Summary Class notes - Hersenontwikkeling

Course
- Hersenontwikkeling
- L. Wijnroks
- 2014 - 2015
- Universiteit Utrecht
- Pedagogische Wetenschappen
352 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Class notes - Hersenontwikkeling

  • 1431986400 8 Theoretische modellen van afwijkend gedrag

  • Welke vier theoretische modellen van afwijkend gedrag worden er besproken in het college?
    1. Developmental psychopathology [DP]
    2. Causale modellen [CM]
    3. Multiple Deficit Model [MDM]
    4. Transgenerationeel epigenetisch erfelijkheidsmodel [TEE]
  • [DP] Wat is de developmental psychopathologie benadering?
    Onderzoek naar de ontwikkelingsprocessen die bijdragen of beschermen tegen psychopathologie. Een integratieve benadering: de mens is een geïntegreerd en dynamisch systeem, waarbij alle domeinen, cognitief, sociaal, emotioneel en biologisch, met elkaar interacteren. Ontwikkeling is hiërarchisch: van eenvoudig naar complex, nieuwe structuren bouwen voort op bestaande.
  • [DP] Wat zijn 7 belangrijke kenmerken van ontwikkeling volgens de developmental psychopathology benadering?
    1. Faseontwikkeling en transities
    2. Probabilistich 
    3. Continuüm tussen normaal en abnormaal
    4. Risico- en protectieve factoren 
    5. Vulnerabiliteit en susceptibiliteit
    6. Veerkracht
    7. Ontwikkelingspaden
  • [DP] Wat is een risicofactor?
    Een conditie of situatie die de kans op psychopathologie verhoogt.
  • [DP] Wat is een protectieve factor?
    Een conditie of situatie die het individu beschermt tegen het effect van een risicofactor.
  • [DP] Wat is vulnerabiliteit?
    Kenmerken in het individu die het effect van een risicofactor intensiveert (interactie-effect). 
  • [DP] Wat is susceptibiliteit?
    Kenmerken in het individu die het effect van risico- en protectieve factoren versterkt.
  • [DP] Wat is veerkracht?
    Wat is kinderen met veerkracht ontwikkelen zich relatief goed ondanks de aanwezigheid van risicofactoren.
  • [DP] Wat zijn drie kenmerken van ontwikkelingspaden?
    1. Continuïteit en discontinuïteit 
    2. Developmental transformation 
    3. Equifinality en mutlifinality
  • [DP] Wat is developmental transformation?
    De manifestatie van een stoornis verandert over de tijd.
  • [DP] Wat is het verschil tussen equifinality en multifinality?
    Equifinality betekent dat verschillende onderliggende oorzaken tot hetzelfde fenotype kunnen leiden. Multifinality betekent dat eenzelfde oorzaak kan leiden tot verschillende uitingsvormen - genen interacteren met de omgeving. 
  • [DP] Wat is beschrijvende continuïteit?
    Als het gedrag niet verandert over de tijd (bijv. lachen)
  • [DP] Wat is beschrijvende discontinuïteit?
    Als het gedrag verandert over de tijd (bijv. spel)
  • [DP] Wat is verklarende continuïteit?
    Als de betekenis van het gedrag niet verandert over de tijd (bijv. contact zoeken)
  • [DP] Verklarende discontinuïteit
    Als de betekenis van het gedrag verandert over de tijd (bijv. huilen van geluk)
  • [DP] Wat is beschrijvende kwantitatieve verandering?
    Iets neemt in hoeveelheid of aantal toe (bijv. lichaamslengte, woordenschat)
  • [DP] Wat is beschrijvende kwalitatieve verandering?
    Iets (een nieuwe kwaliteit) ontstaat, terwijl het daarvoor niet bestond (bijv. interesse in seks).
  • [DP] Wat is verklarende kwantitatieve verandering?
    Een toename in het ene proces veroorzaakt een toename in een ander proces (bijv. toename in lichaamsgroei stimuleert aanmaak van hormonen).
  • [DP] Wat is verklarende kwalitatieve verandering?
    Een verandering in onderliggende processen, zoals doelen, behoeftes (bijv. de behoefte aan sociaal contact is voor een baby anders als voor een adolescent). 
  • [DP] Wat zijn twee kenmerken van kwalitatieve veranderingen?
    1. Nieuwheid: wat ontstaat is niet terug te voeren tot de oorspronkelijke elementen. 
    2. Zelforganisatie (geen kracht buitenaf, zoals genen of omgeving). 
  • [DP] Wat is stabiliteit in de ontwikkeling?
    Iemands positie t.o.v. een vergelijkingsgroep verandert niet over de tijd. 
  • [DP] Wat is het verschil tussen continuïteit en stabiliteit?
    Continuïteit zegt iets over groepen. Stabiliteit over individuen. 
  • [DP] Wat betekent het dat ontwikkeling cumulatief is? Wat zijn de implicaties?
    Latere ontwikkeling bouwt voort op een eerdere ontwikkeling. Implicaties: ontwikkelingstrajecten, effecten van vroegere ervaringen. 
  • [DP] Wat betekent het dat ontwikkeling multideterministisch is?
