn alle ontwikkelingsstadia van de granulopoïese in te delen?
    Stamcelcompartiment: 
    - Multipotente hematologische stamcel
    - Myeloide voorloper (CFU-GEMM)

    Mitotisch compartiment:- Myeloblast (CFU-GM)
    - Promyelocyt
    - Myelocyt

    Postmitotisch compartiment:- Metamyelocyt
    - Staafkernige neutrofiel (band)
    - Segmentkernige neutrofiel

    Circulerende/marginale pool:- Staafkernige neutrofiel (band)
    - Segmentkernige neutrofiel
  • Waar komen de neutrofielen vandaan bij een infectie?
    1. Circulerende pool
    2. Marginale pool
    3. Post-mitotisch compartiment
    4. Nieuwe productie van neutrofiele granulocyten
  • Kan op basis van morfologische kleuringen onderscheid worden gemaakt tussen T-, B- en NK-cellen. Hoe wel?
    Nee, wel op basis van de CD-clusters op de cellen door die te meten met flowcytometrie.
  • Wat zijn de kenmerken van een neutrofiele granulocyt?
    - Myeloïde cel, granulocyt.
    - 11-16 µm
    - Meest voorkomende leukocyt in het bloed (70%).
    - 3 tot 5-lobbige kern.
    - Verhoogd bij bacteriële infecties.
    - Kan fagocyteren.
  • Wat zijn de kenmerken van een eosinofiele granulocyt?
    - Myeloïde cel, granulocyt.
    - 12-17 µm
    - Na basofiel minst voorkomende leukocyt in het bloed (1-6%).
    - Blijven vooral in beenmerg want kunnen niet lang in bloed overleven (~8 uur).
    - 2-lobbige kern.
    - Verhoogd bij parasitaire infecties en allergie/astma (granules met histamine).
    - Kan fagocyteren.
  • Wat zijn de kenmerken van een basofiele granulocyt?
    - Myeloïde cel, granulocyt.
    - 9-13 µm
    - Minst voorkomende leukocyt in het bloed (0,3%).
    - Verhoogd bij parasitaire infecties, ontstekingsreacties en allergie (grote granulen met histamine en IL-4).
    - Kan mogelijk fagocyteren (niet zeker).
  • Wat zijn de kenmerken van mestcellen?
    - Behoren tot de leukocyten.
    - 10-20 µm.
    - Lijken op basofiele granulocyten, maar hebben waarschijnlijk andere WBC voorloper.
    - Hebben zeer veel granula/korrels (met histamine en herparine).
    - Belangrijk bij wondheling en allergie. 
    - Komt niet in bloed voor, alleen in weefsels met contact met buitenwereld.
    - Kan niet fagocyteren.
  • Wat is de monopoïese?
    De aanmaak van monocyten (bevatten geen granula/korrels --> agranulocyt).
  • Welke stadia omvat de monopoïese?
    - Myeloblast (CFU-GM)
    - Promonocyt
    - Monocyt (in bloed)
    - Immature macrofaag (in weefsel: niet geactiveerd)
    - Mature macrofaag (in weefsel: wel geactiveerd)
  • Wat zijn de kenmerken van een monocyt?
    - Myeloïde cel, agranulocyt.
    - 10-15 µm (grootste cel in bloed)
    - Komt regelmatig voor in het bloed (6%).
    - Onregelmatige celvorm (niet helemaal rond).
    - Onregelmatige kernvorm (niervormig).
    - Veel en helder cytoplasma met vacuoles.
    - Veel opgeslagen in de milt.
    - Ongedifferentieerde vorm van macrofagen.
    - Belangrijk bij infecties.
    - Kan fagocyteren.
  • Wat zijn de kenmerken van een macrofaag?
    - Gedifferentieerde monocyt in weefsel.
    - Komt niet in bloed voor.
    - 25-30 µm 
    - Belangrijke fagocyt en APC = antigeenpresenterende cel.
    - Afhankelijk van locatie hebben ze een specifieke naam.
  • Welke specifieke macrofagen zijn er?
    - Dust cells / alveolaire macrofagen = longblaasjes
    - Histiocyten = bindweefsel
    - Kupffer cellen = lever
    - Microglia = zenuweefsel
    - Epithelioide cellen = granuloom
    - Osteoclasten = botten
    - Sinusoidal lining cells = milt
  • Wat zijn de kenmerken van dendritische cellen?
    - Behoren tot de leukocyten.