    Het zijn altijd meerdere factoren die een ontwikkeling bepaalt. 
  • [DP] Wat zijn transacties?
    Een serie dynamische en wederkerige interacties tussen kindfactoren en de sociale omgeving. 
  • [DP] Wat zijn drie kenmerken van transacties?
    1. Transacties veranderen over tijd
    2. Factoren beïnvloeden elkaar wederzijds
    3. Transacties zijn dynamisch
  • [CM] Wat zijn causale modellen?
    Een methode om proberen zicht te krijgen op alle factoren die en rol zouden kunnen spelen in afwijkende ontwikkeling. De methode gaat uit van vier beschrijvingsniveaus. 
  • [CM] Wat zijn de vier beschrijvingsniveaus volgens causale modellen?
    1. Biologisch: alle processen die te maken hebben met genen en fysiologische processen. 
    2. Cognitief: 
    3. Gedrag: er wordt altijd begonnen vanuit het gedrag - symptomen.
    4. Omgeving: alle invloeden buiten het organisme om. 
  • [CM] Wat zijn drie uitgangspunten van causale modellen?
    1. Gedrag is het resultaat van biologische processen en/of cognitieve processen.
    2. De omgeving (sociale en fysieke) heeft invloed op het biologisch en het cognitief niveau. 
    3. De omgeving heeft zelden een direct effect op gedrag. 
  • [MDM] Wat is het Multiple-deficit model?
    Een risicomodel voor ontwikkelingsstoornissen. Probeert comorbiditeit te verklaren. 
  • [MDM] Wat is het uitgangspunt van het Multiple-deficit model?
    Meerdere risicofactoren, zowel genetisch als omgeving, zijn betrokken bij de ontwikkeling van stoornissen. 
  • [MDM] Welke vijf punten volgen uit het uitgangspunt van het Multiple-deficit model?
    1. De oorzaak (etiologie) is multi-factorieel bepaald, interactie tussen meerdere risico- en protectieve factoren (genetisch/omgeving).
    2. Interacties tussen etiologische risico en protectieve factoren veranderen de ontwikkeling van hersenstructuren die de cognitieve functies aansturen. Deze cognitieve structuren zijn noodzakelijk voor een normale ontwikkeling. Te samen produceren zij de gedragssymptomen die kenmerkend zijn voor de stoornis.
    3. Geen enkele etiologische factor is voldoende, slechts een paar zijn noodzakelijk om de stoornis te veroorzaken. 
    4. Comorbiditeit is een 'normaal' verschijnsel vanawege de overlap in etiologische en cognitieve risicofactoren. 
    5. De verschijningsvorm van een stoornis is eerder continue, en niet discreet of categoriaal. Dus de grens tussen normaal en afwijkend (stoornis) is arbitrair. 
  • Wat zijn mutaties?
    Toevallige veranderingen in het DNA
  • Wat zijn drie oorzaken van mutaties?
    1. Recombinatie: het herschikken van erfelijk materiaal. Genetische recombinatie treedt bijvoorbeeld op bij de meiose. Hierbij worden de chromosomen 'gemixt', waardoor nieuwe combinaties van allelen kunnen ontstaan. 
    2. Omgevingsfactoren: virussen, radioactieve straling, medicijnen. 
    3. Microdeleties: het verlies van een heel klein stukje van het chromosoom. 
  • Wat zijn epigenetische processen?
    Veranderingen in de genexpressie en niet in het DNA.
  • Wat is mitose?
    Celdeling
  • Wat is meiose?
    Celdeling na bevruchting eicel
  • Wat is het verschil tussen mitose en meiose?
    Bij normale celdeling worden alle chromosoomparen gedulpliceerd (mitose). Bij de celdeling van ei- en zaadcellen worden de chromosoom-paren gehalveerd (meiose). Er blijven dus 23 chromosomen over. 
  • Wat doen genen?
    Het gen bevat instructies (= genetische code) voor het maken van eiwitten en enzymen (= eiwitsynthese). Eiwitsynthese vormt de basis van alle levensprocessen, zoals groei en ontwikkeling maar ook hersenprocessen. Door een bepaald proces (alternative splicing) kan één gen zorgen voor de aanmaak van duizenden verschillende eiwitten. De genen reguleren dit proces via het messenger RNA. 
  • Wat is mRNA?
    Messenger RNA is een kopie van het DNA. Omdat base-paren altijd hetzelfde zijn bevat mRNA alleen de helft van de code. 
  • Hoe verloopt het proces van transcriptie?
    Voor het maken van een eiwit wordt het hele gen door transcriptie afgelezen, waardoor een pre-mRNA ontstaat. Van dit pre-mRNA wordt door het proces splicing het uiteindelijke mRNA gemaakt (zonder introns - stukjes zonder informatie, alleen met exons).
  • Wat is een locus?
    Een gen voor een bepaald kenmerk ligt op een specifieke plaats op het chromosoom. Dit is de locus. De locus van een gen bevindt zich op dezelfde plek op de twee overeenkomstige paar chromosomen.
  • [TEE] Wat is epigenetica?
    Het onderzoek naar erfelijke veranderingen in genexpressie in een cel die niet veroorzaakt zijn door veranderingen in het DNA.
  • [TEE] Wat is transgenerationele epigenetische erfelijkheid?
    De transfer van epigenetische informatie over generaties. 
  • [TEE] Welk voorbeeld wordt in Babenko et al. genoemd van transgenerationele epigenetische erfelijkheid?
    Prenatale stress leidt tot epigenetische veranderingen, wat leidt tot psychische problemen, zoals angst en depressie.
  • [TEE] Welke twee typen epigenetische veranderingen zijn er?
    1. Erfelijke epigenetische veranderingen: overdraagbaar op volgende generaties (meiose). 
    2. Context-afhankelijke epigenetische veranderingen: alleen tijdens iemands leven (mitose). 
  • [TEE] Wat zijn twee criteria voor erfelijke epigenetische veranderingen?
    1. Slechts één generatie moet blootgesteld zijn aan de gebeurtenis die tot een epigenetische verandering geleid heeft.
    2. Minstens in 2 generaties moet de verandering zijn vastgesteld. 
  • [TEE] Wat zijn 4 epigenetische componenten?
    1. DNA methylering
    2. Histone modificatie
    3. Wijzigingen in het chromatine
    4. Niet-coderende RNA modificaties (mRNA)
  • [TEE] Wat is DNA methylering?
    Aan de buitenkant van een DNA streng zitten ook moleculen, methylgroepen genoemd. Deze kunnen het coderen van genen tegenhouden: veel methylgroepen blokkeren dat een gen tot expressie kan komen. 
  • [TEE] Wat is histone modificatie?
    Een streng DNA is opgerald om clusters eiwitten, die worden histonen genoemd. Hoe nauwer die clusters op elkaar zitten, hoe minder makkelijk de genen uitgelezen kunnen worden door mRNA. Hoe meer afstand, hoe makkelijker. Dit is een proces dat bepaald of een gen tot expressie komt of niet. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is het peuter- en kleuterproject?
Individuele ondersteuningstrajecten voor jonge kinderen met ontwikkelings- en gedragsproblemen. De ondersteuning bestaat o.a. uit een EF-training voor 3-5 jarigen met problemen in de controle over aandacht en gedrag.
Wat blijkt uit het artikel van Jolles & Crone over de effectiviteit van computertrainingen?
Er lijkt voldoende bewijs voor de effecten van computertrainingen. Er is echter weinig onderzoek gedaan naar veranderingen in de hersengebieden. Mogelijk is er ook een limiet aan de effecten van de training. En het is nog niet uitgesloten dat trainingen ook een negatief effect kunnen hebben.
Wat is het resultaat van werkgeheugentraining voor kinderen met ADHD volgens het onderzoek van Klingberg et al. (2002)
Betere prestaties op alle taken en afname in waargenomen symptomen van ADHD.
Wat zijn drie mogelijke effecten van werkgeheugen training op de hersenen? (Buschkuehl et al., 2014)
1. Resting state veranderingen: functionele connectiviteit van DMN.
2. Veranderingen witte en grijze stof: voxel-based morphometry. Expertise --> dichtheid grijze stof / integriteit witte stof.
3. Dopaminerge veranderingen: dichtheid D1 en D2 receptoren (binding potentieel), afname D1 receptoren in PFC en pariëtale schors.
Wat zijn vier mogelijk effecten van werkgeheugen training op de hersenen?
1. Activiteit neemt af: omdat minder neuronen geactiveerd hoeven te worden na de training is er een efficiënter systeem, meer synchronisatie. Veel ondersteuning voor deze neural efficiency theory.
2. Activiteit neemt toe: vooral bij perceptuele en motorische taken. Niet veel ondersteuning.
3. Activiteit neemt toe, maar ook af: afname in de hersengebieden die betrokken zijn bij aandachtcontrole, maar toename in de gebieden die de taak-specifieke functies ondersteunen.
4. Reorganisatie van netwerken: niet bekend voor werkgeheugen training.
Wat zijn transfereffecten?
Prestaties op niet-getrainde taken.
Welke twee typen computertrainingen bestaan er? (Jolles & Crone, 2012)
1. Proces-gebaseerde trainingen: het trainen of oefenen van taken die een sterk beroep doen op executieve functies.
2. Strategie-gebaseerde trainingen: aanleren van meer specifieke taakinstructies, zoals het stimuleren van het gebruik van bepaalde strategieën of meta-cognitieve kennis.
Op welk principe zijn computertrainingen gebaseerd?
Op het principe van neuroplasticiteit: door training kunnen nieuwe hersenverbindingen aangelegd worden en bestaande geactiveerd en versterkt worden.
Wat zijn computertrainingen als interventie?
Computertrainingen stimuleren een specifieke executieve functie bij individuele kinderen.
Wat stelt het 'bidirectional model of self-regulation'  van Raver?
Dit model legt de nadruk op de koppeling tussen cognitie en emotie. Daarbij bestaan twee processen. Top-down processen bestaan uit executieve functies als willekeurige component van zelfregulatie. Bottom-up processen bestaan uit onbewuste, meer automatisch gereguleerde reacties op de omgeving.