    - Kunnen zowel ontstaan uit myeloide voorloper (CFU-GEMM) als lymfoide voorloper (maar kunnen ook afstammen van andere mesenchymale celllen en niet bloedvoorlopercellen).
    - Belangrijke fagocyt en APC = antigeenpresenterende cel.
    - Komt niet in bloed voor, alleen in weefsels met contact met buitenwereld.
  • Wat is de lymfopoïese?
    De aanmaak van lymfocyten (bevatten geen granula/korrels --> agranulocyt).
  • Wat zijn de kenmerken van lymfocyten?
    - Lymfoïde cel, agranulocyt
    - 8-10 µm (kleinste cellen in het bloed).
    - 2e meest voorkomende cel in het bloed (25%).
    - Kleine ronde cel met veel kern en weinig cytoplasma.
    - Belangrijk bij immuunrespons (virale infecties)
    - Kan niet fagocyteren.    
    - 3 typen: T-cellen, B-cellen en NK-cellen
  • Wat zijn de kenmerken van geactiveerde lymfocyten?
    - Groter dan ongestimuleerde lymfocyt (14-20 µm).
    - Afwijkende grilligere vorm (niet meer rond).
    - Kern is ingedeukt (niet meer rond).
    - Rond de kern is een perinucleair hof (licht blauw).
  • Wat zijn de kenmerken van T-lymfocyten (thymus)?
    - Betrokken bij cellulaire immuniteit: tegen intracellulaire infecties.
    - Behoren tot adaptieve immuunsysteem.
    - Hebben T-cel receptor (TCR).
    - 4 typen:
    T-helpercellen (CD4+): herkennen antigeenpresentatie op MHC II
    - Th-1 cellen: stimuleren activatie van cytotoxische T-cellen via IL-2 en IFN-gamma.
    - Th-2 cellen: stimueleren activatie van B-cellen via IL-4.
    Cytotoxische T-cellen (CD8+): herkennen antigeenpresentatie op MHC I
    Regulerende T-cellen (CD8+): reguleren self-tolerance
    Geheugen T-cellen (CD4+ of CD8+): geheugencellen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is klonale expansie?
Proliferatie en differentiatie van de gemuteerde stamcel leidt tot een kwaadaardige proliferatie van leukocyten die de gezonde leukocyten gaan overheersen doordat ze ongecontroleerd en dus sneller delen.
Is een leukemie polyklonaal of monoklonaal?
Een leukemie is monoklonaal, want het wordt veroorzaakt door een DNA mutatie in één hematopoietische stamcel.
Wat is X-linked hyper-IgM syndrome?
Genetisch defect in het X-chromosoom waarbij er een probleem is in de isotype-switch --> verhoogde hoeveelheid IgM antilichamen, want kan niet veranderen in IgG of IgA.
Wat is selective IgA deficiency?
Genetisch defect waardoor er een verlaagde hoeveelheid IgA antilichamen is (in lichaamsvloeistoffen) -> meer kans op infectie in longen, darm
Wat is common variable immunodeficiency (CVID)?
Genetisch defect waarbij er normale hoeveelheid B-cellen zijn, maar een verlaagde hoeveelheid van een of meer antilichaam isotypen.
Wat is X-linked agammaglobulinemie (X-LA)?
Genetisch defect in het X-chromosoom waardoor er een verlaagde hoeveelheid IgG antilichamen zijn --> geen opsonisatie --> verlaagde humorale immuunrespons. Ook een verstoorde B-cel functie doordat de geproduceerde B-cellen in het beenmerg niet perifeer komen.
Wat is DiGeorge syndrome (DGS)?
Genetische ziekte waarbij er een verminderd aantal T-cellen is ontstaat doordat de thymus ontbreekt of niet goed werkt.
Wat is Bare-lymfocyte syndrome?
Genetische ziekte waarbij de lymfocyten een verminderde expressie hebben van MHC.
Wat is Wiskott-Aldrich syndrome (WAS)?
Genetische ziekte waarbij er een verstoorde opbouw van actine filamenten is in de cellen --> verstoorde intracellulaire structuur --> geen beweging mogelijk van de lymfocyten --> geen recirculatie van de lymfocyten --> minder goede immuunrespons.
Wat is Reticular dysgenesis (RD)?
Genetische ziekte waarbij er veel apoptose is in myeloide en lymfoide voorlopercellen --> verminderd aantal T-cellen, B-cellen en NK-cellen.